Posts tonen met het label dominica XXVI per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dominica XXVI per annum. Alle posts tonen

zondag 28 september 2025

Overweging bij 26e Zondag door het jaar - C Het Evangelie neemt de rijken op de korrel. Waarom?

Rijkdom geeft aanzien, invloed en macht. Dit alles geeft de mens de indruk zeker te zijn van zichzelf, dat hij zelf het leven in zijn handen heeft. Zo'n mens denkt dat hij kan kopen waar hij zin in heeft. Hij voelt zich van niemand of niets afhankelijk. Zijn bankrekening kan tegen een inflatiestoot. Zijn jaarlijkse vakanties zijn verzekerd. En zijn toekomst, zijn oude dag zijn veilig. De mens is volledig opgesloten in zichzelf.

Er komt echter een moment dat hij gedwongen wordt om tot zichzelf te komen. De positie die de mens in de maatschappij had, telt niet meer. Alles wordt stil. De mens is nog slechts alleen met zichzelf. Hij luistert alleen nog naar zijn eigen arm hart. Voor wie of waarvoor heeft hij eigenlijk geleefd ? Wat was zijn leven ? Zijn geld soms ; of zijn carrière ?

Het leven hier, voor een tijd van 70, 80, 90 jaar, is van voorbijgaande aard. Hoe broos het is, constateren we elke dag opnieuw : overlijdensberichten, ongelukken, rampen en oorlogen.

Het eigenlijke leven ligt aan de overkant, daar waar geen armen, geen rijken meer zijn : allen zullen dan één zijn.

Vanuit deze gelijkheid van allen voor de liefdevolle God, binden christenen de strijd aan tegen de armoede in de wereld. Het Evangelie roept op tot soberheid : het bevordert ons welzijn als we afstand nemen van die dolle wedloop naar meer geld en bezit. Er zijn belangrijker levenswaarden. 

Je kunt nu eenmaal niet God dienen én het geld. Mensen raken steeds meer in de ban van geldkwesties. We zien hoe hartstochtelijk en verblind sommige mensen zijn, wanneer het daarom gaat. Mensen met oogkleppen.

Laten we ons bevrijden door de soberheid, zodat we rustiger adem kunnen halen en anderen ook laten leven. U zult vlug merken dat u dichter bij de mensen staat.

Eerbied voor de rechten van een ander is de basis voor de onderlinge vrede.

Geeft u, uw medemensen ook de ruimte om zichzelf te zijn ?


Offertorium: Super flumina babylonis Offertorium Dominica XXVI per annum

zaterdag 27 september 2025

Love for the Poor - Bishop Barron’s Sunday Sermon 26C

Collectegebed 26e zondag door het jaar - Schenk ons voortdurend uw genade


Collectegebed 26e zondag door het jaar - Schenk ons voortdurend uw genade

God heeft de wereld en de mensen uit liefde geschapen. Gods almacht staat in dienst van zijn liefde. God kan scheppen en vernietigen. Maar zijn liefde maakt dat Hij liever barmhartig is en ontziet dan verdoemt.
De blijde belijdenis over Gods eigenschappen en dat wat Hij wil - sparen en genadig zijn - moedigt aan om onophoudelijk (indesinenter) in overvloedige mate (infunde - stort in/uit) zijn genade (gratiam tuam) te vragen. De bidder vraagt om een groot goed, maar ook het te bereiken doel waarvoor de volheid van genade wordt gevraagd, is verheven: God heeft ons het eeuwige leven beloofd en ons op de weg naar de eeuwigheid geplaatst. Die weg wordt currentes (letterlijk rennend zoals een wielrenner, een “coureur” of een koerier) afgelegd. Aan het einde, wanneer “de loop volbracht is” (vgl. 2 Tim 4,7), wordt pas duidelijk hoe steil de weg was en hoe noodzakelijk de onophoudelijke stroom van genade om die te voleinden. Want het einde is het bezit van de hemelse goederen in de gemeenschap van Engelen en Heiligen, wanneer God zelf het “overgrote loon” is, zoals Hij heeft beloofd (vgl. “merces tua magna nimis” in Gen 15,1 in de Vulgaateditie) .

Missale Romanum – 1970
Deus, qui omnipotentiam tuam
parcendo maxime et miserando manifestas,
gratiam tuam super nos indesinenter infunde
ut, ad tua promissa currentes,
cælestium bonorum facias esse consortes.         

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie - 1979
God, Gij toont uw grootheid vooral
als Gij ons genadig zijt en barmhartigheid bewijst.
Schenk ons voortdurend uw genade
op de weg naar het beloofde geluk,
om eenmaal uw koninkrijk te mogen binnengaan.

Letterlijke vertaling
O God, die Uw almacht bewijst
vooral door ons te sparen en barmhartig te zijn,
stort voortdurend uw genade over ons uit
zodat Gij bewerkstelligt, dat [wij], die ons haasten naar uw beloften,
deelgenoten zijn aan de hemelse weldaden.        

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n

Deze oratie stond in een enigszins andere vorm in het oude Sacramentarium Gelasiense (Vat. Reg. lat. 316; eerste helft 8e eeuw. Ed. Mohlberg 1960) en was in het Missale Romanum van 1962 de collecte van de 10e zondag na Pinksteren.

O p b o u w  e n  z i n s c o n s t r u c t i e s

1 Deus, qui omnipotentiam tuam
2 parcendo maxime et miserando manifestas,
3 gratiam tuam super nos indesinenter infunde
4 ut, ad tua promissa currentes,
5 cælestium bonorum facias esse consortes.

Regel 1 Deus: vocativus aanspreekvorm van Deus: God. De smekeling roept God direct aan.
Regel 1-2 ..., qui omnipotentiam tuam parcendo maxime et miserando manifestas:
betrekkelijke bijzin die twee hoedanigheden van God noemt ..., die het meest uw almacht toont door [ons] te sparen en [ons] genadig te zijn…  Beide hoe-danigheden worden uitgedrukt door het gebruik van de gerundia (1) parcendo en miserando. omnipotentiam tuam als object bij het praesens manifestas.
                        
