Posts tonen met het label Hebdomada VII Paschae. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hebdomada VII Paschae. Alle posts tonen
zondag 1 juni 2025
Lezingen H. Mis 7e zondag van Pasen, jaar C "opdat zij allen één mogen zijn zoals Gij, Vader in Mij en Ik in U"
Eerste lezing (Hand. 7, 55-60)
Uit de Handelingen der Apostelen.
In die dagen staarde Stefanus, vervuld van de heilige Geest, naar de hemel en zag Gods heerlijkheid en Jezus staande aan Gods rechterhand; en hij riep uit: “Ik zie de hemel open en de Mensenzoon staande aan Gods rechterhand.” Maar zij begonnen luidkeels te schreeuwen, stopten hun oren toe en stormden als één man op hem af. Zij sleepten hem buiten de poort en stenigden hem. De getuigen legden hun mantels neer aan de voeten van een jongeman die Paulus heette. Terwijl zij Stefanus stenigden bad hij: “Heer Jezus, ontvang mijn geest.” Toen viel hij op zijn knieën en riep met luide stem: “Heer, reken hun deze zonde niet aan.” Na deze woorden ontsliep hij.
Tweede lezing (Apok. 22, 12-14.16-17.20)
Uit de Openbaring van de heilige apostel Johannes.
Ik, Johannes hoorde een stem, die tot mij sprak: “Zie, Ik kom spoedig, en mijn loon breng Ik mee om ieder te vergelden naar zijn werk. Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste, de Oorsprong en het Einde. Zalig zij die hun kleren rein wassen. Zij zullen recht krijgen op de boom des levens en door de poorten mogen ingaan in de Stad. Ik, Jezus, heb mijn engel gezonden om u deze openbaringen aangaande de kerken bekend te maken. Ik ben de Wortel uit het geslacht van David, de stralende Morgenster. De Geest en de Bruid zeggen: Kom! Laat wie het hoort zeggen: Kom! Wie dorst heeft kome. Wie wil, neme het water des levens, om niet. Hij die dit alles waarborgt, spreekt: Ja, Ik kom spoedig.” Amen. Kom, Heer Jezus!
Evangelie (Joh. 17, 20-26)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
In die tijd sloeg Jezus zijn ogen ten hemel en bad: “Heilige Vader, niet alleen voor hen bid Ik, maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen één mogen zijn zoals Gij, Vader in Mij en Ik in U; dat zij ook in Ons mogen zijn opdat de wereld gelove dat Gij Mij gezonden hebt. Ik heb hun de heerlijkheid gegeven die Gij Mij geschonken hebt, opdat zij één zijn zoals Wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, opdat zij volmaakt één zijn en opdat de wereld zal erkennen, dat Gij Mij hebt gezonden en hen hebt liefgehad zoals Gij Mij hebt liefgehad. Vader, Ik wil dat zij die Gij Mij gegeven hebt met Mij mogen zijn waar Ik ben, opdat zij mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt daar Gij Mij lief hebt gehad vóór de grondvesting van de wereld. Rechtvaardige Vader, al heeft de wereld U niet erkend, Ik heb U erkend, en dezen hier hebben erkend dat Gij Mij gezonden hebt. Uw naam heb Ik hun geopenbaard en Ik zal dit blijven doen, opdat de liefde waarmee Gij Mij hebt liefgehad in hen moge zijn en Ik in hen.”
Uit de Handelingen der Apostelen.
In die dagen staarde Stefanus, vervuld van de heilige Geest, naar de hemel en zag Gods heerlijkheid en Jezus staande aan Gods rechterhand; en hij riep uit: “Ik zie de hemel open en de Mensenzoon staande aan Gods rechterhand.” Maar zij begonnen luidkeels te schreeuwen, stopten hun oren toe en stormden als één man op hem af. Zij sleepten hem buiten de poort en stenigden hem. De getuigen legden hun mantels neer aan de voeten van een jongeman die Paulus heette. Terwijl zij Stefanus stenigden bad hij: “Heer Jezus, ontvang mijn geest.” Toen viel hij op zijn knieën en riep met luide stem: “Heer, reken hun deze zonde niet aan.” Na deze woorden ontsliep hij.
Tweede lezing (Apok. 22, 12-14.16-17.20)
Uit de Openbaring van de heilige apostel Johannes.
Ik, Johannes hoorde een stem, die tot mij sprak: “Zie, Ik kom spoedig, en mijn loon breng Ik mee om ieder te vergelden naar zijn werk. Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste, de Oorsprong en het Einde. Zalig zij die hun kleren rein wassen. Zij zullen recht krijgen op de boom des levens en door de poorten mogen ingaan in de Stad. Ik, Jezus, heb mijn engel gezonden om u deze openbaringen aangaande de kerken bekend te maken. Ik ben de Wortel uit het geslacht van David, de stralende Morgenster. De Geest en de Bruid zeggen: Kom! Laat wie het hoort zeggen: Kom! Wie dorst heeft kome. Wie wil, neme het water des levens, om niet. Hij die dit alles waarborgt, spreekt: Ja, Ik kom spoedig.” Amen. Kom, Heer Jezus!
Evangelie (Joh. 17, 20-26)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
In die tijd sloeg Jezus zijn ogen ten hemel en bad: “Heilige Vader, niet alleen voor hen bid Ik, maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen één mogen zijn zoals Gij, Vader in Mij en Ik in U; dat zij ook in Ons mogen zijn opdat de wereld gelove dat Gij Mij gezonden hebt. Ik heb hun de heerlijkheid gegeven die Gij Mij geschonken hebt, opdat zij één zijn zoals Wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, opdat zij volmaakt één zijn en opdat de wereld zal erkennen, dat Gij Mij hebt gezonden en hen hebt liefgehad zoals Gij Mij hebt liefgehad. Vader, Ik wil dat zij die Gij Mij gegeven hebt met Mij mogen zijn waar Ik ben, opdat zij mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt daar Gij Mij lief hebt gehad vóór de grondvesting van de wereld. Rechtvaardige Vader, al heeft de wereld U niet erkend, Ik heb U erkend, en dezen hier hebben erkend dat Gij Mij gezonden hebt. Uw naam heb Ik hun geopenbaard en Ik zal dit blijven doen, opdat de liefde waarmee Gij Mij hebt liefgehad in hen moge zijn en Ik in hen.”
vrijdag 21 mei 2021
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada VII Temporis Sabbato Unitas Ecclesiæ linguis omnibus loquitur De eenheid van de Kerk spreekt in alle talen.
