maandag 2 mei 2022

Voordracht zondag 8 mei na de Vespers om 17.00u - Het Geheim van Kerkplein 9

 


Wie aan de voet van de Kerkberg onder de imposante Basiliek het grote witte gebouw ziet liggen, vraagt zich misschien onwillekeurig af wat de geschiedenis van het gebouw is. Nu ligt het gebouw er wat stilletje bij. Dat was niet altijd zou. Eens bruiste het van leven en was het een komen en een gaan van velen. Wie hebben het gebouwd? Waar was het ten tijde van de bouw voor bedoeld? Was het misschien, zoals sommigen fluisteren, een echt “Kanunnikenhuis”. Wat waren het dan voor kanunniken? 

Pastoor Jos L'Ortye, rector van de Basiliek, nam geen genoegen met de geruchten maar stelde zelf een grondig onderzoek in. Hij beschreef zijn onderzoek in een artikel dat in de loop van dit jaar zal verschijnen. Bij gelegenheid van het patroonsfeest van de HH. Wiro, Plechelmus en Otgerus houdt hij na de Eerste Vespers op zondag 8 mei om 17.00u een voordracht ten huize van de Kanunnikessen van de Priorij Thabor, naast de Basiliek, in de Jan van Abroekzaal. 

Wie van dit voorproefje van de onthulling van het Geheim van Kerkplein 9 wil  genieten is ca 17.30u van harte welkom. De toegang is vrij! 

Inlichtingen: Marlou Roeleveld - de Ligt, 06 339 29 470 of famroeleveld@gmail.com en Zuster Pauline, Priorij Thabor (0475) 532074 of m.pauline@priorijthabor.nl

 




May 3 St. James the Less - A "pillar" of the Church,

St. James the Less, the author of the first Catholic Epistle, was the son of Alphaeus of Cleophas. His mother Mary was either a sister or a close relative of the Blessed Virgin, and for that reason, according to Jewish custom, he was sometimes called the brother of the Lord. The Apostle held a distinguished position in the early Christian community of Jerusalem. St. Paul tells us he was a witness of the Resurrection of Christ; he is also a "pillar" of the Church, whom St. Paul consulted about the Gospel.

According to tradition, he was the first Bishop of Jerusalem, and was at the Council of Jerusalem about the year 50. The historians Eusebius and Hegesippus relayed that St. James was martyred for the Faith by the Jews in the spring of the year 62, although they greatly esteemed his person and had given him the surname of "James the Just."

Tradition has always recognized him as the author of the Epistle that bears his name. Internal evidence based on the language, style, and teaching of the Epistle reveals its author as a Jew familiar with the Old Testament, and a Christian thoroughly grounded in the teachings of the Gospel. External evidence from the early Fathers and Councils of the Church confirmed its authenticity and canonicity.

The feast day of St. James the Less is May 3rd.  He is the patron saint of hatmakers!

3 mei Jacobus de Mindere ook wel genaam Iustus, een van de geestelijke vaders van de Orde van het Heilig Graf



Frontispice van “Festes Propres de L’Ordre Canonique du
Très-Saint Sépulchre de Notre Seigneur à Jérusalem”.
(Luik 1717)
3 mei
Liturgische kalenders van de priorijen Kanunnikessen H.Graf en het Latijnse Patriarchaat van Jeruzalem:
De H. Jacobus de Mindere [Minor], apostel en martelaar
De “broeder des Heren”
Ook Jacobus Iustus genoemd. 

Jacobus de “Broeder van de Heer”, de zoon van Alfeus bestuurde de Kerk van Jeruzalem. Hij schreef een Brief die de eerste is in de reeks van de Katholieke Brieven in de Canon van het Nieuwe Testament. Hij leidde een hard leven en bekeerde vele Joden tot het christelijk geloof. In 62 is hij met het martelaarschap bekroond.
In de Orde van het H. Graf is hij vanaf 1160 gevierd samen met de apostel Philippus. Wel was er vanaf de 14e / 15e eeuw de volgende dag nog een commemoratie van de H. Jacobus. Vanaf 1674 worden beide Apostelen afzonderlijk gevierd. In Jeruzalem werden beiden gezamenlijk gevierd tot 1937, maar men moest eerst de naam van de H.Jacobus noemen.
De gemeenschappen van kanunniken en kanunnikessen die ten gevolge van de Gregoriaanse Hervorming (11e eeuw) de Regel van Sint Augustinus gingen volgden spiegelden zich aan de spiritualiteit van de oergemeente van Jeruzalem en beschouwden de H. Jacobus de Rechtvaardige alsmede de H. Augustinus als hun “geestelijke vaders”.
In de postconciliaire liturgische kalender van het Latijnse Patriarchaat Jeruzalem is het feest van de H. Jacobus Justus als solemnitas [hoogfeest] ingeschreven. 

