Posts tonen met het label hebdomada II per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hebdomada II per annum. Alle posts tonen

zondag 19 januari 2025

Omnis terra Introitus dominica II per annum

Collectegebed Tweede zondag door het jaar "Hemel en aarde worden door U geleid"


Omnipotens sempiterne Deus, 
qui cælestia simul et terrena moderaris,
supplicationes populi tui clementer exaudi, 
et pacem tuam nostris concede temporibus

Almachtige eeuwige God,
hemel en aarde worden door U geleid;
verhoor welwillend het gebed van uw volk
en geef ons uw vrede in deze tijd.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n  e n  i n h o u d

In het præconciliaire Romeinse Missaal is deze oratie als collecte opgenomen in het misformulier van de 2e zondag na Driekoningen en heeft na de liturgiehervorming van Vaticanum II in het Proprium de Tempore nagenoeg dezelfde liturgische plaats behouden. Naast de vermelding in het Sacramentarium Hadrianum dat teruggaat op het Gregorianum komt deze collecte in diverse liturgische tradities voor. (1)

Het gebed wendt zich tot de "Almachtige en eeuwige God, die hemel en aarde bestuurt". De term "almachtig" is de oorspronkelijke vertaling van de Griekse term Pantokrator (Albeheerser), "die het universum in zijn hand draagt" en zo uitsluitend een voor God gereserveerde aanspreektitel is. (Zie commentaar bij het collectegebed van de eerste zondag van de Advent)

De oratie richt zich tot God de Vader, zoals alle oraties van de misformulieren in het missaal en in het brevier, uitgezonderd de oratie van 24 december (2) en de oratie van Sacramentsdag. (3)

(Een derde uitzondering, maar dan van een andere categorie, vormt het slotgebed van de Completen van woensdag : Dómine Iesu Christe, qui iugum suáve...)

Omdat God de Pantokrator is en als zodanig over hemel en aarde heerst, kan Hij ook de vrede bewerken en de elkaar bestrijdende machten van de wereld tot rust brengen. Dat is hetgeen het volk van Gods goedheid in dit gebed wil afsmeken.

De begrippen cæléstia et terréna, hier gebruikt als object van Gods bestuur, verwijzen allereerst naar de schepping zelf: "In het begin schiep God hemel en aarde" (Gen 1,1). In deze eerste woorden van de Schrift worden drie zaken gesteld: de eeuwige God heeft alles wat buiten Hem bestaat een begin gegeven. Hij alleen is de Schepper (het werkwoord "scheppen" - bara in het Hebreeuws - heeft als onderwerp altijd God). Het geheel van wat bestaat (uitgedrukt in de formulering hemel en aarde (of zoals hier cæléstia et terréna) is van Hem afhankelijk die er het zijn aan geeft (vgl. CKK nr. 290).
Het bijwoord "simul" dat het werkwoord "moderaris" nader kwalificeert en versterkt, en daarmee de almacht van God sterker tot uitdrukking brengt, is in de Nederlandse vertaling achterwege gelaten.

Zoals eerder gezegd is de collecte een bede om vrede, maar heeft met de hoofdthema's van de H. Mis van de 2e zondag na Driekoningen en de 2e zondag door het jaar (de huldiging en de aanbidding van de op aarde verschenen God in de Introitus Omnis terra met de Jubilatepsalm (Psalm 65, een Paaslied) geen enkel verband.

Historisch gezien is deze oratie mogelijk afkomstig uit de onrustige tijden van de volksverhuizing. Deze bede heeft echter vandaag de dag waarin de vluchtelingenstromen  over de wereld trekken nog niets aan betekenis ingeboet(4).

(1) Zie nr. 3909 in Moeller, Clément en Coppieters >t Wallant, CORPUS ORATIONUM, Brepols Turnhout 1995, Tomus VI, p. 93.
(2) Festína, quæsumus, ne tardáveris, Dómine Iesu... (Haast U, bidden wij, talm niet, Heer Jezus...)
(3) Deus, qui nobis sub sacraménto mirábili passiónis tui memóriam reliquisti ... 
God [Heer Jezus Christus] die ons in dit wonderbaar sacrament de gedachtenis hebt nagelaten van uw lijden en sterven...
(4) Het begrip volksverhuizing is moeilijk exact te definiëren. Vanaf de prehistorie hebben grote groepen mensen herhaaldelijk hun woonplaatsen verlaten om elders nieuwe te zoeken. Na 500 v. Chr. kwam de grootste bedreiging uit de Euraziatische steppen: Skythische, Turkse, Mongoolse en andere nomaden waren te allen tijde gereed de vruchtbare, rijke landbouwgebieden te plunderen, zeker als hun eigen weidegronden tekort schoten. Zo=n aanval bracht vele andere gevestigde volkeren in beweging en kon soms tientallen jaren lang de landbouwrijken destabiliseren.
Meer speciaal bedoelt men met de volksverhuizing de Grote Volksverhuizing aan het einde van de oude geschiedenis. Deze werd in beweging gezet door de Hunnen, die in 375 in de Zuid-Russische Laagvlakte verschenen, in de daarop volgende jaren verder trokken naar Hongarije en ook aanvallen deden op Gallië en Italië. Dit bracht de meeste Germaanse stammen in beweging, die reeds lange tijd voordien ervaren hadden dat de grenzen van het Romeinse Rijk niet meer ondoordringbaar waren. Goten, Vandalen, Sueven, Bourgondiërs, Angelen, Saksen en andere stammen vestigden kort na 400 zelfstandige koninkrijken binnen dit rijk.
In de 6e eeuw volgde een tweede fase, samenhangend met de komst van de Avaren ca. 550, die o.a. resulteerde in de verovering van Italië door de Longobarden (568). Als laatste fase zou men de invallen van de Noormannen 800-1000 kunnen aanmerken.

Lezingen H. Mis 2e zondag door het jaar C “Doet maar wat Hij u zeggen zal.”

Eerste lezing (Jesaja 62,1-5)
Uit de Profeet Jesaja.
Omwille van Sion mag ik niet zwijgen,
terwille van Jeruzalem mij niet stilhouden.
Want als de zon zal haar gerechtigheid stralen,
haar heil branden als een fakkel.
De volkeren zullen uw gerechtigheid aanschouwen,
alle koningen uw glorie zien
en men zal u een nieuwe naam geven,
een naam door de Heer bedacht.
In de hand van de Heer zult gij een flonkerende kroon zijn,
in de hand van uw God een koninklijke diadeem
. Gij zult niet meer heten: “de Verlatene”,
uw land niet meer: “Woestenij”;
maar gij zult heten: “Mijn Welbehagen”,
uw land: “Gehuwde”;
Want in u heeft de Heer zijn behagen gesteld
en uw land wordt Hem ten huwelijk gegeven.
Zoals een jongen zijn meisje trouwt,
zal Hij die u opbouwt, u trouwen;
en zoals een bruidegom zich verheugt in zijn bruid
zal uw God zich verheugen in u.

Tweede lezing (1 Korinte 12,4-11)
Uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte.
Er zijn verschillende gaven, maar slechts één Geest.
Er zijn vele vormen van dienstverlening,
maar slechts één Heer.
Er zijn allerlei soorten werk,
maar er is slechts één God,
die alles in allen tot stand brengt.
Maar aan ieder van ons
wordt de openbaring van de Geest meegedeeld
tot welzijn van allen.
Aan de een wordt door de Geest een woord van wijsheid gegeven,
aan een ander een woord van kennis krachtens dezelfde Geest,
aan een derde door dezelfde Geest het geloof.
Aan weer anderen schenkt de ene Geest gaven
om ziekten te genezen, om wonderen te doen,
de gave van profetie,
de onderscheiding van geesten,
velerlei taal of de vertolking ervan.
Maar alles is het werk van een en dezelfde Geest,
die aan ieder zijn gaven uitdeelt zoals Hij het wil.

