Posts tonen met het label H. Cecilia. Alle posts tonen
Posts tonen met het label H. Cecilia. Alle posts tonen

maandag 22 november 2021

Ch. Gounod - Messe Sainte Cécile

James MacMillan Christus Vincit contemporary composer composed for performance at the St. Cecilia's Day Service in St. Paul's Cathedra


James MacMillan (b. 1959) is a leading contemporary composer frequently performed in both America and Europe. He studied composition at the University of Edinburgh and the University of Durham where he received his Ph.D. in 1987. During his studies, he was greatly influenced by modernist Polish composers Lutosławski and Penderecki. When he returned to Scotland in 1988, he began to pursue a different compositional direction, based more on nationalism and his religious roots. While successful as an orchestral and stage composer, his choral writing is of superlative quality and spans all difficulty levels.

Christus Vincit was commissioned in the name of Sir Thomas Armstrong by the Musicians Benevolent Fund for performance at the St. Cecilia's Day Service in St. Paul's Cathedral on November 23rd, 1994. The composition shows little of the modernist approach that defined his earlier works. Harmonically sparse, this work derives its intensity from the interplay between homophonic and canonic sections. He also employs the "Scottish skip" rhythm toward the middle of the piece. There is an angelic soprano solo proclaiming: "Christ is King."

22 november Martyrologium Romanum Sint Cecilia


 “De gedachtenis van de heilige Cecila, maagd en martelares, die volgens de overlevering op de begraafplaats van Callistus te Rome aan de Via Appia deze dubbele zegepalm verwierf omwille van haar liefde voor Christus. Haar titelkerk in Trastevere draagt van oudsher haar naam.”

Het ontbreken van alle geschiedkundige bijzonderheden kan niets afdoen aan onze liefde voor de heiligen voor wie de Kerk steeds een zo eerbiedwaardige verering heeft gehad, en die dat standvastig de gehele geschiedenis door met hun bescherming en met bijzondere genaden hebben beantwoord.

Volgens de overlevering wordt Cecilia gedwongen een jongen heiden te huwen, Valerianus genaamd. Maar tijdens het bruiloftsmaal onder de klanken der muziek verenigde Cecilia, die God was toegewijd, zich in haar hart met de engelen om Hem lof te zingen.
’s Avonds spreekt zij tot Valerianus, haar bruidegom: Valerianus, ik sta onder de hoede van een engel die waakt over mijn maagdelijkheid: handel derhalve zodanig met mij dat gij Gods toorn vermijdt. Onder de indruk van die woorden eerbiedigt Valerianus haar verlangen en verklaart zich bereid te geloven in Jezus Christus als hij de engel van God mag zien. Cecilia legt hem uit dat dit zonder Doopsel onmogelijk is en verwijst hem naar paus Urbanus, die zich schuil houdt bij de graven der martelaren aan de Via Appia. Deze doopt hem; en terugkerend bij Cecilia vindt hij haar verslonden in gebed en de engel stralend van een goddelijk licht naast haar. Insgelijks geschiedt met Valerianus’ broer, Tiburtius. Aangeklaagd bij de prefect Almachius sterven beiden moedig de marteldood. Spoedig daarop wordt ook Cecilia veroordeeld om in de baden van haar huis levend verbrand te worden, doch het vuur deert haar niet. Men zendt een beul om haar te onthoofden; deze probeert driemaal, slaat drie gapende wonden in haar hals en laat haar half dood achter. Vier dagen duurt haar doodstrijd. Dan legt men haar neer in het graf met haar goud doorstikt gewaad, dat zij droeg op de dag van haar marteling en haar paleis wordt omgebouwd tot basiliek.