Ad Officium
lectionis
Lectio altera
Ex Sermónibus cuiúsdam
Auctóris Africáni sæculi sexti
(Sermo 8, 1-3: PL 65, 743-744)
Tweede lezing
Uit de preken van een
Afrikaans schrijver uit de 6e eeuw
(Sermo 8, 1-3: PL 65, 743-744)
De eenheid van de Kerk spreekt in alle talen
Zij spraken in alle talen. Zo
immers behaagde het god destijds de tegenwoordigheid van de Heilige Geest
kenbaar te maken, zodat hij, die Hem ontvangen had, in alle talen kon spreken.
Want we moeten goed begrijpen, zeer dierbare broeders, dat deze de Heilige
Geest is, door wie de liefde wordt uitgestort in onze harten.
En aangezien de liefde de
Kerk Gods op heel de aarde bijeen zou brengen, omdat toen zelfs één mens, die
de Heilige Geest ontving, in alle talen kon spreken, spreekt nu de eenheid zelf
van de Kerk in alle talen, nadat ze door de Heilige Geest is bijeengebracht.
Daarom, als iemand tot een
van ons zou zeggen: ‘Gij hebt de Heilige Geest ontvangen, waarom spreekt ge dan
niet in alle talen? ‘moet hij antwoorden: ‘Ik spreek inderdaad in alle talen, omdat
ik in dat Lichaam van Christus leef, namelijk in de Kerk, die in alle talen
spreekt.
Want wat anders heeft God
toen door de tegenwoordigheid van de Heilige Geest willen beduiden, dat dat
zijn Kerk in alle talen zou spreken?
Derhalve is vervuld, wat de
Heer beloofd had: Niemand doet nieuwe
wijn in oude zakken, maar men doet nieuwe wijn in nieuwe zakken en beide
blijven behouden.
Begrijpelijk zeiden sommigen, toen zij in
alle talen hoorden spreken: Zij zijn vol
van jonge wijn. Want ze waren tot nieuwe zakken gemaakt, hernieuwd door de
genade van heiliging, zodat zij, vol van nieuwe wijn, dit is vol van de Heilige
Geest, ontvlamd waren door hun spreken in alle talen en door dat zeer
duidelijke wonder de Katholieke Kerk voorafbeeldden, die in de taal van alle
volken zou doordringen.
Viert deze dag daarom zó, als leden van de
eenheid van Christus’ Lichaam, Want ge viert dit feest niet tevergeefs, als gij
zijt, wat ge viert, namelijk als ge met die Kerk verenigd blijft, die de Heer
vervult met zijn heilige Geest en over de hele wereld doet uitgroeien, die Hij
als de Zijne erkent en door zijn Kerk erkend wordt. Zoals een bruidegom zijn
eigen bruid niet verliest en niemand er een andere voor in de plaats kan
stellen.
Tot u, onder alle volken verspreid, dit is
tot u, Kerk van Christus, ledematen van Christus, Lichaam van Christus, bruid
van Christus, zegt de Apostel: Elkander
liefdevol verdragend, u beijverend de eenheid des geestes te behouden door de
band van de vrede.
Ziet: waar Hij beval elkaar te verdragen,
daar vestigde Hij de liefde. Waar hij spreekt over de hoop op eenheid, daar
toont Hij de band van de vrede. Dat is het huis van God, uit levende stenen
opgebouwd, waarin het zo’n gewichtige huisvader behaagt te wonen, wiens ogen wij
niet door de ondergang van de verdeeldheid moeten kwetsen.
donderdag 20 mei 2021
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada VII Temporis Paschalis feria VI Munus Patris in Christo Het werk van de Vader in Christus
Ad Officium
lectionis
Lectio altera
Ex
Tractátu sancti Hilárii epíscopi De Trinitáte
(Lib.
2, 1. 33. 35: PL 10, 50-51. 73-75)
Tweede lezing
Uit het tractaat over de H.
Drieëenheid van de H. Hilarius, bischop
(Lib.
2, 1. 33. 35: PL 10, 50-51. 73-75)
Het werk van de Vader in Christus
De Heer beval te dopen in de naam van de
Vader, de Zoon en de H. Geest. Dit is de belijdenis van de Schepper, van de
Eniggeborene en van de Gave. Eén is de Schepper van alles. Want één is God de
Vader, uit Wie alles is. En één is de Enig-geborene, Onze Heer Jezus Christus,
door wie alles is. En één is de Geest, de gave in alles.
Alles is aldus naar eigen krachten en
verdiensten geordend; één Macht uit Wie alles voortkomt, één Voortgekomene door
Wie alles is, één Gave van de volmaakte hoop. Niets ontbreekt er aan zo’n grote
volmaaktheid binnen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, namelijk:
oneindigheid in het eeuwige (van de Vader), uitdrukking in het Beeld (van de
Zoon), genot in de gave (van de H. Geest).
Wat nu de taak is van de
Geest in ons, kunnen we vernemen in de woorden van de Heer zelf. Hij zegt
immers: Nog veel heb ik u te zeggen, maar gij kunt het nu niet verdragen. Want
het is goed voor u, dat ik heenga; als ik ga, zal Ik de Helper tot u zenden.
En elders: ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Helper geven, om voor
altijd bij u te blijven, de Geest der waarheid. Hij zal u tot de volle waarheid
brengen: want Hij zal niet uit zich Zelf
spreken, maar spreken alwat Hij hoort en u de komende dingen aankondigen. Hij
zal Mij verheerlijken, omdat hij van het mijne in ontvangst zal nemen.
Dit is op verschillende plaatsen in de
Schrift gezegd om ons te doen begrijpen. Daarin ligt de wil van de gever en de
betekenis en de aard van het geschenk uitgedrukt. En omdat onze zwakheid noch
de Vader, noch de zoon kan omvatten, zal de gave van de Heilige Geest, door een
soort band van middelaarschap, ons geloof verlichten over het moeilijkste
geloofspunt van Gods Menswording.
