Posts tonen met het label Hebdomada VII Paschae. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hebdomada VII Paschae. Alle posts tonen

zondag 1 juni 2025

Seated at the Right Hand of the Father - Bishop Barron's Sunday Sermon 7PC

Lezingen H. Mis 7e zondag van Pasen, jaar C "opdat zij allen één mogen zijn zoals Gij, Vader in Mij en Ik in U"

Eerste lezing (Hand. 7, 55-60)
Uit de Handelingen der Apostelen.
In die dagen staarde Stefanus, vervuld van de heilige Geest, naar de hemel en zag Gods heerlijkheid en Jezus staande aan Gods rechterhand; en hij riep uit: “Ik zie de hemel open en de Mensenzoon staande aan Gods rechterhand.” Maar zij begonnen luidkeels te schreeuwen, stopten hun oren toe en stormden als één man op hem af. Zij sleepten hem buiten de poort en stenigden hem. De getuigen legden hun mantels neer aan de voeten van een jongeman die Paulus heette. Terwijl zij Stefanus stenigden bad hij: “Heer Jezus, ontvang mijn geest.” Toen viel hij op zijn knieën en riep met luide stem: “Heer, reken hun deze zonde niet aan.” Na deze woorden ontsliep hij.

Tweede lezing (Apok. 22, 12-14.16-17.20)
Uit de Openbaring van de heilige apostel Johannes.
Ik, Johannes hoorde een stem, die tot mij sprak: “Zie, Ik kom spoedig, en mijn loon breng Ik mee om ieder te vergelden naar zijn werk. Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste, de Oorsprong en het Einde. Zalig zij die hun kleren rein wassen. Zij zullen recht krijgen op de boom des levens en door de poorten mogen ingaan in de Stad. Ik, Jezus, heb mijn engel gezonden om u deze openbaringen aangaande de kerken bekend te maken. Ik ben de Wortel uit het geslacht van David, de stralende Morgenster. De Geest en de Bruid zeggen: Kom! Laat wie het hoort zeggen: Kom! Wie dorst heeft kome. Wie wil, neme het water des levens, om niet. Hij die dit alles waarborgt, spreekt: Ja, Ik kom spoedig.” Amen. Kom, Heer Jezus!

Evangelie (Joh. 17, 20-26)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
In die tijd sloeg Jezus zijn ogen ten hemel en bad: “Heilige Vader, niet alleen voor hen bid Ik, maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen één mogen zijn zoals Gij, Vader in Mij en Ik in U; dat zij ook in Ons mogen zijn opdat de wereld gelove dat Gij Mij gezonden hebt. Ik heb hun de heerlijkheid gegeven die Gij Mij geschonken hebt, opdat zij één zijn zoals Wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, opdat zij volmaakt één zijn en opdat de wereld zal erkennen, dat Gij Mij hebt gezonden en hen hebt liefgehad zoals Gij Mij hebt liefgehad. Vader, Ik wil dat zij die Gij Mij gegeven hebt met Mij mogen zijn waar Ik ben, opdat zij mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt daar Gij Mij lief hebt gehad vóór de grondvesting van de wereld. Rechtvaardige Vader, al heeft de wereld U niet erkend, Ik heb U erkend, en dezen hier hebben erkend dat Gij Mij gezonden hebt. Uw naam heb Ik hun geopenbaard en Ik zal dit blijven doen, opdat de liefde waarmee Gij Mij hebt liefgehad in hen moge zijn en Ik in hen.”

Introitus: Exaudi Domine Dominica VII Paschae

vrijdag 21 mei 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada VII Temporis Sabbato Unitas Ecclesiæ linguis omnibus loquitur De eenheid van de Kerk spreekt in alle talen.


Ad Officium lectionis



Lectio altera

Ex Sermónibus cuiúsdam Auctóris Africáni sæculi sexti
(Sermo 8, 1-3: PL 65, 743-744)

Tweede lezing

Uit de preken van een Afrikaans schrijver uit de 6e eeuw
(Sermo 8, 1-3: PL 65, 743-744)
De eenheid van de Kerk spreekt in alle talen

Zij spraken in alle talen. Zo immers behaagde het god destijds de tegenwoordigheid van de Heilige Geest kenbaar te maken, zodat hij, die Hem ontvangen had, in alle talen kon spreken. Want we moeten goed begrijpen, zeer dierbare broeders, dat deze de Heilige Geest is, door wie de liefde wordt uitgestort in onze harten.
En aangezien de liefde de Kerk Gods op heel de aarde bijeen zou brengen, omdat toen zelfs één mens, die de Heilige Geest ontving, in alle talen kon spreken, spreekt nu de eenheid zelf van de Kerk in alle talen, nadat ze door de Heilige Geest is bijeengebracht.
Daarom, als iemand tot een van ons zou zeggen: ‘Gij hebt de Heilige Geest ontvangen, waarom spreekt ge dan niet in alle talen? ‘moet hij antwoorden: ‘Ik spreek inderdaad in alle talen, omdat ik in dat Lichaam van Christus leef, namelijk in de Kerk, die in alle talen spreekt.
Want wat anders heeft God toen door de tegenwoordigheid van de Heilige Geest willen beduiden, dat dat zijn Kerk in alle talen zou spreken?
Derhalve is vervuld, wat de Heer beloofd had: Niemand doet nieuwe wijn in oude zakken, maar men doet nieuwe wijn in nieuwe zakken en beide blijven behouden.
Begrijpelijk zeiden sommigen, toen zij in alle talen hoorden spreken: Zij zijn vol van jonge wijn. Want ze waren tot nieuwe zakken gemaakt, hernieuwd door de genade van heiliging, zodat zij, vol van nieuwe wijn, dit is vol van de Heilige Geest, ontvlamd waren door hun spreken in alle talen en door dat zeer duidelijke wonder de Katholieke Kerk voorafbeeldden, die in de taal van alle volken zou doordringen.
Viert deze dag daarom zó, als leden van de eenheid van Christus’ Lichaam, Want ge viert dit feest niet tevergeefs, als gij zijt, wat ge viert, namelijk als ge met die Kerk verenigd blijft, die de Heer vervult met zijn heilige Geest en over de hele wereld doet uitgroeien, die Hij als de Zijne erkent en door zijn Kerk erkend wordt. Zoals een bruidegom zijn eigen bruid niet verliest en niemand er een andere voor in de plaats kan stellen.
Tot u, onder alle volken verspreid, dit is tot u, Kerk van Christus, ledematen van Christus, Lichaam van Christus, bruid van Christus, zegt de Apostel: Elkander liefdevol verdragend, u beijverend de eenheid des geestes te behouden door de band van de vrede.
Ziet: waar Hij beval elkaar te verdragen, daar vestigde Hij de liefde. Waar hij spreekt over de hoop op eenheid, daar toont Hij de band van de vrede. Dat is het huis van God, uit levende stenen opgebouwd, waarin het zo’n gewichtige huisvader behaagt te wonen, wiens ogen wij niet door de ondergang van de verdeeldheid moeten kwetsen.