Cultus

De gelovigen vergaten de jeugdige matrone niet en zoals men weet, kwamen zij sinds de vijfde eeuw gaarne bijeen bij “de titelkerk van St. Cecilia”. In de zesde eeuw was Cecilia wellicht de meest gevierde heilige van Rome. In de negende eeuw herbouwde paus Paschalis I haar kerk. Betreurend dat hij geen relieken van de heilige bezat, verscheen hem, naar men verhaalt, in een droom een schoon meisje nog jong van jaren, dat hem zei dat “haar lichaam daar dichtbij die plaats verborgen was”. Aanstonds werd met opgravingen begonnen en het duurde niet lang of men ontdekte een lichaam gehuld in een met goud doorstikt gewaad. Paschalis legde het in een marmeren sarcophaag en plaatste deze onder het altaar der gerestaureerde kerk.
In 1599 toen kardinaal Sfondrati aan dit altaar een verandering wilde aanbrengen, ontdekte hij de sarcofaag en liet haar openen. De ooggetuigen stonden tegenover een lichaam dat met een lichte sluier was overdekt, die de grote vormen er van aangaf en waardoor heen de laatste resten glinsterden van het beroemde gouden kleed. De ontroering en de blijdschap waren geweldig in Rome, doch uit eerbied durfde men die sluier niet wegnemen om zich van de waren toestand van het eerbiedwaardig overschot rekenschap te geven. De beeldhouwer Maderno maakte, enigszins geïdealiseerd, een reproductie van de heilige, in de houding waarin zij gevonden was, welke de gedachte wekt van de maagdelijkheid en het martelaarschap. En sindsdien “rust het lichaam, zoals een hymne zingt, onder het zwijgend marmer, terwijl de ziel, tronend in den hemel, haar vreugde uitzingt en welwillend onze verlangens aanhoort”.
Onvermoeibaar richt de Kerk die verlangens tot St. Cecilia: in de Romeinse canon van de H.Mis beroept zij zich op haar; haar naam weerklinkt steeds weer in de litanie van alle heiligen; de musici van alle landen vereren haar als hun patrones; in Frankrijk zijn de stad Albi en haar “lichtende” kathedraal aan haar toegewijd en in 1866 heeft Dom Pr. Guéranger, abt van Solesmes, het eerste klooster der benedictinessen van de congregatie van St. Petrus van Solesmes onder de bescherming gesteld van deze heilige, het zuiver ideaal van de christelijke maagdelijkheid en van de zuivere liefde.

Actuele lessen van de heilige:  licht op de kandelaar en zout van de aarde.

 “Welnu, zegt Dom Guéranger, de Kerk erkent en eert in de heilige Cecilia drie kenmerken die tezamen genomen haar onderscheiden te midden van die bewonderenswaardige familie van heiligen. Die drie kenmerken zijn: de maagdelijkheid, de apostolische ijver en de bovenmenselijke moed, waarmee zij dood en folteringen heeft getrotseerd; een drievoudig onderricht dat uit deze enkele christelijke geschiedenis voortvloeit.”

Waar zijn de christelijke moed, de christelijke moraal en de christelijke toewijding die de ongelovigen van de eerste eeuwen veroverden?

“De oorzaak ligt, helaas, in de algemene kilte, de vrucht van verwijfde zeden, welke op zich reeds kenmerk zou zijn van onzen tijd, als men daar niet nog een ander gevoelen aan zou moeten toevoegen, dat aan eenzelfde bron ontspringt en dat op de lange duur zou volstaan om het verval van een natie ongeneeslijk te maken. Het is het gevoel van bang zijn en schuwheid, en men mag gerust zeggen dat het zich op vandaag zo ver mogelijk uitstrekt. Men is bang voor het verlies van zijn goederen of plaats; bang iets van zijn weelde of gemakken te moeten missen; bang voor zijn leven ten slotte. Het is niet nodig te zeggen dat niets meer zenuwslopend en daarom gevaarlijker voor deze wereld is dan die vernederende bezorgdheid; maar laten wij voor alles het er over eens zijn dat zij niets christelijks heeft. Zouden wij vergeten zijn dat wij slechts reizigers op aarde zijn en zou onze hoop op de toekomstige goederen in ons hart zijn verdwenen?
Cecilia zal ons leren, hoe wij ons kunnen bevrijden van dat angstgevoel. In haar dagen was het leven minder veilig dan thans. Men had destijds reden tot vrees; nochtans was men onbevreesd, en vaak werden de machthebbers door een koude rilling aangegrepen bij de stem van hun slachtoffers.
God weet wat Hij voor ons heeft weggelegd; maar als de angst niet spoedig wijkt voor een menswaardiger en christelijker gevoelen, dan zal het niet lang meer duren of de politieke crisis zal alle persoonlijk leven hebben opgeslokt. Wat ook gebeure, het uur is aangebroken om opnieuw onze geschiedenis te leren. De les zal niet vergeefs zijn geweest, mits wij dit willen begrijpen: dat, als de eersten bang waren geweest, zij ons zouden verraden hebben, daar het Woord de levens niet tot ons zou zijn gekomen; dat als wij bang zijn, wij verraad zullen plegen tegenover de komende geslachten, die van ons verwachten, dat wij de geloofsschat, die wij van onze vaderen hebben ontvangen, ook aan hen zullen doorgeven.”
(Dom Pr. Guéranger o.s.b., Histoire de Sainte Cécile, vierge Romaine et martyre, (1849), voorwoord).