Die gave wordt ons geschonken vanwege de
kennis. Want zoals de natuur van het menselijk lichaam overbodig is, zodra de
redenen van haar bedieningen ophouden te bestaan; want de werking van de ogen
is doelloos als er geen licht of dag is; zoals onze oren hun bediening niet
kennen, als er geen stem of geluid is;
en zoals er geen geur opstijgt – niet alsof de natuur door wegvallende
oorzaken gebrekkig is, maar het gebruik komt nu eenmaal in werking door een
oorzaak – zó ook bezit de menselijke ziel wel het vermogen God te kennen, maart
het licht, nodig tot die kennis, zal ze niet bezitten als ze niet door het
geloof de gave van de Geest heeft ontvangen.
De gave nu, die in Christus is, biedt zich
geheel aan allen aan, en is één. Die gave, die in geen enkel opzicht te kort
schiet, wordt in die mate geschonken als men ze ontvangen wil. En die gave
blijft in die mate als men ze zich waardig wil maken. Zij blijft tot de
voleinding der tijden bij ons, zij is de troost in onze verwachting, zij is bij
haar werkingen het onderpand van de toekomstige hoop. Zij is het licht voor de
geesten, de glans van de zielen.
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada VII Temporis Paschalis feria V Si non abiero, Paraclitus non veniet ad vos Als Ik niet heenga, zal de Helper niet tot u komen
Ad Officium
lectionis
Lectio altera
Ex Commentário sancti Cyrílli
Alexandríni epíscopi in Evangélium Ioánnis
(Lib. 10,
16, 6-7: PG 74, 434)
Tweede lezing
Uit de Commentaren op het
Johannesevangelie van de H. Cyrillus van Alexandrië, bisschop
(Lib. 10,
16, 6-7: PG 74, 434)
Als Ik niet heenga, zal de Helper niet tot u
komen
Alles wat op aarde verricht
moest worden, was voltooid. Maar wij moesten noodzakelijk nog deelgenoot worden
aan de goddelijke natuur van het Woord, wat betekende, dat wij na dit leven in
een ander soort leven zouden worden omgevormd en hernieuwd tot een nieuwe
liefdevolle omgang met God; wat niet anders kan geschieden dan door een
deelname aan de Heilige Geest.
De meest geschikte tijd nu voor de zending
van de Heilige Geest en zijn instorting in ons was wel de tijd, die volgde op het
heengaan van Christus, onze Verlosser.
Want zolang Christus nog met zijn getrouwen
in het vlees verkeerde, verscheen Hij voor hen, denk ik, als Uitdeler van alle
goed. Maar toen de tijd gekomen was, dat Hij moest opstijgen naar zijn hemelse
Vader, moest Hij toen niet bij zijn vereerders tegenwoordig blijven door zijn
Geest en door het geloof in onze harten wonen, om, Hem in ons bezittend, met
vertrouwen te kunnen uitroepen: “Abba, Vader”?
Wij zouden gemakkelijk tot alle deugd geraken en bovendien machtig en
onoverwinnelijk bevonden worden tegen de aanvallen van de duivel en de smaad
van de mensen, als wij die alvermogende Geest bezitten.
Want dat de Geest hen, in
wie Hij aanwezig is en woont, in een andere gestalte omvormt en hen tot
nieuwheid van leven herstelt, kan men dat eenieder niet duidelijk aantonen
zowel uit het oude als uit het nieuwe testament?
De verheven Samuel immers
sprak tot Saül: Dan zal de Geest des
Heren zich van U meester maken en ge zult een ander mens worden.
En de H. Paulus zegt: Ons allen is het gegeven met onverhuld
gelaat de glorie van de Heer te aanschouwen en zo herschapen te worden tot
steeds heerlijker gelijkenis met Hem,
want het is de Geest des Heren, die dit bewerkt. De Heer nu is de Geest.
Ziet ge wel hoe de Geest, diegene in wie
Hij woont, in zekere zin in een ander beeld herschept? Want Hij brengt ze
gemakkelijk van het gevoel voor aardse dingen over tot de beschouwing van die
dingen alleen, die in de hemel zijn en van een zwakke vreesachtigheid tot een
sterke en zeer edelmoedige zielskracht. Zonder twijfel bevinden wij de
leerlingen zo beïnvloed, dat zij niet in het minst overwonnen werden door de
aanvallen van hun vervolgers, maar onwrikbaar trouw bleven in hun liefde tot
Christus. Waarachtig is dus wat de
Verlosser zegt: Het is goed voor u, dat Ik naar de hemel terugkeer. Dat was
de tijd voor het neerdalen van de Geest.
maandag 17 mei 2021
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada VII Temporis Paschalis feria III Spiritus Sancti operationes De werkingen van de Heilige Geest
Ad Officium
lectionis
Lectio altera
Ex Tractátu sancti Basilíi
Magni epíscopi De Spíritu Sancto
(Cap. 9, 22-23: PG 32, 107-110)
Tweede lezing
Uit het Tractaat over de
Heilig Geest van de H. Basilius de Grote, bisschop
(Cap. 9, 22-23: PG 32, 107-110)
De werkingen van de Heilige Geest
Als men de benamingen voor
de H. Geest heeft gehoord, wie verheft dan niet zijn geest tot de verhevenste
gedachten over diens natuur? Hij immers
wordt de Geest Gods genoemd en de Geest der waarheid, die van de Vader
voortkomt; de goede Geest, de hoogste Geest, de Heilige Geest is zijn
eigenlijke en bijzondere naam.
Alles, wat heiliging nodig
heeft, keert zich tot Hem. Alles wat deugdzaam leeft, verlangt naar Hem, door
wiens aanblazing zij a.h.w. worden besproeid en geholpen, om tot hun eigen en
natuurlijke doel te geraken.
De Geest is de bron van de
heiliging, het verstandelijk licht. Aan ieder geestelijk wezen geeft Hij uit Zichzelf een zekere verlichting om de waarheid te kleren kennen.
Van nature is Hij
ontoegankelijk, maar door zijn eigen welwillendheid kan hij gevat worden. Alles
vervult Hij met zijn macht, maar alleen aan die het waardig zijn, kan Hij zich
meedelen. Aan hen deelt Hij zijn kracht niet in dezelfde mate uit, maar deze verleent Hij naarmate er geloof
aanwezig is.
Enkelvoudig is hij van
wezen, verscheiden in zijn vermogens. Hij is bij ieder wezen geheel aanwezig en
ook geheel overal. Hij verdeelt zich zo, dat Hijzelf niet minder wordt. Aan Hem
hebben allen zó deel, dat hijzelf onaangetast blijft, evenals bij een
zonnestraal, waarvan de weldadigheid er schijnbaar voor één wezen is, dat ervan
geniet en toch wellicht die straal aarde en zee en vermengt zich met het licht.
