zaterdag 4 september 2021

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” 23e zondag per annum / door het jaar Door dit offer U verheerlijken en groeien in onderlinge eensgezindheid.

Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie
Door dit offer U verheerlijken en groeien in onderlinge eensgezindheid.

I n l e i d i n g
In het Gebed over de gaven van deze zondag wordt God aangesproken als Veroorzaker of Schepper van oprechte toewijding en als Bron en Bewerker van vrede. Parallel aan deze tweedeling is ook de bede opgebouwd. In eerste instantie gaat het om de eredienst van het Eucharistische Offer. Deze moet een cultus zijn overeenkomstig de Majesteit van God: een  H. Mis in de volle betekenis van het woord, wanneer in de heilige liturgische handeling brood en wijn het Lichaam en Bloed van Christus zijn geworden en daardoor het Kruisoffer is geactualiseerd. Deze eerste bede zou zelfs als bede om de Consecratie begrepen kunnen worden.
In het tweede deel gaat het om de eenheid van de gelovigen, dus om de vrede in een bijzonder verheven zin.
In de vertaling van het Nederlands Altaarmissaal is dit deel met 1 Kor 10, 16.17 in verbinding gebracht: ‘Geeft niet de beker der zegening die wij zegenen, gemeenschap met het Bloed van Christus? Geeft niet het brood dat wij breken, gemeenschap met het Lichaam van Christus? Omdat het brood één is, vormen wij allen tezamen één lichaam, want allen hebben wij deel aan het ene brood’. Niet voor niets gebruikt de Vulgaatversie waaruit deze opwekking stamt, de term ‘participatio’ zoals onze oratie. Het ‘heilig mysterie’ waaraan wij deel hebben. is het ene Brood, dat de eenheid van velen bewerkt. Vol betekenis is zoals zo dikwijls, dat de uitspraak van de Apostel Paulus tot object van de bede wordt gemaakt: ‘dat wij in trouw eensgezind mogen worden’.


T e k s t
Missale Romanum – 1970
Deus, auctor sinceræ devotionis et pacis,
da, quæsumus,
ut et maiestatem tuam convenienter hoc munere veneremur,
et sacri participatione mysterii fideliter sensibus uniamur.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
God, uw gave is het als wij U oprecht dienen en in vrede leven.
Geef dat wij door deze offerande U verheerlijken
en door onze deelname aan de Eucharistie groeien in onderlinge eensgezindheid.

Werkvertaling
God, Bewerker van ware toewijding en vrede ,
geef, vragen wij U,
dat wij zowel uw Majesteit door dit Offer passend aanbidden
als door deelname aan dit heilige mysterie trouw in onze gevoelens van geest en hart worden verenigd.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De brontekst van deze oratie wordt gevonden in het Sacramentarium Leonianum, 1047, mense Septembris, in natale episcoporum, XIV alia missa, <secreta>, Verona, Kapittelbibliotheek LXXXV; 2e helft zesde eeuw,
 (E. Moeller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, II, D, Brepols, Turnhout 1993, nr. 1111, p. 121)
De oratie was niet opgenomen in de edities van het Romeins Missaal vóór MR 1970.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1. Deus, auctor sinceræ devotionis et pacis,
2. da, quæsumus,
3. ut 3a. et maiestatem tuam convenienter hoc munere veneremur,
3b. et sacri participatione mysterii fideliter sensibus uniamur.

Het Gebed over de gave is samengesteld uit één enkele zin, opgebouwd uit de anaklese (aanroeping) Deus, God, aan de spits van de oratie, gevolgd door een bijstelling (substantivum attributivum) waarmee een goddelijke heilsdaad wordt uitgedrukt, die de titel is waarop de bede zich beroept (r. 1). Ingeleid door de hoofdzin met het prædicaat da (r. 2) wordt God gevraagd in een dubbele bijzin met coniunctief wenskarakter voorafgegaan door het voegwoord ut (r. 3) om Zijn Majesteit door dit Offer passend te aanbidden (r. 3a) en dat de gelovigen door hun heilige deelname aan dit mysterie in trouw verenigd mogen worden als één van hart en één van geest (r. 3b).

Ad 1
Deus, [o] God, anaklese in de vocativusvorm van Deus aan de spits van de oratie. Met ‘agnus’, lam, vormt de vocativusvorm op –us van Deus een uitzondering op de normale vocativusuitgang – e van de substantivi op –us van de tweede declinatie. Vgl. de aanroeping Agnus Dei, Lam Gods in het misformulier.
Auctor sinceræ devotionis et pacis, Schepper/Bewerker van oprechte toewijding en vrede -
substantivum attributivum of bijstelling waarin de nominativusvorm auctor congrueert met het voorafgaande Deus. Deze bijstelling bestaat uit zoals gezegd de nominativusvorm auctor nader gespecificeerd door de twee genitivusvormen devotionis et pacis, waarvan de eerste een congruerende adiectivusvorm bij zich heeft. Gedacht kan worden aan een genitivus explicativus: de Bewerker van wat, of qualitatis: van hoedanigheid.
Ad 2
Da, geef, - prædicaat in de imperativusvorm van het verbum dare, welke door de losse werkwoordsvorm quæsumus, wij vragen/bidden U, in de tussenzin, wordt gemilderd, juist de bede ondersteunt of ook een ritmische functie kan hebben voor een soepel verloop van de uitgesproken / gezongen tekst.
Ad 3
Ut, opdat/zodat, voegwoord dat het eerste deel van de finale/doelaanwijzende resp. consecutieve / gevolgaanduidende bijzin met coniunctief wenskarakter (r. 3a-3b) inleidt: coniunctivus optativus: er wordt een gebed, een wens uitgesproken die tweedelig van aard is hetgeen benadrukt wordt door het repeterende et…et. In de twee halfzinnen is het tweevoudige object van de oratie uitgedrukt.
Ad 3a
Veneremur, [op-/zodat] wij aanbidden, 1e pers. meervoud coniunctivus præsentis passivi van het deponens venerari, veneratus sum, is het prædicaat met ingesloten subject: wij. Maiestatem tuam, uw Majesteit, - object van het prædicaat in twee congruerende accusativusvormen van het substantivum maiestas, -atis f. en van het pronomen possessivum tuus, tua, tuum.
Hoc munere, met/door dit offer, - bijwoordelijke bepaling in twee congruerende ablativusvormen van het substantivum munus, -eris, n. en van het pronomen demonstrativum hic, hæc, hoc. De ablativus drukt het middel of de reden uit op grond waarvan de Vader wordt aanbeden: ablativus instrumentalis of causæ.
Convenienter, naar behoren, passend, - bijwoordelijke bepaling bij het prædicaat veneremur.
Altijd is “de aarde vol van de barmhartigheid van de Heer” (Ps 23 [24] en voor ieder die gelooft, is de natuur der dingen zelf een aanwijzing om God te dienen, daar de hemel, de aarde en de zee met al wat daarin is, getuigen van de goedheid en de almacht van hun Schepper, en de wonderbare schoonheid van die dienende elementen legt terecht aan het schepsel, dat met verstand begaafd is, de plicht op van dankbaarheid (cf H. Leo de Grote, Preek 6 van de Vastentijd, 1). Het besef van de goedheid en de almacht van de Schepper wekt ook de  liefdevolle wil tot overgave op temeer omdat door de Consecratie niet meer brood en wijn worden geofferd, maar Jezus Christus, die alleen tot de hoogste overgave in het Offer in staat is.
Ad 3 et sacri participatione mysterii fideliter sensibus uniamur.
Tweede deel van de finale/consecutieve bijzin met het prædicaat uniamur, eveneens in de coniunctivus. Uniamur, [op-/zodat] wij bijeen worden gebracht/verenigd, 1e pers. meervoud præsentis passsivi van het verbum unire,  4.
Fideliter, op gelovige wijze, - bijwoordelijke bepaling bij het prædicaat uniamur.
Sensibus, ‘in’, met [onze] gevoelens’, - bijwoordelijke bepaling in de ablativusvorm van sensus, - us: ablativus van middel of werktuig: instrumentalis of  ‘locativus’ (een eenheid die berust op onze gevoelens, maar ook wordt gedragen door hart en geest.
Sacri participatione mysterii, door deelname aan het heilig mysterie – bijwoordelijke bepaling opgebouwd uit de ablativusvorm participatione  (ablativus modi, instrumentalis of causæ) vergezeld van twee congruerende de genitivusvormen sacri en mysterii: genitivus obiectivus (waarop is deze deelname gericht), in een hyperbaton uiteen geplaatst.