Eusebius, Bisschop van Cæsarea:

Hoe Jacobus, die de broeder des Heren wordt genoemd, gemarteld werd

Doordat Paulus zich op de keizer beriep en door Festus naar Rome werd gezonden, werden de Joden teleurgesteld in hun hoop hem hinderlagen te kunnen leggen. Daarom wendden zij zich tegen Jacobus, de broeder des Heren, die door de Apostelen op de bisschoppelijk zetel van Jeruzalem was verheven. Tegen hem ondernamen zij dan het volgende. Zij lieten hem voorkomen en eisten dat hij voor heel het volk het geloof in Jezus Christus zou verloochenen. Maar toen hij tegen aller verwachting in met luide stem en onvermoede vrijmoedigheid voor heel de menigte getuigde, dat onze Verlosser en Heer Jezus de Zoon van God was, en zij het getuigenis niet konden verdragen van die man, die allen als een bijzonder rechtvaardig man beschouwden wegens zijn hoogst verheven levensbeschouwing en godsvrucht, doodden zij hem, handig gebruik makend van de bestuurloosheid, daar die landstreek toen zonder bestuur was aangezien Festus juist toen in Judea was gestorven.
              De wijze waarop Jacobus zijn einde vond is reeds vroeger uiteengezet met de woorden van Clemens (1) die verhaalt dat hij van de tinne van de Tempel werd geworpen en met een stuk hout werd doodgeslagen. Het meest nauwkeurig echter verhaalt Hegesippus, die tot de eerste generatie na de Apostelen behoorde, de lotgevallen van Jacobus, waar hij in het vijfde boek van zijn gedenkschriften als volgt spreekt: “Het bestuur van de Kerk aanvaardde met de andere Apostelen de broeder des Heren Jacobus (2) die vanaf de tijden des Heren tot op onze dagen door allen de Rechtvaardige wordt genoemd, daar er verschillenden Jacobus heetten. Deze was heilig vanaf de schoot van zijn moeder, dronk wijn noch gegiste drank en at geen vlees, geen scheermes raakte zijn hoofd, hij zalfde zich niet met olie en maakte van geen baden gebruik. Hem alleen kwam het toe het Heilige binnen te gaan, want hij droeg geen wol maar linnen. Alleen ging hij de tempel binnen en geknield bad hij om vergiffenis voor het volk, zodat zijn knieën eeltig werden als van een kameel daar hij steeds weer op de knieën  viel om God te aanbidden en vergiffenis te vragen voor het volk.