Zo ook de Heilige Geest, Hij
is bij eenieder van hen, die er bevattelijk voor zijn, alsof Hij dit is voor
hen alleen, terwijl hij tegelijk aan allen zijn toereikende en volle genade
schenkt. Alles wat deel aan Hem heeft, geniet van Hem voor zover dit van nature
mogelijk is, niet voorzover Hij kan.
Door Hem worden de harten
omhoog gericht, worden de zwakken aan de hand geleid, worden de gevorderden
vervolmaakt. Voor hen, die van alle smet gezuiverd zijn, begint Hij op te
lichten, Door de gemeenschap die zij met hem hebben, maakt Hij hen geestelijk.
En zoals heldere en
doorzichtige voorwerpen, als zij worden bestraald, zelf bovenmate schitterend
worden en nog een glans naar buiten uitstralen, zo worden ook de zielen, die de
Geest in zich dragen en door de Geest verlicht worden, zelf geestelijk en
brengen de genade over op anderen.
Vandaar de kennis van
toekomstige dingen, het inzicht in mysteries, het begrijpen van het verborgene,
de verscheidenheid in gaven, hemelse gesprekken en de reidans met de engelen.
Vandaar ook een nooit eindigende vreugde, vandaar de volharding in de liefde
Gods, vandaar de gelijkenis met God en het meest verhevene dat men maar
verlangen kan, vandaar dat ge wordt als god.
zaterdag 15 mei 2021
Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica septima Paschæ Zevende zondag van Pasen
Het
Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo,
Ravenna (vóór 529)
Vertrouwen dat aan het
lichaam van de Kerk de heerlijkheid ten deel zal vallen, die al gegeven is aan
haar Hoofd, Jezus Christus.
I n l e i d i n g
In feite is de Postcommunio van deze zondag een bede
tot bevestiging van het Paasmysterie.
Het mysteriekarakter heeft immers betrekking op de
tegenwoordigstelling – onbloedig,
actueel, overal en te allen tijde - van de heilsdaden van de Verlosser, telkens
wanneer de H. Eucharistie wordt gevierd. Dood, Verrijzenis, Hemelvaart en het
zetelen aan de Rechterhand van de Vader is Christus – primitiæ dormientium - ,
als eersteling van hen die ontslapen zijn, (vgl. 1 Kor 15, 20) - te beurt
gevallen.
De Postcommunio is ook een duidelijke verwijzing naar
het mysterie van de wondervolle –zo verwoordt de Litanie op de Kruisdagen vóór
Hemelvaartsdag het - Hemelvaart van Jezus, omdat deze zevende zondag binnen de
negendaagse periode vóór Pinksteren valt. Dit was en is nog altijd de tijd van
de oorspronkelijke noveen, toen Maria en de Apostelen biddend de Heilige Geest
afwachtten. De Heer zelf spoorde zijn Apostelen aan zich biddend voor te
bereiden op hetgeen zou komen: “Wacht de belofte van de Vader af!” (Hand 1, 4).
Dit betrof de belofte die zij van Hem hadden ontvangen, namelijk binnen enkele
dagen gedoopt te zullen worden met de Heilige Geest.
T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Exaudi nos,
Deus, salutaris noster,
ut per hæc
sacrosancta mysteria in totius Ecclesiæ confidamus corpore faciendum,
quod eius
præcessit in capite.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovncie 1979
God, onze
Redder, verhoor ons,
sterk ons door
deze Eucharistie in het vertrouwen dat aan heel het lichaam van de Kerk de
heerlijkheid te beurt zal vallen,
die al gegeven
is aan haar Hoofd, Jezus Christus, onze Heer.
Werkvertaling
Verhoor ons,
God, onze Redder,
opdat wij vertrouwen
dat door middel van deze hoogheilige mysteries in het Lichaam van heel de Kerk
dát geschiede,
wat reeds in
haar Hoofd is vooraf gegaan.
L i t u r g i s
c h e a n t e c e d e n t e n
De Postcommunio is een nieuwe compositie samengesteld voor MR 1970, maar geïnspireerd door
een oratie in het Sacramentarium Leonianum (Verona, Kapittelbibliotheek LXXXV; 2e helft zesde eeuw) 174 en in een van de Fragmenta van de Codex Bonifatius, achtste eeuw.
Rubrieken: 1. Preces in Ascensio Domini, <secreta> Leonianum 2. Orationes in vigilia ad Ascensionem Domini , alia oratio super oblata Bonifatius.
een oratie in het Sacramentarium Leonianum (Verona, Kapittelbibliotheek LXXXV; 2e helft zesde eeuw) 174 en in een van de Fragmenta van de Codex Bonifatius, achtste eeuw.
Rubrieken: 1. Preces in Ascensio Domini, <secreta> Leonianum 2. Orationes in vigilia ad Ascensionem Domini , alia oratio super oblata Bonifatius.
(E. Mœller, J.M.
Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus
Orationum, IV, E-H, Brepols, Turnhout 1994, p. 64, nr. 2505.).
Opmerking: De Introitustekst van deze zondag begint
met dezelfde imperativusvorm Exaudi, maar niet met nos als object maar met
vocem meam. Tussen de momenten van Introitus en Postcommunio vindt het
Eucharistisch Mysterie plaats met het daadwerkelijk effect van een ontwikkeling
van een ‘meam’ naar een ‘nos’.
B i j b e l s
e r e f e r e n t i e s
Selectie:
cfr. Ps 64 (65)
6
Exaudi nos, Deus
salutaris noster / Verhoor ons, God, onze Redder.
Eph 4, 15-16
Wij zullen ons
in liefde aan de waarheid houden en in ieder opzicht naar Hem toe groeien die
het Hoofd is: Christus. Van Hem uit voltrekt, samengevoegd en samengehouden
door allerlei stuttende geledingen, dat is, door de werking die ieder deel is
toegemeten, het gehele Lichaam de lichaamsgroei, tot opbouw van zichzelf in
liefde.
Rom 12, 4-5
Wij bezitten in
een en hetzelfde lichaam vele ledematen, maar deze hebben niet alle dezelfde
taak. Zo vormen wij allen tesamen ook één lichaam in Christus, maar als
enkelingen zijn zij ledematen, op elkander aangewezen.