V o c a b u l a r i u m
Auctor, - oris,  1. schepper, verwekker 2. maker, bewerker, schrijver (vgl. auteur en autoriteit van auctoritas, - atis, gezag).
Zoals geldt voor de meeste prefaties en oraties in de liturgie richt ook deze oratie zich tot God de Vader. Maar de vrijheid en de verschillende manieren waarop Hij wordt aangesproken is natuurlijk groter in de hymnen en de andere liturgische gezangen dan in de oraties. Bijvoorbeeld: Deus, creator omnium – God, Schepper van alles (hymne 1e vespers zondag, week I); æterne rerum conditor, - eeuwige Schepper van de dingen (hymne lauden zondag, week I);  cæli Deus sanctissime – allerheiligste God des hemels (hymne Vespers feria IV, week I); inclitus rector pater atque prudens – roemrijke Bestuurder en wijze Vader (hymne lauden Commune Pastorum); Conditor alme siderum – verheven Schepper van de sterren (hymne vespers Advent).
Het epitheton auctor betekent ook Schepper; bijvoorbeeld:  auctor vitæ, Verwekker van het leven (Leo Magnus, Serm0 61, 2); auctor universitatis, Schepper van het universum (Mozar. liturgie ord. 49); omnium auctor, Schepper van alles (Sacramentarium Leonianum 880); sanctificationum omnium auctor, Bewerker van alle heiliging (Ben. Ord. presb. Miss. Fr. 32) en vele andere uitdrukkingen zoals auctor lucis, Schepper van het licht; auctor pietatis, Bewerker van de liefde; de auctor mortis is evenwel de duivel.

Devotio, -onis, f.
Volgens de H. Thomas van Aquino in de Summa Theologica. is devotio een "actieve" deugd. De doctor angelicus schreef: "De innerlijke of menselijke oorzaak van devotie is beschouwing of meditatie. Devotie is een daad van de wil waardoor een mens zichzelf prompt aan de dienst van God geeft. Iedere wilsacte komt voort uit een of andere overweging van het intellect, aangezien het voorwerp van de wil een gekend goed is; of, zoals Augustinus zegt, het willen komt voort uit het begrijpen. Derhalve is meditatie de oorzaak van devotie aangezien de mens door meditatie het idee verwekt zichzelf aan de dienst van God te geven" (STh II-II 82,3).
De predikant Louis Bourdaloue, jezuïet (1632-1704) begreep devotie als "een devotie tot de plicht". Wat wij vóór alles moeten doen en dat geldt ook voor onze "devoties", is de geboden van God onderhouden en trouw blijven aan de plichten van onze levensstaat. Er is een wisselwerking tussen onze devoties en onze devotie.

Deze oratie roept nog een andere betekenis op. Blaise’s Vocabulaire Latin des principaux thèmes liturgiques geeft op blz. 45 , “toewijding, ijver, vurigheid, liefde, godsvrucht, verering, bereidwilligheid, bereidheid”. De Lewis & Short Dictionnary spreekt voorts over “een of andere vorm van gebed”. De Glossary of Later Latin to 600 A.D. ook bekend als Souter, zegt dat devotio kan betekenen “gehoorzaamheid, loyaliteit; aanbidding, pieteit en gods-dienst “.   

Sincerus, -a, - um, adiectivum, oprecht, eerlijk.
‘Yours sincerely’ kan men vinden als ondertekening van brieven geadresseerd aan personen die men kent.

