zondag 9 februari 2025
Lezingen H. Mis 5e zondag door het jaar C “Wees niet bevreesd, voortaan zult ge mensen vangen"
Uit de Profeet Jesaja.
In het sterfjaar van koning Uzziahu zag ik de Heer, gezeten op een hoge en verheven troon: zijn sleep bedekte heel de vloer van de tempel. Hij was omgeven met serafs; elk had zes vleugels, en ze riepen elkaar toe: “Heilig, heilig, heilig, de Heer der hemelse machten! Heel de aarde is vol van zijn glorie!” Het luide roepen deed de drempels schudden in hun voegen en het heiligdom stond vol rook. Toen riep ik: “Wee mij, ik ben verloren! Want ik ben een mens met onreine lippen, en toch hebben mijn ogen de Koning, de Heer der hemelse machten, gezien!” Maar een van de serafs vloog naar mij toe met een gloeiende kool die hij met een tang van het altaar genomen had; hij raakte mijn mond daarmee aan en sprak: “Nu dit uw lippen aangeraakt heeft zijn uw zonden verdwenen, uw misstappen vergeven.” Daarop hoorde ik de Heer spreken: “Wie moet ik zenden? Wie zal voor ons gaan?” En ik antwoordde: “Hier ben ik, zend mij!”
Tweede lezing (1 Kor. 15,1-11)
Uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte.
Broeders en zusters, ik vestig uw aandacht op het evangelie dat ik u heb verkondigd, dat gij hebt ontvangen, waarop gij gegrondvest zijt en waardoor gij ook gered wordt, indien ge er tenminste aan vasthoudt in de vorm waarin ik het u verkondigd heb, anders zoudt gij tevergeefs gelovig geworden zijn. In de eerste plaats dan heb ik u overgeleverd wat ik ook zelf als overlevering heb ontvangen, namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften en dat Hij begraven is, en dat Hij is opgestaan op de derde dag, volgens de Schriften, en dat Hij verschenen is aan Kefas en daarna aan de Twaalf. Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie de meesten nog in leven zijn, hoewel sommigen zijn gestorven. Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan alle apostelen. En het laatst van allen is Hij ook verschenen aan mij, de misgeboorte. Ja ik ben de minste van de apostelen, niet waard apostel te heten, want ik heb Gods kerk vervolgd. Maar door de genade van God ben ik wat ik ben en zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest. Ik heb harder gewerkt dan alle anderen, niet ik, maar de genade van God met mij. Maar of zij het nu zijn of ik, dát hebt gij geloofd.
Evangelie (Lc. 5,1-11)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas.
Op zekere dag stond Jezus aan de oever van het meer van Gennesaret, terwijl de mensen op Hem aandrongen om het woord Gods te horen. Hij zag nu twee boten liggen aan de oever van het meer; de vissers waren eruit gegaan en spoelden hun netten. Hij stapte in een van de boten, die van Simon, en vroeg hem een eindje van wal te steken. Hij ging zitten en vanuit de boot vervolgde Hij zijn onderricht aan het volk. Toen Hij zijn toespraak had geëindigd zei Hij tot Simon: “Vaar nu naar het diepe en gooi uw netten uit voor de vangst.” Simon antwoordde: “Meester, de hele nacht hebben we gezwoegd zonder iets te vangen; maar op uw woord zal ik de netten uitgooien.” Ze deden het en vingen zulk een massa vissen in hun netten dat deze dreigden te scheuren. Daarom wenkten ze hun maats in de andere boot om hen te komen helpen. Toen die gekomen waren vulden zij de beide boten tot zinkens toe. Bij het zien daarvan viel Simon Petrus Jezus te voet en zei: “Heer, ga van mij weg want ik ben een zondig mens.” Ontzetting had zich meester gemaakt van hem en van allen die bij hem waren, vanwege de vangst die ze gedaan hadden. Zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Jezus echter sprak tot Simon: “Wees niet bevreesd, voortaan zult ge mensen vangen.” Ze brachten de boten aan land en lieten alles achter om Hem te volgen.
maandag 7 februari 2022
Lectio divina Hebdomada V per annum Feria II Niets kan Gods plannen verijdelen.
Uit het boek Genesis 41, 1-17a.25-43
De dromen van Farao.