Kol 1, 18
Hij is het Hoofd
van het Lichaam dat de Kerk is. Hij is de Oorsprong, de Eerstgeborene uit de
doden, opdat Hij in alles de eerste zou zijn.
In Hem
(Christus) woont de gehele Volheid der Godheid lichamelijk, en gij bezit de
Volheid in Hem, die het Hoofd is van alle Heerschappijen en Machten.
G e t u i g e n
i s s e n v a n d e V
a d e r s
Twee
voorbeelden:
Uit de
Preken van de H. Augustinus, bisschop, over de Hemelvaart van de Heer
(…)
Hij is reeds boven de hemelen verheven,
maar toch ondergaat Hij op aarde al het lijden dat wij als zijn ledematen te
verduren hebben. Hiervan getuigde Hij toen Hij vanuit de hemel riep: ‘Saul,
Saul, waarom vervolgt gij Mij?’ (Hand
9, 4), en eveneens met de woorden: ‘Ik had honger, en gij hebt Mij te
eten gegeven’ (Mt 25, 35).
(…)
Dit is gezegd vanwege de eenheid tussen
Hem en ons, omdat Hij ons Hoofd is en wij zijn lichaam zijn. Niemand anders dan
Hij is naar de hemel opgestegen dan Hij die uit de hemel neergedaald is. Maar
vergeet niet dat met ‘Hij’ ook wij bedoeld zijn, overeenkomstig het feit dat
Hij de Mensenzoon is omwille van ons en dat wij kinderen van God zijn omwille
van Hem.
Zo immers zegt de Apostel het: ‘Zoals
het menselijk lichaam met zijn vele ledematen één geheel vormt; en alle
ledematen, hoe vele ook, één lichaam zijn, zo ook de Christus’ (1 Kor. 12, 12). Hij zegt niet: ‘Zo is
het ook met de Christus’, maar hij zegt: ‘Zo ook de Christus.’ Christus is dus
vele ledematen, één lichaam.
Hij daalde derhalve af uit de hemel uit
medelijden, en niemand steeg op dan Hij alleen, terwijl ook wij in Hem opstegen
door de genade.
En om deze reden is er niemand afgedaald
dan Christus, en niemand opgestegen dan Christus: dit betekent niet dat de
waardigheid van het Hoofd mag gelijkgesteld worden met zijn lichaam, maar wel
dat de eenheid van het lichaam niet mag gescheiden worden van het Hoofd. (Sermo de Ascensione Domini, Mai 98, 1-2: PLS 2, 494-495)
Uit de Preken
van de zalige abt Isaac, van het klooster ‘L’étoile’
Zoals het
hoofd en het lichaam van een mens, die mens zelf is, zo is de Zoon van de Maagd
met zijn uitverkoren ledematen ook één Mens en één Mensenzoon. De gehele en volledige Christus, zegt de
Schrift, bestaat uit Hoofd en lichaam;
omdat alle leden tezamen één lichaam vormen, dat met zijn Hoofd één Mensenzoon
vormt, die met Gods Zoon een Zoon van God is, en die zelf met God één God is.
Derhalve is
het gehele lichaam met Hoofd de Mensenzoon, zowel Gods Zoon, als God. Vandaar
ook dit woord: Ik wil, Vader, dat, zoals
Gij en Ik één zijn, zo ook zij één zijn met ons.
Daarom
volgens deze beroemde zienswijze in de Schriften: geen lichaam zonder Hoofd,
noch een Hoofd zonder lichaam; noch zonder God een Hoofd en lichaam, de gehele
Christus.
Daarom is
alles met God één God. Maar de Zoon Gods is met God op natuurlijke wijze een,
de Mensenzoon is met Hem op persoonlijke wijze één en zijn lichaam is met Hem
op sacramentele wijze één.
De oprechte
en verstandige ledematen van Christus kunnen dus zeggen, dat zij naar waarheid
dit zijn, wat Hijzelf is, ook Gods Zoon en wel God. Maar wat Hij van nature is,
zijn zij door gemeenschap. Wat Hij in volheid is, zijn zij door deelname.
Vervolgens
wat de Zoon Gods is door voortbrenging, zijn zijn ledematen door adoptie, zoals
er geschreven staat: Ge hebt de Geest tot
kindschap ontvangen, waarin wij roepen: Abba, Vader.
Naar die
Geest gaf Hij hun macht kinderen Gods te
worden, om op verschillende wijzen door Hem onderwezen te worden, die de Eniggeborene is onder vele broeders,
om te zeggen: Onze Vader, die in de hemel
zijt. En elders: Ik stijg op naar
mijn Vader en uw Vader.
Want door
dezelfde Geest, waardoor de Mensenzoon, ons Hoofd, uit de schoot van de Maagd
geboren is, worden wij geboren uit de doopvont, als kinderen van God, als zijn
lichaam. En zoals Hij zonder enige zonde werd geboren, zo worden wij dat (bij
het Doopsel) tot vergeving van alle zonden.
Want zoals
Hij op het kruis alle zonden van heel zijn lichaam in het lichaam van zijn
vlees heeft gedragen, zo heeft Hij aan zijn geestelijk lichaam de genade van de
wedergeboorte geschonken, opdat aan dit lichaam geen zonde zou worden
toegerekend, zoals er geschreven staat: Zalig
de man, aan wie de Heer de zonde niet heeft toegerekend. Die zalige man is
zonder twijfel Christus, die in zover Hij Hoofd van Christus is, God is, en
zonden vergeeft. En aan Wie in zover Hij hoofd van het lichaam is, één mens is
en niets vergeven wordt. In zover Hij echter lichaam van het Hoofd is, meerdere
is en niets aangerekend wordt.
(Sermo 42: PL 194, 1831-1832)
T e x t u e l e a n a l y s e
1.Exaudi nos,
Deus, salutaris noster,
2.ut per hæc
sacrosancta mysteria in totius Ecclesiæ confidamus corpore faciendum,
3.quod eius
præcessit in capite.
De Postcommunio bestaat uit één enkele
zin, die opgebouwd is uit de hoofdzin, tegelijk de openingszin met beroep op
God, middels de imperativusvorm Exaudi nos, verhoor ons en de bijstelling
salutaris noster, epitheton of titel op grond waarvan verhoring wordt verhoopt.