Majestas, - atis, f.
De gebedstaal van de Kerk is totaal verschillend van onze gewone, tegenwoordige spreektaal. Het eerste dat opvalt is de hoofsheid, de hoffelijkheid en verfijndheid: er is een duidelijk onderscheid tussen de aangesprokene en de spreker.  Maiestas (majesteit) heeft als grondbetekenis “grootheid, verhevenheid, waardigheid, majesteit”; de term wordt gebruikt in de relatie met goden, ook voor de status van hoog geplaatste personen zoals koningen, consuls, senatoren, ridders enz. en verwijst voorts in het klassieke Latijn naar de “soevereiniteit van het Romeinse volk”, vooral ten tijde van de Romeinse Republiek. De uitdrukking “maiestatem minuere of lædere”, “het schenden of kwetsen van de majesteit van het Romeinse volk” is de term voor majesteitsschennis, hoogverraad. In het Engels wordt hetzelfde begrip gebruikt: “lese majesty” en ook het Franse equivalent luidt: “lèse majesté”. Het is iets van alle tijden en welke consequenties dit vergrijp kan hebben leren we genoegzaam uit de actualiteit.Bovenkant formulier
De term maiestas komt vijf maal voor in de oraties super munera van de zondagen VII, XVI, XXII, XXX en XXXIII door het jaar. In de meeste gevallen is de referentie direct – ‘et maiestatem tuam convenienter hoc munere veneremur’, dat wij uw Majesteit passend met/door dit Offer mogen aanbidden. A. Blaise meent dat het gebruik van abstracte begrippen zoals maiestas een grotere plechtigheid en reverentie toevoegen dan de beperking tot eenvoudige vormen van het persoonlijke voornaamwoord tu (A. Blaise, Le Vocabulaire Latin des principaux thèmes liturgiques. Ouvrage revue par Dom A. Dumas O.S.B., Brepols Turnhout 1966, 138).
Maiestas werd gebruikt als vertaling voor een van de twee essentiële elementen van het begrip δóξa του θεou (Glorie van God), in het Hebreeuws Kebod Jahweh. terwijl het begrip claritas meestal het concept van ‘licht’ uitdrukte, was maiestas  de gebruikelijke term voor het element kracht dat er in vervat is. In de oraties is de bijbelse invloed van het woord maiestas evident. Gods machtige bescherming wordt gevraagd door de frase: ad protegendum nos, dexteram tuæ maiestatis extende, strek de rechterhand van uw Majesteit uit om ons te beschermen (Collecta, Dom. III Quadrag. MR 1961). Potentia wordt geïdentificeerd met maiestas in de colelcta van het feest van de H. Drieëenheid:
et Unitatem adorare in potentia maiestatis, en uw eeeheid te aanbidden in de kracht van uw Majesteit. Voorts ook de typisch bijbelse tekst: munera … quæ oculis tuæ maiestatis offerimus, de offergaven die wij voor de ogen van uw Majesteit opdragen (Secreta, 2 febr., MR 1962).
In het gebed ‘Unde et memores’ na de Consecratie van de Canon Romanus: offerimus præclaræ maiestati tuæ de tuis donis, offeren wij aan ue verheven Majesteit, staat majestas voor de persoon van God zelf. En ook verderop in het gebed ‘Supplices te rogamus’ de frase: in conspectu divinæ maiestatis tuæ, vóór uw goddelijke Majesteit.
In al deze voorbeelden is de invloed van de hofstijl merkbaar. Zoals boven al aangestipt werd de term Maiestas tua gebruikt als eretitel voor de Romeinse keizers zoals  ten tijde van de dichter Horatius [65 vChr-8 vChr.] : neque parvum carmen recipit maiestas tua, geen gering gezang ontvangt uwe Majesteit (Epist. 2, 1, 258). Als aanspreektitel van God werd de term hoogst zelden door christelijke auteurs gebruikt en slechts voor de keizer aangewend. Misschien was een latere connotatie van de term die een bijzondere eigenschap van God alleen opriep, nog sterk in de 6e eeuw, toen het gebruik van de term voor God algemeen werd. Dat voor niemand anders – zelfs niet in de oraties van de martelaren – de term werd gebruikt, maar slechts voor God werd gereserveerd, geeft gewicht aan deze veronderstelling. Concluderend kan worden gezegd dat de bijbelse invloed te zien is in het gegeven dat de term maiestas wordt gebruikt binnen een context van andere bijbelse uitdrukkingen, met name die kracht uitdrukken, en ook het feit dat de term exclusief voor God is gereserveerd. De invloed van de hofstijl ziet men in het gebruik van een abstract begrip boven een concreet begrip.
Venerari, veneratus sum dep. 1.
Betekenissen: aanbidden met religieus ontzag, eren met godsdienstige riten. Met dit verbum, dat in de Romeinse cultustaal betekent ‘de goden eren met eerbied en met een rituele dienst teneinde hen te bewegen de gevraagde gunsten te verlenen’, wordt nooit rechtstreeks naar God verwezen in de oraties, maar het sluit de idee van het verrichten van godsdienstige riten in. Dit is bijvoorbeeld duidelijk in de collecta voor zaterdag onder het Paasoctaaf:   Concede…ut qui festa paschalia venerando egimus, per hæc contingere ad gaudia æterna, geef…dat wij die de paasfeesten met eerbied hebben gevierd, daardoor tot de eeuwige vreugden mogen geraken (MR 1962). Hier betekent venerando niet ‘eerbiedig’, maar ‘door middel van godsdienstige riten’. Wanneer dit werkwoord wordt gebruikt in de oraties van heiligenfeesten, betekent het dus meer dan alleen maaar ‘eren’ in de zin van ‘met respect beschouwen’. Het omvat het concept van ‘het voltrekken van een sacrale handeling ter ere van’. Soms wordt dit rituele element expliciet genoemd, zoals in: qui nos Sanctorum tuorum merita sub una tribuisti celebritate venerari, die ons de verdiensten van al uw Heiligen in één plechtigheid laat gedenken (collecta Allerheiligen MR 1970). We mogen dus aannemen dat waar het verbum op zichzelf staat zoals in: Gloriam…sanctorum Apostolorum …perpetuam venerantes (oratio super munera, 28 okt., MR 1970), bij de verering van de eeuwige heerlijkheid van de heilige Apostelen, het ook een rituele connotatie omvat. De vertalingen in het Nederlands geven dit echter niet altijd duidelijk weer.
Het substantivum veneratio wordt in dezelfde betekenis gebruikt als sollemnitas, ‘een liturgische viering als geheel’, die in dit geval de gelegenheid is waarbinnen wij de H. Eucharistie plaats vindt: in cuius veneratione hæc tua obtulimus maiestati, ter ere van wie wij dit Offer aan uw Majesteit hebben opgedragen (Postcomm. BMV in Sabb. III, MR 1962) en de bron van algemene vreugde: Da…populis Sanctorum tuorum semper veneratione lætari (Postcomm. 1 nov. MR 1962), Geef…dat de volkeren altijd vreugde vinden in de verering van uw heiligen.
(Sr. Mary Pierre Ellebracht C.Pp.S., Remarks on the vocabulary of the ancient orations in the Missale Romanum. Reeks Latinitas christianorum primæva. Nijmegen-Utrecht, 1966, p. 150)).
T o e l i c h t i n g
De H. Eucharistie is tegelijk een Sacrament (de Latijnse christelijke vertaling van Tertullianus van het Griekse mysterium) en een Offer (hostia, munus, oblatio, sacrificium enz.). Beide wezenlijke elementen zijn ten nauwste met elkaar verbonden, want gedurende het offer, wordt het Slachtoffer, dat wij nuttigen, geconsacreerd. De nuttiging is, volgens de algemene leer, geen wezenlijk bestanddeel van het Sacrament, maar wel een integrerend, aanvullend deel, omdat wij daardoor zelf komen tot deelname aan de gevoelens van het offerlam Jezus Christus en aan de vruchten van het offer.
Het eigenlijke verschil tussen het Offer en het Sacrament bestaat hierin, dat het eerste rechtstreeks tot Gods glorie strekt, terwijl het tweede onmiddellijk de heiliging van onze ziel tot doel heeft. Maar omdat deze twee doeleinden slechts één zijn – God kennen en beminnen is Hem verheerlijken – strekken beide tot onze geestelijke vooruitgang.

Het eucharistisch Offer verheerlijkt primair God en wel op volmaakte wijze, omdat Jezus door bemiddeling van de priester aan zijn Vader opnieuw opdraagt al die akten van aanbidding, dank en liefde, die Hij Hem eens opdroeg, toen hij zich slachtofferde op Calvarië. Deze akten zijn van oneindige waarde. Door zich als Slachtoffer op te dragen erkent Hij op de meest uitdrukkelijke wijze Gods opperheerschappij over alles: dit is de aanbidding. Door zich zelf aan God te geven om zijn weldaden te erkennen, schenkt Hij Hem lof en eer, evenredig aan de weldaden: het is de dankzegging of de Eucharistische eredienst. Daarbij staat niet het bereiken van het beoogde doel in de weg, zelfs niet de onwaardigheid van de bedienaar (m.a.w. dit doel wordt bereikt ex opere operato, uit kracht van het offer zelf), want de waarde van het offer hangt niet wezenlijk af van degene die het op ondergeschikte wijze opdraagt, maar van de prijs die Christus, geofferd op het kruis, heeft betaald en van zijn waardigheid van Hem, in wiens persoon de priester offert. Het Concilie van Trente leert immers dat deze allerzuiverste offerande niet bezoedeld wordt door de onwaardigheid of boosheid van die deze opdragen; dat in dit goddelijk Offer bevat is en op onbloedige wijze geofferd wordt dezelfde Christus, die op het altaar van het Kruis zich op bloedige wijze heeft opgedragen. Het is dus, zo voegt het concilie toe, dezelfde offeraar, die nu door de bediening van de priester zich opdraagt en zich weleer opdroeg op het Kruis, alleen de wijze van offeren is verschillend (Sess. XXII, Cap. I-II).
Hieruit volgt dat wanneer wij aan de H. Eucharistie deelnemen, wij God al de hulde geven welke Hem toekomt en dat wel op de meest volmaakte wijze, omdat het huldebetoon van Jezus Christus als geofferd Paaslam het onze wordt.
Dit heeft alles met onze heiliging te maken, want wanneer wij God verheerlijken, neigt Hij zich met liefde tot ons. Hoe meer wij ons inspannen Hem de glorie te schenken die Hem toekomt, hoe meer ook Hij voor onze geestelijke belangen bezorgd is. Wij bevorderen onze heiliging dus ten zeerste als wij ons van onze plichten jegens Hem kwijten, in vereniging met Christus , die zich dag in dag uit opnieuw aan Hem opdraagt op het altaar.
(S. Thom. Summa III, quæst. LXXIX; Suarez, Disp LXIII, e.a.)