Regel 3         gratiam tuam super nos indesinenter infunde Eigenlijke smeekbede met de imperativus infunde achteraan geplaatst. De imperativus
infunde wordt nader bepaald door het adverbiaal gebruikte substantivum indesinenter. Hoofdzin in het midden van de oratie Stort uw genade voortdurend over ons uit…
Regel 4-5     ut, ad tua promissa currentes, Lees: ut caelestium bonorum facias (nos) esse consortes, ad tua promissa currentes. De finale/consecutieve bijzin beginnende met ut bevat een bijzin ingeleid door ad. Het gebruikte participium praesentis activi currentes kan hier vertaald worden door middel van een betrekkelijke bijzin ingeleid door die. Het ontbrekende antecedent is tussen haakjes (nos) aangevuld (op grond van het gebruik van nos in regel 3) voor een beter inzicht in de zinsstructuur. Door het toevoegen van nos wordt tevens de AcI-constructie duidelijk zichtbaar (nos…esse). zodat Gij bewerkstelligt dat (wij), die ons haasten naar uw beloften, deelgenoten zijn aan de hemelse weldaden. 



V o c a b u l a r i u m

<             regel 2:
Parco, peperci (soms parsi, parsum): sparen, verschonen, medelijden hebben, zich onthouden van onrecht, niet krenken, zuinig zijn, zich matigen, zich onthouden. Binnen een bepaalde context ook "vergeven".
Dit verbum wordt dikwijls gebruikt in liturgische gebeden zoals bijvoorbeeld als het antwoord in de mooie litanieën, die wij als katholieken zingen vooral in tijden van nood: "Parce nobis, Domine” Spaar ons, Heer!" Tijdens de Vasten laat het schrijnende Latijnse gezang onze rouwmoedige geest weten: "Parce, Domine” “O Heer, spaar uw volk, wees niet voor eeuwig toornig op ons".
Een andere parallelplaats van parcere als goddelijke eigenschap wordt gevonden in de eerste oratie na de Litanie van alle Heiligen op de “Kruisdagen": Deus, cui poprium est misereri et parcere - God, [aan] Wie het eigen is altijd genadig te zijn en te sparen.

Parcendo maxime et miserando manifestas
Twee verba en in de gerumdium-vorm eindigend op - do (= ablativus enkelvoud).
Het bijwoord maxime is aan beide werkwoorden gekoppeld.

maxime: adverbium / bijwoord van de superlatiefvorm maximus (magnus-maior-maximus).
Het bijwoord maxime geeft een nadere bepaling van het werkwoord waar het mee verbonden is, in ons geval van de manier waarop God spaart en barmhartig is: maxime.
Betekenissen: 1. het meest, in de hoogste mate, vooral, zeer, bijzonder 2. hoofdzakelijk, juist, het liefst, bij voorkeur.

manifestas: 2e pers. enkelvoud van manifestare:
1. duidelijk, zichtbaar maken 2. openbaren, mededelen 3. passieve vorm: verschijnen.
Onze taal bewaart het woord manifest als 1. bijvoeglijk naamwoord in de betekenis van: klaarblijkelijk, duidelijk 2. als zelfstandig naamwoord in de zin van officiële mededeling, uiting, verklaring; naast manifest als substantief, een tweede substantief: manifestatie en 3. in het werkwoord: zich manifesteren.

<             regel 3:
indesinenter: bijwoord met ontkennend in- als voorvoegsel: onophoudelijk,
gestadig, voortdurend. Indesinenter < desinere, desii, desitum = ophouden met.      

De woordengroep gratiam tuam super nos indesinenter infunde doet ons onmiddellijk denken aan het slotgebed van het Angelusgebed: Gratiam tuam, quaesumus, Dómine, méntibus nostris infúnde – Stort, Heer, uw genade in onze harten..

<             regel 4:
ut + coniunctief facias in regel 5:  zodat Gij maakt
ad tua promissa currentes; bijzin die de finale/consecutieve bijzin: ut… facias esse consortes onderbreekt waarbij het participium præsentis activi het subject ontleent aan de accusatief consortes het gezegde mereamur : (...) zodat Gij... terwijl wij ons spoeden naar uw beloften
currentes: meervoudsvorm in de nominatief van het tegenwoordig deelwoord van het werkwoord: cúrrere-cucúrri, cursum = lopen, rennen
In onze taal: koers, parcours, coureur (renner) met vertaling in het Nederlands: koerier (van oudsher een bode die hard liep naar zijn bestemming), cursus, cursief.
tua promissa: uw beloften < promittere, promisi, promissum= beloven. Promissa komt van deze laatste vorm en betekent letterlijk: de dingen die beloofd zijn (voltooid deelwoord zelfstandig gebruikt in het onzijdig meervoud). Vergelijk de in de liturgie van de Advent gebruikte aanduiding voor Christus: Redemptorem promissum: de beloofde Verlosser, en ook: Promissum = de Beloofde.
Naast promissa ook promissio,-onis = belofte.
Tua promissa staat voor het beloofde eeuwige leven.

<             regel 5:
cælestium bonorum facias esse consortes
In de zinsconstructie: (...) ut, ...cælestium bonorum facias esse consortes = opdat...Gij maakt dat wij deelgenoot zijn aan (in het Latijn worden twee genitivi gebruikt) de hemelse goederen is facias esse consortes een a.c.i.-constructie. In de vertaling hoeft de a.c.i. niet altijd worden overgenomen.
cælestium bonorum: genitief meervoud < cælestia bona: hemelse goederen
Twee genitieven die behorenb bij het substantief consortes.
Consors, -tis, zowel een adiectief als substantief: een samenvoeging van het voorvoegsel voor "met" (=con-) en sors "lot" in de zin van een kans of briefje wanneer "het lot geworpen wordt", bestemming, (nood)lot. Een consors is iemand met wie je een gemeenschappelijk lot deelt. (Onze taal bewaart o.a. de uitdrukking: .. en consorten!; ook de term consortium = bundeling of vereniging van personen of instanties die hetzelfde belang nastreven).
Consors heeft ook de betekenis: "het bezit met iemand delen (als broer, zuster, familielid), leven in gemeenschap van goederen, gemeenschappelijk deelnemen." Hierbij is te overwegen dat wij naar Gods beeld en gelijkenis gemaakt, wij moeten handelen zoals God handelt: weten, willen en beminnen. Aangezien God ons spaart en barmhartig is, moeten wij eveneens barmhartig zijn en anderen ontzien als wij deelnemers en mede‑erfgenamen willen zijn.

