zaterdag 9 november 2024

Rondleiding in de Jan van Lateranen (Engels commentaar)

9 november: Wijding basiliek Jan van Lateranen


Op 9 november gedenkt de Kerk de wijding van de Sint Jan van Lateranen in Rome. De Jan van Lateranen is de oudste pauselijke basiliek. Het stuk grond behoorde ooit toe aan Plautius Lateranus.  Daarom wordt de kerk aangeduid met “van Lateranen”. Dit is de kerk van de bisschop van Rome, de paus.

De eerste versie van de kerk werd in de vierde eeuw door keizer Constantijn gebouwd.  Op deze plaats zou keizer Constantijn het heilig Doopsel hebben ontvangen, 

Na aardbeving, brand en plundering werd de kerk enkele malen, laatstelijk in 1589, opnieuw opgetrokken.

De andere pauselijke kerken zijn: de Santa Maria Maggiore, de Sint Paulus buiten de Muren en de Sint Pieter. De  Sint Pieter is de kerk boven het graf van Petrus. Volgens traditie zou in het altaar van de Jan van Lateranen een deel van de zetel (cathedra) van Petrus opgenomen zijn.  Het kerkgebouw is toegewijd aan Sint Jan de Doper en Sint Jan de Evangelist, maar op de eerste plaats aan Christus de Verlosser.

De liturgische feestdag van de kerkwijding van de Sint-Jan is 9 november. Sinds de 12de eeuw wordt het feest op deze dag gevierd. “Deze gedachtenis was aanvankelijk beperkt tot de stad Rome, maar werd uiteindelijk uitgebreid naar de universele kerk. De reden daarvoor was het gegroeide inzicht dat de bisschop van Rome, wiens cathedra in de Sint-Jan staat, de opvolger is van de apostel Petrus en daarom het hoofd is van de gehele liefdesgemeenschap van Christus, zoals Ignatius van Antiochië schreef”, zie ook rkk.nl. 

Met de liturgische feestdag gedenken we geen gebouw van stenen en mortel, maar de Godgewijdheid van een plaats waar sinds vele eeuwen mensen samen komen om de sacra mysteria (heilige geheimen) te vieren. Die gedachte klinkt door in de teksten van deze dag, zie ook hierna.  

donderdag 7 november 2024

7 november Hoogfeest van de H. Willibrord, bisschop en geloofsverkondiger in de Lage Landen Preek van Pastoor J. l‘Ortye (2024) "dat jonge plantjes van geloof, hoop en liefde weer tot groei en bloei komen".

 7 november

Hoogfeest van de H. Willibrord, bisschop en geloofsverkondiger in de Lage Landen

Preek van Pastoor J. l‘Ortye - 2024


Vandaag vieren wij het feest van Sint Willibrord, een van de eerste missionarissen die in Noord-Nederland voet aan land zette. Helemaal onbekend was het christendom hier toen niet; in de periode vóór de komst van Willibrord was er ook al gemissioneerd. De eerste missionarissen in onze streken kwamen uit het zuiden, over de grote heerbanen die de Romeinen hadden aangelegd. In Maastricht bevindt zich het graf van de H. Bisschop Servatius, die er in 384 zou zijn overleden. In Maastricht en omgeving was het christendom dus al bekend.


In Nijmegen is er uit die periode een haarspeld met een Christusmonogram gevonden; ook in het rivierengebied was het christendom dus al bekend.

Na het wegvallen van het Romeinse bestuur in onze streken kwam deze in handen van de laatste garnizoenscommandanten, die aan het hoofd stonden van de plaatselijk gerekruteerde legertjes. Daarbij kwam dat de samenstelling van de bevolking aan het veranderen was. In 355 waren bijvoorbeeld groepen Frankische immigranten uit het huidige Drenthe, Gelderland en Overijssel het Romeinse rijk binnengetrokken, waar generaal Julianus hun land in het huidige Brabant had toegewezen, maar wel van hen had geëist dat ze legerdienst zouden verrichten.