donderdag 20 mei 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada VII Temporis Paschalis feria VI Munus Patris in Christo Het werk van de Vader in Christus


Ad Officium lectionis

Lectio altera

Ex Tractátu sancti Hilárii epíscopi De Trinitáte
(Lib. 2, 1. 33. 35: PL 10, 50-51. 73-75)

Tweede lezing
Uit het tractaat over de H. Drieëenheid van de H. Hilarius, bischop
(Lib. 2, 1. 33. 35: PL 10, 50-51. 73-75)
Het werk van de Vader in Christus
De Heer beval te dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de H. Geest. Dit is de belijdenis van de Schepper, van de Eniggeborene en van de Gave. Eén is de Schepper van alles. Want één is God de Vader, uit Wie alles is. En één is de Enig-geborene, Onze Heer Jezus Christus, door wie alles is. En één is de Geest, de gave in alles.
Alles is aldus naar eigen krachten en verdiensten geordend; één Macht uit Wie alles voortkomt, één Voortgekomene door Wie alles is, één Gave van de volmaakte hoop. Niets ontbreekt er aan zo’n grote volmaaktheid binnen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, namelijk: oneindigheid in het eeuwige (van de Vader), uitdrukking in het Beeld (van de Zoon), genot in de gave (van de H. Geest).
Wat nu de taak is van de Geest in ons, kunnen we vernemen in de woorden van de Heer zelf. Hij zegt immers:  Nog veel heb ik u te zeggen, maar gij kunt het nu niet verdragen. Want het is goed voor u, dat ik heenga; als ik ga, zal Ik de Helper tot u zenden.
En elders: ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Helper geven, om voor altijd bij u te blijven, de Geest der waarheid. Hij zal u tot de volle waarheid brengen:  want Hij zal niet uit zich Zelf spreken, maar spreken alwat Hij hoort en u de komende dingen aankondigen. Hij zal Mij verheerlijken, omdat hij van het mijne in ontvangst zal nemen.
Dit is op verschillende plaatsen in de Schrift gezegd om ons te doen begrijpen. Daarin ligt de wil van de gever en de betekenis en de aard van het geschenk uitgedrukt. En omdat onze zwakheid noch de Vader, noch de zoon kan omvatten, zal de gave van de Heilige Geest, door een soort band van middelaarschap, ons geloof verlichten over het moeilijkste geloofspunt van Gods Menswording.
Die gave wordt ons geschonken vanwege de kennis. Want zoals de natuur van het menselijk lichaam overbodig is, zodra de redenen van haar bedieningen ophouden te bestaan; want de werking van de ogen is doelloos als er geen licht of dag is; zoals onze oren hun bediening niet kennen, als er geen stem of geluid is;  en zoals er geen geur opstijgt – niet alsof de natuur door wegvallende oorzaken gebrekkig is, maar het gebruik komt nu eenmaal in werking door een oorzaak – zó ook bezit de menselijke ziel wel het vermogen God te kennen, maart het licht, nodig tot die kennis, zal ze niet bezitten als ze niet door het geloof de gave van de Geest heeft ontvangen.
De gave nu, die in Christus is, biedt zich geheel aan allen aan, en is één. Die gave, die in geen enkel opzicht te kort schiet, wordt in die mate geschonken als men ze ontvangen wil. En die gave blijft in die mate als men ze zich waardig wil maken. Zij blijft tot de voleinding der tijden bij ons, zij is de troost in onze verwachting, zij is bij haar werkingen het onderpand van de toekomstige hoop. Zij is het licht voor de geesten, de glans van de zielen.

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada VII Temporis Paschalis feria V Si non abiero, Paraclitus non veniet ad vos Als Ik niet heenga, zal de Helper niet tot u komen


Ad Officium lectionis



Lectio altera

Ex Commentário sancti Cyrílli Alexandríni epíscopi in Evangélium Ioánnis
(Lib. 10, 16, 6-7: PG 74, 434)