Evangelie (Johannes 2,1-12)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
In die tijd was er een bruiloft te Kana in Galilea, waarbij de moeder van Jezus aanwezig was.
Jezus en zijn leerlingen
waren eveneens op die bruiloft uitgenodigd.
Toen de wijn opraakte
zei de moeder van Jezus tot Hem:
“Ze hebben geen wijn meer.”
Jezus zei tot haar:
“Vrouw, is dat soms uw zaak?
Nog is mijn uur niet gekomen.”
Zijn moeder sprak tot de bedienden:
“Doet maar wat Hij u zeggen zal.”
Nu stonden daar volgens het reinigingsgebruik der Joden
zes stenen kruiken,
elk met een inhoud van ongeveer honderd liter.
Jezus zei hun:
“Doet die kruiken vol water.”
Zij vulden ze tot bovenaan toe.
Daarop zei Hij hun:
“Schept er nu wat uit
en brengt dat aan de tafelmeester.”
Dat deden ze.
De tafelmeester proefde van het water
dat in wijn veranderd was.
Hij wist niet waar die wijn vandaan kwam,
maar de bedienden, die het water geschept hadden,
wisten het wel.
Zodra hij geproefd had,
riep hij de bruidegom en zei hem:
“Iedereen zet eerst de goede wijn voor
en wanneer men eenmaal goed gedronken heeft de mindere.
“U hebt de goede wijn tot nu toe bewaard.”
Zo maakte Jezus te Kana in Galilea een begin met de tekenen
en openbaarde zijn heerlijkheid.
En zijn leerlingen geloofden in Hem.
Daarna daalde Hij af naar Kafarnaüm,
Hijzelf en zijn moeder, de broeders en zijn leerlingen;
maar zij bleven daar slechts enkele dagen.

zaterdag 15 januari 2022

Reeks Oratio super munera - Tweede zondag door het jaar Geef dat wij waardig deelnemen aan dit mysterie, want dan wordt de verlossing voor ons werkelijkheid.

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven”
Tweede zondag per annum / door het jaar

Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie
Geef dat wij waardig deelnemen aan dit mysterie, want dan wordt de verlossing voor ons werkelijkheid