In die dagen kreeg Farao de volgende droom. Hij stond bij de Nijl en hij zag uit de Nijl zeven koeien omhoog komen, mooie welige dieren, die gingen grazen in het oevergras. Daarna kwamen zeven andere koeien uit de Nijl omhoog, lelijke, magere dieren; zij voegden zich bij de andere aan de oever van de Nijl. En de lelijke, magere dieren vraten de zeven mooie, welige op. Toen werd Farao wakker.
Toen hij weer ingeslapen was, had hij opnieuw een droom. Uit één halm kwamen zeven zware, prachtige aren. Maar daarna groeiden zeven andere aren op, spichtig en door de oostenwind verzengd. En de spichtige aren slokten de zeven zware, volle aren op. Toen werd Farao wakker en hij begreep dat het een droom was geweest.
De volgende morgen liet Farao, in hevige opwinding, alle geleerden van Egypte en alle wijzen uit het land bijeenroepen. Hij vertelde hun wat hij gedroomd had, maar er was niemand die uitleg kon geven. Toen sprak de opperschenker tot Farao: ‘Nu moet ik wel bekennen dat ik nalatig ben geweest. Indertijd is Farao vertoornd geweest op zijn hovelingen; hij heeft mij toen gevangen gezet in het huis van de overste van de lijfwacht, en samen met mij de eerste van de bakkers. In dezelfde nacht hadden wij beiden toen een droom, elk met een eigen betekenis. Nu was daar in ons gezelschap een jonge Hebreeër, een dienaar van de overste van de lijfwacht. Toen wij hem vertelden wat we gedroomd hadden, wist hij voor beide dromen de juiste uitleg te geven. En zoals hij het ons had uitgelegd, zo is het ook uitgekomen: ik ben in mijn ambt hersteld en hij is opgehangen.’
Toen liet Farao Jozef ontbieden. Men haalde hem haastig uit de kerker, en nadat hij geschoren was en andere kleren had aangetrokken, begaf hij zich naar Farao. En Farao sprak tot Jozef: ‘Ik heb een droom gehad en niemand kan hem uitleggen. Nu heb ik horen vertellen, dat u, zodra u een droom hoort, er de uitleg van kunt geven.’ Jozef gaf Farao ten antwoord: ‘Uit mijzelf kan ik niets; maar God kan aan Farao bekendmaken, wat goed voor hem is.’
Nu vertelde Farao aan Jozef zijn droom.
Toen sprak Jozef tot Farao: ‘De twee dromen van Farao betekenen hetzelfde. God heeft Farao aangekondigd wat hij gaat doen. De zeven vette koeien zijn zeven jaren; de zeven volle aren zijn eveneens zeven jaren. De dromen betekenen hetzelfde. Ook de zeven magere, lelijke koeien, die daarna omhoog kwamen, zijn zeven jaren; en de zeven spichtige, door de oostenwind verzengde aren zijn eveneens zeven jaren, jaren van hongersnood. Ik heb al gezegd dat God daarmee aan Farao meedeelt wat hij gaat doen. Eerst komen er zeven jaren van overvloed in heel Egypte. Dan komen er zeven jaren van hongersnood, waarin heel de overvloed van Egypte vergeten raakt en hongersnood het land verteert. Zo groot zal de hongersnood zijn, dat er dan van de overvloed niets meer te bekennen valt. Dat Farao het twee keer gedroomd heeft, betekent dat Gods besluit onwrikbaar vaststaat en dat hij het spoedig ten uitvoer zal brengen.
Laat Farao dus uitzien naar een verstandig en wijs man, en die aanstellen over heel Egypte. Farao moet maatregelen nemen en opzichters aanstellen in heel Egypte, om tijdens de zeven jaren van overvloed in heel het land een vijfde van de opbrengst te vorderen. Al het voedsel van de komende goede jaren moeten zij verzamelen. Onder het beheer van Farao moeten zij het koren opslaan in de steden en het goed bewaren. Dat voedsel kan dan in de behoefte van het land voorzien tijdens de zeven jaren van hongersnood die Egypte te wachten staan; zo zal het land niet van honger omkomen.’