Wegens zijn overgrote gerechtigheid dan werd hij de Gerechte genoemd en Oblias, dat is in
het Grieks: bolwerk va het volk en Gerechtigheid, zoals de Profeten van hem getuigen.
              Sommigen nu uit de zeven sekten die er onder het volk waren, waarover we vroeger geschreven hebben, vroegen hem welke deur van Jezus was (3) en hij zei dat dit de Verlosser was. Enigen van hen geloofden dan dat Jezus de Christus is. Maar die voornoemde secten geloven (overigens) noch in Zijn Verrijzenis, noch dat Hij komen zal om eenieder te vergelden naar zijn werken, doch die wél geloofden hadden het van Jacobus.
Toen nu ook velen van de leiders geloofden, was er beroering onder de Joden en de Schriftgeleerden en Farizeeën en zij zeiden dat er gevaar bestond, dat heel het volk zijn verwachting op Jezus Christus zou stellen. Zij kwamen dan samen bij Jacobus en zeiden: “Wij bezweren u, weerhoud het volk, want het dwaalt af naar Jezus, alsof die de Christus is. Wij eisen van u, dat gij allen die tot het Paasfeest opgaan zult overtuigen omtrent hem. Want wij getuigen van u, met heel het volk, dat gij gerecht zijt en zonder aanzien van personen handelt. Haal gij dan de menigte over, niet te dwalen omtrent Jezus, want heel het volk, allen, hebben vertrouwen in u. Ga dan op de tinne van de tempels staan, opdat heel het volk u daarboven kan zien en uw woorden goed kan verstaan”. Wegens het Paasfeest kwamen namelijk alle stammen en zelfs heidenen samen.
De voormelde Schriftgeleerden en Farizeeën plaatsten dan Jacobus op de tinne van de Tempels en riepen hem toe, zeggende “ Gerechte, aan wie wij allen moeten geloven; daar het volk achter Jezus de Gekruiste doolt, zo verkondig ons welke de deur is van Jezus” .
En hij antwoordde met luide stem: “ Wat ondervraagt gij mij over de Zoon des Mensen? Hij zetelt toch in de hemel aan de rechterhand van de van God en Hij zal komen op de wolken des Hemels”.  
Toen nu velen werden overtuigd een God verheerlijkten om het getuigenis van Jacobus en uitriepen: “Hosanna de Zoon van David!” toen spraken de Schriftgeleerden en Farizeeën weer onder elkaar: “We hebben verkeerd gehandeld door aan Jezus zo’n getuigenis te verschaffen, maar laten wij naar boven gaan en hem omlaag werpen, opdat zij bevreesd worden en niet in hem geloven.” En zij riepen: “O, wee! Ook de Gerechte is afgedwaald.” En zij deden het Schriftwoord in vervulling gaan, dat bij Jesaja staat geschreven (4): “Nemen wij de Gerechte weg, want hij is ons lastig: dan zullen zij de opbrengst van hun werken eten.” Zij liepen dan naar boven en wierpen de Gerechte omlaag. En zij zeiden tot elkaar: “Laten wij Jacobus de Gerechte stenigen!” en zij begonnen hem met stenen te werpen, daar hij bij zijn val niet gestorven was; maar overeind gekomen neerknielde en sprak: “Ik bid u, Heer God de Vader, vergeef het hen, want zij weten niet wat ze doen.” Terwijl zij zo met stenen wierpen riep een van de Priesters, Rechab, een zoon van de Rechabieten, over wie de Profeet Jeremias spreekt (5): “Houdt op! Wat doet ge? De Gerechte bidt voor ons.” Maar een van de volders die zich onder hen bevond, nam het hout waarmee hij de kleden uitklopt en liet het neerkomen op het hoofd van de Gerechte en zo onderging hij de marteldood. En men begroef hem ter plaatse bij de Tempel en zijn grafmonument staat nog naast de Tempel. Een waarachtig getuige is hij geworden voor Joden en Grieken, dat Jezus de Christus is. En weldra belegerde Vespasianus hen.”
In dit breedvoerig verhaal stemt Hegesippus met Clemens overeen. Zo’n wondervol man was Jacobus en zo bij alle anderen beroemd om zijn gerechtigheid, dat ook de verstandigen onder de Joden daarin de oorzaak zien, dat terstond na zijn marteldood Jeruzalem werd belegerd en dat dit hun om geen andere reden overkomen is dan om hetgeen zij zich jegens hem hadden vermeten, [Flavius] Josephus zag er dan ook geen bezwaar in dit schriftelijk te getuigen in de volgende woorden: “Dit overkwam de Joden als wraak voor Jacobus de Gerechte, die de Broeder was van Jezus, die Christus genoemd wordt, omdat de Joden hem doodden ofschoon hij zeer rechtvaardig was.”
Dezelfde Josephus verhaalt zijn dood ook in het twintigste boek der Archæologie aldus (6):

