Posts tonen met het label hebdomada II per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hebdomada II per annum. Alle posts tonen
zondag 19 januari 2025
Collectegebed Tweede zondag door het jaar "Hemel en aarde worden door U geleid"
Omnipotens sempiterne Deus,
qui cælestia simul et terrena moderaris,
supplicationes populi tui clementer exaudi,
et pacem tuam nostris concede temporibus
Almachtige eeuwige God,
hemel en aarde worden door U geleid;
verhoor welwillend het gebed van uw volk
en geef ons uw vrede in deze tijd.
L i t u r g i s c h e a n t e c e d e n t e n e n i n h o u d
In het præconciliaire Romeinse Missaal is deze oratie als collecte opgenomen in het misformulier van de 2e zondag na Driekoningen en heeft na de liturgiehervorming van Vaticanum II in het Proprium de Tempore nagenoeg dezelfde liturgische plaats behouden. Naast de vermelding in het Sacramentarium Hadrianum dat teruggaat op het Gregorianum komt deze collecte in diverse liturgische tradities voor. (1)
Het gebed wendt zich tot de "Almachtige en eeuwige God, die hemel en aarde bestuurt". De term "almachtig" is de oorspronkelijke vertaling van de Griekse term Pantokrator (Albeheerser), "die het universum in zijn hand draagt" en zo uitsluitend een voor God gereserveerde aanspreektitel is. (Zie commentaar bij het collectegebed van de eerste zondag van de Advent)
De oratie richt zich tot God de Vader, zoals alle oraties van de misformulieren in het missaal en in het brevier, uitgezonderd de oratie van 24 december (2) en de oratie van Sacramentsdag. (3)
(Een derde uitzondering, maar dan van een andere categorie, vormt het slotgebed van de Completen van woensdag : Dómine Iesu Christe, qui iugum suáve...)
Omdat God de Pantokrator is en als zodanig over hemel en aarde heerst, kan Hij ook de vrede bewerken en de elkaar bestrijdende machten van de wereld tot rust brengen. Dat is hetgeen het volk van Gods goedheid in dit gebed wil afsmeken.
De begrippen cæléstia et terréna, hier gebruikt als object van Gods bestuur, verwijzen allereerst naar de schepping zelf: "In het begin schiep God hemel en aarde" (Gen 1,1). In deze eerste woorden van de Schrift worden drie zaken gesteld: de eeuwige God heeft alles wat buiten Hem bestaat een begin gegeven. Hij alleen is de Schepper (het werkwoord "scheppen" - bara in het Hebreeuws - heeft als onderwerp altijd God). Het geheel van wat bestaat (uitgedrukt in de formulering hemel en aarde (of zoals hier cæléstia et terréna) is van Hem afhankelijk die er het zijn aan geeft (vgl. CKK nr. 290).
Het bijwoord "simul" dat het werkwoord "moderaris" nader kwalificeert en versterkt, en daarmee de almacht van God sterker tot uitdrukking brengt, is in de Nederlandse vertaling achterwege gelaten.
Zoals eerder gezegd is de collecte een bede om vrede, maar heeft met de hoofdthema's van de H. Mis van de 2e zondag na Driekoningen en de 2e zondag door het jaar (de huldiging en de aanbidding van de op aarde verschenen God in de Introitus Omnis terra met de Jubilatepsalm (Psalm 65, een Paaslied) geen enkel verband.
Historisch gezien is deze oratie mogelijk afkomstig uit de onrustige tijden van de volksverhuizing. Deze bede heeft echter vandaag de dag waarin de vluchtelingenstromen over de wereld trekken nog niets aan betekenis ingeboet(4).
(1) Zie nr. 3909 in Moeller, Clément en Coppieters >t Wallant, CORPUS ORATIONUM, Brepols Turnhout 1995, Tomus VI, p. 93.
(2) Festína, quæsumus, ne tardáveris, Dómine Iesu... (Haast U, bidden wij, talm niet, Heer Jezus...)
(3) Deus, qui nobis sub sacraménto mirábili passiónis tui memóriam reliquisti ...
God [Heer Jezus Christus] die ons in dit wonderbaar sacrament de gedachtenis hebt nagelaten van uw lijden en sterven...
(4) Het begrip volksverhuizing is moeilijk exact te definiëren. Vanaf de prehistorie hebben grote groepen mensen herhaaldelijk hun woonplaatsen verlaten om elders nieuwe te zoeken. Na 500 v. Chr. kwam de grootste bedreiging uit de Euraziatische steppen: Skythische, Turkse, Mongoolse en andere nomaden waren te allen tijde gereed de vruchtbare, rijke landbouwgebieden te plunderen, zeker als hun eigen weidegronden tekort schoten. Zo=n aanval bracht vele andere gevestigde volkeren in beweging en kon soms tientallen jaren lang de landbouwrijken destabiliseren.
Meer speciaal bedoelt men met de volksverhuizing de Grote Volksverhuizing aan het einde van de oude geschiedenis. Deze werd in beweging gezet door de Hunnen, die in 375 in de Zuid-Russische Laagvlakte verschenen, in de daarop volgende jaren verder trokken naar Hongarije en ook aanvallen deden op Gallië en Italië. Dit bracht de meeste Germaanse stammen in beweging, die reeds lange tijd voordien ervaren hadden dat de grenzen van het Romeinse Rijk niet meer ondoordringbaar waren. Goten, Vandalen, Sueven, Bourgondiërs, Angelen, Saksen en andere stammen vestigden kort na 400 zelfstandige koninkrijken binnen dit rijk.
In de 6e eeuw volgde een tweede fase, samenhangend met de komst van de Avaren ca. 550, die o.a. resulteerde in de verovering van Italië door de Longobarden (568). Als laatste fase zou men de invallen van de Noormannen 800-1000 kunnen aanmerken.
Lezingen H. Mis 2e zondag door het jaar C “Doet maar wat Hij u zeggen zal.”
Eerste lezing (Jesaja 62,1-5)
Uit de Profeet Jesaja.
Omwille van Sion mag ik niet zwijgen,
terwille van Jeruzalem mij niet stilhouden.
Want als de zon zal haar gerechtigheid stralen,
haar heil branden als een fakkel.
De volkeren zullen uw gerechtigheid aanschouwen,
alle koningen uw glorie zien
en men zal u een nieuwe naam geven,
een naam door de Heer bedacht.
In de hand van de Heer zult gij een flonkerende kroon zijn,
in de hand van uw God een koninklijke diadeem
. Gij zult niet meer heten: “de Verlatene”,
uw land niet meer: “Woestenij”;
maar gij zult heten: “Mijn Welbehagen”,
uw land: “Gehuwde”;
Want in u heeft de Heer zijn behagen gesteld
en uw land wordt Hem ten huwelijk gegeven.
Zoals een jongen zijn meisje trouwt,
zal Hij die u opbouwt, u trouwen;
en zoals een bruidegom zich verheugt in zijn bruid
zal uw God zich verheugen in u.
Tweede lezing (1 Korinte 12,4-11)
Uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte.
Er zijn verschillende gaven, maar slechts één Geest.
Er zijn vele vormen van dienstverlening,
maar slechts één Heer.
Er zijn allerlei soorten werk,
maar er is slechts één God,
die alles in allen tot stand brengt.
Maar aan ieder van ons
wordt de openbaring van de Geest meegedeeld
tot welzijn van allen.
Aan de een wordt door de Geest een woord van wijsheid gegeven,
aan een ander een woord van kennis krachtens dezelfde Geest,
aan een derde door dezelfde Geest het geloof.
Aan weer anderen schenkt de ene Geest gaven
om ziekten te genezen, om wonderen te doen,
de gave van profetie,
de onderscheiding van geesten,
velerlei taal of de vertolking ervan.
Maar alles is het werk van een en dezelfde Geest,
die aan ieder zijn gaven uitdeelt zoals Hij het wil.
Evangelie (Johannes 2,1-12)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
In die tijd was er een bruiloft te Kana in Galilea, waarbij de moeder van Jezus aanwezig was.
Jezus en zijn leerlingen
waren eveneens op die bruiloft uitgenodigd.
Toen de wijn opraakte
zei de moeder van Jezus tot Hem:
“Ze hebben geen wijn meer.”
Jezus zei tot haar:
“Vrouw, is dat soms uw zaak?
Nog is mijn uur niet gekomen.”
Zijn moeder sprak tot de bedienden:
“Doet maar wat Hij u zeggen zal.”
Nu stonden daar volgens het reinigingsgebruik der Joden
zes stenen kruiken,
elk met een inhoud van ongeveer honderd liter.
Jezus zei hun:
“Doet die kruiken vol water.”
Zij vulden ze tot bovenaan toe.