In God immers berust heel ons heil en
Hij is te allen tijde bereid ons dit te schenken (regel 1).
Bij de openingsregel sluit de bijzin, ingeleid door
het voegwoord ut met finale betekenis aan (r. 2) en het praedicaat confidamus
in de coniunctivusvorm, 1e pers. pluralis præsentis gevolgd door een
soort a.c.i.-constructie (accusativus cum infinitivo): [id] faciendum [esse]:
vormgegeven door een gerundivum waarbij de accusativus id is verzwegen en de
infinitivusvorm esse is weggelaten.
Op deze bijzin volgt een relatieve bijzin die met het
reflexivum quod het verzwegen id van r. 2 als antecedent heeft. Het prædicaat præcessit staat in de 3e
pers. singularis indicativi perfecti vanwege de door de Kerk in haar Credo
beleden feitelijke geloofswaarheid.
De bijzin bevat de eigenlijke bede dat God ons het
vaste vertrouwen moge schenken dat door de viering van de Heilige Geheimen de gehele Kerk die voltooiing mag verwerven,
die Christus, haar Hoofd, in zijn goddelijke heerlijkheid reeds bezit.
St r u c t u u r a n a l y s e
Ad 1
Exaudi, verhoor, prædicaat in de
imperativusvorm. Nos, ons,- object van het gezegde: accusativusvorm van het pronomen personale
nos. Deus, adres en hoogste vorm waarmee God wordt aangeroepen: vocativusvorm,
gevolgd door een bijstelling met vernoeming
van een goddelijke eigenschap,
attributieve bepaling van twee congruente vocativusvormen.
Ad 2
Finale/doelaanwijzende bijzin, ingeleid
door het voegwoord ut en het prædicaat confidamus in de coniunctivus waarmee de
gerundivumvorm faciendum is verbonden die met verzwegen id dat het antecedent
is van het relativum quod in r. 3, en met de weggelaten infinitivus esse een
soort a.c.i. vormt: opdat/zodat wij hopen dat dát geschiede…
Per
hæc sacrosancta mysteria, door deze hoogheilige geheimen, bijwoordelijke
bepaling in drie congruente accusativusvormen, geregeerd door het præpositum
per, waarmee het middel of instrument wordt aangeduid.
In
totius Ecclesiæ [confidamus] corpore [faciendum], in het lichaam van heel de
Kerk/ in het lichaam dat de gehele Kerk is: een tweede bijwoordelijke bepaling
gevormd door een ablativusvorm (ablativus loci): in corpore, vergezeld door een
attributieve bepaling totius Ecclesiæ van twee congruerende genitivusvormen
(genitivus explicativus).
Ad 3
Relatieve bijzin beginnend met quod als relativum verwijzend
naar het verzwegen id in r. 2.
Præcessit, hij/zij/het is vooraf gegaan: 3e
persoon singularis perfecti indicativi van præcedere.
Eius (…) in
capite, in haar Hoofd, bijwoordelijke bepaling gevormd door het præpositum in dat
de ablativusvorm corpore eius bepaalt, ablativus loci. Eius is een bijvoeglijke
bepaling in de genitivusvorm van is,
eius, genitivus explicativus.
S t i j l f i g u r e n
Gewone congruentieregel:
Deus, salutaris noster (regel
1), hæc sacrosancta mysteria en totius Ecclesiæ (r.2).
Hyperbaton (uiteenplaatsing van bij elkaar horende
elementen):
in [totius Eccclesiæ
confidamus] corpore
Antithese,
repetitio en alliteratie:
In corpore (r.2) versus in capite (r. 3)
Repetitio: et ... et
Alliteratie: corpore en capite
K l e i n v o c a b u l a r
i u m
Salutare en
salutaris
Het verbum
salutare, I, betekent 1. groeten, begroeten, iemand heil toewensen 2. redden, beschermen.
Salutaris,
- is, m., betekent zoals in de Postcommunio van deze zondag Redder, Heiland,
Verlosser en is qua betekenis synoniem met Redemptor, Verlosser.
Naast het substantief salus, utis, f.,
met betekenissen 1. het welvaren, gezondheid 2. heil, behoud, redding 3.
redder, 4. heilwens, groet 5. heilzame werking, komt het substantief salutare,
is, n., voor met de betekenis van heil, hulp, redding. Dit is vooral het
geval in de psalmen van de Vulgaatvertaling van Sint Hieronymus, maar ook bij
andere christelijke schrijvers zoals Tertullianus, Augustinus, Cyprianus en in
de Brief van Clemens aan de Korinthiërs, 18 (“exspectabant salutare Dei Iesum
Christum”). In de openingszin van veel prefaties horen we zingen: “vere dignum
et iustum est, æquum et salutare…” - Waarlijk, passend en rechtvaardig is
het, billijk en heilzaam. Hier is salutare echter bijvoeglijk gebruikt
(salutaris, -e, heilzaam, reddend).
Zoals
in een vorige reeks gezien komt het begrip salutaris, heilzaam, reddend,
regelmatig voor in de Oratio super munera (of secreta) als het ware als
anticipatie, alsof de offergaven reeds in de status zouden verkeren zoals ze
zijn na de Conscratie. Het is duidelijk dat het gebed over de eucharistische
gaven het begin van een handeling vormt die uitloopt op de voltooiing in de H.
Communie. We mogen immers ook in het gebed over de gaven om dezelfde genaden bidden
als we dit doen na het ontvangen van de H. Communie, omdat God die we zullen
ontvangen onder de gedaante van onze offergaven na de transsubstantiatie,
Dezelfde is aan Wie wij onze stoffelijke gaven hebben aangeboden en omdat Hij
dezelfde goedheid op het ene en andere moment is.
Confidere, confisus sum, 3, semi-deponens
betekent
1.vertrouwen 2. hopen. Het werkwoord drukt geloof (fides) uit en is daarmee
synoniem met credere, en ook hoop, en
daarmee verwant met sperare.
‘Ad te
Domine, levavi animan mam, Deus meus, in te confido, non erubescam’ (Ps 24 (25)
1-2a: Tot U heb ik mijn ziel verheven, mijn God, op U vertrouw ik en ik zal
niet te schande worden.