Tweede lezing

Uit de Commentaren op het Johannesevangelie van de H. Cyrillus van Alexandrië, bisschop
(Lib. 10, 16, 6-7: PG 74, 434)
Als Ik niet heenga, zal de Helper niet tot u komen
Alles wat op aarde verricht moest worden, was voltooid. Maar wij moesten noodzakelijk nog deelgenoot worden aan de goddelijke natuur van het Woord, wat betekende, dat wij na dit leven in een ander soort leven zouden worden omgevormd en hernieuwd tot een nieuwe liefdevolle omgang met God; wat niet anders kan geschieden dan door een deelname aan de Heilige Geest.
De meest geschikte tijd nu voor de zending van de Heilige Geest en zijn instorting in ons was wel de tijd, die volgde op het heengaan van Christus, onze Verlosser.
Want zolang Christus nog met zijn getrouwen in het vlees verkeerde, verscheen Hij voor hen, denk ik, als Uitdeler van alle goed. Maar toen de tijd gekomen was, dat Hij moest opstijgen naar zijn hemelse Vader, moest Hij toen niet bij zijn vereerders tegenwoordig blijven door zijn Geest en door het geloof in onze harten wonen, om, Hem in ons bezittend, met vertrouwen te kunnen uitroepen: “Abba, Vader”?  Wij zouden gemakkelijk tot alle deugd geraken en bovendien machtig en onoverwinnelijk bevonden worden tegen de aanvallen van de duivel en de smaad van de mensen, als wij die alvermogende Geest bezitten.
Want dat de Geest hen, in wie Hij aanwezig is en woont, in een andere gestalte omvormt en hen tot nieuwheid van leven herstelt, kan men dat eenieder niet duidelijk aantonen zowel uit het oude als uit het nieuwe testament?

De verheven Samuel immers sprak tot Saül: Dan zal de Geest des Heren zich van U meester maken en ge zult een ander mens worden.

En de H. Paulus zegt: Ons allen is het gegeven met onverhuld gelaat de glorie van de Heer te aanschouwen en zo herschapen te worden tot steeds heerlijker gelijkenis met Hem,  want het is de Geest des Heren, die dit bewerkt. De Heer nu is de Geest.

Ziet ge wel hoe de Geest, diegene in wie Hij woont, in zekere zin in een ander beeld herschept? Want Hij brengt ze gemakkelijk van het gevoel voor aardse dingen over tot de beschouwing van die dingen alleen, die in de hemel zijn en van een zwakke vreesachtigheid tot een sterke en zeer edelmoedige zielskracht. Zonder twijfel bevinden wij de leerlingen zo beïnvloed, dat zij niet in het minst overwonnen werden door de aanvallen van hun vervolgers, maar onwrikbaar trouw bleven in hun liefde tot Christus. Waarachtig is dus wat de Verlosser zegt: Het is goed voor u, dat Ik naar de hemel terugkeer. Dat was de tijd voor het neerdalen van de Geest.








maandag 17 mei 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada VII Temporis Paschalis feria III Spiritus Sancti operationes De werkingen van de Heilige Geest


Ad Officium lectionis


Lectio altera

Ex Tractátu sancti Basilíi Magni epíscopi De Spíritu Sancto
(Cap. 9, 22-23: PG 32, 107-110)

Tweede lezing

Uit het Tractaat over de Heilig Geest van de H. Basilius de Grote, bisschop
(Cap. 9, 22-23: PG 32, 107-110)

De werkingen van de Heilige Geest

Als men de benamingen voor de H. Geest heeft gehoord, wie verheft dan niet zijn geest tot de verhevenste gedachten over diens natuur?  Hij immers wordt de Geest Gods genoemd en de Geest der waarheid, die van de Vader voortkomt; de goede Geest, de hoogste Geest, de Heilige Geest is zijn eigenlijke en bijzondere naam.
Alles, wat heiliging nodig heeft, keert zich tot Hem. Alles wat deugdzaam leeft, verlangt naar Hem, door wiens aanblazing zij a.h.w. worden besproeid en geholpen, om tot hun eigen en natuurlijke doel te geraken.

De Geest is de bron van de heiliging, het verstandelijk licht. Aan ieder geestelijk wezen geeft Hij  uit Zichzelf een zekere verlichting  om de waarheid te kleren kennen.
Van nature is Hij ontoegankelijk, maar door zijn eigen welwillendheid kan hij gevat worden. Alles vervult Hij met zijn macht, maar alleen aan die het waardig zijn, kan Hij zich meedelen. Aan hen deelt Hij zijn kracht niet in dezelfde mate uit,  maar deze verleent Hij naarmate er geloof aanwezig is.

Enkelvoudig is hij van wezen, verscheiden in zijn vermogens. Hij is bij ieder wezen geheel aanwezig en ook geheel overal. Hij verdeelt zich zo, dat Hijzelf niet minder wordt. Aan Hem hebben allen zó deel, dat hijzelf onaangetast blijft, evenals bij een zonnestraal, waarvan de weldadigheid er schijnbaar voor één wezen is, dat ervan geniet en toch wellicht die straal aarde en zee en vermengt zich met het licht.

Zo ook de Heilige Geest, Hij is bij eenieder van hen, die er bevattelijk voor zijn, alsof Hij dit is voor hen alleen, terwijl hij tegelijk aan allen zijn toereikende en volle genade schenkt. Alles wat deel aan Hem heeft, geniet van Hem voor zover dit van nature mogelijk is, niet voorzover Hij kan.
Door Hem worden de harten omhoog gericht, worden de zwakken aan de hand geleid, worden de gevorderden vervolmaakt. Voor hen, die van alle smet gezuiverd zijn, begint Hij op te lichten, Door de gemeenschap die zij met hem hebben, maakt Hij hen geestelijk.

En zoals heldere en doorzichtige voorwerpen, als zij worden bestraald, zelf bovenmate schitterend worden en nog een glans naar buiten uitstralen, zo worden ook de zielen, die de Geest in zich dragen en door de Geest verlicht worden, zelf geestelijk en brengen de genade over op anderen.
Vandaar de kennis van toekomstige dingen, het inzicht in mysteries, het begrijpen van het verborgene, de verscheidenheid in gaven, hemelse gesprekken en de reidans met de engelen. Vandaar ook een nooit eindigende vreugde, vandaar de volharding in de liefde Gods, vandaar de gelijkenis met God en het meest verhevene dat men maar verlangen kan, vandaar dat ge wordt als god.

zaterdag 15 mei 2021

Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica septima Paschæ Zevende zondag van Pasen


Het Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)

Vertrouwen dat aan het lichaam van de Kerk de heerlijkheid ten deel zal vallen, die al gegeven is aan haar Hoofd, Jezus Christus.