O v e r w e g i n g

Een van de manieren waarop God zijn almachtige natuur toont is door vergevingsgezind te zijn en ons te sparen. God is de Schepper en Bestuurder van al het zichtbare en onzichtbare, die door een daad van zijn wil alles in stand houdt, en zijn almacht toont vooral door middel van zijn barmhartigheid die onbegrensd is. Door Gods wil te overtreden hebben onze eerste ouders en in hen het gehele menselijke geslacht, een oneindige kloof tussen ons en God geopend. Aangezien de kloof onmetelijk was, kon alleen een almachtige God deze kloof overbruggen en omdraaien; herstellen en overbruggen. God heeft de breuk niet hersteld uit rechtvaardigheid, maar veeleer omdat Hij in zijn goedheid ook barmhartig is.
Mensen vallen vaak in de valstrik om manifestaties van macht te verbinden met daden van rechtvaardigheid. In deze collecte echter wordt de andere kant van machtsbetoon belicht. De wonderen door Jezus in de Evangeliën bewerkt, beminnelijke gebaren naar lijdende mensen, waren daden van barmhartigheid, dikwijls verbonden met vergeving van zonden. De verzekering van de barmhartigheid van God doet echter niets af aan Gods rechtvaardigheid. Barmhartigheid betekent niet de ogen voor rechtvaardigheid sluiten, want dat zou neer komen op verraad van de waarheid, de liefde en de gerechtigheid zelf. Desondanks moet, indien rechtvaardigheid moet gehandhaafd worden omdat God waarheid is, ook de barmhartigheid worden betracht omdat God liefde is. Voor God is het in evenwicht houden van rechtvaardigheid en barmhartigheid de eenvoud zelf aangezien Hij volmaakt eenvoudig is. Daar Hij kennis heeft van alles wat ooit geweest is, nú is of wat zal zijn evenals van de complexiteit van de invloed van ieders daad door de geschiedenis heen, heeft God geen conflict in de toepassing van barmhartige rechtvaardigheid of rechtvaardige barmhartigheid. Voor de mens is, speciaal in tijden van beproeving, het tegelijkertijd practiseren van barmhartigheid en rechtvaardigheid inderdaad zeer moeilijk. Vanwege de verwondingen die onze wil en verstand zijn toegebracht, onze worsteling met woede of hartstochten, is het voor ons zo nu en dan heel moeilijk om te zien wat goed, juist en waar is, of onze emoties te beteugelen zelfs wanneer wij de zaken correct zien. Wij balanceren dikwijls tussen eerst eerlijk en rechtvaardig om vervolgens barmhartig te zijn. De twee stromingen van barmhartigheid en rechtvaardigheid te verenigen is een geweldige uitdaging. Wanneer we iemand ontmoeten die wij in staat achten rechtvaardigheid en barmhartigheid in evenwicht te brengen, zijn wij diep onder de indruk en beschouwen wij deze als een voorbeeld van wijsheid omdat deze meer volmaakt handelt als een beeld van God dan vele anderen. Wij worden bewogen door diens voorbeeld omdat wij diep inwendig weten hoezeer we dat zouden moeten naleven.

Een manier waarop wij het meest volgens Gods beeld in ons handelen, ons gedragen als "mede‑erfgenamen" van Christus, als authentieke christelijke consortes (lotgenoten), is juist wanneer wij met medeleven te werk gaan. Is medeleven de sleutel tot het in balans brengen van barmhartigheid en rechtvaardigheid? In de taal van de Bijbel, zoals het Hebreeuwse racham, is medelijden vaak verwisselbaar met barmhartigheid. Het Latijnse woord compassio komt van het Latijnse patior, "iemand verdragen / het met iemand uithouden". Ons hele wezen wordt bewogen en beroerd omdat deze concepten op een mysterieuze wijze tonen wie wij als menselijke wezens zijn en hoe wij zouden moeten handelen.
In een nu beroemde passage uit Gaudium et spes van het IIe Vatikaans Concilie wordt ons geleerd, dat Christus in de wereld kwam om de mens vollediger aan zichzelf te openbaren (GS 22).In al zijn woorden en daden deed Christus dit tijdens zijn aardse leven, doch het hoogste moment van deze openbaring over wie wij zijn was zijn Lijden en Dood op het kruis en de daarop volgende Verrijzenis uit het Graf. Wanneer wij zijn Lijden navolgen in opofferende liefde in het oprechte "mededogen" wat medelijden is, handelen wij zoals wij door God gemaakt waren om te doen. In oprechte en concrete daden van medelijden openbaren wij op onze beurt de mens vollediger aan zichzelf. Op onze manier tonen wij Gods beeld aan onze naaste en wordt deze bewogen. Wij kunnen niet bewogen worden tenzij wij reeds versteend en koud en dood zijn. Paus Johannes Paulus II schreef "de mens kan niet leven zonder liefde", zowel de liefde die hij geeft als de liefde die hij ontvangt.

Dikwijls kunnen wij daden van oprecht medeleven zien van veel mensen in de nasleep van de rampen waarmee we regelmatig worden geconfronteerd. Iets in hen beweegt hen diep tot actie. Ieder gebaar van medeleven van de kant van de reddingswerkers, medisch personeel, militairen, handhavers van de wet, eerste hulp, medewerkers van sociale instellingen beweegt in steden, dichtbij en veraf, de harten omdat wij in hun daden dat beeld zien waarin iedere man, vrouw en kind weerklank van zijn betere ik vindt. (Onverdiende) daden van liefdadigheid, barmhartigheid, rechtvaardigheid en medelijden maken aan onze naasten de God zichtbaar naar wiens gelijkenis wij allen gemaakt zijn. Wij worden door deze daden bewogen omdat wij dan ook in andere mensen iets zien wat echt werkelijk is. Wij worden ook door medelijden van anderen bewogen omdat lijden een fundamenteel element is van de menselijke natuur, die door Christus' Lijden betekenis heeft gekregen. Individuele personen kunnen door hun voorbeeld grote veranderingen in een maatschappij verwezenlijken. Als één persoon veel kan doen, hoeveel méér zou er gedaan kunnen worden door een gemeenschap van mannen en vrouwen, die dorsten naar heiligheid en rechtvaardigheid (de Kerk), die er naar streven in medelijden, rechtvaardigheid en barmhartigheid te handelen?

Door zijn rechtvaardigheid wil God ons geven wat wij verdienen. Door zijn barmhartigheid wil Hij ons bepaalde aspecten van wat wij verdienen niet geven. Door zijn genaden over ons uit te storten geeft God ons wat wij niet verdienen. Zijn rechtvaardigheid moet ontvangen worden met vreugdevolle schroom, of wij dit willen of niet. Zijn barmhartigheid moeten wij afsmeken met nederig vertrouwen. Zijn genade, die door ons niet verdiend is, omhelzen wij met opgetogen dankbaarheid.