22 november Sint Cæcilia, maagd en martelares

Vandaag, 22 november, Sint Cæcilia, maagd en  martelares
Wij feliciteren alle muziekgezelschappen en alle koren die Sint Cæcilia tot patrones hebben!
,
Sint Cæcilia. 1569. Michel Coxcie
Olieverf op linnen, 136 cm x 104 cm. Prado, Madrid.

Vandaag gedenken en vieren wij (niet alleen het hoogfeest van Christus Koning, in 2016 niet, maar ook0 de heiligheid van de Romeinse martelares Cæcilia.
Cæcilia  behoorde tot de vooraanstaande families van Rome en ongetwijfeld was zij een der grootste weldoeners van de Kerk in de derde eeuw, zowel door haar milde gaven alsook door het paleis van Trastevere dat zij haar afstond. Zij ontving het voorrecht met eer te worden begraven op het kerkhof van Sint Callixtus, dichtbij de crypte van de pausgraven. Maar wat haar vooral geliefd heeft gemaakt is dat haar gedachtenis een der lieflijkste verhalen van de christelijke oudheid in het leven heeft geroepen, waarvan schilders, musici, dichters en de liturgie van de Kerk zelf gebruik hebben gemaakt.

Gebed tot de patrones der musici
“De kerkvaders vergelijken onze ziel vaak met een symphonie, een orkest, symphonialis anima. Evenals de luchtstroom die onder de vingers van den kunstenaar een trilling door het orgel blaast, zo geraakt zij in beweging bij de eerste aanraking der genade en trilt zij in overeenstemming met de gedachten en de gevoelens van de Heiland. O, het schoon concert der reine zielen, die door God met vreugde worden aanhoord zonder dat zijn oor wordt gestoord door de wanklanken der zonde, noch door de snerpende wangeluiden van godslastering en verraad.
Gewaardig u, o Cecilia, in ruil voor onze hulde de standvastige overeenstemming voor ons te verkrijgen van onze wil met ons verlangen naar deugd en ons vermogen tot het goede. Overtuig ons dat de staat van genade, waarin de christen normaal moet verkeren, niet bestaat in het eenvoudig vermijden van het kwaad, noch in het karig en koud onderhouden der geboden, maar in een blijde en geestdriftige bezieling, welke aan de liefde en aan de ijver de gehele diepte en zoetheid van hun spel weet te geven”.
 (Mgr. Grente, Oeuvres Oratoires, VIII, Bldz. 17-20.).

Liturgia Horarum 22 november H. Caecilia, maagd en martelares


Zingt het uit voor God in gejubel.

 
‘Huldigt de Heer met uw citerspel en speelt voor Hem op de harp. Zingt voor de Heer een nieuw gezang’ (Ps. 33 (32), 2-3).
Legt de oude mens af: gij kent toch het nieuwe lied? Er is sprake van de nieuwe mens, het Nieuwe Testament, het nieuwe lied. Het nieuwe lied behoort niet aan de oude mens; dat leren alleen maar ‘nieuwe mensen’ die de ‘oude mens’ hebben afgelegd, en vernieuwd door de genade van het doopsel nu reeds behoren tot het Nieuwe Testament, met andere woorden: het rijk der hemelen. Daarheen smacht al onze liefde en zij zingt een nieuw lied. Zij moet een nieuw lied zingen, niet met de stem, maar met het leven.

Zingt voor Hem een nieuw lied; zingt goed voor Hem. Iedereen vraagt zich af hoe hij voor God moet zingen. Zingt voor Hem, maar zonder wanklank. God kan het niet verdragen dat zijn oren onaangenaam worden getroffen. Zingt dus goed. Als men u ten overstaan van een bekwaam musicus voorstelt: doet hem nu eens een genoegen met uw zang, dan aarzelt gij, zonder enige muzikale scholing, te zingen, uit vrees te mishagen aan de kunstenaar. Want de kunstenaar verwijt u wat de ongeschoolde niet opmerkt in u. Wie zou voor God goed kunnen zingen, voor Hem die zo kan oordelen over de zanger, voor Hem die alles zo nauwkeurig onderzoekt, voor Hem die zo waarneemt? Wanneer kunt gij een zangstuk van zo’n verfijnde smaak aanbieden dat gij dat uiterst volmaakte oor in niets zoudt mishagen?