I n l e i d i n g
Aan het Gebed over de gaven van deze zondag hebben de concilievaders in de Constitutie over de Heilige Liturgie van het 2e Vaticaanse Concilie , Sacronsanctum Concilium, hun eerste belangwekkende uitspraak over de grote betekenis van de liturgie, vooral van de H. Mis, ontleend: “Door de liturgie wordt immers ‘het werk van onze verlossing voltrokken’ “ (Zie Aanhangsel nr. 2). Het is op zichzelf  niet opmerkelijk dat de oratie de H. Eucharistie noemt: “zo dikwijls de gedachtenisviering van dit Offer wordt gehouden”: vanaf het Gebed over de offergaven zijn immers alle teksten afgestemd op de eucharistische viering.“ Het Gebed over de gaven vormt de voorbereiding op de liturgische handeling die voltrokken gaat worden, de voorbereiding van personen en zaken voor het eucharistische Gebed en het gebed vraagt om de juiste gesteltenis om het Offer waardig op te dragen.
De “voltrekking van het werk van onze verlossing” is een exacte begripsbepaling van de Heilige Mis: gedachtenisviering van dit Offer, dat betekent het Offer van Christus aan het kruis. Het Offer op het kruis was het werk van onze verlossing (onze vrijkoop): “scientes non corruptilibus auro, vel argento redempti estis […] sed pretioso sanguine quasi agni immaculati Christi” (cf  1 Pe 1, 18) – Gij weet dat gij niet met vergankelijk goud of zilver zijt vrijgekocht, maar door het kostbaar Bloed van Christus, het Lam zonder vlek of gebrek. In de  Paasjubelzang, het Exsultet, roept de liturgie de gelovigen op om met hart en ziel en met luide stem de lof te zingen van de onzichtbare God, de almachtige Vader en van zijn eengeboren Zoon Jezus Christus, die voor ons de schuld van Adam aan de eeuwige Vader heeft betaald, en de schuldbrief van de oude zonde heeft uitgewist met het Bloed van zijn Hart. Dit werk van verlossing wordt telkens voltrokken, wanneer wij de gedachtenisviering houden.
Dat is de motivatie van het gebed. God moge ons geven dat wij het mysterie van deze gedachtenisviering waardig vieren. Het komt dus enerzijds aan op een inwendige gelovige gezindheid maar waardigheid verlangt ook de waardige voltrekking van de heilige handeling met haar bijbehorende gebeden.
 T e k s t
Missale Romanum – 1970
Concede nobis, quæsumus, Domine, hæc digne frequentare mysteria,
quia, quoties huius hostiæ commemoratio celebratur,
opus nostræ redemptionis exercetur.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, wij bidden U, dat wij altijd op waardige wijze deelnemen aan dit mysterie,
want telkens als wij de gedachtenis van dit offer vieren,
wordt de verlossing voor ons werkelijkheid.
Werkvertaling
Verleen ons, smeken wij [U], Heer, op waardige wijze deze mysteries te vieren,
omdat, zo dikwijls als de gedachtenis van dit Offer wordt gevierd,
het dienstwerk van onze verlossing wordt voltrokken.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
In de editie 1962 van het Romeinse Missaal van vóór Vaticanum II was de oratio super munera / super oblata van deze zondag als secreta opgenomen in het misformulier van de 9e zondag na Pinksteren (MR 120). De oratie gaat terug tot het Sacramentarium Gelasianum Vetus, 1196 (Vat. Reg. Lat. 316) eerste helft van de achtste eeuw en heeft een overeenkomstige brontekst in het Sacramentarium Leonianum, 931 (Kapittelbibliotheek Verona LXXXV), tweede helft van de zesde eeuw.
S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1.Concede nobis, quæsumus, Domine, hæc digne frequentare mysteria,
2.quia, quoties huius hostiæ commemoratio celebratur,
opus nostræ redemptionis exercetur.
De oratio bestaat uit één enkele zin, gevormd door de hoofdzin (openingszin) regel 1, die tegelijkertijd de bede omvat, gevolgd door een causale (redengevende) bijzin beginnend met het voegwoord quia /omdat, waarin opgenomen de bijwoordelijke bijzin beginnend met quoties.
Ad 1
Concede, verleen, schenk, geef, - eerste onderdeel van het gezegde aan de spits van de oratie in de imperativusvorm, even verderop verzacht door het verbum quæsumus, vragen wij, een vorm van een onvolledig verbum die dikwijls in de oraties van de H.Mis en het getijdengebed wordt aangetroffen.
Tot het gezegde behoort ook de infinitivusvorm frequentare aan het einde van deze regel zodat de vertaling luidt: verleen .... te vieren.
Nobis, [aan] ons bijwoordelijke bepaling in de dativus, hier dativus commodi (van voordeel).
Domine, [o] Heer, anaklese in de vocativusvorm van het substantivum Dominus.
Hæc mysteria, deze mysteries / sacramenten, - object van het gezegd in twee congruerende accusativusvormen in het onzijdig meervoud. De accusativusvormen zijn uiteen geplaatst en vormen derhalve een hyperbaton.
Digne, op waardige wijze, bijwoordelijke bepaling bij het verbum frequentare. Adverbium van dignus.
Ad 2
Redengevende bijzin die het argument voor de bede in r. 1 vormt. De tussenzin ingeleid door het bijwoord quoties, zo dikwijls als/telkens als, kan benoemd worden als een bijwoordelijke bijzin van de frase quia […] opus nostræ redemptionis exercetur.
Van de causale bijzin is opus nostræ redemptionis het subject, gevormd door de nominativusvorm opus vergezeld van twee congruerende genitivusvormen nostræ redemptionis (genitivus obiectivus).
Exercetur,  gezegde, 3e pers. enkelvoud præsentis passivi van het verbum exercere van de 2e coniugatie met de stamtijden cui, citum en met de betekenis: oefenen, uitoefenen. Het gezegde staat in de indicativusmodus vanwege het voegwoord quia alsmede ter uitdrukking van een feitelijke werkelijkheid.
In de bijwoordelijke bijzin, ingeleid door quoties is celebratur het gezegde in de 3e pers. enkelvoud præsentis passivi van het verbum celebrare met huius hostiæ commemoratio als subject, op te splitsen in de nominativusvorm commemoratio gevolgd door twee congruerende genitivusvormen huius hostiæ die het substantivum commemoratio nader bepalen (genitivus explicativus). De genitivusvormen huius hostiæ vormen een alliteratie. Bovendien is er sprake van een mooie kruisstelling (chiasme):
huius hostiæ (genit.) commemoratio (nomin.) en opus (nomin.) nostræredemptionis (genit.).
De verba celebratur en exercetur hebben een klank- en tevens eindrijm terwijl de voegwoorden quia, quoties een fraaie alliteratie vormen.
Stilistisch wordt de oratio super munera van deze zondag gekenmerkt door alliteratie, een hyperbaton, een chiasme en klank-, respectievelijk eindrijm.
V o c a b u l a r i u m
Frequentare, 1. dikwijls bezoeken 2. talrijk samenkomen 3. bijwonen, vieren. Frequentare is een  equivalent van celebrare en heeft ook betekenissen als dikwijls celebreren/vieren, of eenvoudig celebreren, of ook deelnemen aan een celebratie: cf frequentare mysteria (Gelasianum I, 25, 170), dikwijls de mysteries / sacramenten vieren. Zie voor meer informatie A. Blaise, Le Vocabulaire Latin des principaux thèmes liturgiques. Ouvrage revu par Dom Antoine Dumas O.S.B.. Brepols, Turnhout 1966, paragr. 4
Mysteria – onz. meervoud van mysterium, -i met betekenissen als mysterie, mysterieuze zaak, mystiek teken / symbool, mystieke betekenis (bv van een feest), geheim goddelijk raadsbesluit, mysteries van het geloof (wanneer het Credo wordt uitgelegd aan catechumenen) enz. (Dumas, p. 74).
Mysteria is een van de sleutelbegrippen die regelmatig voorkomen in de oraties van de zondagen door het jaar. Mysteria, dat kan worden gelezen als synoniem met sacramentum eucharisticum,  komt in tien Super munera van de zondagen per annum voor (II, VII, IX, XIII,XIX, XXII, XXIII, XXVII, XXIX, XXXII). In de context van de Super munera verwijst dit begrip de meeste keren naar het Eucharistisch Gebed, en dus naar de sacramentele viering van het Paasmysterie. Het meest frequent komt het in de meervoudsvorm voor waarmee het de sacramentele riten beoogt.
Hostia , æ, in klassiek Latijn: offerdier, slachtoffer; verder offer, offerande, gave, hostie, H.Hostie. Dit substantivum komt vijfmaal voor (II, XVI, XVIII, XXI, XXVIII). Volgens Dom Dumas in Notitiæ 6, 198 (Commentaren op publicaties en studies, uitgegeven door de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Sacramenten) heeft het in de oraties nooit de betekenis van slachtoffer, offerdier. Het betekent veeleer de gaven die worden aangeboden of de H. Eucharistie zelf, waarbij de context van het offer toch niet geheel wordt losgelaten.
Quæsumus, wij bidden /smeken - een van de vormen van een onvolledig verbum, waardoor de imperativus waarmee God wordt aangesproken maar waartoe de bidder in werkelijkheid geen recht heeft, wordt gemilderd. De vorm quæsumus vervult soms ook een functie om het smeekkarakter van de oratie te benadrukken  of om bij te dragen tot een betere ritmische loop van de oratie.
C o m m e n t a a r
Het besef van collectieve onwaardigheid en de voortdurende behoefte aan goddelijke hulp bij het opdragen van het eucharistisch Offer, een thema dat in de oratie van deze zondag prevaleert, is ook het subject van het “Orate fratres” (Bidt, broeders en zusters, dat mijn en uw offer aanvaard kan worden door God, de almachtige Vader). Deze gebedsoproep die aan het Gebed over de gaven voorafgaat, kan gezien worden als het persoonlijk gebed van de celebrant om aanvaarding van zijn offergave die God wordt aangeboden samen met die van de gemeenschap. Het Gebed over de gaven omvat immers diverse aspecten:  de bede [van de celebrant] om een waardig opdragen, de bede [van de gelovigen] om hun geestelijke en materiële gaven met de Eucharistische gaven waardig te verbinden en de bede [van allen] om de H. Eucharistie waardig te vieren. De oratie super munera leert mij aldus het Heilig Misoffer beter te begrijpen en hoog te schatten. Zo is deze oratie een dogmatisch gebed.  Telkens wanneer de gedachtenis en de actualisering van het Kruisoffer van Christus in de H.Mis zich voltrekt, voltrekt zich ook het dienstwerk van onze verlossing: een kostbare gedachte die ons het Misoffer verklaart als een viering van Heilige Geheimen.
In de tweede lezing van het Misformulier van deze zondag (1 Kor 1, 1-3) spreekt de apostel Paulus de gelovigen van de Kerk van Korinte aan als “geheiligden in Christus Jezus, bestemd tot een heilig leven”.
God werkt door mensen. De heiligheid van zijn heiligen is het oordeel van de wereld. Daarom moeten de kinderen van God zich als eersten onder de voortdurende wet van de liefde stellen. Hun zaligheid is “Zijn Wil te doen, dat is hun vreugde, Zijn wet is in hun hart gegrift” (Antwoordpsalm 40,9). In de viering van de H. Eucharistie zoeken zij de nabijheid van de Heer en daarmee het oordeel van Zijn kant. Zij, die Christus in Zijn offergezindheid willen volgen, weten dat daar het werk van hun verlossing en de reiniging van zonden opnieuw worden voltrokken. Met de Kerk bidden wij in het Gebed na de Communie dat wij door het ontvangen van het Lichaam en Bloed van de Heer  Zijn liefde mogen ontvangen die ons één van hart doet zijn. Zo blijven wij onder de wet van de liefde en in Zijn tegenwoordigheid die ons heiligt.
A a n h a n g s e l
Constitutie over de Heilige Liturgie “Sacrosanctum Concilium” van het 2e Vaticaanse Concilie, nr. 2
‘Want de liturgie, waardoor, vooral in het goddelijk offer van Eucharistie, "het werk van onze verlossing wordt voltrokken” (1), draagt er ten zeerste toe bij, dat de gelovigen het mysterie van Christus in hun leven tot uitdrukking brengen en aan anderen openbaren, gelijk ook de echte aard van de ware Kerk, die dit als eigen kenmerk heeft, dat zij menselijk is en goddelijk tevens, zichtbaar en met onzichtbare werkelijkheden toegerust, bruisend van activiteit en zich wijdend aan de beschouwing. In de wereld aanwezig en toch op pelgrimstocht: en dit alles zó, dat het menselijke in haar op het goddelijke is gericht en daaraan onder geordend, het zichtbare op het onzichtbare, de actie op de contemplatie en het tegenwoordige op de toekomstige woonplaats, die wij zoeken. (2) Vgl. Hebr. 13, 14
Vandaar dat de liturgie, die de leden van de Kerk dagelijks opbouwt tot een heilige tempel in de Heer, tot een woonstede van God in de Geest (3)Vgl. Ef. 2, 21-22
, tot aan de gehele omvang van de volheid van de Christus (4)Vgl. Ef. 4, 13
, tevens op wonderbare wijze kun krachten versterkt om Christus te kunnen prediken, en zo de Kerk aan de buitenstaanders laat zien als een voor de volken opgeheven banier (5), waaronder de verstrooide kinderen van God samengebracht moeten worden (6), totdat het zal zijn één kudde en één herder’. (7)

(1)    Secreta van de 9de zondag na Pinksteren
(2)   Vgl. Hebr 13, 14 ”want wij hebben hier geen blijvende stad, maar zijn op zoek naar de stad van de toekomst.”
(3)   Vgl. Ef. 2, 21-22 “die het hele bouwwerk in zijn voegen houdt. In Hem groeit het uit tot een heilige tempel in de Heer. ...”
(4)   Vgl. Ef. 4, 13 “totdat wij allen tezamen komen tot de eenheid in het geloof en de kennis van Gods Zoon, tot de volmaakte Man, tot de gehele omvang van de volheid van de Christus.”
(5)   Vgl. Jes. 11, 12 “Hij geeft een signaal aan de volken, Israëls verdreven brengt Hij bijeen en het verstrooide Juda verzamelt Hij van de vier uithoeken der aarde.”
(6)   Vgl. Joh.11, 52
(7)   Vgl. Joh. 10, 16 “Ik heb nog andere schapen, die niet uit deze schaapsstal zijn. Ook die moet ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren en het zal worden: een kudde, een herder.”