Op het bericht van de dood van Festus zond de keizer Albinus als bestuurder naar Judea. Maar de jongere Ananus, van wie wij zeiden dat hij het Hogepriesterschap verwierf, was onstuimig en vermetel van karakter. Hij behoorde tot de partij van de Sadduceeën, die het wreedst zijn in het vonnissen onder alle Joden, zoals we reeds hebben vermeld. Daar nu Ananus, zulk een man was en hij het nu het geschikte moment oordeelde, daar Festus gestorven en Albinus nog onderweg was, belegde hij een vergadering van de rechters en liet de Broeder van Jezus, die de Christus genoemd wordt, Jacobus genaamd, voor de vierschaar voeren met enkele anderen en na hen van wetsovertreding te hebben beschuldigd, leverde hij hen over om gestenigd te worden. Maar zij, die voor het meest gematigd golden in de stad en zeer streng in het onderhouder der wetten, konden dat slecht verdragen en zonden heimelijk een bode naar de koning, met de bede aan Ananus te bevelen, nooit meer iets dergelijks te doen, daar hij de eerste keer ook verkeerd had gehandeld. Sommigen van hen gingen ook Albinus tegemoet, toen hij vanuit Alexandrië onderweg was en zeiden hem, dat het aan Ananus niet toe kwam buiten zijn weten een rechtszitting te houden. Albinus geloofde wat hem gezegd werd en schreef toornig aan Ananus en dreigde hem te zullen straffen en koning Agrippa ontnam hem daarom het Hogepriesterschap, dat hij drie maanden bekleed had en stelde Jezus, de zoon van Damæus aan.”

(1    (1) De Hypomnèmata of Gedenkschriften van Hegesippus zijn verloren gegaan, afgezien van de fragmenten door Clemens, Eusebius en enkele latere geschiedschrijvers overgenomen.
(2) Jacobus was een neef van Christus, zeker geen zoon van Diens voedstervader Jozef.
(3) Vgl. Jo. 10, 9: “Ik ben de deur (van de schaapsstal); die door Mij binnengaat zal zalig worden.”
(4) Jes 3,10.
(5) Jer. 35, 3.
(6) Ant. Jud. 20. 197

St. James the Less

St James the Less | Saint of the Day -short movie

Preek van onze Pastoor op 3 mei 2021, H. Jacobus de Mindere, geestelijke vader Orde H. Graf "Tastbare bewijzen dat mensen van alle tijden bereid waren hun leven voor Jezus te geven".

(2021) Vandaag vieren wij het feest van de H. Apostel Jacobus. Hij wordt weliswaarde Mindere genoemd, maar was zeker niet de minste. Integendeel: hij geldt niet alleen als Broeder de Heren, maar ook als bisschop van Jeruzalem. Het is Eusebius, in de vierde eeuw, bisschop van Caesarea, die ons een lijst met de namen van de eerste 36 bisschoppen van Jeruzalem heeft overgeleverd, een lijst die hij terugvoert op de Jacobus die wij vandaag gedenken. Eerst leidde hij samen met Petrus de eerste christengemeente aldaar, maar toen Herodes Agrippa Petrus wilde doden en Petrus Jeruzalem ontvluchtte, komen we Jacobus tegen als de belangrijkste vertegenwoordiger van de christengemeente aldaar, Jacobus die in het jaar 62 de marteldood stierf. Volgens Clemens van Alexandrië (+ 215) werd deze Jacobus al door zijn tijdgenoten vanwege zijn buitengewone deugdzaamheid ook wel ‘de rechtvaardige’ genoemd. Volgens Eusebius zou Jacobus zelf altijd verklaard hebben dat hij nog door Petrus, Jacobus (de Meerdere) en Johannes als bisschop van Jeruzalem was aangesteld.

 Onder Jacobus’ opvolger Simeon nam de christengemeente van Jeruzalem tijdens de Joodse opstand in het jaar 66 de wijk naar Pella in het huidige Jordanië. Onder leiding van Titus sloegen de Romeinen de opstand neer en namen ze de stad in. In het jaar 70 werd niet alleen de stad, maar ook de tempel verwoest; slechts drie torens van het paleis van Herodes bleven intact, evenals een gedeelte van de westelijke stadsmuur. Flavius Josephus meldt dat gedurende de hele opstand meer dan een miljoen mensen het leven lieten. Ondanks het feit dat de stad helemaal verwoest was, keerden de christenen weer terug en Eusebius somt tot de opstand van Bar Kochba 60 jaar later (132) in totaal 15 bisschoppen op. Omdat Simon Bar Kochba door veel Joden als profeet en Messias werd gezien, weigerden de christenen andermaal aan de opstand deel te nemen. De opstand werd in het jaar 135 door keizer Hadrianus hardhandig neergeslagen. Dit keer vielen er ‘maar’ 580.000 dodelijke slachtoffers.