I n l e i d i n g
In feite is de Postcommunio van deze zondag een bede tot bevestiging van het Paasmysterie.
Het mysteriekarakter heeft immers betrekking op de tegenwoordigstelling  – onbloedig, actueel, overal en te allen tijde - van de heilsdaden van de Verlosser, telkens wanneer de H. Eucharistie wordt gevierd. Dood, Verrijzenis, Hemelvaart en het zetelen aan de Rechterhand van de Vader is Christus – primitiæ dormientium - , als eersteling van hen die ontslapen zijn, (vgl. 1 Kor 15, 20) - te beurt gevallen.

De Postcommunio is ook een duidelijke verwijzing naar het mysterie van de wondervolle –zo verwoordt de Litanie op de Kruisdagen vóór Hemelvaartsdag het - Hemelvaart van Jezus, omdat deze zevende zondag binnen de negendaagse periode vóór Pinksteren valt. Dit was en is nog altijd de tijd van de oorspronkelijke noveen, toen Maria en de Apostelen biddend de Heilige Geest afwachtten. De Heer zelf spoorde zijn Apostelen aan zich biddend voor te bereiden op hetgeen zou komen: “Wacht de belofte van de Vader af!” (Hand 1, 4). Dit betrof de belofte die zij van Hem hadden ontvangen, namelijk binnen enkele dagen gedoopt te zullen worden met de Heilige Geest.

T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Exaudi nos, Deus, salutaris noster,
ut per hæc sacrosancta mysteria in totius Ecclesiæ confidamus corpore faciendum,
quod eius præcessit in capite.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovncie 1979
God, onze Redder, verhoor ons,
sterk ons door deze Eucharistie in het vertrouwen dat aan heel het lichaam van de Kerk de heerlijkheid te beurt zal vallen,
die al gegeven is aan haar Hoofd, Jezus Christus, onze Heer.

Werkvertaling
Verhoor ons, God, onze Redder,
opdat wij vertrouwen dat door middel van deze hoogheilige mysteries in het Lichaam van heel de Kerk dát geschiede,
wat reeds in haar Hoofd is vooraf gegaan.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
De Postcommunio is een nieuwe compositie samengesteld voor MR 1970, maar geïnspireerd door 
een oratie in het Sacramentarium Leonianum (Verona, Kapittelbibliotheek LXXXV; 2e helft zesde eeuw) 174 en in een van de Fragmenta van de Codex Bonifatius, achtste eeuw.
Rubrieken: 1. Preces in Ascensio Domini, <secreta> Leonianum 2. Orationes in vigilia ad Ascensionem Domini , alia oratio super oblata Bonifatius.
(E. Mœller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, IV, E-H, Brepols, Turnhout 1994, p. 64, nr. 2505.).
Opmerking: De Introitustekst van deze zondag begint met dezelfde imperativusvorm Exaudi, maar niet met nos als object maar met vocem meam. Tussen de momenten van Introitus en Postcommunio vindt het Eucharistisch Mysterie plaats met het daadwerkelijk effect van een ontwikkeling van een ‘meam’ naar een ‘nos’.

B i j b e l s e   r e f e r e n t i e s  
Selectie:
cfr. Ps 64 (65) 6
Exaudi nos, Deus salutaris noster / Verhoor ons, God, onze Redder.
Eph 4, 15-16
Wij zullen ons in liefde aan de waarheid houden en in ieder opzicht naar Hem toe groeien die het Hoofd is: Christus. Van Hem uit voltrekt, samengevoegd en samengehouden door allerlei stuttende geledingen, dat is, door de werking die ieder deel is toegemeten, het gehele Lichaam de lichaamsgroei, tot opbouw van zichzelf in liefde.
Rom 12, 4-5
Wij bezitten in een en hetzelfde lichaam vele ledematen, maar deze hebben niet alle dezelfde taak. Zo vormen wij allen tesamen ook één lichaam in Christus, maar als enkelingen zijn zij ledematen, op elkander aangewezen.
Kol 1, 18
Hij is het Hoofd van het Lichaam dat de Kerk is. Hij is de Oorsprong, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in alles de eerste zou zijn.
In Hem (Christus) woont de gehele Volheid der Godheid lichamelijk, en gij bezit de Volheid in Hem, die het Hoofd is van alle Heerschappijen en Machten.

G e t u i g e n i s s e n  v a n  d e  V a d e r s
Twee voorbeelden:
Uit de Preken van de H. Augustinus, bisschop, over de Hemelvaart van de Heer
(…)
Hij is reeds boven de hemelen verheven, maar toch ondergaat Hij op aarde al het lijden dat wij als zijn ledematen te verduren hebben. Hiervan getuigde Hij toen Hij vanuit de hemel riep: ‘Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?’ (Hand 9, 4), en eveneens met de woorden: ‘Ik had honger, en gij hebt Mij te eten gegeven’ (Mt 25, 35).
(…)
Dit is gezegd vanwege de eenheid tussen Hem en ons, omdat Hij ons Hoofd is en wij zijn lichaam zijn. Niemand anders dan Hij is naar de hemel opgestegen dan Hij die uit de hemel neergedaald is. Maar vergeet niet dat met ‘Hij’ ook wij bedoeld zijn, overeenkomstig het feit dat Hij de Mensenzoon is omwille van ons en dat wij kinderen van God zijn omwille van Hem.
Zo immers zegt de Apostel het: ‘Zoals het menselijk lichaam met zijn vele ledematen één geheel vormt; en alle ledematen, hoe vele ook, één lichaam zijn, zo ook de Christus’ (1 Kor. 12, 12). Hij zegt niet: ‘Zo is het ook met de Christus’, maar hij zegt: ‘Zo ook de Christus.’ Christus is dus vele ledematen, één lichaam.
Hij daalde derhalve af uit de hemel uit medelijden, en niemand steeg op dan Hij alleen, terwijl ook wij in Hem opstegen door de genade.
En om deze reden is er niemand afgedaald dan Christus, en niemand opgestegen dan Christus: dit betekent niet dat de waardigheid van het Hoofd mag gelijkgesteld worden met zijn lichaam, maar wel dat de eenheid van het lichaam niet mag gescheiden worden van het Hoofd. (Sermo de Ascensione Domini, Mai 98, 1-2: PLS 2, 494-495)