Toen het Romeinse staatsapparaat rond 410 wegviel kwam de macht in handen van mannen met Frankische (over-)grootouders. Als ze al gedoopt waren zal het geloof toch niet heel diep gezeten hebben. Hun loyaliteit aan Rome, dat in het zuiden nog altijd de scepter zwaaide, zat daarentegen wel heel diep: toen Attilla’s Hunnen in 451 Gallië binnenvielen, streden de Franken zij aan zij met andere Romeinse bondgenoten. De Frankische commandant was een zekere Merovech, die er blijkbaar in was geslaagd de Frankische leiders te verenigen. Zijn zoon Childerik die in Doornik resideerde, had eveneens meer dan lokaal gezag en dat geldt ook voor diens zoon Clovis. Dit was een van de sleutelfiguren op het breukvlak van de oudheid en de middeleeuwen: rond het jaar 500 veroverde hij het gebied dat wij tegenwoordig als Frankrijk kennen. Om dat uitgestrekte gebied te kunnen besturen had hij mensen nodig die konden lezen en schrijven en daarom werkte hij nauw samen met de Kerk die juist in deze periode steeds meer voet aan de grond begon te krijgen.

Het was de tijd van de H. Lambertus die de bewoners van het noorden van Limburg en in Noord-Brabant voor het christendom probeerde te winnen; van de H. Amandus die ongeveer tegelijkertijd actief als missionaris was in het Vlaamse kustgebied.

Het missiewerk waartoe zij zich geroepen wisten was echter allerminst zonder gevaren. Daarom vestigde de Angelsaksische missionaris Willibrord zich niet lang na zijn aankomst in het voormalige Romeinse fort in Utrecht (‘Wiltaburg’). Die oude versterking werd hem geschonken door een van de voornaamste Frankische machthebbers van die tijd: Pepijn van Herstal die kort daarvoor (in 689) de plaatselijke bevolking had onderworpen. Die Pepijn schonk hem ook de bekende abdij van Echternach en die van Susteren, die als een statie, als een halteplaats op de weg daarnaar toe kan worden gezien. Zo’n toevluchtsoord kregen ook de HH. Wiro, Plechelmus en Otgerus hier in Berg toegewezen, waarschijnlijk door Pepijns gelijknamige kleinzoon, die ter onderscheiding van de andere Pepiniden ook wel Pepijn de Korte wordt genoemd. Ging het in Utrecht om een oud Romeins fort, hier in Berg ging het om een klooster, zoals het in de eerste levensbeschrijvingen van de Berger heiligen heet, om een gebouw dat al een christelijke bestemming had voordat zij er zich vestigden. Het waren als het ware steunpunten van waaruit het christendom zich verder zou verbreiden en verdiepen. Ze vormden het begin van de organisatie van de Kerk in onze streken die een grote bloei kende, maar inmiddels flink op haar retour is, met name sinds de grote secularisatiegolf van de jaren zestig. Het moment dat we weer terug bij af zijn, lijkt niet lang meer op zich te laten wachten. Zoals toen lijkt de toekomst af te hangen van steunpunten zoals die van weleer toen de eerste missionarissen zich hier aandienden; en van mensen als Pepijn die de missionarissen in bescherming namen en van de nodige middelen voorzagen en daarmee de missionering faciliteerden.


Dat ook wij de missie zijn toegedaan; dat - als we onszelf nog niet het geloof in den vreemde zien verkondigen, - dat wij er toch minstens in onze eigen omgeving getuigenis van durven afleggen, met name in en door het gebed dat het mogelijk maakt dat jonge plantjes van geloof, hoop en liefde weer tot groei en bloei komen.

 

Willibrord en de bekering van de Nederlandse barbaren - filmpje

7 november - H. Willibrord, bisschop, verkondiger van ons geloof, patroon van de kerkprovincie


Willibrord was een Angelsaksische monnik, die met elf gezellen zijn vaderland verliet om als missionaris in onze streken het geloof te verkondigen. Door paus Sergius I werd hij in 695 tot bisschop gewijd. Als zodanig vestigde hij zich te Utrecht. Bijna vijftig jaar lang werkte hij onder de heidenen. Hij stierf in de abdij van Echternach (Luxemburg) op 7 november 739. Zijn graf aldaar is nog steeds in ere. Een deel van zijn relieken rust in de kathedraal van Utrecht. In 1939 werd Sint Willibrord door paus Pius XII uitgeroepen tot patroon van de Utrechtse kerkprovincie. Met dankbaarheid vereren wij hem als de apostel van Nederland, als stichter van de kerk in onze streken en als vader van ons geloof.