(1)
GERUNDIUM: een actieve vorm van het werkwoord waarin dit verbum wordt behandeld alsof het een substantivum was. Het wordt dan ook verbogen doordat achter de præsensstam de volgende uitgangen worden geplaatst: -ndi of -endi (genitivus); -ndo of -endo (dativus en ablativus); -ndum of -endum (accusativus). De infinitivus doet dienst als nominativus van het gerundium en kan ook als accusativus gebruikt worden.
Zie voor de verbuiging van de werkwoordgroepen en de vertaling de herziene uitgave van Dom Cyprianus Coppens O.S.B. +, Handboek voor Kerklatijn, Brepols 1985, blz. 100-101.
Met dank ontleend aan P. Zuhlsdorf, WDTPRS, en andere auteurs.

Introitus: Omnia quae fecisti Dominica XXVI per annum

Lezingen H. Mis 26e zondag door het jaar C Zij hebben Mozes en de profeten; laat ze naar hen luisteren.

Eerste lezing (Am. 6,1a.4-7)
Dit zegt de almachtige Heer:
“Wee, de zorgelozen in Sion,
de zelfverzekerden op Samaria’s berg.
Zij liggen op ivoren bedden
en strekken zich uit op hun rustbanken;
zij eten de lammeren van de kudde op
en de kalveren uit de stal.
Zij verzinnen maar liederen
bij het getokkel van de harp,
en denken dat hun speeltuig dat van David evenaart;
zij drinken wijn uit brede schalen
en zalven zich met de kostelijke olie,
maar om Jozefs ondergang bekreunen zij zich niet.
Daarom gaan zij als eersten de ballingschap in,
en is het gedaan met de feesten
van hen, die daar lui liggen uitgestrekt.”

Tweede lezing (1 Tim. 6,11-16)
Dierbare, streef naar gerechtigheid,
godsvrucht, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid.
Strijd de goede strijd van het geloof,
grijp het eeuwige leven.
Daartoe zijt gij geroepen,
daartoe hebt gij de goede belijdenis afgelegd
ten overstaan van vele getuigen.
Ik beveel u voor het aanschijn van God, die alles ten leven wekt,
en van Christus Jezus,
die voor Pontius Pilatus de goede belijdenis heeft afgelegd:
bewaar dit gebod onbevlekt en ongerept
tot de verschijning van onze Heer Jezus Christus,
die God ons te rechter tijd zal doen aanschouwen,
Hij, de gelukzalige,
de enige Heerser,
de grote Koning en de opperste Heer,
die alleen onsterfelijkheid bezit en woont in ongenaakbaar licht.
Geen mens heeft Hem gezien of is in staat Hem te zien.
Hem zij eer en eeuwige macht!
Amen.

Evangelie (Lc. 16,19-31)
In die tijd zei Jezus tot de Farizeeën:
“Er was eens een rijk man,
die in purper en fijn linnen gekleed ging
en iedere dag uitbundig feest vierde,
terwijl een arme, die Lazarus heette,
met zweren overdekt voor de poort lag.
Hij verlangde ernaar zijn honger te stillen
met wat bij de rijkaard van de tafel viel.
Maar er kwamen alleen honden, die zijn zweren likten.
Nu gebeurde het dat de arme stierf
en door de engelen in de schoot van Abraham werd gedragen.
De rijke stierf ook en kreeg een eervolle begrafenis.
In de onderwereld, ten prooi aan vele pijnen,
sloeg hij zijn ogen op en zag van verre Abraham
en Lazarus in diens schoot.
Toen riep hij uit:
Vader Abraham, ontferm u over mij
en geef Lazarus opdracht de top van zijn vinger in water te dopen
en mijn tong daarmee te komen verfrissen,
want ik word door de vlammen hier gefolterd.
Maar Abraham antwoordde:
Mijn zoon, herinner u hoe gij tijdens uw leven
uw deel van het goede hebt gekregen
en hoe op gelijke manier aan Lazarus het kwade ten deel viel;
daarom ondervindt hij nu hier de vertroosting,
maar wordt gij gefolterd.
Daarenboven gaapt er tussen ons en u voorgoed een wijde kloof,
zodat er geen mogelijkheid bestaat
– zelfs als men zou willen –
van hier naar u te gaan, noch van daar naar ons te komen.
De rijke zei:
Dan vraag ik u, vader,
dat gij hem naar het huis van mijn vader wilt sturen,
want ik heb nog vijf broers;
laat hij hen waarschuwen,
opdat zij niet eveneens
in deze plaats van pijniging terechtkomen.
Maar Abraham sprak:
Zij hebben Mozes en de profeten; laat ze naar hen luisteren.
Maar hij zei:
Och neen, vader Abraham!
Maar als er een uit de doden naar hen toegaat,
zullen ze zich bekeren.
Hij echter sprak tot hem:
Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren,
zullen ze zich ook niet laten overreden
als er iemand uit de doden opstaat.”

zaterdag 26 september 2020

Lezingen H. Mis 26e zondag door het jaar A De tollenaars en de ontuchtige vrouwen gaan eerder dan gij het Rijk Gods binnen.

Eerste lezing: Ez. 18, 25-28

Dit zegt de Heer:

“Gij beweert: De weg van de Heer is niet recht!

Huis van Israël, luister toch!

Zou het werkelijk míjn weg zijn, die niet recht is?

Zijn niet veeleer uw eigen wegen niet recht?

Als een rechtvaardige zich van zijn rechtvaardigheid afkeert

en kwaad gaat doen,

dan zal hij daaraan sterven,

sterven om het kwaad dat hij gedaan heeft.

En als de boosdoener

zich van zijn boze daden afkeert

en gaat handelen naar rechtschapenheid en deugd,

dan zal hij in leven blijven.

Als hij tot inzicht komt

en zich afkeert van zijn slechte daden,

dan blijft hij zeker leven,

dan zal hij niet sterven.”


Tweede lezing: Fil. 2, 1-11 of 1-5

Broeders en zuster,

als vermaning in Christus en liefdevolle bemoediging

iets vermogen,

als gemeenschap van Geest,

als hartelijkheid en mededogen u iets zeggen,

maakt dan mijn vreugde volkomen

door uw eenheid van denken,

uw eenheid in de liefde,

uw saamhorigheid en eensgezindheid.

Geeft niet toe aan partijzucht en ijdelheid,

maar acht in ootmoed de ander hoger dan uzelf.

Laat niemand alleen zijn eigen belangen behartigen,

maar liever die van zijn naasten.

Die gezindheid moet onder u heersen

welke Christus Jezus bezielde:

Hij die bestond in goddelijke majesteit

heeft zich niet willen vastklampen

aan de gelijkheid met God.

Hij heeft zichzelf ontledigd

en het bestaan van een slaaf op zich genomen.

Hij is aan de mensen gelijk geworden.

En als mens verschenen

heeft Hij zich vernederd

door gehoorzaam te worden tot de dood,

tot de dood aan een kruis.