Farao en al zijn hovelingen waren met dit plan zeer ingenomen. Hij vroeg zijn hovelingen: ‘Zou er wel iemand anders te vinden zijn die zo vervuld is van de geest van God als deze man?’ En Farao zei tot Jozef: ‘Aangezien God u al die dingen heeft bekendgemaakt, is er niemand zo verstandig en wijs als u. U zult dus de leiding over mijn huis krijgen en aan uw bevel zal heel mijn volk zich onderwerpen; alleen door mijn koningstroon zal ik uw meerdere zijn.’ Verder zei Farao tot Jozef: ‘Ik stel u hierbij aan over geheel Egypte.’
En hij trok de zegelring van zijn vinger, stak die aan Jozefs hand, liet hem linnen kleren aantrekken en hing een gouden keten om zijn hals. Toen liet hij hem op zijn tweede wagen plaatsnemen en voor hem uit roepen: ‘Breng hulde!’ Zo stelde hij hem aan over geheel Egypte.
TWEEDE LEZING
Uit een homilie van de heilige Johannes Chrysostomus, bisschop van Constantinopel († 407), over het boek Genesis
Niets kan Gods plannen verijdelen.
Jozef verdroeg de benarde situatie met geduld. Door zijn geduld werd hij een beproefd man en als een beproefd man leefde hij vol hoop. En de hoop stelt niemand teleur.
God was met hem, en had dat alles voor Jozef geregeld en hem tot die hoge positie verheven.
Farao zei: ‘Zonder u zal niemand in heel Egypte zijn hand verroeren. Farao gaf Jozef de naam Psomthom-Fanech, dat is: Kenner van het verborgene’ (Gen. 41, 44.45). Met deze naamgeving wilde Farao in een blijvend aandenken de wijsheid van Jozef vastleggen. Want deze had wat allen onbekend was, aan het licht gebracht.
Om dat aan te tonen gaf Farao hem die naam. En om zijn roem nog te verhogen gaf hij hem de dochter van Potifar, de priester van Heliopolis, tot vrouw. Dit wordt eraan toegevoegd omdat hij een naamgenoot was van Jozefs vroegere meester. En opdat wij zouden beseffen op welke leeftijd deze verbazingwekkende man een zo grote beloning waardig werd gekeurd en in een zo harde strijd standhield, staat er: ‘Jozef was dertig jaar oud, toen hij bij Farao in dienst kwam’ (Gen. 41, 46). Wij mogen niet denken dat zijn leeftijd zonder bedoeling wordt vermeld.
Hieruit moeten we leren dat er voor iemand, die de deugd veronachtzaamt, geen enkel excuus bestaat, en dat niemand zijn jeugd als verontschuldiging mag aanvoeren, als het erop aankomt deugd te tonen. Zie: Jozef was niet alleen jong, hij was ook mooi van uiterlijk en knap van gezicht. In de gloeiende oven van zijn jeugd werd hij op de proef gesteld door de onbeheerste Egyptische, die zijn meesteres was geworden, maar toch kon zij de dapperheid van die rechtvaardige man niet overmeesteren.
Dan volgen gevangenis en de ellende daar, al die tijd. Maar hij bleef als van staal, want hij verzwakte niet, hij verwierf zelfs nieuwe kracht. Hij had immers de genade van boven, die hem sterkte. Daar hij tevoren alles gedaan had wat in zijn vermogen lag, werd hij vanuit de gevangenis tot meester over heel Egypte geroepen.
zaterdag 5 februari 2022
Collectegebed Vijfde zondag per annum / door het jaar "Alleen op Uw genade hun hoop stellen"
Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Vijfde zondag door het jaar Eén worden in Christus en met blijdschap vruchten voortbrengen die heilzaam zijn voor heel de wereld.
participes esse voluisti,
da nobis, quaesumus, ita vivere,
fructum afferamus pro mundi salute gaudentes.
1 Kor 11, 28: probet autem se ipsum homo et sic de pane illo edat et de calice bibat / laat dus een ieder zichzelf onderzoeken en dan eerst eten van dat brood en drinken van de kelk.
participes esse voluisti,
2. da nobis, quaesumus, ita vivere,
3b. fructum afferamus pro mundi salute gaudentes.
Eindrijm bij unum (r. 4) en fructum (r. 3b).
Mooie antithese effecti versus unum: wij (allen) gemaakt tot een.