Geraadpleegde auteurs: A. Blaise, A. Dumas osb, G. A. Nursey,  J. Pascher +.


Collectegebed TWEEDE ZONDAG “PER ANNUM” (DOOR HET JAAR) Geef ons uw vrede in deze tijd.


Geef ons uw vrede in deze tijd

I n l e i d i n g
Afgelopen maandag na het feest van het Doopsel van de Heer zijn wij de liturgische tijd binnengegaan die Ordinarium wordt genoemd, waarmee wij overgaan tot de gewone orde, de “orde van de dag”. Het Feest van het Doopsel van de Heer vormt het scharnier tussen de Kersttijd en de Tijd door het jaar. Dit feest sluit immers de Kersttijd af en staat tevens op de 1e Zondag “per annum”.
In de traditionele kalender van de Buitengewone vorm, is dit de “Tijd door het jaar”, die de periode beslaat na Epiphanie en na Pinksteren. Deze terminologie, de “Tempus per annum”, bleef ook bewaard in de kalender van de Novus Ordo. De Tempus per annum omvat de sacrale cyclus van de Vasten- en Paastijd en beslaat de periode vanaf de Aanbidding van het hemelse en koninklijke Kind door de aardse koningen tot aan het Feest van Christus Koning, die als Rechter zal komen om het kaf van het koren te scheiden en de uitverkorenen zal binnenleiden in zijn Rijk van vrede en gerechtigheid zonder einde.   

T e k s t
Missale Romanum 1970
Omnipotens sempiterne Deus,
qui cælestia simul et terrena moderaris,
supplicationes populi tui clementer exaudi,
et pacem tuam nostris concede temporibus   

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Almachtige eeuwige God,
hemel en aarde worden door U geleid;
verhoor welwillend het gebed van uw volk
en geef ons uw vrede in deze tijd.         

Werkvertaling
Almachtige, eeuwige God,
die de hemelse en aardse dingen gelijkelijk bestuurt,
verhoor genadig de smeekbeden van uw volk
en schenk uw vrede aan onze tijd / in deze tijd.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
In het præconciliaire Romeinse Missaal is deze oratie als collecte opgenomen in het misformulier van de 2e zondag na Driekoningen en heeft na de liturgiehervorming van Vaticanum II in het Proprium de Tempore nagenoeg dezelfde liturgische plaats behouden.
Naast de vermelding in het Sacramentarium Hadrianum dat teruggaat op het Gregorianum komt deze collecte in diverse liturgische tradities voor. 1)

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l v o r m e n
1. Omnipotens sempiterne Deus,
2. qui cælestia simul et terrena moderaris,
3. supplicationes populi tui clementer exaudi,
4. et pacem tuam nostris concede temporibus.

De vloeiend lopende en melodieuze oratie waarin de a-klank meteen opvalt, bestaat uit één enkele hoofdzin waarin God wordt aangesproken (r.1), een van zijn goddelijke hoedanigheden wordt gememoreerd (r.2) en die een dubbele bede bevat, aan elkaar gekoppeld door het nevenschikkende voegwoord et (r.3-4).

Ad 1
Het collectegebed opent met een drievoudige vocativusvorm: God wordt als de Almachtige en Eeuwige aangesproken, hoedanigheden waarmee Hij absoluut boven heel de schepping staat.

Ad 2
Relatieve bijzin beginnend met het reflexivum qui dat hoort bij het gezegde moderaris, Gij die bestuurt, = 2e pers. enkelvoud indicativus præsentis omdat het verbum een feitelijkheid weergeeft: een goddelijke actuele hoedanigheid. Moderaris van het deponens moderari : 1. Matigen, beteugelen, beperken 2. Leiden, regeren, besturen (vgl. het “Nederlandse” woord moderator). Cælestia simul et terrena / het hemelse en het aardse: dubbel object van het verbum moderaris in de accusativus; beide begrippen zijn meervoudsvormen van het neutrum van de adiectivusvormen caelestis,-is, hemels, en terrenum,-i, aards, zelfstandig gebruikt: het hemelse en het aardse / de hemelse en aardse dingen. Simul, tegelijkertijd: bijwoordelijke bepaling de almacht van God onderstrepend. Cælestia et terrena hebben eindrijm.

Ad 3
Exaudi, verhoor: hoofdwerkwoord in de imperativus dat het object supplicationes populi tui bij zich heeft; populi tui, van uw volk, twee genitivusvormen, die de accusativus supplicationes nader preciseren. Clementer, bijwoordelijke bepaling, op milde wijze.

Ad 4
Concede, verleen, schenk: tweede hoofdwerkwoord in de imperativus dat als object pacem tuam in de accusativus bij zich heeft. Nostris…temporibus: bijwoordelijke bepaling in de dativus (dativus commodi, van voordeel) of in de ablativus (temporis, van tijd). Nostris concede temporibus is een hyberbaton.

I n h o u d
Het gebed wendt zich tot de "Almachtige en eeuwige God, die hemel en aarde bestuurt". De term "almachtig" is de oorspronkelijke vertaling van de Griekse term Pantokrator (Albeheerser), “die het universum in zijn hand draagt” en zo uitsluitend een voor God gereserveerde aanspreektitel is. (Zie commentaar bij het collectegebed van de eerste zondag van de Advent)
De oratie richt zich tot God de Vader, zoals de meeste oraties van de misformulieren en in het brevier, uitgezonderd de oratie van 24 december 2) en de oratie van Sacramentsdag. 3)
(Een derde uitzondering, maar dan van een andere categorie, vormt het slotgebed van de Completen van woensdag : Doine Iesu Christe, qui iugum suave...)
Omdat God de Pantokrator is en als zodanig over hemel en aarde heerst, kan Hij ook de vrede  bewerken en de elkaar bestrijdende machten van de wereld tot rust brengen. Dat is hetgeen het volk van Gods goedheid in dit gebed wil afsmeken.
Historisch gezien is deze oratie mogelijk afkomstig uit de onrustige tijden van de volksverhuizing. 4)

De begrippen cælestia et terrena, hier gebruikt als object van Gods bestuur, verwijzen allereerst naar de schepping zelf: “In het begin schiep God hemel en aarde” (Gen 1,1). In deze eerste woorden van de Schrift worden drie zaken gesteld: de eeuwige God heeft alles wat buiten Hem bestaat een begin gegeven. Hij alleen is de Schepper (het werkwoord “scheppen” - bara in het Hebreeuws - heeft als onderwerp altijd God). Het geheel van wat bestaat (uitgedrukt in de formulering hemel en aarde of zoals hier cælestia et terrena is van Hem afhankelijk die er het zijn aan geeft (vgl. KKK nr. 290).
Het bijwoord simul dat het werkwoord moderaris nader kwalificeert en versterkt, en daarmee de almacht van God sterker tot uitdrukking brengt, is in de Nederlandse vertaling achterwege gelaten.