God, Gij hebt de heilige bisschop Willibrord bestemd om uw grootheid te verkondigen aan de heidenen en hen tot uw kinderen te maken. Wij vragen U op zijn voorspraak: laat ons als trouwe dienaren altijd uw wil volbrengen om te verkrijgen dat uw volk, ook in onze dagen, toeneemt in verdiensten en aantal.

maandag 4 november 2024

DE CHRISTELIJKE HOOP IN DE VISIE VAN SINT AUGUSTINUS III

Op weg naar de verheerlijking

De Kerk vervolgt haar pelgrimsweg tot aan het einde van de dingen, tussen de vervolgingen van de kant van de wereld en de vertroostingen van God. Wakend in zoveel nachten, lijdend in zoveel ellende, vooruitkijkend en afwachtend, sterk in het verdragen en standvastig in het volhouden. Welke vrucht, denkt u, zal haar deel zijn?

“Komt, gezegenden van mijn Vader, neemt bezit van het rijk dat reeds voor u is bereid vanaf de grondvesting van de wereld” (Mt 25, 34).

De Kerk leidt als het ware een tweevoudig leven overeenkomstig de verkondiging en de belofte van de Heer: het ene in geloof, het andere in aanschouwing, het ene als pelgrim onderweg, het andere in het eeuwige huis van de Vader; het ene in moeizame inspanning, het andere in rust; het ene werkend, het andere beschouwend. Het ene verwijst naar de apostel Petrus, het tweede naar Johannes. 

Welke schat zij dragen, weten goede christenen zelf niet; eens zullen zij het echter weten. 

De wortel leeft, maar in de winter is ook de levende boom gelijk aan een verdorde boom. In de winter dragen beide - de verdorde en de levende boom - geen blad en zijn ook niet beladen met vruchten. Maar de zomer komt en toont wat in de bomen is verborgen: de levende stam en takken brengen bladeren en vruchten voort; de verdorde boom zal in de zomer leeg blijven zoals in de winter.

Onze winter is de verborgenheid van Christus, onze zomer is de openbaring van Christus. Daarom troost de apostel Paulus de goede bomen, de gelovigen: ”U bent immers gestorven, maar uw leven ligt met Christus verborgen in God” (Kol 3, 3) - u bent dood, maar dat is slechts schijn: in de wortel leeft u, en wanneer “Christus, uw leven zal verschijnen, dan zult ook u met Hem verschijnen in heerlijkheid” (Kol 3, 4).

Onze ellende enerzijds en de barmhartigheid van God anderzijds brengen mee dat een tijd van droefheid aan de tijd van vreugde vooraf moet gaan. Eerst moet er een tijd van droefheid zijn, er dan komt de verlossing; eerst een tijd van moeite en inspanning, dan de rust; eerst een tijd van geweeklaag, dan de zaligheid. De tijd van droefheid, inspanning, geweeklaag zijn het gevolg van onze zonden, de tijd van vreugde, rust en zaligheid zijn niet te danken aan onze verdiensten, maar aan de genade van Christus, onze Verlosser. We hopen op iets anders dan we verdienen: we verdienen het kwade, maar we hopen op het goede. Komt het een voort uit onze erbarmelijke toestand, het laatste komt van de erbarming van Hem die ons heeft geschapen. 

Zó groot is het geluk van de gerechtigheid, dat we daarvoor, zelfs wanneer we dit slechts een enkele dag zouden kunnen genieten, een onmetelijk lang leven met alle mogelijke goederen en genietingen gering zouden moeten schatten. 

De vrede die ons hier ten deelt valt, vloeit voort uit het geloof dat ons met God verbindt, in de eeuwigheid zal deze ons met God in de aanschouwing van Hem verbinden. Hier beneden is de vrede meer een troost in het lijden dan een zalig genieten.

De heiligheid die wij in dit leven bereiken, berust meer op de vergeving van de zonden dan op volmaaktheid in de deugd. Heiligheid betekent dat God de heerschappij bezit over de mens die Hem gehoorzaamt, en in de mens de geest over het lichaam, het verstand over de begeerte - namelijk dat men méér door de genade van God om vergeving van zonde smeekt en voor de ontvangen goedheid dankbaar is dan door eigen verdienste. Daar zal de gehoorzaamheid zelfs zo zoet en gemakkelijk zijn, als leven en heersen zalig zijn. In de vrede van deze zaligheid - in de zaligheid van deze vrede - zal het hoogste goed bestaan.