Daarop zei Hij hun:
“Schept er nu wat uit
en brengt dat aan de tafelmeester.”
Dat deden ze.
De tafelmeester proefde van het water
dat in wijn veranderd was.
Hij wist niet waar die wijn vandaan kwam,
maar de bedienden, die het water geschept hadden,
wisten het wel.
Zodra hij geproefd had,
riep hij de bruidegom en zei hem:
“Iedereen zet eerst de goede wijn voor
en wanneer men eenmaal goed gedronken heeft de mindere.
“U hebt de goede wijn tot nu toe bewaard.”
Zo maakte Jezus te Kana in Galilea een begin met de tekenen
en openbaarde zijn heerlijkheid.
En zijn leerlingen geloofden in Hem.
Daarna daalde Hij af naar Kafarnaüm,
Hijzelf en zijn moeder, de broeders en zijn leerlingen;
maar zij bleven daar slechts enkele dagen.
Uit de Profeet Jesaja.
Omwille van Sion mag ik niet zwijgen,
terwille van Jeruzalem mij niet stilhouden.
Want als de zon zal haar gerechtigheid stralen,
haar heil branden als een fakkel.
De volkeren zullen uw gerechtigheid aanschouwen,
alle koningen uw glorie zien
en men zal u een nieuwe naam geven,
een naam door de Heer bedacht.
In de hand van de Heer zult gij een flonkerende kroon zijn,
in de hand van uw God een koninklijke diadeem
. Gij zult niet meer heten: “de Verlatene”,
uw land niet meer: “Woestenij”;
maar gij zult heten: “Mijn Welbehagen”,
uw land: “Gehuwde”;
Want in u heeft de Heer zijn behagen gesteld
en uw land wordt Hem ten huwelijk gegeven.
Zoals een jongen zijn meisje trouwt,
zal Hij die u opbouwt, u trouwen;
en zoals een bruidegom zich verheugt in zijn bruid
zal uw God zich verheugen in u.
Tweede lezing (1 Korinte 12,4-11)
Uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte.
Er zijn verschillende gaven, maar slechts één Geest.
Er zijn vele vormen van dienstverlening,
maar slechts één Heer.
Er zijn allerlei soorten werk,
maar er is slechts één God,
die alles in allen tot stand brengt.
Maar aan ieder van ons
wordt de openbaring van de Geest meegedeeld
tot welzijn van allen.
Aan de een wordt door de Geest een woord van wijsheid gegeven,
aan een ander een woord van kennis krachtens dezelfde Geest,
aan een derde door dezelfde Geest het geloof.
Aan weer anderen schenkt de ene Geest gaven
om ziekten te genezen, om wonderen te doen,
de gave van profetie,
de onderscheiding van geesten,
velerlei taal of de vertolking ervan.
Maar alles is het werk van een en dezelfde Geest,
die aan ieder zijn gaven uitdeelt zoals Hij het wil.
Evangelie (Johannes 2,1-12)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
In die tijd was er een bruiloft te Kana in Galilea, waarbij de moeder van Jezus aanwezig was.
Jezus en zijn leerlingen
waren eveneens op die bruiloft uitgenodigd.
Toen de wijn opraakte
zei de moeder van Jezus tot Hem:
“Ze hebben geen wijn meer.”
Jezus zei tot haar:
“Vrouw, is dat soms uw zaak?
Nog is mijn uur niet gekomen.”
Zijn moeder sprak tot de bedienden:
“Doet maar wat Hij u zeggen zal.”
Nu stonden daar volgens het reinigingsgebruik der Joden
zes stenen kruiken,
elk met een inhoud van ongeveer honderd liter.
Jezus zei hun:
“Doet die kruiken vol water.”
Zij vulden ze tot bovenaan toe.
Daarop zei Hij hun:
“Schept er nu wat uit
en brengt dat aan de tafelmeester.”
Dat deden ze.
De tafelmeester proefde van het water
dat in wijn veranderd was.
Hij wist niet waar die wijn vandaan kwam,
maar de bedienden, die het water geschept hadden,
wisten het wel.
Zodra hij geproefd had,
riep hij de bruidegom en zei hem:
“Iedereen zet eerst de goede wijn voor
en wanneer men eenmaal goed gedronken heeft de mindere.
“U hebt de goede wijn tot nu toe bewaard.”
Zo maakte Jezus te Kana in Galilea een begin met de tekenen
en openbaarde zijn heerlijkheid.
En zijn leerlingen geloofden in Hem.
Daarna daalde Hij af naar Kafarnaüm,
Hijzelf en zijn moeder, de broeders en zijn leerlingen;
maar zij bleven daar slechts enkele dagen.
zaterdag 15 januari 2022
Reeks Oratio super munera - Tweede zondag door het jaar Geef dat wij waardig deelnemen aan dit mysterie, want dan wordt de verlossing voor ons werkelijkheid.
Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven”
Tweede zondag per annum / door het jaar
Christus
ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie
Geef
dat wij waardig deelnemen aan dit mysterie, want dan wordt de verlossing voor
ons werkelijkheid
I n l e i d i n g
Aan
het Gebed over de gaven van deze zondag hebben de concilievaders in de Constitutie
over de Heilige Liturgie van het 2e Vaticaanse Concilie ,
Sacronsanctum Concilium, hun eerste belangwekkende uitspraak over de grote
betekenis van de liturgie, vooral van de H. Mis, ontleend: “Door de liturgie
wordt immers ‘het werk van onze verlossing voltrokken’ “ (Zie Aanhangsel nr.
2). Het is op zichzelf niet opmerkelijk
dat de oratie de H. Eucharistie noemt: “zo dikwijls de gedachtenisviering van
dit Offer wordt gehouden”: vanaf het Gebed over de offergaven zijn immers alle
teksten afgestemd op de eucharistische viering.“ Het Gebed over de gaven vormt
de voorbereiding op de liturgische handeling die voltrokken gaat worden, de
voorbereiding van personen en zaken voor het eucharistische Gebed en het gebed vraagt
om de juiste gesteltenis om het Offer waardig op te dragen.
De
“voltrekking van het werk van onze verlossing” is een exacte begripsbepaling
van de Heilige Mis: gedachtenisviering van dit Offer, dat betekent het Offer
van Christus aan het kruis. Het Offer op het kruis was het werk van onze
verlossing (onze vrijkoop): “scientes non corruptilibus auro, vel argento
redempti estis […] sed pretioso sanguine quasi agni immaculati Christi” (cf 1 Pe 1, 18) – Gij weet dat gij niet met
vergankelijk goud of zilver zijt vrijgekocht, maar door het kostbaar Bloed van
Christus, het Lam zonder vlek of gebrek. In de
Paasjubelzang, het Exsultet, roept de liturgie de gelovigen op om met
hart en ziel en met luide stem de lof te zingen van de onzichtbare God, de
almachtige Vader en van zijn eengeboren Zoon Jezus Christus, die voor ons de
schuld van Adam aan de eeuwige Vader heeft betaald, en de schuldbrief van de
oude zonde heeft uitgewist met het Bloed van zijn Hart. Dit werk van verlossing
wordt telkens voltrokken, wanneer wij de gedachtenisviering houden.
Dat is de motivatie
van het gebed. God moge ons geven dat wij het mysterie van deze
gedachtenisviering waardig vieren. Het komt dus enerzijds aan op een inwendige
gelovige gezindheid maar waardigheid verlangt ook de waardige voltrekking van
de heilige handeling met haar bijbehorende gebeden.
T e k s t
Missale Romanum
– 1970
Concede nobis, quæsumus, Domine, hæc digne frequentare
mysteria,
quia, quoties huius hostiæ commemoratio celebratur,
opus nostræ
redemptionis exercetur.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie
– 1979
Heer,
wij bidden U, dat wij altijd op waardige wijze deelnemen aan dit mysterie,
want
telkens als wij de gedachtenis van dit offer vieren,
wordt de verlossing
voor ons werkelijkheid.
Werkvertaling
Verleen
ons, smeken wij [U], Heer, op waardige wijze deze mysteries te vieren,
omdat,
zo dikwijls als de gedachtenis van dit Offer wordt gevierd,
het
dienstwerk van onze verlossing wordt voltrokken.
L i t u r g i s c h e
a n t e c e d e n t e n
In de editie 1962 van
het Romeinse Missaal van vóór Vaticanum II was de oratio super munera / super
oblata van deze zondag als secreta opgenomen in het misformulier van de 9e
zondag na Pinksteren (MR 120). De oratie gaat terug tot het Sacramentarium
Gelasianum Vetus, 1196 (Vat. Reg. Lat. 316) eerste helft van de achtste eeuw en
heeft een overeenkomstige brontekst in het Sacramentarium Leonianum, 931
(Kapittelbibliotheek Verona LXXXV), tweede helft van de zesde eeuw.