Daarom heeft God Hem hoog verheven

en Hem de Naam verleend,

die boven alle namen is.

Opdat bij het noemen van zijn Naam

zich iedere knie zou buigen

in de hemel, op aarde en onder de aarde,

en iedere tong zou belijden

tot eer van God, de Vader:

Jezus Christus is de Heer.


Evangelie: Mt. 21, 28-32

In die tijd zei Jezus

tot de hogepriesters en de oudsten van het volk:

“Wat denkt ge van het volgende?

Een man had twee zonen.

Hij ging naar de eerste toe en zei:

Mijn zoon, ga vandaag werken in mijn wijngaard. Goed vader, antwoordde deze, maar hij deed het niet.

Toen ging hij naar de tweede en zei hetzelfde.

Deze antwoordde: Neen, ik wil niet,

maar later kreeg hij spijt en ging toch.

Wie van de twee heeft nu de wil van zijn vader gedaan?”

Zij antwoordden: “De laatste.”

Toen zei Jezus hun:

“Voorwaar, Ik zeg u:

de tollenaars en de ontuchtige vrouwen gaan eerder dan gij het Rijk Gods binnen.

Johannes kwam tot u en beoefende de gerechtigheid;

toch hebt gij hem geen geloof geschonken,

terwijl de tollenaars en de ontuchtige vrouwen

hem wel geloof schonken.

Maar zelfs, nadat ge dit had gezien,

zijt ge toch niet tot inkeer gekomen

en hebt ge hem geen geloof geschonken.”


Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” 26e zondag per annum / door het jaar Mogen onze gaven aanvaardbaar zijn en voor ons een bron van zegen worden.

Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie
Mogen onze gaven aanvaardbaar zijn en voor ons een bron van zegen worden

I n l e i d i n g
Het Gebed over de gaven van deze zondag sluit in de bede tot aanvaarding van de offergaven
die van de Consecratie in. Slechts op deze manier wordt de hoog gestemde bede begrijpelijk, dat in deze offerande voor de biddenden de bron van alle zegen moge worden geopend. Deze bron is immers met zekerheid het Offer van het Lichaam en Bloed van Christus, de actualisering van het Kruisoffer. Dit Offer is de oorzaak van de Verrijzenis en Verheerlijking van Christus en van al hetgeen wat de mensheid in de Verrijzenis van Christus uit de rijkdom van het goddelijk leven ontvangt en mag putten. Immers, “Vere sanctus es, Domine, fons omnis sanctitatis”- Gij zijt waarlijk heilig, Heer. Gij zijt de bron van alle heiligheid (Ordo Missæ, Eucharistisch Gebed II).
Het is goed mogelijk dat bij het samenstellen van deze oratie gedacht is aan de zijdewonde van Christus: “Een van de soldaten opende met een lans zijn zijde” (Jo 19, 34). Het ‘aperuit’ (hij opende) gaf Augustinus aanleiding te verklaren: ‘De evangelist heeft hier een wakker woord gebruikt, door niet te zeggen: hij doorstak of hij verwondde, of zo iets, maar: hij opende. Daar ging als het ware de Levensdeur open, waar de sacramenten van de Kerk uit voortvloeiden, zonder welke men niet ingaat tot het leven, dat het ware leven is’ (Tract. in Ioannem, CXX, 2).

 T e k s t
Missale Romanum – 1970
Concede nobis, misericors Deus,
ut hæc nostra tibi oblatio sit accepta,
et per eam nobis fons omnis benedictionis aperiatur.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Barmhartige God,
mogen onze gaven voor U aanvaardbaar zijn

Werkvertaling
Verleen ons, barmhartige God,
dat dit ons offer U aangenaam mag zijn/dat dit offer van ons door u aanvaard moge zijn
en voor ons door dit offer de bron van alle zegen worde geopend.
L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
Van deze oratie is geen antecedent te vinden in een van de edities van het Missale Romanum vóór 1970, noch in de bronnencollectie van E. Moeller, J.M. Clément en B. Coppieters  ’t Wallant, Corpus Orationum, I-XIV, Brepols, Turnhout 1992-20o4). Het is dus een nieuwe compositie voor de Novus Ordo.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
De centrale voorstelling die het Gebed over de gaven oproept is die van een genadestroom die uit God voort vloeit als vanuit een bron, een fontein, als levend water, dat is water dat stroomt. Let op de concepten in de oratie. God wordt aangesproken in zijn hoedanigheid van  barmhartige Vader die overvloedige genade schenkt. Wij bidden dat hetgeen wij naar het altaar brengen door de kracht van Hem aanvaard zal worden, want Hij is de oorsprong van alle zegeningen. De zegen van God, het delen van iets van Hemzelf met ons, hopen wij te ontvangen door middel van de offergaven. Dit delen en de gave van God is als een bron die zich opent en opborrelt ten leven, immers: ‘Sitienti dabo de fonte aquæ vitæ gratis’ (Apoc 21, 6), hem die dorst heeft zal Ik het uit de bron van levens water om niet schenken, waarmee het psalmwoord wordt bevestigd:  ‘Quoniam apud te est fons vitæ, et in lumine tuo videbimus lumen’ (Ps 35, 10) – Bij U immers is de bron des levens en in uw licht zullen wij het licht zien.
(Het laatste halfvers is het adagium van onze priorij).

1. Concede nobis, misericors Deus,
2a. ut hæc nostra tibi oblatio sit accepta,
2b. et per eam nobis fons omnis benedictionis aperiatur.

De oratio super munera is samengesteld uit één enkele zin, bestaande uit een openingszin (r. 1) waarin God wordt aangesproken met een van Zijn uitgesproken hoedanigheden, met een  imperativusvorm  aan de spits, gevolgd door een dubbele bijzin (r. 2a-2b) met coniunctief karakter, ingeleid door het voegwoord ut en waarin een tweevoudige bede wordt verwoord.
De dubbele bijzin kan gelezen worden als het object van de bede. De prædicaten zijn klassiek geplaatst in deze oratie: ‘concede’ aan de spits van de openingsregel, aan het einde van de twee bijzinnen ‘sit accepta’ en ’aperiatur’.