Ziet nu eens hoe de Heer u bijvoorbeeld de wijze van zingen aangeeft; zoekt niet naar woorden, alsof gij duidelijk kunt maken hoe gij God zoudt behagen. Heft een jubelzang aan. Dat is pas goed zingen voor God: een jubelzang aanheffen. Wat is dat: een jubelzang aanheffen? Inzien dat het onmogelijk is de zang van het hart onder woorden te brengen. Want zij die zingen bij een graan- of wijnoogst, of ook bij inspannend werk, laten, na eerst in gezangen hun feestvreugde te hebben uitgedrukt, vervuld van zoveel vreugde dat zij niet in staat zijn die onder woorden te brengen, de lettergrepen van de woorden terzijde en gaan op in een jubelzang.

De jubelzang is een bepaalde zang die uitdrukt dat het hart iets voortbrengt dat het niet onder woorden kan brengen. Bij wie past nu deze jubelzang beter dan bij de onuitsprekelijke God? Onuitsprekelijk immers is Hij, die men niet onder woorden kan brengen; en als gij Hem niet onder woorden kunt brengen en toch niet mag zwijgen, wat rest u anders dan dat gij jubelt, dan dat het hart juicht van woordeloze vreugde en dat de onmetelijke vreugde zich niet houdt aan de begrenzing van de lettergrepen? ‘Zingt het dus voor Hem uit in gejubel’.

Uit het commentaar van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430), op psalm 33 (32)

22 november Martyrologium Romanum SINT CECILIA



 “De gedachtenis van de heilige Cecila, maagd en martelares, die volgens de overlevering op de begraafplaats van Callixtus te Rome aan de Via Appia deze dubbele zegepalm verwierf omwille van haar liefde voor Christus. Haar titelkerk in Trastevere draagt van oudsher haar naam.”

Het ontbreken van alle geschiedkundige bijzonderheden kan niets afdoen aan onze liefde voor de heiligen voor wie de Kerk steeds een zo eerbiedwaardige verering heeft gehad, en die dat standvastig de gehele geschiedenis door met hun bescherming en met bijzondere genaden hebben beantwoord.

Volgens de overlevering wordt Cecilia gedwongen een jongen heiden te huwen, Valerianus genaamd. Maar tijdens het bruiloftsmaal onder de klanken der muziek verenigde Cecilia, die God was toegewijd, zich in haar hart met de engelen om Hem lof te zingen.
’s Avonds spreekt zij tot Valerianus, haar bruidegom: Valerianus, ik sta onder de hoede van een engel die waakt over mijn maagdelijkheid: handel derhalve zodanig met mij dat gij Gods toorn vermijdt. Onder de indruk van die woorden eerbiedigt Valerianus haar verlangen en verklaart zich bereid te geloven in Jezus Christus als hij de engel van God mag zien. Cecilia legt hem uit dat dit zonder Doopsel onmogelijk is en verwijst hem naar paus Urbanus, die zich schuil houdt bij de graven der martelaren aan de Via Appia. Deze doopt hem; en terugkerend bij Cecilia vindt hij haar verslonden in gebed en de engel stralend van een goddelijk licht naast haar. Insgelijks geschiedt met Valerianus’ broer, Tiburtius. Aangeklaagd bij de prefect Almachius sterven beiden moedig de marteldood. Spoedig daarop wordt ook Cecilia veroordeeld om in de baden van haar huis levend verbrand te worden, doch het vuur deert haar niet. Men zendt een beul om haar te onthoofden; deze probeert driemaal, slaat drie gapende wonden in haar hals en laat haar half dood achter. Vier dagen duurt haar doodstrijd. Dan legt men haar neer in het graf met haar goud doorstikt gewaad, dat zij droeg op de dag van haar marteling en haar paleis wordt omgebouwd tot basiliek.