S t r u c t u u r a n
a l y s e e n s t i j l f i g u r e n
1.Concede nobis, quæsumus, Domine, hæc digne
frequentare mysteria,
2.quia, quoties huius hostiæ commemoratio celebratur,
opus nostræ
redemptionis exercetur.
De oratio bestaat uit
één enkele zin, gevormd door de hoofdzin (openingszin) regel 1, die
tegelijkertijd de bede omvat, gevolgd door een causale (redengevende) bijzin
beginnend met het voegwoord quia /omdat, waarin opgenomen de bijwoordelijke
bijzin beginnend met quoties.
Ad
1
Concede,
verleen, schenk, geef, - eerste onderdeel van het gezegde aan de spits van de
oratie in de imperativusvorm, even verderop verzacht door het verbum quæsumus,
vragen wij, een vorm van een onvolledig verbum die dikwijls in de oraties van
de H.Mis en het getijdengebed wordt aangetroffen.
Tot
het gezegde behoort ook de infinitivusvorm frequentare aan het einde van
deze regel zodat de vertaling luidt: verleen .... te vieren.
Nobis,
[aan] ons bijwoordelijke bepaling in de dativus, hier dativus commodi (van
voordeel).
Domine,
[o] Heer, anaklese in de vocativusvorm van het substantivum Dominus.
Hæc
mysteria, deze mysteries / sacramenten, - object van het
gezegd in twee congruerende accusativusvormen in het onzijdig meervoud. De
accusativusvormen zijn uiteen geplaatst en vormen derhalve een hyperbaton.
Digne,
op waardige wijze, bijwoordelijke bepaling bij het verbum frequentare.
Adverbium van dignus.
Ad
2
Redengevende
bijzin die het argument voor de bede in r. 1 vormt. De tussenzin ingeleid door
het bijwoord quoties, zo dikwijls als/telkens als, kan benoemd worden als een
bijwoordelijke bijzin van de frase quia […] opus nostræ redemptionis exercetur.
Van
de causale bijzin is opus nostræ redemptionis het subject, gevormd door de
nominativusvorm opus vergezeld van twee congruerende genitivusvormen nostræ
redemptionis (genitivus obiectivus).
Exercetur, gezegde, 3e pers. enkelvoud
præsentis passivi van het verbum exercere van de 2e coniugatie met
de stamtijden cui, citum en met de betekenis: oefenen, uitoefenen. Het gezegde
staat in de indicativusmodus vanwege het voegwoord quia alsmede ter uitdrukking
van een feitelijke werkelijkheid.
In
de bijwoordelijke bijzin, ingeleid door quoties is celebratur het
gezegde in de 3e pers. enkelvoud præsentis passivi van het verbum
celebrare met huius hostiæ commemoratio als subject, op te splitsen in
de nominativusvorm commemoratio gevolgd door twee congruerende genitivusvormen huius
hostiæ die het substantivum commemoratio nader bepalen (genitivus
explicativus). De genitivusvormen huius hostiæ vormen een alliteratie.
Bovendien is er sprake van een mooie kruisstelling (chiasme):
huius
hostiæ (genit.) commemoratio (nomin.) en opus (nomin.) nostræredemptionis
(genit.).
De
verba celebratur en exercetur hebben een klank- en tevens eindrijm terwijl de
voegwoorden quia, quoties een fraaie alliteratie vormen.
Stilistisch
wordt de oratio super munera van deze zondag gekenmerkt door alliteratie, een
hyperbaton, een chiasme en klank-, respectievelijk eindrijm.
V o c a b u l a r i u m
Frequentare,
1. dikwijls bezoeken 2. talrijk samenkomen 3. bijwonen, vieren. Frequentare is
een equivalent van celebrare en heeft
ook betekenissen als dikwijls celebreren/vieren, of eenvoudig celebreren, of
ook deelnemen aan een celebratie: cf frequentare
mysteria (Gelasianum I, 25, 170), dikwijls de mysteries / sacramenten
vieren. Zie voor meer informatie A. Blaise, Le Vocabulaire Latin des principaux
thèmes liturgiques. Ouvrage revu par Dom Antoine Dumas O.S.B.. Brepols,
Turnhout 1966, paragr. 4
Mysteria –
onz. meervoud van mysterium, -i met betekenissen als mysterie, mysterieuze
zaak, mystiek teken / symbool, mystieke betekenis (bv van een feest), geheim
goddelijk raadsbesluit, mysteries van het geloof (wanneer het Credo wordt
uitgelegd aan catechumenen) enz. (Dumas, p. 74).
Mysteria is een van de
sleutelbegrippen die regelmatig voorkomen in de oraties van de zondagen door
het jaar. Mysteria, dat kan worden gelezen als synoniem met sacramentum
eucharisticum, komt in tien Super munera
van de zondagen per annum voor (II, VII, IX, XIII,XIX, XXII, XXIII, XXVII,
XXIX, XXXII). In de context van de Super munera verwijst dit begrip de meeste
keren naar het Eucharistisch Gebed, en dus naar de sacramentele viering van het
Paasmysterie. Het meest frequent komt het in de meervoudsvorm voor waarmee het
de sacramentele riten beoogt.
Hostia
, æ, in klassiek Latijn: offerdier, slachtoffer; verder offer, offerande, gave,
hostie, H.Hostie. Dit substantivum komt vijfmaal voor (II, XVI, XVIII, XXI,
XXVIII). Volgens Dom Dumas in Notitiæ 6, 198 (Commentaren op publicaties en
studies, uitgegeven door de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de
Sacramenten) heeft het in de oraties nooit de betekenis van slachtoffer,
offerdier. Het betekent veeleer de gaven die worden aangeboden of de H.
Eucharistie zelf, waarbij de context van het offer toch niet geheel wordt
losgelaten.
Quæsumus,
wij bidden /smeken - een van de vormen van een onvolledig verbum, waardoor de
imperativus waarmee God wordt aangesproken maar waartoe de bidder in
werkelijkheid geen recht heeft, wordt gemilderd. De vorm quæsumus vervult soms
ook een functie om het smeekkarakter van de oratie te benadrukken of om bij te dragen tot een betere ritmische
loop van de oratie.
C o m m e n t a a r
Het besef van
collectieve onwaardigheid en de voortdurende behoefte aan goddelijke hulp bij
het opdragen van het eucharistisch Offer, een thema dat in de oratie van deze
zondag prevaleert, is ook het subject van het “Orate fratres” (Bidt, broeders
en zusters, dat mijn en uw offer aanvaard kan worden door God, de almachtige
Vader). Deze gebedsoproep die aan het Gebed over de gaven voorafgaat, kan
gezien worden als het persoonlijk gebed van de celebrant om aanvaarding van
zijn offergave die God wordt aangeboden samen met die van de gemeenschap. Het Gebed
over de gaven omvat immers diverse aspecten:
de bede [van de celebrant] om een waardig opdragen, de bede [van de
gelovigen] om hun geestelijke en materiële gaven met de Eucharistische gaven
waardig te verbinden en de bede [van allen] om de H. Eucharistie waardig te
vieren. De oratie super munera leert mij aldus het Heilig Misoffer beter te
begrijpen en hoog te schatten. Zo is deze oratie een dogmatisch gebed. Telkens wanneer de gedachtenis en de
actualisering van het Kruisoffer van Christus in de H.Mis zich voltrekt,
voltrekt zich ook het dienstwerk van onze verlossing: een kostbare gedachte die
ons het Misoffer verklaart als een viering van Heilige Geheimen.
In
de tweede lezing van het Misformulier van deze zondag (1 Kor 1, 1-3) spreekt de
apostel Paulus de gelovigen van de Kerk van Korinte aan als “geheiligden in
Christus Jezus, bestemd tot een heilig leven”.
God werkt door mensen.
De heiligheid van zijn heiligen is het oordeel van de wereld. Daarom moeten de
kinderen van God zich als eersten onder de voortdurende wet van de liefde stellen.
Hun zaligheid is “Zijn Wil te doen, dat is hun vreugde, Zijn wet is in hun hart
gegrift” (Antwoordpsalm 40,9). In de viering van de H. Eucharistie zoeken zij
de nabijheid van de Heer en daarmee het oordeel van Zijn kant. Zij, die
Christus in Zijn offergezindheid willen volgen, weten dat daar het werk van hun
verlossing en de reiniging van zonden opnieuw worden voltrokken. Met de Kerk
bidden wij in het Gebed na de Communie dat wij door het ontvangen van het
Lichaam en Bloed van de Heer Zijn liefde
mogen ontvangen die ons één van hart doet zijn. Zo blijven wij onder de wet van
de liefde en in Zijn tegenwoordigheid die ons heiligt.