Thans leven we niet zonder strijd. We zijn tot eendracht geroepen en om onderling de vrede bewaren, maar dikwijls moeten we strijden met hen, voor wie wij menen te moeten zorgen. Iemand slaat de verkeerde weg in; u wilt hem terughalen, hij verzet zich - u strijdt met hem. De heidenen verzetten zich - u strijdt tegen het bedrog van de afgoden en demonen. De afvallige verzet zich - u strijdt tegen een andere vorm van demonische dwaalleer. Slechte katholieken willen niet rechtschapen leven; ook iemand die u na aan het hart ligt, gelooft u te moeten terechtwijzen - hoeveel niet te vermijden strijd overal! Menigeen zegt ook: “Waarom moet ik zo lijden? Ik wil mij op mezelf terugtrekken, in mijn eigen huis blijven en God in de stilte aanroepen!”

Trekt u zich nu maar op u zelf terug; u vindt strijd! “Wat wij uit onszelf najagen is in strijd met de Geest, en wat de Geest verlangt is in strijd met onszelf” (Gal 5, 17). U bent dit zelf; u bent alleen met u zelf, hebt met niemand anders te doen; maar u voelt (Rom 7, 23-25) “in alles wat ik doe een andere wet. Deze voert strijd tegen de wet waarmee ik met mijn verstand instem en maakt van mij een gevangene van de zonde die in mij leeft. Wie zal mij, ongelukkige mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood? Dat doet God! Dank aan Hem door Jezus Christus onze Heer.

De Heer zegt: “Nog een korte tijd en jullie zien Mij niet meer, maar kort daarna zien jullie Mij terug” ( Jo 16,16). Deze belofte geldt de gehele Kerk, evenals aan de gehele Kerk werd beloofd: “Ik ben bij u, tot aan het einde van de wereld” (Mt 28,20). De Heer talmt niet met zijn belofte: een korte tijd en we zullen Hem zien. Dan zullen we Hem om niets meer vragen, niets meer te vragen hebben; niets verder nog te verlangen hebben, niets meer zoeken wat verborgen is.

Deze “korte tijd” komt ons voor als lang, omdat deze tijd nog voortduurt; als deze voorbij is, zullen we inzien hoe kort deze tijd was.

Daarom moet onze vreugde niet zijn, zoals de wereld die kent, waarover Johannes zegt: “De wereld zal zich echter verheugen” (Jo 16,20); en toch moeten we niet zonder vreugde zijn in ons smartelijk verlangen, veeleer (zoals de Apostel zegt): “Wees verheugd door de hoop die u hebt, wees standvastig wanneer u tegenspoed ondervindt” (Rom 12, 12). Zo verheugt zich ook de barende over het kindje dat op komst is méér, dan dat zij lijdt door haar ogenblikkelijke nood. We lijden een tijd, maar niet altijd. Kort duurt de droefheid, eeuwig de zaligheid. Het verdriet houdt slechts een tijdje aan, eeuwig duurt de vreugde.

“Ons vertrouwen in de woorden van de profeten is daardoor alleen maar toegenomen. U doet er goed aan uw aandacht altijd daarop gericht te houden, als op een lamp die in een donkere ruimte schijnt, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart” (2 Pe 1, 19). Op die dag zal onze Heer Jezus Christus komen om te verlichten wat in het duister verborgen is. Als die dag aanbreekt zal geen licht meer nodig zijn, geen profeet meer worden gelezen en geen geschriften van de Apostelen nog worden opengeslagen - zelfs het Evangelie zullen wij niet meer nodig hebben. Alle geschriften die als heldere lampen in deze donkere wereld voor ons werden ontstoken opdat wij niet in duisternis zouden leven, zijn niet meer nodig. 

Waarover zal de blik zich dan verblijden, waarin zal dan onze zaligheid bestaan, die “geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en die in geen enkel mensenhart is opgekomen?“ (1 Kor 2,9)?

Ik vraag u, broeders - zegt de H. Augustinus - bemin met mij, verlang met mij in geloof! Laten we verlangen naar ons vaderland hierboven waarover Johannes zegt: “In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God” (Jo 1,1).

De dauw waarmee we hier besprenkeld worden, zal daar een bron zijn. De straal die een verduisterd, gewond en afgedwaald hart binnendringt, zal daar een onverhuld licht zijn. Met het oog op de zalige aanschouwing van de Heer worden wij nu gelouterd. 