Zoals eerder gezegd is de collecte een bede om vrede, maar heeft met de hoofdthema’s van de H. Mis van de 2e zondag na Driekoningen en de 2e zondag door het jaar (de huldiging en de aanbidding van de op aarde verschenen God in de Introitus Omnis terra met de Jubilatepsalm (Psalm 65, een Paaslied) geen enkel verband.
We smeken de almachtige en eeuwige God, die over al het geschapene beschikt, om vrede bij onze tijdelijke zaken, hier en nu, in deze tijd, niet later in de hemel. We verlangen niet naar een of andere vrede. We verlangen de vrede die komt van Hem.
Christus zegt: “Vrede laat Ik u; mijn vrede geef Ik u: niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u. Laat uw hart niet verontrust of kleinmoedig worden” (Jo 14,27). Christenen hebben vertrouwen. Christus zal ons zijn vrede geven. Hij heeft het gezegd. Maar Hij wil ons geen vrede opdringen.
De tijdelijke vrede die de wereld presenteert en de vrede die God schenkt zijn verschillend, ofschoon deze harmonisch kunnen samengaan als de tijdelijke vrede onderschikt wordt gemaakt aan de hemelse vrede. De goederen van deze wereld zijn broos en gaan voorbij en lopen altijd het risico verloren te gaan. De hemelse goederen zijn duurzaam en betrouwbaar. Geen enkel eindig, voorbijgaand geschapen ding of persoon kan voorzien in blijvende vreugde of eeuwige vrede: ze gaan verloren door diefstal, slijtage, tijd en dood. Onze weelde, familie, gezondheid, ons voorkomen en onze reputatie kunnen in een oogwenk verloren gaan.
Een schepsel de plaats van God geven is roekeloze afgoderij en een zonde. Bemin God bovenal. Maken we Zijn wil tot de onze. In de persoon van Piccarda zegt Dante in zijn Divina Commedia: “In Zijn wil ligt onze vrede. Deze is die Zee waarheen alle dingen zich bewegen, zowel hetgeen Hij schiep als hetgeen de natuur ontwikkelt”(Par 3.85).
God kende ieder van ons, toen er nog geen tijd was en vóór de schepping van het zichtbare en het onzichtbare heelal. Hij riep ons ten leven op een vastgesteld moment in Zijn eeuwig plan. Hij geeft ons allen een taak en geeft ook de talenten en de genaden deze te volbrengen. Als wij met Hem samenwerken, onderwerpen wij onze wil aan de Zijne, maken wij Zijn plan voor ons tot het onze en stelt Hij ons in staat het naar behoren uit te voeren. God kent onze behoeften en verlangens beter dan wij.
Wenden we ons in vertrouwen tot Hem in ons gebed. Vragen wij Hem om de genaden en ook de vrede die Hij alleen kan geven.
Zonde verstoort Zijn vrede. De vrede kan worden teruggevonden door het Sacrament van de Biecht.
Vragen we God ons te zegenen in dit nieuwe jaar. Laten we Hem vooral hulp vragen voor hen die lijden. Vragen wij Hem om Zijn genaden Zijn vrede met gebogen knieën en het voorhoofd naar de grond als het mogelijk is, lichaam én wil gebogen in gebed en smekingen.

K l e i n   v o c a b u l a r i u m
Exaudi - dikwijls vragen wij wanneer wij bidden in het Latijn dat God aandacht mag schenken door te willen aanhoren wat wij Hem voorleggen. Exaudio betekent “luisteren naar” in de zin van “duidelijk horen” . De imperativusvorm exaudi heeft een meer aandringend karakter dan het eenvoudige audi. Denk aan het begin van bijvoorbeeld de Litanie van alle Heiligen : Christe, audi nos…Christe exaudi nos…” meestal vertaald als “Christus, hoor ons…Christus, verhoor ons.” Het begrip “verhoren” sluit ook de verwachting of de wens in dat hetgeen wordt gevraagd ook ingewilligd, vervuld moge worden.
Supplicatio - voor de oude Romeinen was een supplicatio een plechtige religieuze ceremonie om te danken voor een overwinning of een gebed wanneer gevaar dreigde. Het is verwant met supplex, een adiectief voor de houding van een bedelaar, of van gebogen knieën of van een prostratie (lichaamshouding waarbij men met het gelaat en gestrekt lichaam languit op de grond gaat liggen, zoals bijvoorbeeld de neomisten of priestercandidaten bij het begin van het Wijdingsceremonieel of de celebranten bij het begin van de Herdenking van Christus’ Lijden en Sterven op Goede Vrijdag en ook wel de religieuzen bij het begin van het Professieceremonieel. (Zie het commentaar bij het collectegebed van de 10e zondag door het jaar).
Tempus betekent onmiskenbaar “tijd’. Het concept “tempus” betekent ook “de bepaalde of vastgestelde tijd, de actuele tijd, een gunstige gelegenheid”. Tempus geeft ons “temporele”, dat zijn tijdelijke, wereldse of aardse dingen, materiële dingen, tegenover sacrale, eeuwige of geestelijke goederen. Betekenissen van het meervoud tempora: slapen (zijkanten van het hoofd), tijden, of stand van zaken.
Noten:

1) Zie nr. 3909 in Moeller, Clément en Coppieters >t Wallant, CORPUS ORATIONUM, Brepols Turnhout 1995, Tomus VI, p. 93.

2) Festina, quæsumus, ne tardaveris, Domine Iesu... (Haast U, bidden wij, talm niet, Heer Jezus...)

3) Deus, qui nobis sub sacramento mirabili passionis tui memoriam reliquisti ... God [Heer Jezus Christus] die ons in dit wonderbaar sacrament de gedachtenis hebt nagelaten van uw lijden en sterven...

4) Het begrip volksverhuizing is moeilijk exact te definiëren. Vanaf de prehistorie hebben grote groepen mensen herhaaldelijk hun woonplaatsen verlaten om elders nieuwe te zoeken. Na 500 v. Chr. kwam de grootste bedreiging uit de Euraziatische steppen: Skythische, Turkse, Mongoolse en andere nomaden waren te allen tijde gereed de vruchtbare, rijke landbouwgebieden te plunderen, zeker als hun eigen weidegronden tekort schoten. Zo=n aanval bracht vele andere gevestigde volkeren in beweging en kon soms tientallen jaren lang de landbouwrijken destabiliseren.Meer speciaal bedoelt men met de volksverhuizing de Grote Volksverhuizing aan het einde van de oude geschiedenis. Deze werd in beweging gezet door de Hunnen, die in 375 in de Zuid-Russische Laagvlakte verschenen, in de daarop volgende jaren verder trokken naar Hongarije en ook aanvallen deden op Gallië en Italië. Dit bracht de meeste Germaanse stammen in beweging, die reeds lange tijd voordien ervaren hadden dat de grenzen van het Romeinse Rijk niet meer ondoordringbaar waren. Goten, Vandalen, Sueven, Bourgondiërs, Angelen, Saksen en andere stammen vestigden kort na 400 zelfstandige koninkrijken binnen dit rijk. In de 6e eeuw volgde een tweede fase, samenhangend met de komst van de Avaren ca. 550, die o.a. resulteerde in de verovering van Italië door de Longobarden (568). Als laatste fase zou men de invallen van de Noormannen 800-1000 kunnen aanmerken.

Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica II per annum Tweede zondag door het jaar Geef ons uw Geest van liefde



Het Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)