A a n h a n g s e l
Constitutie over de Heilige Liturgie
“Sacrosanctum Concilium” van het 2e Vaticaanse Concilie, nr. 2
‘Want de
liturgie, waardoor, vooral in het goddelijk offer van Eucharistie, "het
werk van onze verlossing wordt voltrokken” (1), draagt er ten zeerste toe bij, dat de gelovigen het
mysterie van Christus in hun leven tot uitdrukking brengen en aan anderen
openbaren, gelijk ook de echte aard van de ware Kerk, die dit als eigen kenmerk
heeft, dat zij menselijk is en goddelijk tevens, zichtbaar en met onzichtbare
werkelijkheden toegerust, bruisend van activiteit en zich wijdend aan de
beschouwing. In de wereld aanwezig en toch op pelgrimstocht: en dit alles zó,
dat het menselijke in haar op het goddelijke is gericht en daaraan onder geordend,
het zichtbare op het onzichtbare, de actie op de contemplatie en het
tegenwoordige op de toekomstige woonplaats, die wij zoeken. (2) Vgl. Hebr.
13, 14
Vandaar
dat de liturgie, die de leden van de Kerk dagelijks opbouwt tot een heilige
tempel in de Heer, tot een woonstede van God in de Geest (3)Vgl. Ef. 2,
21-22
, tevens
op wonderbare wijze kun krachten versterkt om Christus te kunnen prediken, en
zo de Kerk aan de buitenstaanders laat zien als een voor de volken opgeheven
banier (5), waaronder de verstrooide kinderen van God samengebracht moeten
worden (6), totdat het zal zijn één kudde en één herder’. (7)
(1)
Secreta van de 9de zondag na
Pinksteren
(2)
Vgl. Hebr 13, 14 ”want wij hebben
hier geen blijvende stad, maar zijn op zoek naar de stad van de toekomst.”
(3)
Vgl. Ef. 2, 21-22 “die het hele
bouwwerk in zijn voegen houdt. In Hem groeit het uit tot een heilige tempel in
de Heer. ...”
(4)
Vgl. Ef. 4, 13 “totdat wij allen
tezamen komen tot de eenheid in het geloof en de kennis van Gods Zoon, tot de
volmaakte Man, tot de gehele omvang van de volheid van de Christus.”
(5)
Vgl. Jes. 11, 12 “Hij geeft een
signaal aan de volken, Israëls verdreven brengt Hij bijeen en het verstrooide
Juda verzamelt Hij van de vier uithoeken der aarde.”
(6)
Vgl. Joh.11, 52
(7)
Vgl. Joh. 10, 16 “Ik heb nog andere
schapen, die niet uit deze schaapsstal zijn. Ook die moet ik leiden en zij
zullen naar mijn stem luisteren en het zal worden: een kudde, een herder.”
Geraadpleegde
auteurs: A. Blaise, A. Dumas osb, G. A. Nursey, J. Pascher +.
Collectegebed TWEEDE ZONDAG “PER ANNUM” (DOOR HET JAAR) Geef ons uw vrede in deze tijd.
Geef ons uw vrede in deze tijd
I n l e i d i n g
Afgelopen
maandag na het feest van het Doopsel van de Heer zijn wij de liturgische tijd
binnengegaan die Ordinarium wordt
genoemd, waarmee wij overgaan tot de gewone orde, de “orde van de dag”. Het
Feest van het Doopsel van de Heer vormt het scharnier tussen de Kersttijd en de
Tijd door het jaar. Dit feest sluit immers de Kersttijd af en staat tevens op
de 1e Zondag “per annum”.
In
de traditionele kalender van de Buitengewone vorm, is dit de “Tijd door het
jaar”, die de periode beslaat na Epiphanie en na Pinksteren. Deze terminologie,
de “Tempus per annum”, bleef ook bewaard
in de kalender van de Novus Ordo. De Tempus
per annum omvat de sacrale cyclus van de Vasten- en Paastijd en beslaat de
periode vanaf de Aanbidding van het hemelse en koninklijke Kind door de aardse
koningen tot aan het Feest van Christus Koning, die als Rechter zal komen om het
kaf van het koren te scheiden en de uitverkorenen zal binnenleiden in zijn Rijk
van vrede en gerechtigheid zonder einde.
T e k s t
Missale Romanum 1970
Omnipotens
sempiterne Deus,
qui
cælestia simul et terrena moderaris,
supplicationes
populi tui clementer exaudi,
et
pacem tuam nostris concede temporibus
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Almachtige
eeuwige God,
hemel en aarde
worden door U geleid;
verhoor
welwillend het gebed van uw volk
en geef ons uw
vrede in deze tijd.
Werkvertaling
Almachtige, eeuwige
God,
die de hemelse en
aardse dingen gelijkelijk bestuurt,
verhoor genadig
de smeekbeden van uw volk
en schenk uw
vrede aan onze tijd / in deze tijd.
L
i t u r g i s c h e a n t e c e d e n t
e n
In het
præconciliaire Romeinse Missaal is deze oratie als collecte opgenomen in
het misformulier van de 2e zondag na Driekoningen en heeft na de
liturgiehervorming van Vaticanum II in het Proprium de Tempore nagenoeg
dezelfde liturgische plaats behouden.
Naast de
vermelding in het Sacramentarium Hadrianum dat teruggaat op het Gregorianum
komt deze collecte in diverse liturgische tradities voor. 1)
S t r u c t u u r
a n a l y s e e n s t i j l v o r m e n
1.
Omnipotens sempiterne Deus,
2.
qui cælestia simul et terrena moderaris,
3.
supplicationes populi tui clementer exaudi,
4.
et pacem tuam nostris concede temporibus.
De vloeiend
lopende en melodieuze oratie waarin de a-klank meteen opvalt, bestaat uit één
enkele hoofdzin waarin God wordt aangesproken (r.1), een van zijn goddelijke
hoedanigheden wordt gememoreerd (r.2) en die een dubbele bede bevat, aan elkaar
gekoppeld door het nevenschikkende voegwoord et (r.3-4).
Het collectegebed opent met een drievoudige vocativusvorm: God wordt als de Almachtige en Eeuwige aangesproken, hoedanigheden waarmee Hij absoluut boven heel de schepping staat.
Ad 2
Relatieve bijzin beginnend met het reflexivum qui dat hoort bij het gezegde moderaris, Gij die bestuurt, = 2e pers. enkelvoud indicativus præsentis omdat het verbum een feitelijkheid weergeeft: een goddelijke actuele hoedanigheid. Moderaris van het deponens moderari : 1. Matigen, beteugelen, beperken 2. Leiden, regeren, besturen (vgl. het “Nederlandse” woord moderator). Cælestia simul et terrena / het hemelse en het aardse: dubbel object van het verbum moderaris in de accusativus; beide begrippen zijn meervoudsvormen van het neutrum van de adiectivusvormen caelestis,-is, hemels, en terrenum,-i, aards, zelfstandig gebruikt: het hemelse en het aardse / de hemelse en aardse dingen. Simul, tegelijkertijd: bijwoordelijke bepaling de almacht van God onderstrepend. Cælestia et terrena hebben eindrijm.
Ad 3
Exaudi, verhoor: hoofdwerkwoord in de imperativus dat het object supplicationes populi tui bij zich heeft; populi tui, van uw volk, twee genitivusvormen, die de accusativus supplicationes nader preciseren. Clementer, bijwoordelijke bepaling, op milde wijze.
Ad 4
Concede, verleen, schenk: tweede hoofdwerkwoord in de imperativus dat als object pacem tuam in de accusativus bij zich heeft. Nostris…temporibus: bijwoordelijke bepaling in de dativus (dativus commodi, van voordeel) of in de ablativus (temporis, van tijd). Nostris concede temporibus is een hyberbaton.
I n h o u d
Het gebed wendt
zich tot de "Almachtige en
eeuwige God, die hemel en aarde bestuurt". De term "almachtig" is de
oorspronkelijke vertaling van de Griekse term Pantokrator (Albeheerser),
“die het universum in zijn hand draagt” en zo uitsluitend een voor God
gereserveerde aanspreektitel is. (Zie commentaar bij het collectegebed van de
eerste zondag van de Advent)
De oratie richt
zich tot God de Vader, zoals de meeste oraties van de misformulieren en
in het brevier, uitgezonderd de oratie van 24 december 2) en de oratie van
Sacramentsdag. 3)
(Een derde
uitzondering, maar dan van een andere categorie, vormt het slotgebed van de
Completen van woensdag : Doine Iesu Christe, qui iugum suave...)
Omdat God de
Pantokrator is en als zodanig over hemel en aarde heerst, kan Hij ook de vrede
bewerken en de elkaar bestrijdende
machten van de wereld tot rust brengen. Dat is hetgeen het volk van Gods goedheid
in dit gebed wil afsmeken.