(De wapenspreuk van de nieuwe bisschop van Roermond, Cornelis van den Hout: In exilio spes - hoop in de ballingschap, is ook op ons van toepassing)

“Zeer geliefden, we zijn nu al kinderen van God en nog niet is geopenbaard, wat wij zullen zijn; maar we weten dat wij aan Hem gelijk zullen zijn wanneer Hij zal verschijnen, want dan zien we Hem zoals Hij is (1 Jo 3, 2).         

Wat zal ik zeggen, geliefden? O, zalig huis! O, zeker vaderland! O, als het hart, ook al is het gering, toch eens zou verlangen naar die onuitsprekelijke heerlijkheid! O, als we onze pelgrimstocht weliswaar onder zuchten afleggen en de wereld niet beminnen, maar steeds in gelovige gezindheid aankloppen bij Hem die ons geroepen heeft! Verlangen is de adem van de ziel. Dat ons hart groter worde, opdat ons verlangen steeds groter mag zijn! Mogen de H. Schrift dit, moge de gemeenschap van de Kerk, moge de viering van de H. Geheimen, moge dit het Doopsel, de lofzang voor God en moge ook ons bidden en spreken dit in ons verwerkelijken! Als u zó gezind bent, verheft uw hart, u allen, zoveel u kunt en u zult ontvangen wat Hij heeft beloofd. 

Niet zonder reden heeft de Kerk volgens oude overlevering de gewoonte bewaard in de Paastijd het Alleluia te zingen. Alleluia is de lof van God; het zegt ons ten tijde van beproeving wat wij eens zullen doen wanneer wij zijn rust zijn binnengegaan.

Laat ons het Alleluia zingen naar vermogen, opdat we eens verdienen het te zingen zonder onderbreking; de lof van God daar en hier: hier door hen die waken, daar door hen die zeker zijn; hier door sterfelijke mensen, daar door de zaligen die niet meer kunnen sterven; hier in hoop, daar in bezit; hier onderweg, daar in het vaderland!

Laat ons nu reeds lof zingen, niet om een zoete rust te genieten maar om de arbeid te verzoeten!

Laat ons zingen zoals pelgrims zingen: zingen onderweg! Het gezang zal ons tot troost zijn bij onze inspanningen. Laat u niet ophouden door traagheid: zingt en loopt door! Laat ons de Heer loven, onze God! Laat ons Hem loven, niet alleen met onze stem maar ook in ons gedrag. Laat onze tong hem loven, laat ons leven Hem loven. Laat zo het Alleluia uit uw mond klinken! Laten we bij het zingen van het Alleluia onze blik verheffen naar de Dag die geen einde kent naar het land van de onsterfelijkheid! Laten we ons haasten naar ons eeuwig thuis! “Zalig, die wonen in uw huis: van eeuwigheid tot eeuwigheid zullen zij U prijzen” (Ps 83[84],5).

Keren we ons tot God, laten wij Hem smeken voor ons en voor heel zijn volk opdat Hij ons in zijn barmhartige liefde behoedt en bewaart door Jezus Christus zijn Zoon, onze Heer, die met Hem leeft in de eeuwen der eeuwen

Slotgebed

Heer, onze God, U hebt ons alles gegeven - schenk ons de vrede! De vrede van de sabbat, van de sabbat zonder avond: wanneer U zo in ons zult rusten zoals U nu in ons werkt (want Gij, Heer, werkt en rust steeds daar) - waar wij U toegedaan zijn met heel ons wezen! Dan zal geen smart en ook geen plaag ons neerdrukken. Dan zal heel ons leven door uw volheid een leven in de waarheid zijn. En dit wonderlijke ‘universum’ dat U zelf ‘goed’ noemde, zal voorbij zijn wanneer de maat ervan bereikt is; en het zal geweest zijn ”een morgen en een avond”. De sabbat echter heeft geen avond en kent geen ondergang: U hebt deze dag geheiligd, opdat hij steeds mag voortduren.

Heer, onze God, U heeft ons geroepen, wij roepen tot U. 

Wij horen U roepen, wil ons roepen aanhoren! 

Leid ons daarheen waarheen U beloofde ons te leiden. 

Voltooi, God, wat u begonnen bent; verlaat de uwen niet! Amen.


4 november - H. Carolus Borromeus, bisschop Je moet handelen in overeenstemming met je woorden.