Christenen zijn geroepen bij alles wat zij in hun leven doen de ware eer aan God te brengen.
Ieder aspect van het bestaan is derhalve opgenomen in de nieuwe christelijke eredienst en wordt erdoor omgevormd: ‘Of gij dus eet of drinkt, of wat gij ook doet, doet alles ter ere Gods” (1 Kor 10, 31).
Wanneer nu de H. Eucharistie betrokken wordt op de concrete alledaagse menselijke werkelijkheid, maakt zij van dag tot dag een omvorming van de mens mogelijk. Wij zijn immers uit genade geroepen het evenbeeld van de Zoon van God te zijn (Cf Rom 8, 29 e.v.).
De eredienst kan in het menselijk leven niet beperkt blijven tot een bijzonder privé-moment, maar wil op natuurlijke wijze tot ieder aspect van de menselijke werkelijkheid doordringen. De H. Paulus onderstreept deze toewijding aan God in het 2e deel van zijn Brief aan de Romeinen (12, 1-2): ‘Ik vermaan u, broeders bij de erbarming Gods uzelf aan te bieden als een levend, heilig, aan God welgevallig offer. Dit is de geestelijke eredienst die u past. Stemt uw gedrag niet af op deze wereld; wordt andere mensen, geleid door een nieuw inzicht, zodat gij kunt onderscheiden wat God wil, wat goed is, Hem welbehaaglijk en volmaakt’.
De eredienst die God welgevallig is, wordt zo tot een nieuw beleven van alle omstandigheden van het leven, waarbij ieder aspect een innerlijke verdieping kan ervaren, omdat het beleefd wordt in een persoonlijke relatie tot Christus en in overgave aan God.
De H. Irenæus drukt het in zijn tractaat Tegen de ketters (IV, 20, 7) kernachtig uit: ‘Gloria enim Dei vivens homo, vita autem hominis visio Dei’ : de verheerlijking van God is de levende mens, het leven van de mens echter is de aanschouwing van God (SC71).

Deelnemen aan de liturgie van de H. Eucharistie – betekent bewust met hoofd en hart ook het Gebed over de gaven mee-bidden – en het Lichaam en Bloed van Christus ontvangen, betekent tegelijk het verinnerlijken en verdiepen van de verbondenheid met Hem die voor ons gestorven is, in het graf gelegd en is verrezen (cf 1 Kor 6, 19 e.v.; 7, 23). Werkelijk, wie Christus nuttigt, leeft door Hem. Jezus schenkt in de H. Eucharistie niet ‘iets’,  maar zichzelf. Hij geeft zijn Lichaam als Offer en vergiet zijn Bloed, daarmee geeft Hij zichzelf en de bron van zijn liefde: ‘Het echte brood uit de hemel wordt u door mijn Vader gegeven, want het brood van God daalt uit de hemel neer en geeft leven aan de wereld’ (Jo 6, 32-33). Zelfs zegt Hij: ‘Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. Wie mijn Vlees eet en mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Hij die Mij eet, zal leven door Mij’ (cf Jo 6, 51.56.57).

Christus en Zijn Kerk zijn niet van elkaar te scheiden. “Zo delen wij in het Lichaam en Bloed van Christus en wij smeken U dat wij door de Heilige Geest worden vergaderd tot één enige kudde” (Prex Eucharistica II vertaling B) -SC15. H. Paus Johannes Paulus II noemde de H. eucharistie “de hoogste sacramentele manifestatie van de communio in de Kerk” (Ecclesia de Eucharistia 38). Iedere christen ontdekt iedere zondag ook de gemeenschappelijke dimensie van het eigen verloste leven. Deelnemen aan de liturgische handeling betekent tegelijk het verinnerlijken en verdiepen van de verbondenheid met Hem die voor ons is gestorven (vgl. 1 Kor 6 19 e.v.; 7, 23 SC76). Laten we zo de dag des Heren vieren: als dag van Verrijzenis en Verlossing!

(nummers hiervoor genoemd met aanduiding SC:  Benedictus XVI, Sacramentum caritatis. Over de Eucharistie, bron en hoogtepunt van het leven en de zending van de Kerk, 22 februari 2007)

T h o m a s   a  K e m p i s   o v e r   d e  H.  E u c h a r i s t i e

Boek III, hfd. 9, v.9
9 Stuur dan alles bijzonder tot Mij, want Ik ben het, die het al gegeven heb. Aanzie alle dingen als vloeiende uit het opperste goed;  en dan zult gij weten dat alles tot Mij moet wederkeren, als tot zijn oorsprong.

Boek III, hfd. 22, v. 5
5 Al wat wij hebben naar ziel en lichaam, alles wat wij inwendig of uitwendig, natuurlijk of bovennatuurlijk bezitten, zijn weldaden van U, en zij verkondigen dat Gij een milde, genadige, en goedertieren gever zijt, van wie wij alle goed ontvangen hebben.

Boek IIII, hfd. 17,
11. Daarom bied ik U aan en leg ik voor U neer al de jubel, de vurige liefde, de geestelijke verrukkingen met de bovennatuurlijke verlichtingen en hemelse visioenen van al de U toegewijde harten met alle deugden en met al de lofprijzingen van alle schepselen in de hemel en op aarde gebracht en nog te brengen, voor mij en al degenen die mij in het gebed zijn aanbevolen, opdat Gij door allen waardig moogt worden geprezen en in eeuwigheid verheerlijkt.
12. Aanvaard mijn wensen, Heer mijn God, en mijn verlangens naar uw oneindige lofprijzing en ongemeten verheerlijking, die U volgens de veelheid van uw onuitsprekelijke grootheid terecht verschuldigd zijn.
13. Dit geef ik U terug en verlang ik U terug te geven iedere dag en op alle ogenblikken van de tijd, en om met mij U te loven en dank te zeggen nodig ik alle hemelse koren en al uw gelovigen uit en smeek hen met liefdevol gebed.
14. Mogen alle volken en stammen en talen U loven en uw heilige zoetvloeiende naam met de grootste blijdschap en vurige godsvrucht verheerlijken.

P i e r r e   J u l i e n  E y m a r d [1811-1868]: 
e e n  E u c h a r i s t i s c h e  H e i l i g e

Pierre Julien Eymard werd in 1811 geboren in de plaats La Mure in Frankrijk. Na zijn priesterwijding was hij enkele jaren werkzaam in het pastoraat en trad daarna in bij de Maristen. Hij had een buitengewone verering voor het mysterie van de Eucharistie en stichtte congregaties zowel voor mannelijke als vrouwelijke kloosterlingen die zich bijzonder toelegden op de verering van de eucharistie. Om de liefde voor de heilige Eucharistie te bevorderen bij de volkeren van elke streek nam hij vele daartoe geëigende initiatieven. Op 1 augustus 1868 stierf hij in zijn geboorteplaats.