Cultus

De gelovigen vergaten de jeugdige matrone niet en zoals men weet, kwamen zij sinds de vijfde eeuw gaarne bijeen bij “de titelkerk van St. Cecilia”. In de zesde eeuw was Cecilia wellicht de meest gevierde heilige van Rome. In de negende eeuw herbouwde paus Paschalis I haar kerk. Betreurend dat hij geen relieken van de heilige bezat, verscheen hem, naar men verhaalt, in een droom een schoon meisje nog jong van jaren, dat hem zei dat “haar lichaam daar dichtbij die plaats verborgen was”. Aanstonds werd met opgravingen begonnen en het duurde niet lang of men ontdekte een lichaam gehuld in een met goud doorstikt gewaad. Paschalis legde het in een marmeren sarcophaag en plaatste deze onder het altaar der gerestaureerde kerk.
In 1599 toen kardinaal Sfondrati aan dit altaar een verandering wilde aanbrengen, ontdekte hij de sarcofaag en liet haar openen. De ooggetuigen stonden tegenover een lichaam dat met een lichte sluier was overdekt, die de grote vormen er van aangaf en waardoor heen de laatste resten glinsterden van het beroemde gouden kleed. De ontroering en de blijdschap waren geweldig in Rome, doch uit eerbied durfde men die sluier niet wegnemen om zich van de waren toestand van het eerbiedwaardig overschot rekenschap te geven. De beeldhouwer Maderno maakte, enigszins geïdealiseerd, een reproductie van de heilige, in de houding waarin zij gevonden was, welke de gedachte wekt van de maagdelijkheid en het martelaarschap. En sindsdien “rust het lichaam, zoals een hymne zingt, onder het zwijgend marmer, terwijl de ziel, tronend in den hemel, haar vreugde uitzingt en welwillend onze verlangens aanhoort”.
Onvermoeibaar richt de Kerk die verlangens tot St. Cecilia: in de Romeinse canon van de H.Mis beroept zij zich op haar; haar naam weerklinkt steeds weer in de litanie van alle heiligen; de musici van alle landen vereren haar als hun patrones; in Frankrijk zijn de stad Albi en haar “lichtende” kathedraal aan haar toegewijd en in 1866 heeft Dom Pr. Guéranger, abt van Solesmes, het eerste klooster der benedictinessen van de congregatie van St. Petrus van Solesmes onder de bescherming gesteld van deze heilige, het zuiver ideaal van de christelijke maagdelijkheid en van de zuivere liefde.

 Actuele lessen van de heilige:  licht op de kandelaar en zout van de aarde.

 “Welnu, zegt Dom Guéranger, de Kerk erkent en eert in de heilige Cecilia drie kenmerken die tezamen genomen haar onderscheiden te midden van die bewonderenswaardige familie van heiligen. Die drie kenmerken zijn: de maagdelijkheid, de apostolische ijver en de bovenmenselijke moed, waarmee zij dood en folteringen heeft getrotseerd; een drievoudig onderricht dat uit deze enkele christelijke geschiedenis voortvloeit.”

Waar zijn de christelijke moed, de christelijke moraal en de christelijke toewijding die de ongelovigen van de eerste eeuwen veroverden?

“De oorzaak ligt, helaas, in de algemene kilte, de vrucht van verwijfde zeden, welke op zich reeds kenmerk zou zijn van onzen tijd, als men daar niet nog een ander gevoelen aan zou moeten toevoegen, dat aan eenzelfde bron ontspringt en dat op de lange duur zou volstaan om het verval van een natie ongeneeslijk te maken. Het is het gevoel van bang zijn en schuwheid, en men mag gerust zeggen dat het zich op vandaag zo ver mogelijk uitstrekt. Men is bang voor het verlies van zijn goederen of plaats; bang iets van zijn weelde of gemakken te moeten missen; bang voor zijn leven ten slotte. Het is niet nodig te zeggen dat niets meer zenuwslopend en daarom gevaarlijker voor deze wereld is dan die vernederende bezorgdheid; maar laten wij voor alles het er over eens zijn dat zij niets christelijks heeft. Zouden wij vergeten zijn dat wij slechts reizigers op aarde zijn en zou onze hoop op de toekomstige goederen in ons hart zijn verdwenen?
Cecilia zal ons leren, hoe wij ons kunnen bevrijden van dat angstgevoel. In haar dagen was het leven minder veilig dan thans. Men had destijds reden tot vrees; nochtans was men onbevreesd, en vaak werden de machthebbers door een koude rilling aangegrepen bij de stem van hun slachtoffers.
God weet wat Hij voor ons heeft weggelegd; maar als de angst niet spoedig wijkt voor een menswaardiger en christelijker gevoelen, dan zal het niet lang meer duren of de politieke crisis zal alle persoonlijk leven hebben opgeslokt. Wat ook gebeure, het uur is aangebroken om opnieuw onze geschiedenis te leren. De les zal niet vergeefs zijn geweest, mits wij dit willen begrijpen: dat, als de eersten bang waren geweest, zij ons zouden verraden hebben, daar het Woord de levens niet tot ons zou zijn gekomen; dat als wij bang zijn, wij verraad zullen plegen tegenover de komende geslachten, die van ons verwachten, dat wij de geloofsschat, die wij van onze vaderen hebben ontvangen, ook aan hen zullen doorgeven.”

(Dom Pr. Guéranger o.s.b., Histoire de Sainte Cécile, vierge Romaine et martyre, (1849), voorwoord).

St. Cecilia short movie