Uit de Preken van de zalige abt Isaac, van het klooster ‘L’étoile’

Zoals het hoofd en het lichaam van een mens, die mens zelf is, zo is de Zoon van de Maagd met zijn uitverkoren ledematen ook één Mens en één Mensenzoon. De gehele en volledige Christus, zegt de Schrift, bestaat uit Hoofd en lichaam; omdat alle leden tezamen één lichaam vormen, dat met zijn Hoofd één Mensenzoon vormt, die met Gods Zoon een Zoon van God is, en die zelf met God één God is.
Derhalve is het gehele lichaam met Hoofd de Mensenzoon, zowel Gods Zoon, als God. Vandaar ook dit woord: Ik wil, Vader, dat, zoals Gij en Ik één zijn, zo ook zij één zijn met ons.
Daarom volgens deze beroemde zienswijze in de Schriften: geen lichaam zonder Hoofd, noch een Hoofd zonder lichaam; noch zonder God een Hoofd en lichaam, de gehele Christus.
Daarom is alles met God één God. Maar de Zoon Gods is met God op natuurlijke wijze een, de Mensenzoon is met Hem op persoonlijke wijze één en zijn lichaam is met Hem op sacramentele wijze één.
De oprechte en verstandige ledematen van Christus kunnen dus zeggen, dat zij naar waarheid dit zijn, wat Hijzelf is, ook Gods Zoon en wel God. Maar wat Hij van nature is, zijn zij door gemeenschap. Wat Hij in volheid is, zijn zij door deelname.
Vervolgens wat de Zoon Gods is door voortbrenging, zijn zijn ledematen door adoptie, zoals er geschreven staat: Ge hebt de Geest tot kindschap ontvangen, waarin wij roepen: Abba, Vader.
Naar die Geest gaf Hij hun macht kinderen Gods te worden, om op verschillende wijzen door Hem onderwezen te worden, die de Eniggeborene is onder vele broeders, om te zeggen: Onze Vader, die in de hemel zijt. En elders: Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader.
Want door dezelfde Geest, waardoor de Mensenzoon, ons Hoofd, uit de schoot van de Maagd geboren is, worden wij geboren uit de doopvont, als kinderen van God, als zijn lichaam. En zoals Hij zonder enige zonde werd geboren, zo worden wij dat (bij het Doopsel) tot vergeving van alle zonden.
Want zoals Hij op het kruis alle zonden van heel zijn lichaam in het lichaam van zijn vlees heeft gedragen, zo heeft Hij aan zijn geestelijk lichaam de genade van de wedergeboorte geschonken, opdat aan dit lichaam geen zonde zou worden toegerekend, zoals er geschreven staat: Zalig de man, aan wie de Heer de zonde niet heeft toegerekend. Die zalige man is zonder twijfel Christus, die in zover Hij Hoofd van Christus is, God is, en zonden vergeeft. En aan Wie in zover Hij hoofd van het lichaam is, één mens is en niets vergeven wordt. In zover Hij echter lichaam van het Hoofd is, meerdere is en niets aangerekend wordt.
 (Sermo 42: PL 194, 1831-1832)

T e x t u e l e  a n a l y s e 
1.Exaudi nos, Deus, salutaris noster,
2.ut per hæc sacrosancta mysteria in totius Ecclesiæ confidamus corpore faciendum,
3.quod eius præcessit in capite.
De Postcommunio bestaat uit één enkele zin, die opgebouwd is uit de hoofdzin, tegelijk de openingszin met beroep op God, middels de imperativusvorm Exaudi nos, verhoor ons en de bijstelling salutaris noster, epitheton of titel op grond waarvan verhoring wordt verhoopt. In God immers  berust heel ons heil en Hij is te allen tijde bereid ons dit te schenken (regel 1).
Bij de openingsregel sluit de bijzin, ingeleid door het voegwoord ut met finale betekenis aan (r. 2) en het praedicaat confidamus in de coniunctivusvorm, 1e pers. pluralis præsentis gevolgd door een soort a.c.i.-constructie (accusativus cum infinitivo): [id] faciendum [esse]: vormgegeven door een gerundivum waarbij de accusativus id is verzwegen en de infinitivusvorm esse is weggelaten.
Op deze bijzin volgt een relatieve bijzin die met het reflexivum quod het verzwegen id van r. 2 als antecedent heeft. Het prædicaat præcessit staat in de 3e pers. singularis indicativi perfecti vanwege de door de Kerk in haar Credo beleden feitelijke geloofswaarheid.
De bijzin bevat de eigenlijke bede dat God ons het vaste vertrouwen moge schenken dat door de viering van de Heilige Geheimen  de gehele Kerk die voltooiing mag verwerven, die Christus, haar Hoofd, in zijn goddelijke heerlijkheid reeds bezit.