DE EUCHARISTIE: HET SACRAMENT VOOR HET LEVEN.
De Eucharistie is het leven voor alle volkeren. De Eucharistie geeft aan hen het begin van het leven. Allen kunnen bijeenkomen om de heilige feesten van de Kerk te vieren zonder enige belemmering op grond van volk of taal. De Eucharistie schenkt aan hen de wet van het leven, ja zelfs van de liefde, waarvan dit sacrament de bron is. Om die reden en door haar aard brengt zij tussen hen een gemeenschappelijke band tot stand, een soort christelijke verwantschap. Allen eten hetzelfde brood, allen zijn gast van Jezus Christus, die onder hen op bovennatuurlijke wijze de eensgezindheid van een broederlijk gedrag tot stand brengt. Leest toch de Handelingen van de Apostelen. Die bevestigen dat de menigte van de eerste christenen, bekeerlingen uit Judea en gedoopte heidenen, uit verschillende streken afkomstig, één van hart waren en één van ziel. Waarom? Omdat zij zich ernstig toelegden op de leer van de apostelen en ijverig waren in het breken van het Brood.
De Eucharistie is zonder twijfel het leven voor de ziel en de menselijke gemeenschap, zoals de zon het leven is voor het lichaam en heel de aarde. Zonder zon is de aarde onvruchtbaar; de zon schenkt haar vreugde, pracht en overvloed; en zij geeft aan het lichaam werkzame kracht en schoonheid. Tegenover dit wonderlijk gebeuren moet het ons niet verwonderen dat de heidenen de zon als de god van de wereld vereerd hebben. Want het hemellichaam van de dag geeft gehoor aan, en is onderdanig aan de hoogste Zon, het Woord van God, Jezus Christus. Hij verlicht alle mensen die in deze wereld komen, en is zelf door de Eucharistie, het sacrament van het leven, werkzaam in het binnenste van de ziel. Op deze wijze vormt Hij gezinnen en volkeren en maakt Hij de ziel die getrouw is, die deze verborgen schat vindt, die de dorst verdrijft met de bron van leven, die dikwijls dit Brood ten leven nuttigt, gelukkig, ja zelfs zeer gelukkig.
De gemeenschap van de christenen vormt bovendien een gezin. De band tussen haar leden is de Eucharistische Jezus. Hij is de vader die de tafel voor het gezin gereedmaakt. De christelijke verbondenheid is afgekondigd op het laatste avondmaal samen met het vaderschap van Jezus Christus. Hij noemde zijn apostelen ‘kindertjes’, namelijk ‘mijn zonen’, en aan hen gaf Hij de opdracht om elkaar lief te hebben zoals Hij hen had liefgehad.
Bij de heilige maaltijd zijn allen zonen, die dezelfde spijs ontvangen. Daardoor komt de heilige Paulus tot de conclusie dat zij één gezin vormen, hetzelfde lichaam, omdat allen deelhebben aan het ene Brood, dat Jezus Christus is. De Eucharistie geeft tenslotte aan de christelijke gemeenschap de standvastigheid om de wet van respect en liefde jegens de naaste te onderhouden. Jezus Christus geeft het gebod zorg te dragen voor zijn broeders en dezen lief te hebben. Daarom neemt Hij de gestalte aan van ieder van hen: ‘Al wat gij gedaan hebt voor een van deze geringsten van mijn broeders en zusters, hebt gij voor Mij gedaan’; Hijzelf geeft zich aan een ieder door de Heilige Communie.

(Uit de geschriften van de heilige priester Pierre Julien Eymard (La Présence réelle, band I, Parijs 1950, blz. 270-271 en 307-308)

Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica XXIII per annum 23e zondag door het jaar Laten wij door deze grote gaven altijd mogen delen in het leven van Uw Zoon.


Het Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)


 Laten wij door deze grote gaven altijd mogen delen in het leven van Uw Zoon

I n l e i d i n g
Sinds het IIe Vaticaanse Concilie worden vaak de begrippen “Tafel van het Woord” en Tafel van het H. Sacrament” gebruikt. Deze begrippen vormen  de basis voor de formulering van de postcommunio van vandaag: door de spijs van zijn Woord en van het hemelse Sacrament voedt God de gelovigen en schenkt hen nieuwe levenskracht. 

In zijn Apostolische Brief Dies dominica (Over de heiliging van de zondag) van 31 mei 1998 verheldert paus Johannes-Paulus II in nr. 39 de samenhang van deze beide tafels:
“Bij de zondagse samenkomst heeft, zoals bij elke Eucharistieviering, de ontmoeting met de Verrezen Heer plaats door het deelhebben aan de tafel van het Woord en aan de tafel van het Brood des Levens. De eerste blijft voortdurend inzicht verschaffen in de heilsgeschiedenis en met name in het paasmysterie waarin Jezus na zijn verrijzenis zijn leerlingen zelf heeft binnengeleid. Hij zelf spreekt, want Hij is aanwezig in zijn Woord "wanneer de heilige Schriften in de kerk gelezen worden" (IIe Vaticaans Concilie, Constitutie Over de heilige Liturgie, Sacrosanctum Concilium [SC] (4 dec 1963), 7. Aan de tweede tafel wordt de werkelijke, substantiële en duurzame aanwezigheid van de verrezen Heer voltrokken door de gedachtenis van zijn lijden, sterven en verrijzen. En het levensbrood, dat het onderpand is van de heerlijkheid die zal komen, wordt daar aangeboden. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft erop gewezen, dat "de liturgie van het woord en de eucharistische liturgie zo nauw met elkaar verbonden zijn, dat zij één enkele daad van eredienst uitmaken" (SC 56).
De gaven van de door de Vader geliefde Zoon (Filius dilectus) zijn groot. Zij dienen tot opvoeding en groei zoals de Postcommunio vraagt. Beide gaven stromen uit de Bron des Levens, het Hart van God de Zoon, en geven dit goddelijk leven op wonderlijke wijze door aan hen die verlost zijn, totdat zij aan dit goddelijk leven eens in een eeuwige gemeenschap met Christus deel zullen hebben.

T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Da fidelibus tuis, Domine,
quos et verbi tui et caelestis sacramenti pabulo
nutris et vivificas,
ita dilecti Filii tui tantis muneribus proficere,
ut eius vitæ semper consortes effici mereamur.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Heer, door uw woord en sacrament schenkt Gij uw gelovigen voedsel en nieuwe levenskracht.
Laat deze grote gaven van uw beminde Zoon ons zó ten goede komen
dat wij voor altijd mogen delen in zijn leven.

Werkvertaling
Verleen, Heer, uw gelovigen,
die Gij met het voedsel van zowel uw Woord en uw hemels Sacrament voedt en levenskracht schenkt,
zo te vorderen door de zo grote gaven van uw geliefde Zoon,
dat
wij het waardig zijn/verdienen voor altijd deelgenoten gemaakt te worden aan/van Zijn leven.

B i j b e l s e   r e f e r e n t i e s
Deut 8,3
Want Hij wilde dat jullie zouden begrijpen dat een mens niet alleen van brood leeft. Een mens leeft óók van elk woord dat God spreekt.
Mt 4,4
Niet van brood alleen leeft de mens, maar van alles wat uit de mond van God voortkomt.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
De tekst van de postcommunio van deze zondag vinden we niet in vroegere edities van het Missale Romanum, maar er zijn belangrijke tekstsporen in het Missale Parisiense van 1738.
Zoals in zovele vertalingen in het Nederlands Altaarmissaal volgt ook de vertaling van de postcommunio van vandaag een gemakkelijke route door de tekst op te splitsen in meer dan een zelfstandige zin. Voor een goed begrip en inzicht in de Latijnse oraties lijkt het ons veel beter trouw te blijven aan de brontekst en de één zins-structuur te bewaren, zelfs als dat resulteert in zinnen die ingewikkelder zijn dan die men gewoonlijk gebruikt. Ik denk niet dat de oraties  gereduceerd moeten worden  tot de simplistische taal van het alledaagse leven. “Authenticam Liturgiam”, de Vijfde Instructie van de Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten, 28 maart 2001, "betreffende de juiste uitvoering van de Constitutie over de Liturgie van het Tweede Vaticaans Concilie" geeft richtlijnen bij nr. 57, dat handelt over het gebruik van de volkstaal in de uitgaven van de Romeinse Liturgie: “De kenmerkende eigen aard van de Romeinse ritus, die de zaken kernachtig kort en tamelijk beknopt uitdrukt, moet zoveel mogelijk in de vertaling bewaard blijven. Daarenboven moet men in de diverse delen van de liturgische boeken voor zover het doenlijk lijkt, voor dezelfde uitdrukking eenzelfde wijze van vertalen handhaven.Ook lezen we in br. 57 sub a): Het verband tussen wat gezegd wordt zoals dat blijkt in ondergeschikte en relatieve zinnen, in de schikking van de woorden en in verschillende vormen van parallellisme dienen zo mogelijk volledig gehandhaafd te worden op een manier die aan de volkstaal is aangepast”. Het is goed dat ook in Nederland een nieuwe vertaling van het Romaine Altaarmissaal op komst is op basis van de principes van Authenticam Liturgiam.