Historisch gezien
is deze oratie mogelijk afkomstig uit de onrustige tijden van de
volksverhuizing. 4)
De begrippen cælestia
et terrena, hier gebruikt als object van Gods bestuur, verwijzen allereerst
naar de schepping zelf: “In het begin schiep God hemel en aarde” (Gen
1,1). In deze eerste woorden van de Schrift worden drie zaken gesteld: de
eeuwige God heeft alles wat buiten Hem bestaat een begin gegeven. Hij alleen is
de Schepper (het werkwoord “scheppen” - bara in het Hebreeuws - heeft als
onderwerp altijd God). Het geheel van wat bestaat (uitgedrukt in de formulering
hemel en aarde of zoals hier cælestia et terrena is van Hem
afhankelijk die er het zijn aan geeft (vgl. KKK nr. 290).
Het bijwoord simul dat het werkwoord moderaris nader kwalificeert en
versterkt, en daarmee de almacht van God sterker tot uitdrukking brengt, is in
de Nederlandse vertaling achterwege gelaten.
Zoals eerder
gezegd is de collecte een bede om vrede, maar heeft met de hoofdthema’s van de
H. Mis van de 2e zondag na Driekoningen en de 2e zondag
door het jaar (de huldiging en de aanbidding van de op aarde verschenen God in
de Introitus Omnis terra met de Jubilatepsalm (Psalm 65, een Paaslied)
geen enkel verband.
We
smeken de almachtige en eeuwige God, die over al het geschapene beschikt, om
vrede bij onze tijdelijke zaken, hier en nu, in deze tijd, niet later in de
hemel. We verlangen niet naar een of andere vrede. We verlangen de vrede die
komt van Hem.
Christus
zegt: “Vrede laat Ik u; mijn vrede geef Ik u: niet zoals de wereld die geeft,
geef Ik hem u. Laat uw hart niet verontrust of kleinmoedig worden” (Jo 14,27). Christenen hebben vertrouwen.
Christus zal ons zijn vrede geven. Hij heeft het gezegd. Maar Hij wil ons geen
vrede opdringen.
De tijdelijke vrede die de wereld
presenteert en de vrede die God schenkt zijn verschillend, ofschoon deze
harmonisch kunnen samengaan als de tijdelijke vrede onderschikt wordt gemaakt
aan de hemelse vrede. De goederen van deze wereld zijn broos en gaan voorbij en
lopen altijd het risico verloren te gaan. De hemelse goederen zijn duurzaam en
betrouwbaar. Geen enkel eindig, voorbijgaand geschapen ding of persoon kan
voorzien in blijvende vreugde of eeuwige vrede: ze gaan verloren door diefstal,
slijtage, tijd en dood. Onze weelde, familie, gezondheid, ons voorkomen en onze
reputatie kunnen in een oogwenk verloren gaan.
Een schepsel de plaats van God geven is roekeloze
afgoderij en een zonde. Bemin God bovenal. Maken we Zijn wil tot de onze. In de
persoon van Piccarda zegt Dante in zijn Divina
Commedia: “In Zijn wil ligt onze vrede. Deze is die Zee waarheen alle
dingen zich bewegen, zowel hetgeen Hij schiep als hetgeen de natuur ontwikkelt”(Par
3.85).
God
kende ieder van ons, toen er nog geen tijd was en vóór de schepping van het
zichtbare en het onzichtbare heelal. Hij riep ons ten leven op een vastgesteld
moment in Zijn eeuwig plan. Hij geeft ons allen een taak en geeft ook de
talenten en de genaden deze te volbrengen. Als wij met Hem samenwerken,
onderwerpen wij onze wil aan de Zijne, maken wij Zijn plan voor ons tot het
onze en stelt Hij ons in staat het naar behoren uit te voeren. God kent onze
behoeften en verlangens beter dan wij.
Wenden we ons in vertrouwen tot Hem in ons
gebed. Vragen wij Hem om de genaden en ook de vrede die Hij alleen kan geven.
Zonde verstoort Zijn vrede. De vrede kan worden
teruggevonden door het Sacrament van de Biecht.
Vragen
we God ons te zegenen in dit nieuwe jaar. Laten we Hem vooral hulp vragen voor
hen die lijden. Vragen wij Hem om Zijn genaden Zijn vrede met gebogen knieën en
het voorhoofd naar de grond als het mogelijk is, lichaam én wil gebogen in
gebed en smekingen.
K
l e i n v o c a b u l a r i u m
Exaudi - dikwijls vragen wij wanneer wij bidden
in het Latijn dat God aandacht mag schenken door te willen aanhoren wat wij Hem
voorleggen. Exaudio betekent “luisteren naar” in de zin van “duidelijk
horen” . De imperativusvorm exaudi heeft een meer aandringend karakter
dan het eenvoudige audi. Denk aan het begin van bijvoorbeeld de
Litanie van alle Heiligen : Christe, audi nos…Christe exaudi nos…” meestal vertaald als “Christus, hoor
ons…Christus, verhoor ons.” Het begrip “verhoren” sluit ook de verwachting of
de wens in dat hetgeen wordt gevraagd ook ingewilligd, vervuld moge worden.
Supplicatio - voor de oude Romeinen was een supplicatio
een plechtige religieuze ceremonie om te danken voor een overwinning of een
gebed wanneer gevaar dreigde. Het is verwant met supplex, een adiectief voor
de houding van een bedelaar, of van gebogen knieën of van een prostratie
(lichaamshouding waarbij men met het gelaat en gestrekt lichaam languit op de
grond gaat liggen, zoals bijvoorbeeld de neomisten of priestercandidaten bij
het begin van het Wijdingsceremonieel of de celebranten bij het begin van de
Herdenking van Christus’ Lijden en Sterven op Goede Vrijdag en ook wel de
religieuzen bij het begin van het Professieceremonieel. (Zie het commentaar bij
het collectegebed van de 10e zondag door het jaar).
Tempus betekent onmiskenbaar “tijd’. Het concept
“tempus” betekent ook “de bepaalde of vastgestelde tijd, de actuele tijd, een
gunstige gelegenheid”. Tempus geeft
ons “temporele”, dat zijn tijdelijke, wereldse of aardse dingen, materiële
dingen, tegenover sacrale, eeuwige of geestelijke goederen. Betekenissen van
het meervoud tempora: slapen
(zijkanten van het hoofd), tijden, of stand van zaken.
Noten:1) Zie nr. 3909 in Moeller, Clément en Coppieters >t Wallant, CORPUS ORATIONUM, Brepols Turnhout 1995, Tomus VI, p. 93.
2) Festina, quæsumus, ne tardaveris, Domine Iesu... (Haast U, bidden wij, talm niet, Heer Jezus...)
3) Deus, qui nobis sub sacramento mirabili passionis tui memoriam reliquisti ... God [Heer Jezus Christus] die ons in dit wonderbaar sacrament de gedachtenis hebt nagelaten van uw lijden en sterven...
4) Het begrip volksverhuizing is moeilijk exact te definiëren. Vanaf de prehistorie hebben grote groepen mensen herhaaldelijk hun woonplaatsen verlaten om elders nieuwe te zoeken. Na 500 v. Chr. kwam de grootste bedreiging uit de Euraziatische steppen: Skythische, Turkse, Mongoolse en andere nomaden waren te allen tijde gereed de vruchtbare, rijke landbouwgebieden te plunderen, zeker als hun eigen weidegronden tekort schoten. Zo=n aanval bracht vele andere gevestigde volkeren in beweging en kon soms tientallen jaren lang de landbouwrijken destabiliseren.Meer speciaal bedoelt men met de volksverhuizing de Grote Volksverhuizing aan het einde van de oude geschiedenis. Deze werd in beweging gezet door de Hunnen, die in 375 in de Zuid-Russische Laagvlakte verschenen, in de daarop volgende jaren verder trokken naar Hongarije en ook aanvallen deden op Gallië en Italië. Dit bracht de meeste Germaanse stammen in beweging, die reeds lange tijd voordien ervaren hadden dat de grenzen van het Romeinse Rijk niet meer ondoordringbaar waren. Goten, Vandalen, Sueven, Bourgondiërs, Angelen, Saksen en andere stammen vestigden kort na 400 zelfstandige koninkrijken binnen dit rijk. In de 6e eeuw volgde een tweede fase, samenhangend met de komst van de Avaren ca. 550, die o.a. resulteerde in de verovering van Italië door de Longobarden (568). Als laatste fase zou men de invallen van de Noormannen 800-1000 kunnen aanmerken.
Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica II per annum Tweede zondag door het jaar Geef ons uw Geest van liefde
Het
Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo,
Ravenna (vóór 529)
I n l e i d i n g
Geef ons uw Geest van liefde
Na de sluiting van de cycli van de
Advent en Kersttijd zijn we intussen verder gegaan met de tijd, die eerder de
tijd van Driekoningen werd genoemd, maar die nu wordt aangeduid als de Tempus
per annum of “Tijd door het jaar”, ook wel “Gewone Tijd door het jaar”, Tempus ordinarium
of in het Engels taalgebied: Ordinary Time. Deze periode van het liturgisch
jaar heeft niet het boetekarakter van de Veertigdagentijd, noch het feestelijke
karakter van de Paastijd, maar omvat met de eerste reeks zondagen per annum
vóór de Veertigdagentijd en met de tweede reeks zondagen na Pinksteren
(sluiting van de Paastijd) de bijzondere liturgische tijden van Vasten en
Pasen. Ook de liturgische boeken van de periode voor Vaticanum II noemden de
zondagen na Epiphanie en de zondagen na Pinksteren de Tijd door het jaar; deze
terminologie werd behouden in de Novus
Ordo.
Termen in het Latijn als ordinarius
(regelmatig, gewoon, ordelijk, ordinarius) gaan terug op het basisbegrip ‘ordo’ dat betekenissen
heeft als: een regelmatig rij, reeks,
orde, volgorde, ordening, afdeling, stand, klasse. Dit concept komt
veelvuldig voor in de denkwijze van de Katholieke Kerk.
De ‘Libreria Editrice Vaticana’ geeft
jaarlijks een ‘voorschriftenboek’ uit met de titel: Ordo
Missae Celebrandae et Divini Officii Persolvendi secundum Calendarium Romanum
Generale pro anno liturgico 2019-2020. De ordening van de te celebreren Missen
en van het te voltrekken Goddelijk Officie volgens de Algemene Romeinse
Kalender voor het liturgisch jaar 2019-2020. Dit boek geeft aan
welke feesten gevierd moeten worden volgens hun verschillende rang, welke Mis
kan worden gekozen of wat in acht moet worden genomen bij Liturgia Horarum. Het vermeldt ook bijzondere details als de kleur
van de liturgische gewaden, of bepaalde zaken toegestaan of verboden zijn,
zoals het verbod muziekinstrumenten te gebruiken gedurende de Veertigdagentijd,
tenzij bedoeld als ondersteuning van de gemeenschappelijk zang (p. 68). Op inhoud
en betekenis van de begrippen ‘ordines’ en ‘ordinarii’ binnen het kader van de
Kerk kom ik verderop terug.
De Postcommunio van deze zondag roept in
de openingszin een krachtig beeld op van het uitstorten en uitgieten in ons van
de liefde door de Heilige Geest. Caritas, dat het Latijn hier gebruikt, is niet
simpelweg ‘liefde’. ‘Liefde’ is tegenwoordig vaak een afgesleten term en wordt
praktisch zonder onderscheid zowel toegepast op het lievelingskostje, de
lievelingskat, de favoriete film, op God, maar ook op vrouw en kinderen. De
liefde die het begrip caritas omvat, waaraan paus Benedictus XVI ons in zijn
eerste encycliek Deus caritas est (25
jan. 2006) herinnert, is tegelijk op God en op onze naasten gericht, zoals Christus
zelf gebood. Caritas omvat een tweevoudige band. Het is een liefde die tot het
uiterste offer bereid is, met als meest volmaakte voorbeeld Jezus’ Offer op het
Kruis. Deze vorm van liefde gaat altijd uit van het goede in de ander. Het is
een wilsbesluit.en geen kwestie van gevoel.
Zonder deze dubbelgerichte caritas is ‘het gebed na de
Communie’ eerder een stilleven dan een levend landschap. Het lijkt eerder op
een schilderij van een schitterende schaal fruit dan op een weergave van
opbloeiend, gedijend leven. De Italiaanse term voor een stilleven is “natura
morta”, een “dode natuur”. Het is een prachtig, maar dood leven. Al onze
gebeden kunnen wel een mooie klank hebben, maar zonder caritas, zonder liefde
omgezet in daden, zijn deze zoals Sint Paulus zegt in 1 Kor 13, 1: “Al spreek
ik met de tongen van engelen en mensen: als ik de liefde niet heb, ben ik niet
meer dan klinkend koper of een schelle cimbaal”. Caritas is niet alleen iets
innerlijks in ons binnenste of ‘thuis achter de geraniums’, maar roept ons op
uitwendig te handelen overeenkomstig onze inwendige status en roeping.
T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Spiritum nobis,
Domine, tuæ caritatis infunde,
ut, quos uno cælesti pane satiasti,
una facias pietate concordes.
ut, quos uno cælesti pane satiasti,
una facias pietate concordes.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie
1979
Heer,
met een en hetzelfde brood uit de hemel hebt Gij ons gevoed.
Geef
ons uw geest van liefde en maak ons daardoor één van hart.
Werkvertaling
Stort,
Heer, in ons de Geest van uw liefde,
om
(zo) hen die Gij met één en hetzelfde Brood hebt verzadigd,
door
uw vaderlijke goedheid één van hart te doen zijn.
L i t u r g i s
c h e a n t e c e d e n t e n
De Post communionem oratio van deze
zondag is in MR 1962 in het misformulier van vrijdag na Aswoensdag vermeld (MR
1069) en ook met een kleine tekstaanpassing in dat van Pasen.
In het misformulier van Pasen is de
versie aldus: Spiritum nobis, Domine, tuæ caritatis infunde, ut, quos sacramentis
paschalibus satiasti, una facias pietate concordes. Dat het eucharistisch Brood
“paasgeheim” wordt genoemd, wijst op Jezus Christus in de H. Communie als het
ware Paaslam.
Lange tijd vóór de samenstelling van het
Missale Romanum was deze oratie reeds opgenomen in het Sacramentarium
Gelasianum Vetus (Vat. Reg. Lat. 316), eerste helft van de zesde eeuw, 1330, en
in het Sacramentarium Leonianum (Verona), 1049, tweede helft zesde eeuw.
(E. Mœller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, VIII, R-S, Brepols,
Turnhout 1996, p. 273-277, nr. 5521a met secties A t/m F, ingedeeld op basis van
tekstverwantschap, nr. 5521b met secties A t/m D en nr 5521c met secties A en
B. Elke sectie bevat een lijst van codices die een bepaalde handschriftenfamilie
vormen)
T e x t u e l e a n a l y s e
1. Spiritum nobis, Domine, tuæ caritatis infunde,
2a. ut, 2b. quos uno cælesti pane satiasti,
2a. una facias pietate concordes.
2a. ut, 2b. quos uno cælesti pane satiasti,
2a. una facias pietate concordes.
De
oratie bestaat uit één enkele doorlopende frase, opgebouwd uit een hoofdzin met
een imperativusvorm (regel 1), waarin de bede krachtig wordt geformuleerd: het
gevraagde object Spiritum staat aan de spits van de oratie, een prominente
positie. De openingszin wordt gevolgd door een finale, resp. consecutieve bijzin
(r. 2a), waarin opgenomen de relatieve bijzin quos (r. 2b), in de
coniunctivusvorm, bepaald door het voegwoord ut, waarin het effect wordt
verwoord van de in regel 1 gevraagde genade krachtens de ontvangen H. Communie.
De oratie heeft een trinitair karakter:
de Postcommunio zich richt tot de Vader en vraagt om de instorting van de H.
Geest die liefde is, terwijl wij de Zoon in ons hebben opgenomen in de zojuist
ontvangen H. Communie.
De epiclese, de aanroeping van de H.
Geest of de Logos (de Zoon) na de
Consecratie, van het Eucharistisch Gebed III drukt, zich richtend tot de Vader,
de trinitaire eendracht als volgt uit: “Vervul
ons van zijn (= van de Zoon) Heilige Geest opdat men ons in Christus zal zien
worden tot één lichaam en één geest”. Zo toont zich de H. Eucharistie aan de
basis van de Kerk als mysterie van eenheid. Ook in de epiclese van het
Eucharistische Gebed II zien we dezelfde bede om eenheid: “Zo delen wij in het
Lichaam en Bloed van Christus en wij smeken U dat wij door de Heilige Geest
worden vergaderd tot één enige kudde.”
Of, om het met Johannes Ruusbroec te zeggen: Jezus
Christus is de levende fontein die ons toevloeit door de Heilige Geest uit het
Hart van de Vader.
Ad
1
Domine,
[o] Heer – anaklese van Dominus in de vocativusvorm
Infunde,
stort in, uit in/giet uit, – prædicaat in de imperativusvorm van het verbum
infundere, infudi, infusum, 3. Voor de betekenis zie onder Klein Vocabularium.