St r u c t u u r a n a l y s e
Ad 1
Exaudi, verhoor, prædicaat in de imperativusvorm. Nos, ons,- object van het gezegde:  accusativusvorm van het pronomen personale nos. Deus, adres en hoogste vorm waarmee God wordt aangeroepen: vocativusvorm, gevolgd door een bijstelling  met vernoeming van een  goddelijke eigenschap, attributieve bepaling van twee congruente vocativusvormen.
Ad 2
Finale/doelaanwijzende bijzin, ingeleid door het voegwoord ut en het prædicaat confidamus in de coniunctivus waarmee de gerundivumvorm faciendum is verbonden die met verzwegen id dat het antecedent is van het relativum quod in r. 3, en met de weggelaten infinitivus esse een soort a.c.i. vormt: opdat/zodat wij hopen dat dát geschiede…   
Per hæc sacrosancta mysteria, door deze hoogheilige geheimen, bijwoordelijke bepaling in drie congruente accusativusvormen, geregeerd door het præpositum per, waarmee het middel of instrument wordt aangeduid.
In totius Ecclesiæ [confidamus] corpore [faciendum], in het lichaam van heel de Kerk/ in het lichaam dat de gehele Kerk is: een tweede bijwoordelijke bepaling gevormd door een ablativusvorm (ablativus loci): in corpore, vergezeld door een attributieve bepaling totius Ecclesiæ van twee congruerende genitivusvormen (genitivus  explicativus).
Ad 3
Relatieve bijzin beginnend met quod als relativum verwijzend naar het verzwegen id in r. 2.
Præcessit, hij/zij/het is vooraf gegaan: 3e persoon singularis perfecti indicativi van præcedere.
Eius (…) in capite, in haar Hoofd, bijwoordelijke bepaling gevormd door het præpositum in dat de ablativusvorm corpore eius bepaalt, ablativus loci. Eius is een bijvoeglijke bepaling  in de genitivusvorm van is, eius, genitivus explicativus.

S t i j l f i g u r e n
Gewone congruentieregel:
Deus, salutaris noster (regel 1), hæc sacrosancta mysteria en totius Ecclesiæ (r.2).
Hyperbaton (uiteenplaatsing van bij elkaar horende elementen):
in [totius Eccclesiæ confidamus] corpore
Antithese, repetitio en alliteratie:
In corpore (r.2) versus in capite (r. 3)
Repetitio: et ... et
Alliteratie: corpore en capite

K l e i n  v o c a b u l a r i  u m
Salutare en salutaris
Het verbum salutare, I, betekent 1. groeten, begroeten, iemand heil toewensen 2. redden, beschermen.
Salutaris, - is, m., betekent zoals in de Postcommunio van deze zondag Redder, Heiland, Verlosser en is qua betekenis synoniem met Redemptor, Verlosser.
Naast het substantief salus, utis, f., met betekenissen 1. het welvaren, gezondheid 2. heil, behoud, redding 3. redder, 4. heilwens, groet 5. heilzame werking, komt het substantief salutare, is, n., voor met de betekenis van heil, hulp, redding. Dit is vooral het geval in de psalmen van de Vulgaatvertaling van Sint Hieronymus, maar ook bij andere christelijke schrijvers zoals Tertullianus, Augustinus, Cyprianus en in de Brief van Clemens aan de Korinthiërs, 18 (“exspectabant salutare Dei Iesum Christum”). In de openingszin van veel prefaties horen we zingen: “vere dignum et iustum est, æquum et salutare…”  - Waarlijk, passend en rechtvaardig is het, billijk en heilzaam.  Hier is salutare echter bijvoeglijk gebruikt (salutaris, -e, heilzaam, reddend).
Zoals in een vorige reeks gezien komt het begrip salutaris, heilzaam, reddend, regelmatig voor in de Oratio super munera (of secreta) als het ware als anticipatie, alsof de offergaven reeds in de status zouden verkeren zoals ze zijn na de Conscratie. Het is duidelijk dat het gebed over de eucharistische gaven het begin van een handeling vormt die uitloopt op de voltooiing in de H. Communie. We mogen immers ook in het gebed over de gaven om dezelfde genaden bidden als we dit doen na het ontvangen van de H. Communie, omdat God die we zullen ontvangen onder de gedaante van onze offergaven na de transsubstantiatie, Dezelfde is aan Wie wij onze stoffelijke gaven hebben aangeboden en omdat Hij dezelfde goedheid op het ene en andere moment is.
Confidere, confisus sum, 3, semi-deponens
betekent 1.vertrouwen 2. hopen. Het werkwoord drukt geloof (fides) uit en is daarmee synoniem met credere, en ook hoop, en daarmee verwant met sperare.
‘Ad te Domine, levavi animan mam, Deus meus, in te confido, non erubescam’ (Ps 24 (25) 1-2a: Tot U heb ik mijn ziel verheven, mijn God, op U vertrouw ik en ik zal niet te schande worden.
‘(…) non ut a nostra humilitate discederet, sed ut illuc confideremus, sua membra…’: niet om van onze zijde te wijken, maar opdat wij, zwakke mensen, zijn ledematen, hoop zouden hebben (Prefatie I van Hemelvaart)
‘Confidite, ego vici mundum, allelua’ (cf Io 16, 33), Hebt geloof/vertrouwen, Ik heb de wereld overwonnen (ant. 1 Vespers, feria II Hebdomada 1, Paastijd)

Præcedere, -cessi, cessum, 3.
betekent 1. voorop gaan 2. voorgaan 3. overtreffen 4. zich op iets voorbereiden.

Caput, -itis, onz.
De hoofdbetekenissen zijn 1. hoofd, kop 2. hoofdman, aanvoerder 3. hoofdzaak, hoofdstuk, hoofdsom. Net als in onze taal vinden we in het Latijn tal van uitdrukkingen en verbindingen met caput. Talrijk zijn ook de ontleningen aan het begrip caput:
kapitein, kapiteel, Capitool, kapittel, kapitaal, capuchon (van caputium/capitium), capita selecta enz..
In de liturgie vinden we uitdrukkingen zoals caput humiliare of declinare, het hoofd nederig buigen (tijdens het gebed); Christus als Hoofd van de Kerk, caput Ecclesiæ; vir caput est mulieris sicut Christus caput Ecclesiæ (Ef 5,23), de man is het hoofd van de vrouw zoals Christus het hoofd is van de Kerk.