De H.  Carolus Borromeus werd geboren te Arona (Lombardije) in het jaar 1538. Na beëindiging van zijn studies in de beide rechten werd hij door zijn oom, paus Pius IV, tot kardinaal verheven. Als bisschop van Milaan toonde hij zich een goede herder: meermalen bezocht hij de parochies van zijn diocees en riep hij synodes bijeen; hij vaardigde vele heilzame bepalingen uit en beijverde zich voor het behoud van de christelijke zeden. Hij stierf op 3 november 1584.

Liturgia Horarum
Uit een toespraak van de heilige Carolus Borromeo, bisschop van Milaan († 1584)
Je moet handelen in overeenstemming met je woorden.
Zeker, wij allen zijn zwak, maar God de Heer heeft ons middelen gegeven waarmee we ons kunnen helpen als we dat willen. Een priester bijvoorbeeld zou een onberispelijk leven willen leiden. Hij erkent dat men dat van hem verwacht. Hij zou ingetogen willen zijn en, zoals het hem past, het leven van een engel willen leiden; hij denkt er echter niet aan de geschikte middelen daartoe te gebruiken, namelijk vasten, bidden, het vermijden van slecht gezelschap en van schadelijke en gevaarlijke vriendschappen.
Zo iemand klaagt erover dat hem - als hij het koor betreedt om het getijdengebed te zingen of zich klaarmaakt om de eucharistie te vieren - onmiddellijk duizenden dingen voor de geest komen die hem van God afhouden. Maar wat heeft hij in de sacristie gedaan alvorens het koor te betreden of de eucharistie te vieren? Welke middelen heeft hij aangewend om de aandacht erbij te houden?
Wil je dat ik je leer hoe je in de deugd voortgang kunt boeken? Hoe je - als je al in het koor aandachtig was - een volgende keer nog aandachtiger kunt zijn, zodat je dienst nog meer aan God behaagt? Luister dan naar wat ik zeg. Als er al een vonkje van de goddelijke liefde in je ontstoken is, haal het dan niet onmiddellijk te voorschijn en stel het niet aan de wind bloot. Laat de oven gesloten, zodat hij niet kan afkoelen en zijn warmte verliezen; dat wil zeggen: ontvlucht zoveel mogelijk de verstrooidheden, blijf verenigd met God, mijd holle gesprekken.
Is het jouw taak te prediken en te onderrichten? Studeer en leg je toe op al wat nodig is om deze taak naar behoren te vervullen. Draag er zelf zorg voor in de eerste plaats te preken door je leven en je daden, zodat je toehoorders niet spottend hun hoofd schudden bij je woorden, als ze het ene horen, maar het andere zien.
Je staat in de zielzorg? Verwaarloos dan de zorg voor jezelf niet en geef jezelf niet helemaal weg aan anderen, zodat er voor jou niets meer van jezelf overblijft. Je moet de zielen waarvoor je verantwoordelijk bent, wel indachtig zijn, maar dan wel zo dat je jezelf niet vergeet.
Medebroeders, weet wel dat er voor mensen van de kerk niets zo noodzakelijk is als het inwendig gebed, dat aan al wat we doen, voorafgaat, het begeleidt en volgt. De profeet zegt: ik zal zingen en begrijpen (vgl. Ps. 101 (100), 1 vv). Als je de sacramenten bedient, mijn broeder, overweeg wat je doet. Als je eucharistie viert, overweeg wat je offert. Als je het koorgebed zingt, overweeg wat je zegt en tegen wie je het zegt. Als je in de zielzorg staat, overweeg door welk bloed de zielen zijn gezuiverd en zo ‘zal alles bij je met liefde gebeuren’ (1 Kor. 16, 14). Op die wijze zullen we gemakkelijk alle moeilijkheden kunnen overwinnen die we elke dag noodzakelijkerwijze in groten getale - zo is nu eenmaal ons leven - ondervinden. Daardoor zullen we de kracht hebben om Christus zowel in ons als in de anderen voort te brengen.

Heer, bewaar in uw volk de gezindheid die kenmerkend was voor de heilige bisschop Carolus Borromeo. Geef dat uw kerk steeds de vormen vindt die passen bij de tijd, en een helder beeld van Christus voorhoudt op wie zij altijd zoekt te gelijken. Dat vragen wij door Hem, die met U leeft en heerst met God de Vader in de eenheid van de heilige Geest, God, door de eeuwen der eeuwen.
Amen.