I n l e i d i n g
Geef ons uw Geest van liefde
Na de sluiting van de cycli van de Advent en Kersttijd zijn we intussen verder gegaan met de tijd, die eerder de tijd van Driekoningen werd genoemd, maar die nu wordt aangeduid als de Tempus per annum of “Tijd door het jaar”, ook wel “Gewone Tijd door het jaar”, Tempus ordinarium of in het Engels taalgebied: Ordinary Time. Deze periode van het liturgisch jaar heeft niet het boetekarakter van de Veertigdagentijd, noch het feestelijke karakter van de Paastijd, maar omvat met de eerste reeks zondagen per annum vóór de Veertigdagentijd en met de tweede reeks zondagen na Pinksteren (sluiting van de Paastijd) de bijzondere liturgische tijden van Vasten en Pasen. Ook de liturgische boeken van de periode voor Vaticanum II noemden de zondagen na Epiphanie en de zondagen na Pinksteren de Tijd door het jaar; deze terminologie werd behouden in de Novus Ordo.
Termen in het Latijn als ordinarius (regelmatig, gewoon, ordelijk, ordinarius) gaan terug  op het basisbegrip ‘ordo’ dat betekenissen heeft als: een regelmatig rij, reeks,  orde, volgorde, ordening, afdeling, stand, klasse. Dit concept komt veelvuldig voor in de denkwijze van de Katholieke Kerk.
De ‘Libreria Editrice Vaticana’ geeft jaarlijks een ‘voorschriftenboek’ uit met de titel: Ordo Missae Celebrandae et Divini Officii Persolvendi secundum Calendarium Romanum Generale pro anno liturgico 2019-2020. De ordening van de te celebreren Missen en van het te voltrekken Goddelijk Officie volgens de Algemene Romeinse Kalender voor het liturgisch jaar 2019-2020. Dit boek geeft aan welke feesten gevierd moeten worden volgens hun verschillende rang, welke Mis kan worden gekozen of wat in acht moet worden genomen bij Liturgia Horarum. Het vermeldt ook bijzondere details als de kleur van de liturgische gewaden, of bepaalde zaken toegestaan of verboden zijn, zoals het verbod muziekinstrumenten te gebruiken gedurende de Veertigdagentijd, tenzij bedoeld als ondersteuning van de gemeenschappelijk zang (p. 68). Op inhoud en betekenis van de begrippen ‘ordines’ en ‘ordinarii’ binnen het kader van de Kerk kom ik verderop terug.
De Postcommunio van deze zondag roept in de openingszin een krachtig beeld op van het uitstorten en uitgieten in ons van de liefde door de Heilige Geest. Caritas, dat het Latijn hier gebruikt, is niet simpelweg ‘liefde’. ‘Liefde’ is tegenwoordig vaak een afgesleten term en wordt praktisch zonder onderscheid zowel toegepast op het lievelingskostje, de lievelingskat, de favoriete film, op God, maar ook op vrouw en kinderen. De liefde die het begrip caritas omvat, waaraan paus Benedictus XVI ons in zijn eerste encycliek Deus caritas est (25 jan. 2006) herinnert, is tegelijk op God en op onze naasten gericht, zoals Christus zelf gebood. Caritas omvat een tweevoudige band. Het is een liefde die tot het uiterste offer bereid is, met als meest volmaakte voorbeeld Jezus’ Offer op het Kruis. Deze vorm van liefde gaat altijd uit van het goede in de ander. Het is een wilsbesluit.en geen kwestie van gevoel.
Zonder deze dubbelgerichte caritas is ‘het gebed na de Communie’ eerder een stilleven dan een levend landschap. Het lijkt eerder op een schilderij van een schitterende schaal fruit dan op een weergave van opbloeiend, gedijend leven. De Italiaanse term voor een stilleven is “natura morta”, een “dode natuur”. Het is een prachtig, maar dood leven. Al onze gebeden kunnen wel een mooie klank hebben, maar zonder caritas, zonder liefde omgezet in daden, zijn deze zoals Sint Paulus zegt in 1 Kor 13, 1: “Al spreek ik met de tongen van engelen en mensen: als ik de liefde niet heb, ben ik niet meer dan klinkend koper of een schelle cimbaal”. Caritas is niet alleen iets innerlijks in ons binnenste of ‘thuis achter de geraniums’, maar roept ons op uitwendig te handelen overeenkomstig onze inwendige status en roeping. 
T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Spiritum nobis, Domine, tuæ caritatis infunde,
ut, quos uno cælesti pane satiasti,
una facias pietate concordes.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Heer, met een en hetzelfde brood uit de hemel hebt Gij ons gevoed.
Geef ons uw geest van liefde en maak ons daardoor één van hart.

Werkvertaling
Stort, Heer, in ons de Geest van uw liefde,
om (zo) hen die Gij met één en hetzelfde Brood hebt verzadigd,
door uw vaderlijke goedheid één van hart te doen zijn.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
De Post communionem oratio van deze zondag is in MR 1962 in het misformulier van vrijdag na Aswoensdag vermeld (MR 1069) en ook met een kleine tekstaanpassing in dat van Pasen.
In het misformulier van Pasen is de versie aldus: Spiritum nobis, Domine, tuæ caritatis infunde, ut, quos sacramentis paschalibus satiasti, una facias pietate concordes. Dat het eucharistisch Brood “paasgeheim” wordt genoemd, wijst op Jezus Christus in de H. Communie als het ware Paaslam.
Lange tijd vóór de samenstelling van het Missale Romanum was deze oratie reeds opgenomen in het Sacramentarium Gelasianum Vetus (Vat. Reg. Lat. 316), eerste helft van de zesde eeuw, 1330, en in het Sacramentarium Leonianum (Verona), 1049, tweede helft zesde eeuw.
(E. Mœller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, VIII, R-S, Brepols, Turnhout 1996, p. 273-277, nr. 5521a met secties A  t/m F, ingedeeld op basis van tekstverwantschap, nr. 5521b met secties A t/m D en nr 5521c met secties A en B. Elke sectie bevat een lijst van codices die een bepaalde handschriftenfamilie vormen)
T e x t u e l e  a n a l y s e 
1. Spiritum nobis, Domine, tuæ caritatis infunde,
2a. ut, 2b. quos uno cælesti pane satiasti,
2a. una facias pietate concordes.

De oratie bestaat uit één enkele doorlopende frase, opgebouwd uit een hoofdzin met een imperativusvorm (regel 1), waarin de bede krachtig wordt geformuleerd: het gevraagde object Spiritum staat aan de spits van de oratie, een prominente positie. De openingszin wordt gevolgd door een finale, resp. consecutieve bijzin (r. 2a), waarin opgenomen de relatieve bijzin quos (r. 2b), in de coniunctivusvorm, bepaald door het voegwoord ut, waarin het effect wordt verwoord van de in regel 1 gevraagde genade krachtens de ontvangen H. Communie.
De oratie heeft een trinitair karakter: de Postcommunio zich richt tot de Vader en vraagt om de instorting van de H. Geest die liefde is, terwijl wij de Zoon in ons hebben opgenomen in de zojuist ontvangen H. Communie.
De epiclese, de aanroeping van de H. Geest of de Logos (de Zoon) na de Consecratie, van het Eucharistisch Gebed III drukt, zich richtend tot de Vader, de trinitaire eendracht als volgt uit: “Vervul ons van zijn (= van de Zoon) Heilige Geest opdat men ons in Christus zal zien worden tot één lichaam en één geest”. Zo toont zich de H. Eucharistie aan de basis van de Kerk als mysterie van eenheid. Ook in de epiclese van het Eucharistische Gebed II zien we dezelfde bede om eenheid: “Zo delen wij in het Lichaam en Bloed van Christus en wij smeken U dat wij door de Heilige Geest worden vergaderd tot één enige kudde.”
Of, om het met Johannes Ruusbroec te zeggen: Jezus Christus is de levende fontein die ons toevloeit door de Heilige Geest uit het Hart van de Vader. 
Ad 1
Domine, [o] Heer – anaklese van Dominus in de vocativusvorm
Infunde, stort in, uit in/giet uit, – prædicaat in de imperativusvorm van het verbum infundere, infudi, infusum, 3. Voor de betekenis zie onder Klein Vocabularium.
Spiritum tuæ caritatis, de Geest van uw liefde - object van het prædicaat infunde, samengesteld uit de accusactivusvorm Spiritum van spiritus, - us, 4, en de bijvoegelijke bepaling tuæ caritatis in twee congruerende genitivusvormen, die het begrip Spiritum nader verklaren door het benoemen van een eigenschap van de Geest: genitivus qualitatis.
Nobis, voor/aan ons – bijwoordelijke bepaling in de ablativus meervoud van het pers. voornaamwoord nos, wij.
Ad 2a-2b
Finale/doelaanwijzende resp. consecutieve/gevolgaanduidende bijzin met prædicaat facias concordes in de coniunctivusvorm, bepaald door het voegwoord ut, opdat/zodat Gij [object] een van hart maakt/doet zijn. Facias, op-/zodat Gij maakt/doet zijn – 2e pers. coniunctivi præsentis van facere, 3, en de prædicatieve bepaling consortes die aansluit bij het object quos in de relatieve bijzin 2b.
Una pietate, door de ene (vaderlijke) liefde/goedheid – bijwoordelijke bepaling in twee congruerende ablativusvormen die het middel of de oorzaak van het gevraagde effect aangeven: ablativus instrumenti / causæ. Voor de betekenis van pietas, - atis zie eveneens het Klein Vocabularium.
Ad 2b
De relatieve bijzin [eos] quos uno cælesti pane satiasti, zij die Gij met het ene hemelse Brood hebt verzadigd, fungeert als object bij het prædicaat facias concordes (r. 2a) en vernoemt een goddelijke heilsdaad (het verstrekken van het Brood uit de Hemel) waarop het gebed zich beroept om het gevraagde effect – als christelijke gemeenschap één van hart en geest te kunnen zijn – te kunnen ontvangen. Het zinsdeel una pietate (r. 2a), op grond van die ene liefde jegens zijn kinderen, die de Vader eigen is - onderstreept dit beroep extra.
Satiasti, gij hebt verzadigd – prædicaat, 2e pers. perfecti activi indicativi vanwege de feitelijke werkelijkheid. 
Uno cælesti pane, met het ene hemelse Brood – bijwoordelijke bepaling in drie congruerende ablativusvormen, ablativus instrumenti (middel waarmee een handeling, hier satiasti, wordt verricht).