‘(…) non ut a
nostra humilitate discederet, sed ut illuc confideremus, sua membra…’: niet om
van onze zijde te wijken, maar opdat wij, zwakke mensen, zijn ledematen, hoop
zouden hebben (Prefatie I van Hemelvaart)
‘Confidite,
ego vici mundum, allelua’ (cf Io 16, 33), Hebt geloof/vertrouwen, Ik heb de
wereld overwonnen (ant. 1 Vespers, feria II Hebdomada 1, Paastijd)
Præcedere, -cessi, cessum, 3.
betekent 1.
voorop gaan 2. voorgaan 3. overtreffen 4. zich op iets voorbereiden.
Caput, -itis,
onz.
De
hoofdbetekenissen zijn 1. hoofd, kop 2. hoofdman, aanvoerder 3. hoofdzaak,
hoofdstuk, hoofdsom. Net als in onze taal vinden we in het Latijn tal van
uitdrukkingen en verbindingen met caput. Talrijk zijn ook de ontleningen aan
het begrip caput:
kapitein,
kapiteel, Capitool, kapittel, kapitaal, capuchon (van caputium/capitium),
capita selecta enz..
In de liturgie
vinden we uitdrukkingen zoals caput humiliare of declinare, het hoofd nederig
buigen (tijdens het gebed); Christus als Hoofd van de Kerk, caput Ecclesiæ; vir
caput est mulieris sicut Christus caput Ecclesiæ (Ef 5,23), de man is het hoofd
van de vrouw zoals Christus het hoofd is van de Kerk.
Corpus, oris,
onz.
Betekent
lichaam, lijf, (iedere) gevormde stof, een levend wezen zelf, maar ook
levenloze massa. Voorts betekent het ook ieder tot een lichaam gevormd geheel,
dus verzameling, omvang, massa, som, verzameling van mensen (corporatie), van
boeken.
Voorbeelden:
corpus omnis iuris Romani, verzameling van heel het Romeinse recht.
Corpus
Christianorum: het hier al dikwijls geciteerde verzamelwerk van de geschriften
van christelijke auteurs; Corpus orationum, de verzameling van de liturgische
oraties van Sacramentaria en Missaals.
Corpus
Christi, het Lichaam van Christus: woorden waarmee de priester of diaken de H.
Communie toont aan de communicanten nadat hij zelf tevoren heeft gecommuniceerd
en gezegd: Corpus Christi custodiat me in vitam æternam, het Lichaam van
Christus beware mij tot eeuwig leven.
Een voorbeeld uit het corpus
van de oraties: ” (…) ut inter eius membra semper numeremur, cuius Corpori
communicamus et Sanguini”, dat wij altijd gerekend mogen worden
onder de ledematen van Hem, aan wiens Lichaam en Bloed wij deelhebben (Postcommunio 5e zondag van de
Veertigdagentijd).
Corpus Christi verwijst ook,
zoals in de Postcommunio vandaag, naar het mystieke Lichaam van Christus dat de
Kerk is, door Christus zelf geheimvol gevormd middels het bijeenroepen van zijn
leerlingen uit alle volkeren en talen en door mededeling van zijn Geest. Zo
spreekt de H. Paulus over het Mystieke Lichaam van de Kerk als een woning (Ef
2, 21-22) en vooral over een corpus: ‘in ædificationem corporis Christi’, tot
opbouw van het lichaam van Christus (Ef 4,12); vos autem estis corpus Christi
et membra de membro (1 Kor 12, 27), gij echter zijt het lichaam van Christus en
ieder afzonderlijk zijt gij ledematen ; ‘Ipse (Christus) est caput corporis
Ecclesiæ ( Kol 1,18); ‘universum Ecclesiæ corpus’ , heel het lichaam van de
Kerk, (H. Leo de Grote in Preek 63,7).
De H. Paulus insisteert ook op
de eenheid van dat lichaam: “unum corpus et unus Spiritus…Unus Dominus, una
fides, unum baptismum (Ef 4, 4-5), één Lichaam en één Geest, één Doopsel.
Mente en
corpore, met lichaam en geest (Collectegebed 32e zondag door het
jaar).
Corporale (‘lichaamskleed’): een witte linnen doek,
meestal in negenvoud opgevouwen, waarop volgens liturgisch voorschrift de H.
Eucharistie wordt geplaatst, hetzij tijdens de H. Mis, hetzij tijdens de
eucharistische aanbidding.
In onze taal
in gebruik: korporaal, corpulent, corporatie, muziekkorps, corps diplonatique,
studentencorps.
U i t d e d o g m a t i s c h e c o n s t i t u t i e L u m e n
G e n t i u m v a n h e t T
w e e d e
V a t i c a a n s C o n c i l i
e o v e r d e K
e r k
Nr. 7 [De Kerk als mystiek lichaam van Christus].
“De Zoon van God heeft in de menselijke natuur, die
Hij had aangenomen, door zijn dood en verrijzenis de dood overwonnen en zo de
mens verlost en omgevormd tot een nieuw schepsel (vgl. Gal 6, 15; 2 Kor 5, 17).
Vgl. Gal. 5, 15
Want door de
mededeling van zijn Geest heeft Hij zijn broeders uit alle volken
bijeengeroepen en hen op mystieke wijze tot zijn lichaam gemaakt.
In dit lichaam
stroomt het leven van Christus uit naar de gelovigen, die door de sacramenten
op mystieke en reële wijze worden verenigd met de gestorven en verrezen
Christus.
Want door het
doopsel worden wij gelijkvormig aan Christus: "Wij allen zijn immers in
de kracht van één en dezelfde Geest door het doopsel één enkel lichaam
geworden" (1Kor 12, 13).
Door deze heilige
ritus wordt het deelnemen aan de dood en de verrijzenis van Christus uitgedrukt
en verwezenlijkt: "Door de doop in zijn dood zijn wij met Hem
begraven"; en als wij "één met Hem zijn geworden door het
beeld van zijn dood, dan moeten wij Hem ook volgen in zijn opstanding"
(Rom 6, 4-5).
Doordat wij bij het
breken van het eucharistisch brood waarachtig deelhebben aan het lichaam des
Heren, worden wij verheven tot de gemeenschap met Hem en met elkander: "Omdat
het brood één is, vormen wij allen tezamen één lichaam, want allen hebben wij
deel van het éne brood" (1 Kor. 10, 17).