Ad 1
Concede, verleen, schenk – prædicaat in de imperativusvorm.
Concede  verschijnt als imperativusvorm in vijf orationes super munera en kan vertaald worden in positieve zin met ‘verleen’ of  ’willig in, vergun’ . In negatieve zin betekent concede ‘verbeur, verspeel’  of ‘schikken, regelen’.  In beide betekenissen betekent het een minzaamheid van de kant van God waarbij Hij genadig de uitwerking van de offerande verleent.
Misericors Deus, barmhartige God, - anaklese in de vocativusvorm samengesteld uit een onderling congruerende vocativusvorm Deus  en adiectivum attributivum misericors (bijvoeglijke bepaling).  
Nobis, [aan] ons, - bijwoordelijke bepaling in de dativusvorm (dativus commodi, van voordeel) van het pronomen personale nos.
Ad 2a-2b
Finale/doelaanwijzende resp. consecutieve/gevolgaanduidende bijzin, bestaande uit twee halfzinnen verbonden door de coniunctie et en ingeleid door het voegwoord ut dat beide halfzinnen tot de coniunctivus bepaalt vanwege het wens- of gebedskarakter.
Ad 2a
Sit accepta, op-, zodat aanvaard is/ aangenaam is, - prædicaat, gevormd door het koppelwerkwoord sit vergezeld van het prædicaatsnomen accepta – participium perfecti passivi in het vrouwelijk enkelvoud van het verbum accipere, accepi, acceptum, 3  - dat congrueert met het subject  hæc nostra [tibi] oblatio, deze onze offergave/dit ons offer. Accepta is hier bijvoeglijk gebruikt en betekent aangenaam, welgevallig.
Het subject bestaat uit drie congruerende nominativusvormen en vormt door de uiteenplaatsing de stijlfiguur hyperbaton.
Tibi, [voor/aan] U, - bijwoordelijke bepaling in de dativusvorm van het pronomen personale tu: dativus commodi (van voordeel).. Aangezien het praedicaat in een passieve vorm staat kan de dativus tibi gezien worden als een dativus auctoris, de dativus die de handelende persoon aangeeft en vertaald mag worden met behulp van het voorzetsel door. Deze dativus treft men aan bij het hele passivum maar vooral bij het passivum perfecti zoals hier het geval is.
Echter.... gezien de positie van tibi, tussen nostra en oblatio (hyperbaton!) lijkt tibi hier een   woordgroep te vormen met genoemde nomina. In dat geval toch eerder een dativus commodi; voor U.
Ad 2b
Aperiatur, op-, zodat worde geopend, - prædicaat van het verbum aperire, aperui, apertum, 4, openen, in de 3e persoon enkelvoud præsentis passivi coniunctivi.
Fons omnis benedictionis, de (een) bron van alle zegening, - subject bij het prædicaat, samengesteld uit de nominativusvorm fons, - tis, bron m. en de bijvoeglijke bepaling omnis benedictionis die de nominativus fons nader uitlegt of kwalificeert in twee congruerende genitivusvormen (genitivus explicativus of qualitatis).
Grammaticaal gezien kan omnis zowel bij fons als bij benedictionis horen. In de vertaling boven is omnis bij benedictionis geplaatst: in de oratie wordt niet gevraagd dat heel de bron of elke bron van zegening worde geopend, maar slaat de metafoor bron op de levende Christus, die alles kan en wil schenken wat wij voor onze verlossing nodig hebben.
Per eam, door haar, - voorzetselbepaling, samengesteld uit het præpositum per dat de accusativus aan zich bindt.
Eam, accusativusvorm enkelvoud vrouwelijk van het pronomen ea, zij, refereert aan het subject oblatio (r. 2a) als antecedent.
Nobis, [voor] ons, - bijwoordelijke bepaling in de dativusvorm van het pronomen personale nos: dativus commodi, van voordeel.
Tibi (r. 2a) en nobis (r. 2b) vormen een antithese.
Ook mooi is de trits nobis (r. 1), nostra (r. 2) en nobis (r. 3).

K l e i n  v o c a b u l a r i u m
Fons, fontis m. heeft de betekenis van bron, wel, fontein en met extensie ook: rivierbron, oorsprong, herkomst. In het Nederlands vinden we een connectie met het begrip fontein, waaruit water stroomt. In de kerk vinden we een ‘vont’  in de zin van doopvont, doopbekken. Voorts verwijst de term ‘font’ naar de stijl van de gebruikte letters in een gedrukte tekst, het zgn. ‘lettertype’. Vroeger werden de individuele stukken van een gangbaar lettertype die gebruikt werden bij het drukproces door middel van gesmolten metaal in een gieterij gegoten. Een van de betekenissen van het Latijnse verbum ‘fundo (fudi, fusum)’ gerelateerd aan fons, is gieten, laten vloeien, vloeibaar maken, (doen) smelten, uitstorten.
Acceptus, a, um, een adiectivum bij het verbum ‘accipio’ betekent  welkom, beminnelijk, aangenaam, aanvaardbaar en is synoniem met het Latijnse gratus.  Het begrip ‘acceptus’ staat in relatie met ‘gratus’ als het effect van de oorzaak: hij die ‘gratus’ is, dit is beminnelijk, dankbaar, aangenaam, is om die reden ‘acceptus’, welkom, acceptabel, aanvaardbaar.
Het adiectivum ‘acceptus’ was een heidense cultische term, bijvoorbeeld ‘acceptam dis hostiam’, een voor de goden acceptabel offerdier (Vergilius, Georg. 2, 101). In combinatie met habere was het evengoed een technische legale term, bijvoorbeeld in de openingszin van de Canon Romanus (Prex eucharistica I): ‘Te igitur…supplices rogamus ac petimus uti accepta habeas et benedicas hæc dona, hæc munera, hæc santa sacrificial illibata’- U dan...vragen wij smekend te aanvaarden, te zegenen deze giften, deze gaven, deze heilige vlekkeloze offerande. Anderzijds is ‘acceptus’  een normaal geaccepteerd begrip in de Vetus Latina en de Vulgaat (behorende tot de oudste bijbelvertalingen), en ook bij de Christelijke auteurs:
‘hostiam acceptam, placentem Deo’ (Filipp 4, 8) en ‘cuius sacrificum… tum acceptum Deo fuisse’  (Augustinus, De Civitate Dei 15, 18). Het gebruik van de term bij de Christenen leidde ertoe dat de term ook in de oraties werd gebezigd. Het ‘sacrificieel’ karakter van het woord laat zich evident afleiden uit het gegeven dat het bijna exclusief in de orationes super munera voorkomt en geplaatst wordt bij begrippen als ‘oblatio, munera, sacrificium, devotio, ieiunium’.
Dit adiectivum is een duidelijk voorbeeld van het stereotiepe karakter van de taal van de oraties (Chr. Mohrmann, Études, II, 107). Het komt voor ofwel met esse of met reddere (maken tot, weergeven) (Vgl. Sr. Mary Pierre Ellebracht C.Pp.S., Remarks on the vocabulary of the ancient orations in the Missale Romanum. Reeks Latinitas christianorum primæva. Nijmegen-Utrecht, 1966, p. 87).
G e t u i g e n i s  v a n  d e  V a d e r s
Didache
(een van de oudste kerkelijke geschriften uit de jaren 50-70 met raadgevingen voor het christelijke en kerkelijke leven)