 Omdat de Joden voortaan de stad niet meer mochten betreden, traden er sindsdien bisschoppen van heidense, d.w.z. Griekse origine aan. Ook verloor de bisschopszetel van de nieuwe Romeinse kolonie in Jeruzalem (Aelia Capitolina) haar zelfstandigheid en werd ze afhankelijk van de metropolitane zetel van Caesarea. Pas in 325 kreeg Jeruzalem haar kerkelijke zelfstandigheid weer terug, toen de bisschop van Jeruzalem de titel patriarch kreeg. Tot die tijd noemt Eusebius in totaal 36 bisschoppen, waarvan Jacobus dus de eerste was. Ondertussen was van de oude stad van Jezus’ dagen weinig of niets meer over. Op de vernielde tempelberg had Hadrianus een tempel voor Jupiter laten bouwen en (nota bene!) op de berg Golgotha een tempel voor Venus. Toch probeerden de christenen de laatste tastbare herinneringen aan Jezus’ lijden, sterven en verrijzen zo goed mogelijk te bewaren.  Iemand die zich daar bijzonder voor verdienstelijk heeft gemaakt was met name Jacobus’ opvolger Simon of Simeon, de zoon van Klopas die de Kerk van Jeruzalem leidde tot het jaar 107, het jaar van zijn martelaarschap. Toen bisschop Melito van Sardes in het jaar 160 Jeruzalem bezocht, noteerde hij dat de lokale christenen hem rondleidden naar alle plaatsen die verbonden waren met Jezus’ lijden, sterven en verrijzen, zoals het heilig Graf waarover de Romeinse keizer Constantijn later (in de vierde eeuw) een kerk liet bouwen.

 Natuurlijk gaat het daar in ons geloof niet om, uiteindelijk gaat het om Jezus en zijn blijde boodschap; daarvan leven wij. Maar zonder dergelijke tastbare getuigenissen lopen wij wel het risico dat geloof iets wereldvreemds wordt, dat het loskomt van de harde realiteit die het leven soms is. Dat mensen van alle tijden, zoals de heilige bisschop Jacobus van Jeruzalem die wij vandaag gedenken, bereid waren en nog altijd bereid zijn er hun leven voor te geven, ook dat getuigt van de incarnatie van het geloof als ik het zo mag zeggen, het geloof in Jezus dat in een mens zoals U en ik handen en voeten krijgt, zoals het Gods Woord, de Blijde Boodschap ook in Jezus zelf handen en voeten kreeg, niet alleen in zijn leven, maar ook in zijn lijden en sterven, ja zelf in zijn verrijzenis. Het is juist de verrijzenis die laat zien is dat ook de aardse realiteit voorbestemd is te delen in de glorievolle heerlijkheid van de kinderen Gods (vgl. Rom.8,21).

 

Door het Paasfeest schenkt God ons een aangename blijdschap omtrent ons heil


 Pelgrims bij het Heilig Graf, Jeruzalem

Die God nu, mijn geliefden, die in het begin dit Paasfeest voor ons instelde, heeft goedgevonden, dat het jaarlijks zou worden herhaald. Hij, die voor ons heil zijn Zoon aan de dood overleverde, schenkt ons om dezelfde reden dit heilig feest, dat op een bepaalde tijd in het jaar wordt gevierd. Dit feest leidt ons door het verdriet en de zorg, die wij in deze wereld tegenkomen. Door dit feest schenkt God ons een aangename blijdschap omtrent ons heil, terwijl Hij ons tot één grote familie bijeenbrengt, overal allen op geestelijke wijze samenbindt, ons geeft dat wij tezamen bidden en ook gezamenlijk dankzeggen, zoals dat op feestdagen gebruikelijk is. En dát is het wonder van zijn mildheid: God zelf brengt de vér-verwijderden bijeen en die wellicht lichamelijk verwijderd zijn, brengt hij nabij door eenheid van geloof.

Uit de Paasbrieven van de H. Athanasius, Ep 5, 2