T e x t u e l e  a n a l y s e
1. Da fidelibus tuis, Domine,
quos et verbi tui et caelestis sacramenti pabulo
nutris et vivificas,
2. ita dilecti Filii tui tantis muneribus proficere,
3. ut eius vitæ semper consortes effici mereamur.

De oratie bestaat uit één enkele volzin, opgebouwd uit een hoofdzin (Da…proficere, r. 1-2) met een ingesloten relatieve bijzin quos … vivificas,  waarin de bede wordt geformuleerd, gevolgd door een finale / consecutieve bijzin in de coniunctivusvorm afhankelijk van het bijwoord ut, waarin het effect van het gevraagde wordt verwoord.
Ad 1
Da, geef/verleen – prædicaat in de imperativusvorm enkelvoud van het verbum dare.
Domine, [o] Heer – aanspreekvorm van God in de vocativusvorm van Dominus.
Fidelibus tuis, aan uw gelovigen, - bijwoordelijke bepaling in twee congruerende dativusvormen (dativus commodi, van voordeel).
Quos..vivificas, relatieve bijzin die nadere uitleg geeft over de in regel 1 genoemde fidelibus tuis: die Gij met het voedsel van uw woord en van het hemels sacrament voedt en ten leven wekt/levenskracht geeft.
Quos, die – object van in de accusactivusvorm meervoud van qui behorend bij de beide prædicaten nutris et vivificas die in de indicativusvorm præsentis 2e persoon singularis staan, omdat voor de gelovigen de levenwekkende en voedende kracht van het Eucharistisch voedsel een realiteit is. Het subject van de prædicaten is de tweede persoon, Gij, die hier voor God staat, gezien de aanhef Domine in r. 1. De relatieve bijzin vermeldt een heilsdaad van God die tevens een titel is op grond waarvan men het gevraagde effect in r. 3 hoopt te verkrijgen. De aanspreekvorm “Heer”, als soevereine titel voor God, wordt in de oratie door de aansluitende relatieve bijzin tot de rang van lofprijzing verheven.
Et verbi tui et cælestis sacramenti pabulo, met het voedsel van uw woord en uw hemels sacrament – bijwoordelijke bepaling bestaande uit de ablativusvorm pabulo (ablativus instrumentalis) die gevolgd wordt door twee bijvoeglijke bepalingen in de genitivusvorm (de congruerende genitivi verbi tui en cælestis sacramenti ) die door het repeterende et…et nadrukkelijk met pabulo zijn verbonden.
Ad 2
ita dilecti Filii tui tantis muneribus proficere, zó door de zo grote gaven van uw geliefde Zoon te vorderen: vervolg van de hoofdzin met infinitivusvorm proficere als 2e prædicaat.
Ita, zo, aldus –bijwoordelijke bepaling.
Dilecti Filii tui tantis muneribus, met/door de zo grote gaven van uw geliefde Zoon – bijwoordelijke bepaling opgebouwd uit de congruerende ablativusvormen tantis muneribus (ablativus instrumentalis) en uit de bijvoeglijke bepaling dilecti Filii tui, van uw geliefde Zoon, drie congruerende genitivusvormen (genitivus explicativus).
Ad 3
ut eius vitæ semper consortes effici mereamur.
Finale/doelaanwijzende resp. consecutieve / gevolgaanduidende bijzin in de coniunctivusvorm, bepaald door het voegwoord ut.
[Ut] …mereamur effici consortes, opdat wij verdienen deelgenoot te worden – prædicaat, samengesteld uit de coniunctivusvorm mereamur (1e pers. pluralis præsentis van het deponens mereri, verdienen) en de infinitivus effici consortes als predicatieve bepaling bij het in mereamur opgesloten subject nos/wij.
Eius vitæ, [aan] zijn leven – bijvoeglijke bepaling in twee congruerende genitivusvormen bepaald door het substantivum consortes (afgeleid van het adiectivum consors, - tis)
Semper, altijd – bijvoeglijke bepaling van tijd.
S t i j l f i g u r e n
Gewone congruentieregel:
fidelibus tuis, verbi tui en cælestis sacramenti (regel 1),
dilecti Filii tui en tantis muneribus (r. 2).
Alliteratie: tui tantis (r. 2)
Veelvuldige aanwezigheid van de i-klank.
Et…et: repetitio die een nadruk bewerkt

K l e i n  v o c a b u l a r i  u m

Pabulum, -i, onz.
heeft de volgende betekenissen: 1. voer, veevoer 2. voedsel, spijs (ook voor de geest)3. beet 4. genot, lust. In het liturgisch Latijn staat de term pabulum voor eucharistisch voedsel en is synoniem met “panis, alimentum, alimonia, esca, refectio, cibus. Voorbeelden:
“Cælesti pabulo refecti”, verkwikt door de hemelse spijs (Postcomm.  16 juni pro aliis locis, MR 1962);
“ut […] hoc salutari pabulo nutriantur”, dat zij met deze heilzame Spijs worden gevoed (secreta 28 mei, MR 1962).
“ita cælestis eius (sancti) doctrinæ pabulo nutriamur”,  [dat wij] zo met de spijs van haar hemelse leer worden gevoed (15 okt., S. Teresiæ or., MR 1962)

Nutrire, -ivi, -itum naast nutricare
Betekenissen: 1. zogen, voeden 2. onderhouden, verzorgen, 3. opvoeden. Nutrix, - icis, voedster; nutricius, -ii naast nutritius: opvoeder, pleegvader, Voedstervader (St. Jozef). Nutrimentum, -i, voedingsmiddel (denk aan Nutricia babyvoeding, nutidrink enz.)
In liturgisch Latijn verband: voeden, te eten geven (sprekend over het manna) en in eucharistische context:  “ut […] hoc salutari pabulo nutriantur”, dat zij met deze heilzame Spijs worden gevoed (zie hierboven).
“et plebem tuam sanctam caritate præveniant, verbo nutriant, reficiant sacramentis”,  dat zij uw heilig volk in liefde voorgaan, voeden met uw woord, versterken met uw sacramenten (Prefatie Chrismamis op Witte Donderdag, MR 1970).

Consortes
Voor de genade van dit goddelijk leven of het eeuwige leven van, met en in God, respectievelijk Christus, heeft het liturgisch Latijn, naast “hereditas”, de twee begrippen: “participatio” en “consortium”.
De eerste term duidt op het “aandeel” aan dit oneindig verheven leven; de uitdrukking is echter in velerlei opzicht onvolkomen, als zou het eeuwige leven iets zijn waarvan degene die deze genade ontvangt, een deel krijgt. De tweede term heft dit mogelijk misverstand op met de uitdrukking “gemeenschap”; “consors” betekent letterlijk: met een ander een nog onverdeeld vermogen of goed bezittend, in gemeenschap van goederen levend.
Ofschoon de Zoon van God bij zijn intrede in de wereld, in de tijd, een ‘consortium’ met de mensheid aanging, is dit consortium toch geen gemeenschap, waarin de partners  - God en de mens, - een gelijkwaardig deel van zichzelf aan de ander schenken, ook al neemt Hij van het onze en maakt Hij door zijn kruisdood de mensen tot kinderen van God, uiteindelijk is het God  die het tot de eeuwige glorie verheven schepsel bekleedt met goddelijke heerlijkheid en gelukzalige eeuwigheid. 
Beide begrippen,”participatio” en “consortium” horen bijeen, dekken en vullen elkaar aan. ‘God gaat bij de gelukzaligen in en uit’: beter kan de menselijke taal zich tegenover deze goddelijke volmaaktheid niet uitdrukken. 