S t i j l f i g u r e n
Una [facias] pietate, hyperbaton (uiteenplaatsing van begrippen die grammaticaal bij elkaar horen) r. 2a
Uno (r. 2b), una (r. 2a), klankrijm.

K l e i n  v o c a b u l a r i  u m
Pietas, - atis, f.
God de Vader heeft de mensen lief en heeft hen zijn liefde ontegensprekelijk bewezen door hen zijn Zoon als Verlosser te schenken. Het is de liefde van de oneindig verheven Vader, die in het Latijn van de liturgie van de Kerk wordt uitgedrukt in het begrip “pietas” , omdat in de liefde van de Vader heel de sublimiteit  van zijn Wezen is vervat.
De H. Eucharistie en bijgevolg de H. Communie is het sacramentum magnæ pietatis, het sacrament van zijn overgrote liefde (cf Oratio super munera, 6e zondag van Pasen).
Het begrip pietas kent een dubbele beweging: de natuurlijke liefde van de vader / de moeder voor hun kinderen en de respectvolle wederliefde van de kinderen voor hun ouders. Het betekent echter niet ‘een goed gevoel’. Zoals boven al gezegd weerspiegelt ons uitwendig gedrag onze inwendige habitus. Katholieken erkennen de verschillende relaties ten overstaan van de objecten van hun pietas. Wie ben ik voor het aanschijn van God? Ten overstaan van ouders, weldoeners en/of superieuren? Wat is mijn authentiek aandeel in deze relatiepatronen? Hoe zijn zij aan pietas gebonden in hun relatie tot mij? Pietas is een wezenskenmerk van God maar Hij is aan geen enkele verplichting gebonden. In de oratietaal refereert pietas, toegepast op God, meestal aan zijn genade en goedheid jegens ons. In onze taal is het begrip pieteit gangbaar, van de diverse betekenissen als devotie, eerbied, respect, liefdevolle gedachtenis godsvrucht, devotie wordt het begrip heden ten dage frequent gebruikt voor het liefdevol gedenken en de eerbied jegens overledenen.
Concordes
Pluralisvorm van het adiectivum concors, concordis en betekent eensgezind, verenigd, overeenstemmend, harmonieus.
We kennen het begrip ‘concordia’ als naam voor harmonieën en andere muziekgezelschappen, sportverenigingen, scheepsbedrijven (denk aan de Costa Concordia).
Op de N.-W.-hoek van het Forum Romanum stond de tempel van Concordia (Latijn:Aedes Concordiæ), ook wel Tempel van de Eendracht. De tempel was gewijd aan Concordia, de Romeinse godin van de eendracht, die vooral betrekking had op de Romeinse burgers, die in het algemeen op het Forum geen moeite hadden stevig te debatteren!
Voorts de term concordaat als bilaterale overeenkomst tussen de Heilige Stoel enerzijds en een bepaalde staat anderzijds en ook het begrip concordantie dat een overzicht is van alle woorden uit een bepaald werk met verwijzing naar de locatie waar ze voorkomen. Bijbelconcordanties zijn uitermate praktisch!  
Concors is samengesteld uit de prepositie cum (met) met cor, cordis (hart). Dit begrip brengt ons tot de beschouwing van wat de mens in feite is. In de theologie over de natuur van de mens vinden we in de geschriften van de H. Paulus concepten over de aard van de mens, ofschoon hij niet voorziet in een heldere theologische antropologie. Paulus doelt meestal op de betekenis van de mens in zijn relatie met, en tot God én de wereld om hem heen. Hij gebruikt termen als ‘lichaam’ (Grieks soma), ‘ziel’ (psyche), “geest” (pneuma), “verstand” (nous), “hart” (kardia), “vlees” (sarx), die alle wijzen naar bepaalde aspecten van de hele persoon, maar niet uitdrukkelijk naar de afzonderlijke delen. Psyche, “ziel” bijvoorbeeld is niet enkel de vitale levenskern die het biologische leven kracht verleent, maar heeft betrekking op de hele persoon, maar vooral in verband gebracht met zijn bewustzijn, zijn intellect en de kracht van zijn wil. Voor Paulus is psyche eerder een natuurlijk dan een bovennatuurlijk levensprincipe. Zo is bij Paulus iemand zonder inwoning van de Heilige Geest een psychikos, eerder een op de materie gericht geestelijk persoon dan een op het bovennatuurlijke gerichte geestelijke persoon. Paulus gebruikt voorts pneuma “geest” zowel voor de Heilige Geest als voor de mens. Wanneer pneuma in geval van de mens in verband wordt gebracht met soma “lichaam” en psyche “ziel” wijst hij op die dimensie van de mens die in staat is de Heilige Geest te ontvangen: een pneumatikos mens. Nous of “verstand” is voor Paulus het kenvermogen, het intellect dat begrijpt en oordeelt. Er is een nauwe band tussen nous en kardia, of “hart”, de meer affectieve dimensie van de mens. “Hart” is als iemands emotioneel landschap, dat deel van ons dat liefheeft en droevig is, vreest, lijdt en droomt. Dat is het “hart” dat zich kan “verharden” (cf 2 Kor 3, 14) of “worden gesterkt en bevestigd” doordat Christus zijn zegel er op heeft gedrukt en de Geest als een handgeld aan onze harten heeft meegedeeld (cf 2 Kor 1, 20-22). Wanneer we nu concordes in de Postcommunio van deze zondag proberen te vertalen, kunnen we zeggen “één van hart en geest”, zodat de verschillende inwendige landschappen van de gedoopten één harmonieus geheel vormen.
Een beter begrip van de betekenis van de wortels en de herkomst van de theologische terminologie helpt om de katholieke terminologie op dit terrein als minder vreemd te beschouwen.
Infundo, infudi, infusum
Heeft volgende betekenissen: 1. ingieten, in iets gieten, in laten vloeien,  laten instromen 2.op of over iets gieten, uitgieten, zich uitstorten. In de constructie infundere alicui aliquid, heeft het de impact van “iemand een medicijn toedienen”, spreiden over, meedelen, verstrekken, verschaffen. (Vgl. ‘infuus’ in het Nederlands),
Het sacrament van het Doopsel wordt toegediend middels “infusio”: het doopwater wordt uitgestort over de dopeling, zodat het water langs de huid vloeit.
We spreken ook over de theologische deugden van geloof, hoop en liefde die bij de dopelingen worden ingestort (Catechismus van de Katholieke Kerk 1813).
De openingsregel van het collectegebed van de 4e zondag van de Advent en van het slotgebed van het Angelusgebed  luidt: “Gratiam tuam, quæsumus, Domine, mentibus nostris infunde”. De Menswording van Christus, Lijden en Verrijzenis staan onder de werking van de Heilige Geest; zonder de Geest van God is ook de verlossende deelname aan dood en verrijzenis niet mogelijk. Om deze heilige Geest vraagt de Kerk, wanneer zij bidt om de Agratiam infundere”, de uitstorting van de genade, Een parallel kan worden getrokken met een tekst van Sint Paulus: A... de liefde Gods is uitgestort in onze harten door de Heilige Geest, die ons is geschonken@ (Rom 5, 5).