1. Wat nu het Doopsel aangaat: aldus zult ge dopen; nadat ge dit alles tevoren gezegd hebt, “doopt in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest”, in stromend water.
2. Als ge echter geen stromend water [bij de hand] hebt, doopt dan in ander water.
(VII)

Hippolytus
170-235, priester van Rome
“Jezus komt tot Johannes en wordt door hem gedoopt. O, allerbewonderenswaardigst voorval! De oneindige stroom, die de stad Gods verblijdt, wordt met een weinig water gereinigd. De onbegrijpelijke bron, die het leven schenkt aan alle mensen en geen einde kent, wordt hier begoten met een weinig en tijdelijk water. […] Daarom roep ik uit met de stem van de heraut: Komt, alle stammen der volken, naar het middel der onsterfelijkheid, het Doopsel. Dit is het water dat met de Geest verbonden is, waardoor het paradijs wordt bevloeid, de aarde vruchtbaar gemaakt, de planten wasdom krijgen, de dieren zich voortplanten. Kort samengevat: Dit is het water, waardoor de mens herboren wordt en levend gemaakt”.
(Sermo in Sancta Theophania, 2, 6-8.)

Cyrillus van Jeruzalem
313-386 bisschop en kerkvader
“Indien iemand wil weten, waarom juist het water en niet een der andere elementen de genade schenkt, hij neme de goddelijke Schriften ter hand en hij zal daar het antwoord vinden. Het water is inderdaad iets groots en het schoonste van de vier zichtbare elementen der wereld. De hemel is de woonplaats der engelen maar de hemelen zijn uit het water voortgekomen. De aarde is het verblijf der mensen, maar de aarde kwam uit het water en vóór alle wezens, die in de zes scheppingsdagen tot stand kwamen, ‘zweefde de Geest Gods over het water”. Het water is het begin der wereld en het begin der evangeliën in de Jordaan. Israel werd van de Farao bevrijd door de zee en de wereld wordt van de zonden bevrijd door het waterbad in het woord. Overal waar een verbond met iemand wordt gesloten, komt het water er bij te pas”.
(Uit: Catechese III over het Doopsel, nr. 5)

Paulinus van Nola
354-431 kerkvader en dichter
“Christus, die rots […] uit wiens zijde, met een lans doorboord, water en bloed vloeiden, opdat Hij tegelijkertijd voor ons heilbrengende bronnen zou uitgieten: het water der genade en het bloed van het Sacrament [H. Eucharistie], waardoor Hij zowel de bron van ons heil als de kostbare prijs is die Hij ervoor betaalde”.
(Ep. 42, 4 (CSEL 29, 362)

Hilarius van Poitiers
315-366 bisschop, kerkvader en kerkleraar
“Gods vloed heeft altijd water genoeg; Gij hebt hun voedsel bereid, want zo is uw bereiding”. Er is geen enkele reden om aan die vloed te twijfelen. De profeet zegt immers: “Een vloed met zijn stromen brengt de Godsstad in vreugde”. En de Heer zelf zegt in het evangelie: “Wie van het water drinkt, dat Ik hem geven zal, bij hem zullen stromen van levend water uit zijn binnenste vloeien ten eeuwige leven.” En elders: “Wie in Mij gelooft, bij hem zullen stromen van zijn binnenste uitgaan, zoals er geschreven staat. Hiermede doelde Hij op de H. Geest, die zij die in Hem geloven, zullen ontvangen”. Deze vloed dus wordt met Gods water gevuld. Want wij worden overspoeld met de gaven van de Heilige Geest, en uit de levensstroom wordt de vloed, met Gods water gevuld, ons ingestort. Wij hebben echter ook voedsel, dat voor ons bereid is.
En wat is dat voedsel? Datgene namelijk, waardoor wij worden voorbereid op de gemeenschap met God, door de vereniging met zijn heilig Lichaam, die voortaan plaats vindt in de Communie met zijn heilig Lichaam. Dat immers wil deze psalm zeggen: “Gij hebt hun voedsel bereid, want zo is uw bereiding”: omdat wij door die spijs, hoewel wij er voor het tegenwoordige door gered worden, er toch voor de toekomst door worden gereed gemaakt.
Het is toch voor ons, die door het sacrament van het Doopsel herboren zijn, een zeer grote vreugde, nu wij in ons de beginnende werking van de Heilige Geest gevoelen, nu wij daardoor begrip krijgen van de sacramenten, kennis van de profetieën, het woord der wijsheid, een sterke hoop, de charismata van de genezing en de heerschappij over de onderworpen demonen. Dat alles dringt als het ware druppelsgewijze in ons door, wat langzaamaan begonnen veelvoudige vruchten voortbrengt.
(Tract. in psalmos  64, 14-15)