Gelijk nu alle ledematen van het menselijk lichaam,
hoevele ook, tezamen toch één lichaam uitmaken, zo ook de gelovigen in Christus
(vgl 1Kor 11,12). Vgl. 1 Kor. 12, 12
Ook bij de opbouw
van het lichaam van Christus is er verscheidenheid van ledematen en functies.
Het is één en dezelfde Geest, die zijn verschillende gaven uitdeelt tot nut van
de Kerk, volgens zijn rijkdom en overeenkomstig de eisen van de verschillende
bedieningen (vgl 1Kor 12, 1-11).Vgl. 1 Kor. 12, 1-11
Onder deze gaven
staat bovenaan de genade, die geschonken werd aan de apostelen, aan wier gezag
de Geest zelf ook aan de charismatici onderwerpt (vgl 1 Kor 14). Vgl. 1 Kor. 14
Dezelfde Geest
maakt het lichaam één door zichzelf en door zijn kracht en door de innerlijke
verbondenheid van de ledematen; en zó wekt en stimuleert Hij de liefde onder de
gelovigen. Als daarom één lid lijdt, delen alle ledematen in het lijden; wordt
één lid geëerd delen alle in de vreugde (vgl 1Kor 12,26).
Het hoofd van dit lichaam is Christus. Hij is het
Beeld van de onzichtbare God en in Hem is alles geschapen. Hij bestaat vóór
allen, en alles bestaat in Hem. Hij is het Hoofd van het lichaam, dat de Kerk
is. Hij is de Oorsprong, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij is alles de
eerste zou zijn (vgl Kol 1, 15-18).
Door de grootheid
van zijn macht heerst Hij over het hemelse en het aardse, en door zijn alles
overtreffende volmaaktheid en zijn werking vervult Hij heel het lichaam met de
rijkdom van zijn heerlijkheid (vgl Ef 1, 18-23).Vgl. Ef. 1, 18-23
Alle ledematen moeten aan Hem gelijkvormig worden,
totdat Christus in hen gevormd is (vgl Gal 4, 1). Vgl. Gal. 4, 19
Daarom worden wij
opgenomen in de mysteries van zijn leven, aan Hem gelijkvormig, met Hem
gestorven en met Hem verrezen, om eens met Hem te heersen (vgl Fil 3, 21; 2Tim
2, 11; Ef 2, 6; Kol 2, 12; enz).Vgl. Fil. 3, 21. etc.
Nog pelgrims op
aarde, Hem volgend in lijden en vervolging, worden wij één met Hem in zijn
lijden, gelijk het lichaam met het hoofd; wij delen in zijn lijden om ook te
delen in zijn verheerlijking (vgl Rom 8, 17).Vgl. Rom. 8, 17
.
Van Hem "moet het gehele lichaam, door
geledingen en verbindingen gestut en samengehouden, zijn goddelijke wasdom ontvangen"
(Kol. 2, 19).Kol. 2, 19
Hij zelf zorgt, dat
er in zijn lichaam, de Kerk, voortdurend de gaven zijn van de bedieningen,
waarin, wij, door zijn kracht, elkaar van dienst zijn voor ons heil, opdat wij
ons in liefde aan de waarheid houden en in ieder opzicht toegroeien naar Hem,
die ons Hoofd is (vgl Ef 4, 11-16).
Om ons voortdurend te vernieuwen in zichzelf (vgl
Ef 4, 23), heeft Hij ons
meegedeeld van zijn Geest, die één en dezelfde is in het Hoofd en in de
ledematen en die aan heel het lichaam zó leven, eenheid en stuwing geeft, dat
de heilige vaders zijn taak hebben vergeleken met de functie, die het
levensbeginsel, de ziel, heeft in het menselijk lichaam.
H. Augustinus, Sermones. 268, 2: P.L. 38,1232
H. Johannes Chrysostomos, Preken over de Brief aan de
Efeziërs, In epistulam ad Ephesios. 9,3: P.G. 62, 72
Didymus van Alexandrië, Over de Drie-eenheid, De
Trinitate. 2, 1: P.G. 39, 449s.
H. Thomas van Aquino, Over brief aan de Kolossensen, In
Col.. 1, 18, lect. 5; ed. Marietti, II, n. 46:"Gelijk er één
lichaam ontstaat uit de eenheid van de ziel, zo de Kerk uit de eenheid van de
Geest...".
, vervult Hij de
Kerk, die zijn lichaam en zijn volheid is, met zijn goddelijke gaven (vgl Ef 1,
12-23), Vgl. Ef. 1, 22-23
opdat zij mag streven naar de gehele volheid Gods
en deze mag bereiken (vgl Ef 3, 19)”. Vgl. Ef. 3, 19
In het mysterie van de Eucharistische handeling delen,
zoals gezien, – naast het Hoofd dat Christus is - ook de ledematen van het
gehele Mystieke Lichaam van Christus.
Vandaag is het de laatste zondag van de Paastijd die
voorafgaat aan het Hoogfeest van Pinksteren dat de Paastijd voltooit en
bekroont.
De Postcommunie verwoordt met vast geloof dat het
heilsplan van God zich aldus voltrekt (confidamus ….faciendum).
De H. Communie, het Lichaam van Christus, de door het
vuur van de H. Geest doorstroomde gave, moge ons dichter bij God brengen. Het
nuttigen van dit hemelse Brood moge in ons de gloed opwekken die God op
Pinksteren over de Apostelen uitstortte. Hoe het vuur in hen brandde, liet hun
optreden zonder terughoudendheid voor het volk zien. Jezus Christus was gekomen
om vuur op aarde te brengen en hoezeer wenste Hij dat het zou ontbranden (vgl.
Lc 12, 29).
Wij weten uit de beloften van Jezus met welk verheven
doel Hij ons heeft herschapen; die heerlijkheid die Hij als Hoofd van het
Lichaam dat de Kerk is, reeds bezit.
“Hij is niet van onze zijde geweken, zwakke mensen
heeft Hij hoop gegeven: Hij is ons Hoofd, wij vormen zijn Lichaam. Waarheen Hij
ons is voorgegaan, zullen wij eenmaal volgen” (cf prefatie Hoogfeest van
Hemelvaart). Het is zinvol om het Paasmysterie nog eens biddend te gedenken met de bede te mogen delen in de dood en de heerlijkheid van Christus, totdat we volkomen deelhebben aan de goddelijke natuur.
Abonneren op:
Posts (Atom)