U i t   d e   k e r k e l i j k e   d o c u m e n t e n
In de dogmatische Constitutie Dei Verbum, over de goddelijke Openbaring, van het IIe Vaticaans Concilie, 18.11.1965, nr. 21, wordt het voedende en levenschenkende effect van het Woord van God inzichtelijk verhelderd.
“De Kerk heeft de goddelijke geschriften (Verbum Domini) steeds zo vereerd als ook het Lichaam van de Heer zelf. Want zij neemt, vooral in de heilige liturgie, voortdurend van de tafel van het Woord van God en van het Lichaam van Christus het brood des levens en  biedt dit aan de gelovigen aan. Deze geschriften, door God geïnspireerd en eens voor al opgetekend, delen het woord van God zelf onveranderlijk mee en doen in de woorden van de profeten en apostelen de stem van de Heilige Geest weerklinken. Daarom aanvaardt de Kerk, zoals zij steeds heeft gedaan, deze geschriften samen met de heilige overlevering als haar hoogste geloofsregel. Alle kerkelijke prediking  en de christelijke godsdienst zelf moeten derhalve door de Heilige Schrift worden gevoed en beheerst. Want in de heilige boeken treedt de Vader die in de hemel is liefdevol zijn kinderen tegemoet en spreekt met hen. Zo groot is de macht en kracht van het woord van God, dat het voor de Kerk het steunpunt en de levenskracht is en voor de kinderen van de Kerk de kern van hun geloof, de spijs voor hun ziel en de zuivere en bestendige bron van hun geestelijk leven. Daarom gelden van de Heilige Schrift bij uitstek de woorden: “Levend is het woord Gods en krachtig” (Hebr 4, 12), “dat de macht bezit op te bouwen en u het erfdeel te verlenen met alle geheiligden”(Hand 20, 32; vgl. 1 Tess 2, 13).
In het Decreet Perfectæ Caritatis, over de aangepaste vernieuwing van het religieuze leven, 28 oktober 1965, eveneens uitgevaardigd door het IIe Vaticaans Concilie, worden de religieuzen in nr. 6 aangespoord vóór alles zorg te dragen voor het geestelijk leven met als referentiepunten “de tafel van de goddelijke wet en van het heilige altaar”: “ (…) De leden van de instituten moeten de geest van gebed en het gebed zelf met volhardende ijver verzorgen, daarbij puttend uit de echte bronnen van de christelijke spiritualiteit. In de eerste plaats echter dienen zij dagelijks de Heilige Schrift ter hand te nemen, om zich door de lezing en de overweging van de goddelijke boeken ‘de alles overtreffende kennis van Christus Jezus’ (Fil 3,8) eigen te maken. De heilige liturgie en vooral het heilig mysterie van de Eucharistie zullen zij volgens de geest van de Kerk met hart en mond vieren en hun geestelijk leven voeden uit deze allerrijkste bron. Aldus gesterkt aan de tafel van de goddelijke wet en van het heilig altaar, moeten zij de ledematen van Christus broederlijk beminnen enz. (…).”
O v e r w e g i n g
In de teksten van de Postcommunio’s  wordt zeer dikwijls gerefereerd aan de effecten van de H. Eucharistie of de uitwerking die het ontvangen van de H. Communie op de gelovigen heeft. Bij het horen van de Latijnse tekst van de Postcommunio van deze zondag valt de nadruk op het maaltijdkarakter van de H. Eucharistie op.
In de nacht dat Hij werd overgeleverd (1 Kor 11,23) stelde de Heer Jezus het Eucharistisch Offer van zijn Lichaam en Bloed in. Het is tegen de achtergrond van zijn overgeleverd worden, van zijn vastberaden wil om naar Jeruzalem te gaan, van zijn uiterste overgave, dat de H. Eucharistie ontstond. Onmiskenbaar draagt de H. Eucharistie het onuitwisbaar kenmerk van het lijden en sterven van de Heer en is niet slechts een gedachtenis aan, maar de tegenwoordigstelling van deze gebeurtenis.
De H. Eucharistie is zijn gave bij uitstek, want het is de Zelfgave van de Zoon van God, de gave van zijn Persoon in zijn heilige mensheid, evenals de gave van zijn verlossingswerk, die alle tijden overstijgt en in alle tijden tegenwoordig wordt gesteld (Katechismus van de Katholieke Kerk [KKK], 1085).
Als de Kerk de H. Eucharistie viert, de gedachtenis aan de dood en verrijzenis van de Heer, vindt deze centrale gebeurtenis werkelijk plaats en “wordt het werk van onze verlossing voltrokken” (Constitutie IIe Vatic. Conc. Lumen gentium, 3). Jezus ei niet alleen dat wat Hij de Apostelen bij het Laatste Avondmaal te eten en te drinken gaf zijn Lichaam en Bloed was, Hij benadrukte tevens het offerkarakter en stelde zijn Offer, dat kort daarna zou worden gebracht op het kruis, tot heil van alle mensen, sacramenteel tegenwoordig.
De Mis is tegelijk en onafscheidelijk de gedachtenis van het Offer, waarin het Kruisoffer vereeuwigd wordt, en van het heilig Gastmaal dat bestaat in de gemeenschap met het Lichaam en Bloed van de Heer” (KKK, 1382).

In de laatste vier decennia hebben we allerlei typeringen van de H. Mis kunnen horen die het maaltijdaspect van de liturgische handeling onderstrepen soms zodanig dat het offerkarakter van de Mis praktisch zo is vervaagd als was het uitgewist. We hebben ook gezien dat de accentuering van het meer confortabele maaltijdaspect kan leiden tot een keuze van een liturgisch stijlvorm, die, om het nog zacht te zeggen, afstand neemt van de traditionele Romeinse ritus. Met het reduceren van de H. Eucharistie tot een ‘Maaltijd’ gaat ook een bepaalde kameraadschappelijkheid, viering, gemeenzaamheid en zelf informaliteit (zoals in combinatie met culturele evenementen) hand in hand.

Terwijl het maaltijdkarakter als meer ‘horizontaal’ kan worden getypeerd, is het offerelement beslist ‘verticaal’. De gedachte aan het ‘offer’ kan de mensen juist tot inkeer, nederigheid en rust brengen. Hierbij is uiteraard de stijl van de altaardienst, de inhoud van de homilieën, de keuze van de muziek, de kwaliteit van de liturgische gewaden, enzovoort, van niet geringe invloed. Juist aan de hand van deze verheven elementen leren de gelovigen die aan het Eucharistisch Offer deelnemen, dat de oorsprong en het hoogtepunt van heel het christelijk leven is, het goddelijk Offerlam met de celebrant aan God op te dragen en zichzelf met Christus aan Hem. Dat brengt als het tenminste goed is- ons tot nederigheid: “Heer, ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt maar spreek slechts een woord en ik zal gezond worden”, zie ook de lectio altera van vandaag van de H. Paus Leo de Grote.