H. Bonaventura
Opdat vervolgens uit de zijde van de op het kruis sluimerende Christus de Kerk zou worden gevormd, en de Schriftuur zou worden vervuld, die zegt: “Ze zullen opzien tot wie ze doorstaken” (Jo 19, 37), is het door Gods beschikking toegestaan, dat een der soldaten met een lans de heilige zijde zou doorboren en openen, want zo zou er bloed en water vloeien, en de prijs voor ons heil ontstromen. Uit de bron, dat is: uit de geheimenis van het hart gestroomd, zou ze kracht geven aan de Sacramenten der Kerk om het leven der genade mee te delen, en om voor hen die in Christus leven een drank te zijn “van de levende bron die opborrelt ten eeuwige leven” (Jo 4, 14). Zie nu dan hoe de lans door de trouweloze Saul, dat is het verworpen joodse volk, “zonder wonden te maken” door Gods barmhartigheid “in de muur geslingerd” (1 Kon 19, 10), “een hol maakte in de rots en een holte in de steunmuur” (Hoogl 2, 14), als een verblijf voor duiven. Rijs dan op mijn ziel, vriendin van Christus, wees als “de duif die haar nest maakt boven aan de ingang van de rotskloof” (Jer 48, 28), hou niet op daar te waken als “de mus die een woning vindt” (Ps 83, 4), verberg daar als een tortel de jongen van kuise liefde, zet uw mond daaraan, “opdat gij water putten mag uit de bronnen van de Zaligmaker” (Jes 12, 3). Hier is “de bron die uitgaat uit het midden van het paradijs”, die, “in vier hoofdstromen verdeeld” (Gen 2, 10) en in vrome harten uitgegoten, heel de aarde besproeit en vruchtbaar maakt.
(Uit De Boom des Levens, Achtste vrucht)
C o m m e n t a a r
Ons gebed roept bij ons verschillende momenten uit de H. Schrift over water en stromend water voor de geest.  Denk bijvoorbeeld aan Jes 12, 3: ‘Haurietis aquas in gaudio de fontibus salutis’ - Gij zult vol vreugde water putten uit de bronnen van het heil.
Denk ook in dit verband aan de manier waarop Mozes water sloeg uit de rots. ‘Mozes nam dus de staf voor het aanschijn van Jahwe weg, zoals Hij hem bevolen had, riep met Aäron de gemeente bijeen voor de rots, en sprak tot haar: luistert rebellen! Kunnen wij wel uit deze rots voor u water doen vloeien? Toen hief Mozes zijn hand op en sloeg tweemaal met zijn staf op de rots; toen vloeide er water in overvloed uit, zodat de gemeenschap met het vee kon drinken’ (Num 20, 9-11).
Dit is een oudtestamentische afbeelding van het sacrament van het Doopsel. Door ons Doopsel werden wij tempel van de H. Geest die soms beschreven wordt in termen van water, zelf als regen of dauw. De volgende beschrijving van de H. Geest vinden wij in nr. 694 van de Catechismus van de Katholieke Kerk:
De symboliek van het water is kenmerkend voor de werking van de Heilige Geest bij het Doopsel. Na het aanroepen van de Heilige Geest wordt het water immers het werkzame teken van de wedergeboorte: evenals ons leven, voor onze geboorte, tijdens de zwangerschap, zich ontwikkelde omgeven door water, zo geeft het water van het Doopsel werkelijke aan dat onze geboorte tot het goddelijk leven ons in de Heilige Geest geschonken wordt. Maar “gedoopt in één Geest” zijn wij ook “gedrenkt met een Geest” (1 Kor 12, 13): de Geest is daarom ook persoonlijk het levende water dat uit de gekruisigde Christus opwelt (Cf Jo 19, 34; 1 Jo 5, 8) als uit zijn bron en dat in ons opwelt tot eeuwig leven’ (Cf Jo 4, 10-14; 7, 38; Ex 17, 1-6; Jes 55, 1; Zach 14, 8; 1 Kor 10, 4; Apok 21, 6; 22, 17).
‘Maar toen zij bij Jezus kwamen dat Hij reeds gestorven was, braken zij Hem de benen niet maar een van de soldaten opende zijn zijde met een lans en onmiddellijk stroomden er bloed en water uit (Jo 19, 33-34).
Het stromend water van de doopvont opent de weg naar de andere Sacramenten met name het ontvangen en de viering van de H. Eucharistie, “bron en hoogtepunt” (fons et culmen) van ons christelijk leven (Lumen Gentium 11; CKK 1324). Door het Doopsel worden wij in staat gesteld deel te nemen aan de H. Mis met ‘volledig, bewust en actief participerend’ (Sacrosanctum Concilium, Constitutie over de H. Liturgie, nr 14). Het woord ‘volledig’ (plena) verwijst naar de integrale manier waarop de gedoopten deelnemen aan de liturgie, dit is: innerlijk en uiterlijk. Het begrip ‘bewust’ (conscia) vereist kennis en inzicht in wat men doet, met uitsluiting van ieder bijgeloof of valse vroomheid. ‘Actief’ (actuosa) betekent primair ontvankelijk, mogelijk gemaakt door het Doopsel als een effect van een wilsact zichzelf te verenigen met de sacrale handeling, verricht in de liturgie door de werkelijke ’Actor’, Jezus Christus, Hogepriester. Deze inwendige participatie (actuosa participatio) vindt eveneens haar uitdrukking in uitwendige, fysieke participatio. Door deze participatie – wanneer wij onze gaven, offers, gebeden en verlangens verenigen met het offer van de priester aan het altaar – stromen overvloedige zegeningen van God uit naar ons op een manier die we wel niet zullen kunnen begrijpen in dit leven hier. Een H. Mis kan stichtend zijn voor een toevallige aanwezige, maar ‘volledige, bewuste en actieve deelname’ heeft zijn moment van volmaaktheid: wanneer de gedoopte christen, ontvankelijk en op een geëigende manier voorbereid, de H. Communie ontvangt (Cf De musica sacra 22, c). Het ontvangen van de H. Communie in staat van genade verenigt op perfecte wijze zowel de innerlijke activiteit van het hart, geest en ziel, met de uitwendige handeling van ‘het te Communie gaan’ en fysiek aannemen van de Eucharistie met een houding en gebaren van eerbied. De H. Communie is volmaakte, actieve participatie waarop men zich inwendig moet voorbereiden.
De oratie van vandaag is gericht op onze deelname aan de H. Mis. Wij vragen dat onze participatie en het ontvangen van de H. Communie zegeningen voor ons opent. Daarom is het goed stevig de woorden van de H. Paulus over ongepaste deelname en armzalig ontvangen in onze geest vast te houden: ‘Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de kelk van de Heer drinkt, bezondigt zich aan het Lichaam en Bloed des Heren. Wij moeten ons zelf onderzoeken, voor we van het brood eten en uit de kelk drinken. Wie eet en drinkt zonder het lichaam te onderkennen, eet en drinkt zijn eigen vonnis. Daarom zijn er onder u zo velen ziek en zwak en zijn er een aantal gestorven’ (1 Kor 11, 27-30).
Sint Paulus legt een verbinding tussen het geestelijke en het fysieke, het inwendige en uitwendige. De effecten van het ontvangen van de H. Eucharistie vertalen zich, volgens Sint Paulus, ook fysiek. Indien de H. Communie dus ook fysiek haar uitwerking heeft, moeten wij dan niet zorgen voor een gepaste fysieke voorbereiding op de H. Communie zoals wij ons inwendig geestelijk voorbereiden? Moeten wij ons niet inspannen de voorschriften van het nuchter zijn te onderhouden en ook lichamelijk onze diepe eerbied te tonen? In feite vraagt de Kerk het eucharistische vasten, tot een uur slechts gereduceerd vóór de H. Communie (niet voor het begin van de H. Mis) en ook schrijft zij een gepaste houding en tekenen van eerbied voor gedurende de H. Mis.

Fysiek (nuchter) en geestelijk (in staat van genade) moeten wij waardig voorbereid Christus tegemoet gaan in de H. Eucharistie. Christus is altijd bereid ons tegemoet te komen. “Verheft Uw hart – Wij zijn met ons hart bij de Heer”.