Spiritum
tuæ caritatis, de Geest van uw liefde - object van het prædicaat infunde,
samengesteld uit de accusactivusvorm Spiritum van spiritus, - us, 4, en de
bijvoegelijke bepaling tuæ caritatis in twee congruerende genitivusvormen, die
het begrip Spiritum nader verklaren door het benoemen van een eigenschap van de
Geest: genitivus qualitatis.
Nobis,
voor/aan ons – bijwoordelijke bepaling in de ablativus meervoud van het pers.
voornaamwoord nos, wij.
Ad
2a-2b
Finale/doelaanwijzende
resp. consecutieve/gevolgaanduidende bijzin met prædicaat facias concordes in
de coniunctivusvorm, bepaald door het voegwoord ut, opdat/zodat Gij [object]
een van hart maakt/doet zijn. Facias, op-/zodat Gij maakt/doet zijn – 2e pers.
coniunctivi præsentis van facere, 3, en de prædicatieve bepaling consortes die
aansluit bij het object quos in de relatieve bijzin 2b.
Una
pietate, door de ene (vaderlijke) liefde/goedheid – bijwoordelijke bepaling in
twee congruerende ablativusvormen die het middel of de oorzaak van het
gevraagde effect aangeven: ablativus instrumenti / causæ. Voor de betekenis van
pietas, - atis zie eveneens het Klein Vocabularium.
Ad
2b
De
relatieve bijzin [eos] quos uno cælesti
pane satiasti, zij die Gij met het ene hemelse Brood hebt verzadigd, fungeert
als object bij het prædicaat facias concordes (r. 2a) en vernoemt een
goddelijke heilsdaad (het verstrekken van het Brood uit de Hemel) waarop het
gebed zich beroept om het gevraagde effect – als christelijke gemeenschap één
van hart en geest te kunnen zijn – te kunnen ontvangen. Het zinsdeel una
pietate (r. 2a), op grond van die ene liefde jegens zijn kinderen, die de Vader
eigen is - onderstreept dit beroep extra.
Satiasti, gij hebt verzadigd – prædicaat, 2e
pers. perfecti activi indicativi vanwege de feitelijke werkelijkheid.
Uno cælesti pane, met het ene hemelse Brood –
bijwoordelijke bepaling in drie congruerende ablativusvormen, ablativus
instrumenti (middel waarmee een handeling, hier satiasti, wordt verricht).
S t i j l f i g u r e n
Una [facias] pietate, hyperbaton (uiteenplaatsing van begrippen die
grammaticaal bij elkaar horen) r. 2a
Uno (r. 2b), una (r. 2a), klankrijm.
K l e i n v o c a b u l a r
i u m
Pietas, - atis, f.
God de Vader heeft de mensen lief en
heeft hen zijn liefde ontegensprekelijk bewezen door hen zijn Zoon als
Verlosser te schenken. Het is de liefde van de oneindig verheven Vader, die in
het Latijn van de liturgie van de Kerk wordt uitgedrukt in het begrip “pietas”
, omdat in de liefde van de Vader heel de sublimiteit van zijn Wezen is vervat.
De H. Eucharistie en bijgevolg de H.
Communie is het sacramentum magnæ
pietatis, het sacrament van zijn overgrote liefde (cf Oratio super munera,
6e zondag van Pasen).
Het
begrip pietas kent een dubbele beweging: de natuurlijke liefde van de vader /
de moeder voor hun kinderen en de respectvolle wederliefde van de kinderen voor
hun ouders. Het betekent echter niet ‘een goed gevoel’. Zoals boven al gezegd
weerspiegelt ons uitwendig gedrag onze inwendige habitus. Katholieken erkennen
de verschillende relaties ten overstaan van de objecten van hun pietas. Wie ben
ik voor het aanschijn van God? Ten overstaan van ouders, weldoeners en/of
superieuren? Wat is mijn authentiek aandeel in deze relatiepatronen? Hoe zijn zij aan pietas gebonden in hun
relatie tot mij? Pietas is een wezenskenmerk van God maar Hij is aan geen
enkele verplichting gebonden. In de oratietaal refereert pietas, toegepast op
God, meestal aan zijn genade en goedheid jegens ons. In onze taal is het begrip
pieteit gangbaar, van de diverse betekenissen als devotie, eerbied, respect, liefdevolle
gedachtenis godsvrucht, devotie wordt het begrip heden ten dage frequent
gebruikt voor het liefdevol gedenken en de eerbied jegens overledenen.
Concordes
Pluralisvorm van het adiectivum
concors, concordis en betekent eensgezind, verenigd, overeenstemmend,
harmonieus.
We kennen het begrip ‘concordia’
als naam voor harmonieën en andere muziekgezelschappen, sportverenigingen,
scheepsbedrijven (denk aan de Costa Concordia).
Op de N.-W.-hoek van het Forum
Romanum stond de tempel van Concordia (Latijn:Aedes Concordiæ), ook wel Tempel van de Eendracht.
De tempel was gewijd aan Concordia, de Romeinse
godin van de eendracht, die vooral betrekking had op
de Romeinse burgers, die in het algemeen op het Forum geen moeite hadden stevig
te debatteren!
Voorts de term concordaat als bilaterale
overeenkomst tussen de Heilige Stoel enerzijds en een bepaalde staat anderzijds
en ook het begrip concordantie dat een overzicht is van alle woorden uit een
bepaald werk met verwijzing naar de locatie waar ze voorkomen.
Bijbelconcordanties zijn uitermate praktisch!
Concors is samengesteld uit de
prepositie cum (met) met cor, cordis
(hart). Dit begrip brengt ons tot de beschouwing van wat de mens in feite is.
In de theologie over de natuur van de mens vinden we in de geschriften van de
H. Paulus concepten over de aard van de mens, ofschoon hij niet voorziet in een
heldere theologische antropologie. Paulus doelt meestal op de betekenis van de
mens in zijn relatie met, en tot God én de wereld om hem heen. Hij gebruikt
termen als ‘lichaam’ (Grieks soma),
‘ziel’ (psyche), “geest” (pneuma), “verstand” (nous), “hart” (kardia), “vlees” (sarx), die alle
wijzen naar bepaalde aspecten van de hele persoon, maar niet uitdrukkelijk naar
de afzonderlijke delen. Psyche, “ziel”
bijvoorbeeld is niet enkel de vitale levenskern die het biologische leven
kracht verleent, maar heeft betrekking op de hele persoon, maar vooral in
verband gebracht met zijn bewustzijn, zijn intellect en de kracht van zijn wil.
Voor Paulus is psyche eerder een
natuurlijk dan een bovennatuurlijk levensprincipe. Zo is bij Paulus iemand
zonder inwoning van de Heilige Geest een psychikos, eerder
een op de materie gericht geestelijk persoon dan een op het bovennatuurlijke
gerichte geestelijke persoon. Paulus gebruikt voorts pneuma “geest”
zowel voor de Heilige Geest als voor de mens. Wanneer pneuma in geval van de mens in verband wordt gebracht
met soma “lichaam” en psyche
“ziel” wijst hij op die dimensie van de mens die in staat is de Heilige Geest
te ontvangen: een pneumatikos mens. Nous of
“verstand” is voor Paulus het kenvermogen, het intellect dat begrijpt en
oordeelt. Er is een nauwe band tussen nous en kardia, of “hart”, de
meer affectieve dimensie van de mens. “Hart” is als iemands emotioneel
landschap, dat deel van ons dat liefheeft en droevig is, vreest, lijdt en
droomt. Dat is het “hart” dat zich kan “verharden” (cf 2 Kor 3, 14) of “worden
gesterkt en bevestigd” doordat Christus zijn zegel er op heeft gedrukt en de
Geest als een handgeld aan onze harten heeft meegedeeld (cf 2 Kor 1, 20-22). Wanneer
we nu concordes in de Postcommunio van deze zondag proberen te vertalen, kunnen
we zeggen “één van hart en geest”, zodat de verschillende inwendige
landschappen van de gedoopten één harmonieus geheel vormen.
Een beter begrip van de betekenis van de
wortels en de herkomst van de theologische terminologie helpt om de katholieke
terminologie op dit terrein als minder vreemd te beschouwen.
Infundo, infudi, infusum
Heeft volgende betekenissen: 1.
ingieten, in iets gieten, in laten vloeien,
laten instromen 2.op of over iets gieten, uitgieten, zich uitstorten. In
de constructie infundere alicui aliquid, heeft het
de impact van “iemand een medicijn toedienen”, spreiden over, meedelen,
verstrekken, verschaffen. (Vgl. ‘infuus’ in het Nederlands),
Het sacrament van het Doopsel wordt
toegediend middels “infusio”: het doopwater wordt uitgestort over de dopeling,
zodat het water langs de huid vloeit.