Corpus, oris, onz.
Betekent lichaam, lijf, (iedere) gevormde stof, een levend wezen zelf, maar ook levenloze massa. Voorts betekent het ook ieder tot een lichaam gevormd geheel, dus verzameling, omvang, massa, som, verzameling van mensen (corporatie), van boeken.
Voorbeelden: corpus omnis iuris Romani, verzameling van heel het Romeinse recht.
Corpus Christianorum: het hier al dikwijls geciteerde verzamelwerk van de geschriften van christelijke auteurs; Corpus orationum, de verzameling van de liturgische oraties van Sacramentaria en Missaals.
Corpus Christi, het Lichaam van Christus: woorden waarmee de priester of diaken de H. Communie toont aan de communicanten nadat hij zelf tevoren heeft gecommuniceerd en gezegd: Corpus Christi custodiat me in vitam æternam, het Lichaam van Christus beware mij tot eeuwig leven.
Een voorbeeld uit het corpus van de oraties: ” (…) ut inter eius membra semper numeremur, cuius Corpori communicamus et Sanguini”, dat wij altijd gerekend mogen worden onder de ledematen van Hem, aan wiens Lichaam en Bloed wij deelhebben (Postcommunio 5e zondag van de Veertigdagentijd).
Corpus Christi verwijst ook, zoals in de Postcommunio vandaag, naar het mystieke Lichaam van Christus dat de Kerk is, door Christus zelf geheimvol gevormd middels het bijeenroepen van zijn leerlingen uit alle volkeren en talen en door mededeling van zijn Geest. Zo spreekt de H. Paulus over het Mystieke Lichaam van de Kerk als een woning (Ef 2, 21-22) en vooral over een corpus: ‘in ædificationem corporis Christi’, tot opbouw van het lichaam van Christus (Ef 4,12); vos autem estis corpus Christi et membra de membro (1 Kor 12, 27), gij echter zijt het lichaam van Christus en ieder afzonderlijk zijt gij ledematen ; ‘Ipse (Christus) est caput corporis Ecclesiæ ( Kol 1,18); ‘universum Ecclesiæ corpus’ , heel het lichaam van de Kerk, (H. Leo de Grote in Preek 63,7).
De H. Paulus insisteert ook op de eenheid van dat lichaam: “unum corpus et unus Spiritus…Unus Dominus, una fides, unum baptismum (Ef 4, 4-5), één Lichaam en één Geest, één Doopsel.
Mente en corpore, met lichaam en geest (Collectegebed 32e zondag door het jaar).
Corporale  (‘lichaamskleed’): een witte linnen doek, meestal in negenvoud opgevouwen, waarop volgens liturgisch voorschrift de H. Eucharistie wordt geplaatst, hetzij tijdens de H. Mis, hetzij tijdens de eucharistische aanbidding. 
In onze taal in gebruik: korporaal, corpulent, corporatie, muziekkorps, corps diplonatique, studentencorps.

U i t  d e  d o g m a t i s c h e  c o n s t i t u t i e  L u m e n  G e n t i u m  v a n  h e t  T w e e d e
V a t i c a a n s  C o n c i l i e  o v e r  d e  K e r k

Nr. 7 [De Kerk als mystiek lichaam van Christus].
“De Zoon van God heeft in de menselijke natuur, die Hij had aangenomen, door zijn dood en verrijzenis de dood overwonnen en zo de mens verlost en omgevormd tot een nieuw schepsel (vgl. Gal 6, 15; 2 Kor 5, 17). Vgl. Gal. 5, 15
Want door de mededeling van zijn Geest heeft Hij zijn broeders uit alle volken bijeengeroepen en hen op mystieke wijze tot zijn lichaam gemaakt.
In dit lichaam stroomt het leven van Christus uit naar de gelovigen, die door de sacramenten op mystieke en reële wijze worden verenigd met de gestorven en verrezen Christus.
Want door het doopsel worden wij gelijkvormig aan Christus: "Wij allen zijn immers in de kracht van één en dezelfde Geest door het doopsel één enkel lichaam geworden" (1Kor 12, 13).
Door deze heilige ritus wordt het deelnemen aan de dood en de verrijzenis van Christus uitgedrukt en verwezenlijkt: "Door de doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven"; en als wij "één met Hem zijn geworden door het beeld van zijn dood, dan moeten wij Hem ook volgen in zijn opstanding" (Rom 6, 4-5).
Doordat wij bij het breken van het eucharistisch brood waarachtig deelhebben aan het lichaam des Heren, worden wij verheven tot de gemeenschap met Hem en met elkander: "Omdat het brood één is, vormen wij allen tezamen één lichaam, want allen hebben wij deel van het éne brood" (1 Kor. 10, 17).
Zo worden wij allen ledematen van dat lichaam (vgl 1Kor 12, 17)Vgl. 1 Kor. 12, 27
 "en als enkelingen zijn wij ledematen, op elkander aangewezen" (Rom 12, 5).Rom. 12, 5

Gelijk nu alle ledematen van het menselijk lichaam, hoevele ook, tezamen toch één lichaam uitmaken, zo ook de gelovigen in Christus (vgl 1Kor 11,12). Vgl. 1 Kor. 12, 12
Ook bij de opbouw van het lichaam van Christus is er verscheidenheid van ledematen en functies. Het is één en dezelfde Geest, die zijn verschillende gaven uitdeelt tot nut van de Kerk, volgens zijn rijkdom en overeenkomstig de eisen van de verschillende bedieningen  (vgl 1Kor 12, 1-11).Vgl. 1 Kor. 12, 1-11