T o e l i c h t i n g
Bij de begrippen ordo, ordines, ordinarius
Een plaatselijke of diocesane Ordo of dat van een kloosterorde (Proprium Calendarium Ordinis,  de eigen kalender van een Orde) zou ook de namen van bijvoorbeeld overleden priesters of leden kunnen bevatten. Met betrekking tot de geestelijkheid ‘ordent’ de Kerk de daartoe bestemde mannen door het Sacramentum Ordinis (Ordessacrament) in drie rangen: diakens, priesters en bisschoppen waarbij geestelijke macht wordt overgedragen en genade toebedeeld voor de viering en toediening van de Sacramenten en ook voor de ordening van het leven van de Kerk.
Als gevolg van de liturgiehervorming van Vaticanum II verschenen een aantal ordines met regelingen voor de toediening van sacramenten en het voltrekken van bepaalde riten.
We noemen er enkele:
Ordo Baptismi parvulorum – Regeling voor het Doopsel van kleine kinderen
Ordo Confirmationis – Regeling voor het toedienen van het Vormsel
Ordo Pænitentæ – Regeling voor het Boetesacrament
Ordo Missæ – Regeling voor de H. Mis
Ordo Celebrandi Matrimonium – Regeling voor de viering van het Huwelijkssacrament
Ordo Unctionis Infirmorum eorumque pastoralis curæ – Regeling voor de Ziekenzalving en van de pastorale zorg voor hen
Ordo Initiationis Christianæ Adultorum – Regeling voor de christelijke initiatie van volwassenen
Ordo Exsequiarum – Regeling voor de Uitvaart
Ordo benedicendi Oleum Catechumenorum et Infirmorum et conficiendi Chrisma – Regeling voor de wijding van de Catechumenenolie en het opleggen van het Chrisma
Ordo Cantus Missæ – Regeling voor de Misgezangen
En voor het religieuze leven:
Ordo Professionis Religiosæ – Regeling voor de Religieuze Professie
Ordo Benedictionis Abbatis et Abbatissæ – Regeling voor de Abts- en Abdissenwijding
Ordo Consecrationius Virginum – Regeling voor de Maagdenwijding

Ordines / Ordeningen / Regelingen brengen dus orde mee en een specifieke ordening van personen en zaken tot een soort eenheid. Sommige geestelijken, zoals diocesane bisschoppen, worden ‘ordinarii’ (enkelvoud ‘ordinarius’) genoemd vanwege het uitoefenen van jurisdictie.
We spreken ook over religieuze of kloosterorden, instituten waarvan de leden geloften afleggen om volgens bepaalde regels te leven (onze Orde bijvoorbeeld heet voluit Canonissæ Regulares Ordinis Sancti Sepulcri, Reguliere Kanunnikessen van het Heilig Graf). Er zijn ook bepaalde Ridderordes die monastiek leven in zekere zin proberen te combineren met militaire diensten.
De bovengenoemde Ordo Missæ bestaat voornamelijk uit die gedeelten van de Mis die voor het merendeel onveranderlijk zijn. Het Missale Romanum 1970 bevat de “nieuwe ordo” van de H. Mis, of  Novus Ordo.

Wordt de bisschop van een diocees de plaatselijke Ordinarius (Ordinarius loci) genoemd, uit de geschiedenis van de liturgische boeken kennen we nog een andere Ordinarius. Een belangrijke bron voor het kerkelijk leven in de latere Middeleeuwen is  de codex  ‘De Ordinarius van de Collegiale Onze Lieve Vrouwekerk te Maastricht, derde kwart XIVe eeuw,  1984 in druk verschenen en uitgegeven door J.M.B. Tagage +. “Liber Ordinarius” of “Ordinarius” noemde men het boek waarin ten behoeve van de liturgie in kathedrale kerken, alsmede in kloosterkerken en collegiale kerken, zoals die van reguliere en seculiere kanunniken en kanunnikessen, de voorschriften voor de uitoefening van de eredienst op de verschillende tijdstippen van de dag en in de loop van het kerkelijk jaar waren vastgelegd. De grondslag voor deze ‘Ordinarii’ vormden de “Ordines’ van de achtste eeuw, die toenmaals in de kerken van Rome ontstonden en zich van daaruit verbreidden.
Zij omvatten een reeks voorschriften voor de uitoefening van de eredienst, waarbij het allereerst ging om de liturgie van de Mis, van het Goddelijk Officie en van een aantal andere plechtigheden.
De “Ordinarius van de Lieve Vrouwe” bevat een schat aan informatie: het Tijdeigen, het Eigen van de Heiligen, het Calendarium, het Martyrologium, de wijze waarop men zich in het koor diende te gedragen, de kleurencanon, de hymnen in koorofficie en processies, tropen, prosen, sequenties, orgel, relieken, ornamenten, kerkmeubilair, de functies van het kanunnikenkapittel enz. enz. Met dit belangrijke werk is de kennis van de godsdienstbeleving en van het culturele leven van het middeleeuwse Maastricht ontsloten.

C o m m e n t a a r
Als we spreken over de ‘gewone’ Tijd door het Jaar doelen we daarmee niet op een gemeenplaats of op een periode zonder specifiek karakter. We zijn de tijd binnengegaan van de voorbereiding op de Geboorte van het Kind Jezus tot de laatste zondag van het liturgisch jaar, de viering van Christus Koning, de Deus pietatis, de God van liefde, maar ook de Iudex tremendus, de Rechter naar wiens Majesteit wij met huiver opzien en die ons zal binnenleiden in het eeuwige Rijk van vrede.
Het begrip pietas helpt ons ons goed te concentreren tijdens de viering van de H. Eucharistie. Zet pietas, met zijn concepten van plicht en verplichting, ons niet aan tot een diepgaand onderzoek van ons geweten?  We moeten ons oprecht afvragen wie we zijn en wie we niet zijn. Verbonden met begrippen en habitus van concors en caritas, daagt pietas ons uit en roept ons op een waarachtig, vitaal en goed geïntegreerd beeld van God te zijn in woord en daad. We zouden eerder moeten lijken op een mooi portret dan op een louter stilleven. Dit geldt voor ieder aspect van onze actieve deelname aan de liturgie. In de H. Mis gaat het niet zozeer over ons en over wat we doen, maar over wie en wat God is, en wat Hij doet voor ons.

“In de H. Communie opent Hij de deur naar zijn roemrijk en minnend Hart en naar zijn ziel vol heerlijkheid, bevalligheid, vreugde en trouw: daarin zult ge u verblijden en er groeien en toenemen in hartelijke liefde. Hij is de poort ten eeuwigen leven en uw toegang tot het levende paradijs, dat Hij zelf is. Daar zult gij de vrucht van het eeuwig leven smaken, die voor ons gegroeid is aan het kruishout, maar die wij verloren hadden door de hovaardij van Adam en die wij nu weer terug bekomen in de ootmoedige dood van onze Heer Jezus Christus, die ons levend paradijs is”. (Johannes Ruusbroec).
Onze deelname aan de H. Mis gedurende de gewone tijd door het jaar kan ons helpen ons leven te ordenen. Op ons rust de plicht te handelen overeenkomstig de waarheid wie wij zijn (en wie wij niet zijn), wie onze naaste is, wie God is, en wat werkelijk gebeurt in de H. Mis binnen de Moederkerk. Laat het uitwendige aspect van de viering van de H. Mis onze innerlijke habitus weerspiegelen zoals ook uit onze levenshouding de schoonheid van een heilig lidmaat van Christus’ Mystiek Lichaam kenbaar moet zijn.