We spreken ook over de theologische
deugden van geloof, hoop en liefde die bij de dopelingen worden ingestort (Catechismus
van de Katholieke Kerk 1813).
De openingsregel van het collectegebed
van de 4e zondag van de Advent en van het slotgebed van het
Angelusgebed luidt: “Gratiam tuam, quæsumus, Domine, mentibus nostris
infunde”. De Menswording van Christus, Lijden en Verrijzenis staan
onder de werking van de Heilige Geest; zonder de Geest van God is ook de
verlossende deelname aan dood en verrijzenis niet mogelijk. Om deze heilige
Geest vraagt de Kerk, wanneer zij bidt om de Agratiam
infundere”, de uitstorting van de genade, Een parallel kan worden getrokken met
een tekst van Sint Paulus: A...
de liefde Gods is uitgestort in onze harten door de Heilige Geest, die ons is
geschonken@ (Rom
5, 5).
T o
e l i c h t i n g
Bij
de begrippen ordo, ordines, ordinarius
Een
plaatselijke of diocesane Ordo of dat van een kloosterorde (Proprium Calendarium
Ordinis, de eigen kalender van een Orde)
zou ook de namen van bijvoorbeeld overleden priesters of leden kunnen bevatten.
Met betrekking tot de geestelijkheid ‘ordent’ de Kerk de daartoe bestemde
mannen door het Sacramentum Ordinis (Ordessacrament)
in drie rangen: diakens, priesters en bisschoppen waarbij geestelijke macht
wordt overgedragen en genade toebedeeld voor de viering en toediening van de
Sacramenten en ook voor de ordening van het leven van de Kerk.
Als
gevolg van de liturgiehervorming van Vaticanum II verschenen een aantal ordines
met regelingen voor de toediening van sacramenten en het voltrekken van
bepaalde riten.
We
noemen er enkele:
Ordo
Baptismi parvulorum – Regeling voor het Doopsel van kleine kinderen
Ordo
Confirmationis – Regeling voor het toedienen van het Vormsel
Ordo
Pænitentæ – Regeling voor het Boetesacrament
Ordo
Missæ – Regeling voor de H. Mis
Ordo
Celebrandi Matrimonium – Regeling voor de viering van het Huwelijkssacrament
Ordo
Unctionis Infirmorum eorumque pastoralis curæ – Regeling voor de Ziekenzalving
en van de pastorale zorg voor hen
Ordo
Initiationis Christianæ Adultorum – Regeling voor de christelijke initiatie van
volwassenen
Ordo
Exsequiarum – Regeling voor de Uitvaart
Ordo
benedicendi Oleum Catechumenorum et Infirmorum et conficiendi Chrisma –
Regeling voor de wijding van de Catechumenenolie en het opleggen van het
Chrisma
Ordo
Cantus Missæ – Regeling voor de Misgezangen
En
voor het religieuze leven:
Ordo
Professionis Religiosæ – Regeling voor de Religieuze Professie
Ordo
Benedictionis Abbatis et Abbatissæ – Regeling voor de Abts- en Abdissenwijding
Ordo
Consecrationius Virginum – Regeling voor de Maagdenwijding
Ordines
/ Ordeningen / Regelingen brengen dus orde mee en een specifieke ordening van
personen en zaken tot een soort eenheid. Sommige geestelijken, zoals diocesane
bisschoppen, worden ‘ordinarii’ (enkelvoud ‘ordinarius’) genoemd vanwege het
uitoefenen van jurisdictie.
We
spreken ook over religieuze of kloosterorden, instituten waarvan de leden
geloften afleggen om volgens bepaalde regels te leven (onze Orde bijvoorbeeld
heet voluit Canonissæ Regulares Ordinis Sancti Sepulcri, Reguliere
Kanunnikessen van het Heilig Graf). Er zijn ook bepaalde Ridderordes die
monastiek leven in zekere zin proberen te combineren met militaire diensten.
De
bovengenoemde Ordo Missæ bestaat
voornamelijk uit die gedeelten van de Mis die voor het merendeel onveranderlijk
zijn. Het Missale Romanum 1970 bevat de “nieuwe ordo” van de H.
Mis, of Novus Ordo.
Wordt
de bisschop van een diocees de plaatselijke Ordinarius (Ordinarius loci)
genoemd, uit de geschiedenis van de liturgische boeken kennen we nog een andere
Ordinarius. Een belangrijke bron voor het kerkelijk leven in de latere
Middeleeuwen is de codex ‘De Ordinarius van de Collegiale Onze Lieve
Vrouwekerk te Maastricht, derde kwart XIVe eeuw, 1984 in druk verschenen en uitgegeven door
J.M.B. Tagage +. “Liber Ordinarius” of “Ordinarius” noemde men het boek waarin
ten behoeve van de liturgie in kathedrale kerken, alsmede in kloosterkerken en
collegiale kerken, zoals die van reguliere en seculiere kanunniken en
kanunnikessen, de voorschriften voor de uitoefening van de eredienst op de
verschillende tijdstippen van de dag en in de loop van het kerkelijk jaar waren
vastgelegd. De grondslag voor deze ‘Ordinarii’ vormden de “Ordines’ van de
achtste eeuw, die toenmaals in de kerken van Rome ontstonden en zich van
daaruit verbreidden.
Zij
omvatten een reeks voorschriften voor de uitoefening van de eredienst, waarbij
het allereerst ging om de liturgie van de Mis, van het Goddelijk Officie en van
een aantal andere plechtigheden.
De
“Ordinarius van de Lieve Vrouwe” bevat een schat aan informatie: het Tijdeigen,
het Eigen van de Heiligen, het Calendarium, het Martyrologium, de wijze waarop
men zich in het koor diende te gedragen, de kleurencanon, de hymnen in
koorofficie en processies, tropen, prosen, sequenties, orgel, relieken,
ornamenten, kerkmeubilair, de functies van het kanunnikenkapittel enz. enz. Met
dit belangrijke werk is de kennis van de godsdienstbeleving en van het
culturele leven van het middeleeuwse Maastricht ontsloten.
C o
m m e n t a a r
Als we spreken over de ‘gewone’ Tijd
door het Jaar doelen we daarmee niet op een gemeenplaats of op een periode
zonder specifiek karakter. We zijn de tijd binnengegaan van de voorbereiding op
de Geboorte van het Kind Jezus tot de laatste zondag van het liturgisch jaar,
de viering van Christus Koning, de Deus
pietatis, de God van liefde, maar ook de Iudex tremendus, de
Rechter naar wiens Majesteit wij met huiver opzien en die ons zal binnenleiden
in het eeuwige Rijk van vrede.
Het
begrip pietas helpt ons ons goed te
concentreren tijdens de viering van de H. Eucharistie. Zet pietas, met zijn concepten van plicht en verplichting,
ons niet aan tot een diepgaand onderzoek van ons geweten? We moeten ons oprecht afvragen wie we zijn en
wie we niet zijn. Verbonden met begrippen en habitus van concors en
caritas, daagt
pietas ons uit en roept ons op een waarachtig, vitaal en goed
geïntegreerd beeld van God te zijn in woord en daad. We zouden eerder
moeten lijken op een mooi portret dan op een louter stilleven. Dit geldt voor
ieder aspect van onze actieve deelname aan de liturgie. In de H. Mis gaat het
niet zozeer over ons en over wat we doen, maar over wie en wat God is, en wat
Hij doet voor ons.
“In
de H. Communie opent Hij de deur naar zijn roemrijk en minnend Hart en naar
zijn ziel vol heerlijkheid, bevalligheid, vreugde en trouw: daarin zult ge u
verblijden en er groeien en toenemen in hartelijke liefde. Hij is de poort ten
eeuwigen leven en uw toegang tot het levende paradijs, dat Hij zelf is. Daar
zult gij de vrucht van het eeuwig leven smaken, die voor ons gegroeid is aan
het kruishout, maar die wij verloren hadden door de hovaardij van Adam en die
wij nu weer terug bekomen in de ootmoedige dood van onze Heer Jezus Christus,
die ons levend paradijs is”. (Johannes Ruusbroec).
Onze
deelname aan de H. Mis gedurende de gewone tijd door het jaar kan ons helpen
ons leven te ordenen. Op ons rust de plicht te handelen overeenkomstig de
waarheid wie wij zijn (en wie wij niet zijn), wie onze naaste is, wie God is,
en wat werkelijk gebeurt in de H. Mis binnen de Moederkerk. Laat het uitwendige
aspect van de viering van de H. Mis onze innerlijke habitus weerspiegelen zoals
ook uit onze levenshouding de schoonheid van een heilig lidmaat van Christus’
Mystiek Lichaam kenbaar moet zijn.
Abonneren op:
Posts (Atom)