Onder deze gaven staat bovenaan de genade, die geschonken werd aan de apostelen, aan wier gezag de Geest zelf ook aan de charismatici onderwerpt (vgl 1 Kor 14). Vgl. 1 Kor. 14
Dezelfde Geest maakt het lichaam één door zichzelf en door zijn kracht en door de innerlijke verbondenheid van de ledematen; en zó wekt en stimuleert Hij de liefde onder de gelovigen. Als daarom één lid lijdt, delen alle ledematen in het lijden; wordt één lid geëerd delen alle in de vreugde (vgl 1Kor 12,26).
Het hoofd van dit lichaam is Christus. Hij is het Beeld van de onzichtbare God en in Hem is alles geschapen. Hij bestaat vóór allen, en alles bestaat in Hem. Hij is het Hoofd van het lichaam, dat de Kerk is. Hij is de Oorsprong, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij is alles de eerste zou zijn (vgl Kol 1, 15-18). 
Door de grootheid van zijn macht heerst Hij over het hemelse en het aardse, en door zijn alles overtreffende volmaaktheid en zijn werking vervult Hij heel het lichaam met de rijkdom van zijn heerlijkheid (vgl Ef 1, 18-23).Vgl. Ef. 1, 18-23

Alle ledematen moeten aan Hem gelijkvormig worden, totdat Christus in hen gevormd is (vgl Gal 4, 1). Vgl. Gal. 4, 19
Daarom worden wij opgenomen in de mysteries van zijn leven, aan Hem gelijkvormig, met Hem gestorven en met Hem verrezen, om eens met Hem te heersen (vgl Fil 3, 21; 2Tim 2, 11; Ef 2, 6; Kol 2, 12; enz).Vgl. Fil. 3, 21. etc.

Nog pelgrims op aarde, Hem volgend in lijden en vervolging, worden wij één met Hem in zijn lijden, gelijk het lichaam met het hoofd; wij delen in zijn lijden om ook te delen in zijn verheerlijking (vgl Rom 8, 17).Vgl. Rom. 8, 17
.
Van Hem "moet het gehele lichaam, door geledingen en verbindingen gestut en samengehouden, zijn goddelijke wasdom ontvangen" (Kol. 2, 19).Kol. 2, 19
Hij zelf zorgt, dat er in zijn lichaam, de Kerk, voortdurend de gaven zijn van de bedieningen, waarin, wij, door zijn kracht, elkaar van dienst zijn voor ons heil, opdat wij ons in liefde aan de waarheid houden en in ieder opzicht toegroeien naar Hem, die ons Hoofd is (vgl Ef 4, 11-16).
Om ons voortdurend te vernieuwen in zichzelf (vgl Ef 4, 23), heeft Hij ons meegedeeld van zijn Geest, die één en dezelfde is in het Hoofd en in de ledematen en die aan heel het lichaam zó leven, eenheid en stuwing geeft, dat de heilige vaders zijn taak hebben vergeleken met de functie, die het levensbeginsel, de ziel, heeft in het menselijk lichaam.
H. Augustinus, Sermones. 268, 2: P.L. 38,1232
H. Johannes Chrysostomos, Preken over de Brief aan de Efeziërs, In epistulam ad Ephesios. 9,3: P.G. 62, 72
Didymus van Alexandrië, Over de Drie-eenheid, De Trinitate. 2, 1: P.G. 39, 449s.
H. Thomas van Aquino, Over brief aan de Kolossensen, In Col.. 1, 18, lect. 5; ed. Marietti, II, n. 46:"Gelijk er één lichaam ontstaat uit de eenheid van de ziel, zo de Kerk uit de eenheid van de Geest...".
 Christus nu heeft de Kerk lief als zijn bruid en is daardoor het voorbeeld voor de man, die zijn vrouw moet liefhebben als zijn eigen lichaam (vgl Ef 5, 25-28).
De Kerk van haar kant is onderdanig aan haar Hoofd (Ef. 5, 23-24).Ef. 5, 23-24
 "Omdat in Hem de gehele volheid der Godheid lichamelijk woont" (Kol. 2, 9)Kol. 2, 9
, vervult Hij de Kerk, die zijn lichaam en zijn volheid is, met zijn goddelijke gaven (vgl Ef 1, 12-23), Vgl. Ef. 1, 22-23
opdat zij mag streven naar de gehele volheid Gods en deze mag bereiken (vgl Ef 3, 19)”. Vgl. Ef. 3, 19

S l o t o p m e r k i n g e n

In het mysterie van de Eucharistische handeling delen, zoals gezien, – naast het Hoofd dat Christus is - ook de ledematen van het gehele Mystieke Lichaam van Christus.
Vandaag is het de laatste zondag van de Paastijd die voorafgaat aan het Hoogfeest van Pinksteren dat de Paastijd voltooit en bekroont. 

De Postcommunie verwoordt met vast geloof dat het heilsplan van God zich aldus voltrekt (confidamus ….faciendum).
De H. Communie, het Lichaam van Christus, de door het vuur van de H. Geest doorstroomde gave, moge ons dichter bij God brengen. Het nuttigen van dit hemelse Brood moge in ons de gloed opwekken die God op Pinksteren over de Apostelen uitstortte. Hoe het vuur in hen brandde, liet hun optreden zonder terughoudendheid voor het volk zien. Jezus Christus was gekomen om vuur op aarde te brengen en hoezeer wenste Hij dat het zou ontbranden (vgl. Lc 12, 29).

Wij weten uit de beloften van Jezus met welk verheven doel Hij ons heeft herschapen; die heerlijkheid die Hij als Hoofd van het Lichaam dat de Kerk is, reeds bezit.
“Hij is niet van onze zijde geweken, zwakke mensen heeft Hij hoop gegeven: Hij is ons Hoofd, wij vormen zijn Lichaam. Waarheen Hij ons is voorgegaan, zullen wij eenmaal volgen” (cf prefatie Hoogfeest van Hemelvaart). Het is zinvol om het Paasmysterie nog eens biddend te gedenken met de bede te mogen delen in de dood en de heerlijkheid van Christus, totdat we volkomen deelhebben aan de goddelijke natuur.