De H. Mis omvat het maaltijd- en het offerkarakter in een dynamische eenheid. Dynamisch kan onze Moeder de H. Kerk van dag tot dag, van week tot week en van liturgische tot liturgische tijd het ene aspect sterker dan het andere in het licht brengen, naargelang liturgische tijd en feest. Daarom is leven met de liturgische tijd zo belangrijk – en dat liefst met een hogere frequentie dan alleen op zon- en feestdagen. Ook binnen de context van een H. Mis geldt deze dynamiek en kan een deelnemende gelovige soms meer voor het ene dan voor het andere ontvankelijk zijn: gebed of actie, stilte of zelfs rust en daarin de juiste balans bewaren door de maaltijd te beschouwen in het kader van het offerkarakter en vice versa. Voor de celebrant geldt hierbij dat hij in beide opzichten ‘minister’ (bedienaar) is, in die zin dat hij een bediening (ministerium; van het Latijnse ministrare dat bij verschillende betekenissen ook betekent ‘het uitdelen van voedsel’) uitoefent, maar ook als priester/slachtoffer eveneens het Offer opdraagt en wordt geofferd op het altaar, dat tegelijkertijd een ‘tafel’ is.
De Postcommunio van deze zondag roept ons op te overwegen hoe God het werk van zijn genade in ons tot stand brengt door het gastmaal dat Hij ons in en door de H. Mis aanbiedt. Hij voedt ons met Zichzelf, is Zelf tegenwoordig zowel in het sacrale Schriftwoord als in het Sacrament van zijn allerkostbaarst Lichaam en Bloed. Zonder te vergeten dat dit mogelijk is gemaakt door het unieke Offer op Calvarië, kunnen we toch van tijd tot tijd eenvoudig rusten aan en in het Hart van de Heer, terwijl Hij ons zijn Eucharistisch Brood schenkt, zoals de Apostel Johannes deed op de avond dat Hij werd verraden. Iedere keer dat U deelneemt aan de H. Mis wordt U daartoe de kans geboden – en of het vruchten draagt, ligt geheel aan U -Christus is er altijd, hodie, heri, semper – vandaag, gisteren en altijd! Veel devotie!


vrijdag 3 september 2021

Benedictus XVI "Het onderricht van Gregorius de Grote" -- Wat voor hem méér dan alles telt, is de hele boog van de heilsgeschiedenis, die doorgaat met zich af te wikkelen te midden van de duistere meanders van de tijd.

Benedictus XVI
"Het  onderricht van Gregorius de Grote"

Toespraak algemene audiëntie 4 juni 2008

“Juist omdat Gregorius ‘dienstknecht van de dienstknechten’ was, is hij groot en laat hij ook  ons de maat zien van ware grootheid”.

Ondanks de veelvoudige verplichtingen die met zijn taak als bisschop van Rome samenhingen, heeft paus Gregorius de Grote ons talrijke werken nagelaten, waaruit de Kerk in de loop der eeuwen rijkelijk heeft geput. Naast de aanzienlijke verzameling brieven – het Register waar ik eerder naar verwees, bevat meer dan achthonderd brieven – heeft hij ons vooral geschriften nagelaten van exegetische aard, waaronder met name opvallen het Moreel commentaar op (het Boek) Job, bekend onder de Latijnse titel Moralia in Job, de Homilieën over Ezechiël, en de Homilieën over de Evangelies. Vervolgens is er een belangrijk werk van hagiografische aard, de Dialogen, door Gregorius geschreven ter stichting van de Langobardische koningin Theodolinda. Het voornaamste en meest bekende werk is zonder twijfel de Regula Pastoralis, die de paus – met duidelijke programmatische bedoelingen – aan het begin van zijn pontificaat schreef.

Willen we deze werken in het kort de revue laten passeren, dan moeten we allereerst opmerken dat Gregorius zich in zijn geschriften nooit bekommerd toont om het schetsen van ‘zijn eigen’ leer, zijn eigen oorspronkelijkheid. Veeleer beoogt hij zich tot echo te maken van de overgeleverde leer van de Kerk, wil hij eenvoudig de mond van Christus en van de Kerk zijn op de weg die men moet  gaan om bij God te komen. Een goed voorbeeld daarvan vormen zijn exegetische commentaren: uit de H. Schrift, zo dacht hij, moet de christen niet zozeer theoretische kennis halen, als veeleer het dagelijkse voedsel voor zijn ziel, voor zijn leven als mens in deze wereld.

In de Homilieën over Ezechiël bijvoorbeeld, insisteert hij sterk op deze functie van de heilige tekst: de Schrift benaderen om gewoon het eigen verlangen naar kennis te bevredigen, betekent bezwijken voor de bekoring van de trots en zich aldus blootstellen aan het risico in ketterij te vervallen. De intellectuele nederigheid is de eerste regel voor wie, uitgaande van het heilig Boek, tracht door te dringen tot de bovennatuurlijke werkelijkheden. De nederigheid sluit uiteraard de serieuze studie niet uit, maar wil deze geestelijk nuttig zijn en het mogelijk maken door te dringen tot de diepere betekenis van de tekst, dan blijft de nederigheid onontbeerlijk. Alleen met deze innerlijke houding luistert men werkelijk en neemt men tot slotte de stem van God waar.  Van de andere kant, waar het gaat om het Woord van God, betekent begrijpen niets, als het begrip niet leidt tot het doen. In deze Homilieën over Ezechiël staat ook deze mooie uitdrukking, volgens welke “hij die preekt, moet [bij het schrijven van zijn preek] zijn pen indopen in het bloed van zijn hart, zo zal hij ook het oor van zijn naaste kunnen bereiken”. Bij het lezen van deze preken, ziet men dat Gregorius met het bloed van zijn hart geschreven heeft en daarom nog vandaag tot ons spreekt.

Deze gedachtegang ontwikkelt Gregorius ook in het Moreel commentaar op (het boek) Job. De patristieke traditie volgend, onderzoekt hij de tekst in de drie dimensies van zijn betekenis: de letterlijke, de allegorische en de morele, die dimensies zijn van de ene betekenis van de H. Schrift. Toch kent Gregorius aan de morele zin een duidelijk groter belang toe. Zijn gedachten in deze geeft hij weer door middel van enkele betekenisvolle woordparen – weten - doen, spreken - leven, kennen - handelen  – waarmee hij de twee aspecten van het menselijk leven benoemt die aanvullend zouden moeten zijn, maar die dikwijls elkaars tegengestelde worden. Het morele ideaal, zo schrijft hij in zijn commentaar, bestaat altijd in de verwezenlijking van een harmonieuze integratie tussen woord en handeling, tussen denken en inzet, tussen gebed en toewijding aan de plichten van de eigen levensstaat: dit is de weg waarlangs die synthese wordt verwezenlijkt waardoor het goddelijke afdaalt in de mens en de mens opklimt tot aan de vereenzelviging met God. De grote paus zet zo voor de oprecht gelovige een compleet levensproject uit; om deze reden zal het Moreel commentaar op (het boek) Job, in de loop van de Middeleeuwen een soort Summa vormen van de christelijke moraal.

Van opmerkelijk belang en schoonheid zijn ook de Homilieën over de Evangelies. De eerste daarvan werd gehouden in de basiliek van Sint-Petrus tijdens de Adventstijd van het jaar 590 en dus amper een paar maanden na zijn verkiezing tot paus; de laatste werd uitgesproken in de basiliek van Sint-Laurentius op de tweede zondag na Pinksteren van 593. De paus preekte voor het volk in de kerken waar de ‘staties’ werden gevierd – bijzondere gebedsplechtigheden in de sterke tijden van het liturgisch jaar of de feesten van de titelmartelaren.

Het inspirerend beginsel dat de verschillende toespraken samenbindt, wordt samengevat in het woord ‘praedicator’: prediker of verkondiger. Niet alleen de dienaar van God maar ook elke christen heeft de taak ‘prediker’ te worden van wat hij in eigen innerlijk heeft ervaren, naar het voorbeeld van Christus die mensgeworden is om aan allen de boodschap van heil te brengen. De horizon van deze taak is de eschatologische: de verwachting van de voltooiing in Christus van alle dingen is een constante gedachte van de grote paus en wordt uiteindelijk inspirerend motief van elk van zijn gedachten en activiteiten. Hieraan ontspringen zijn onophoudelijke oproepen tot waakzaamheid en tot de inspanning in goede werken.

De misschien meest organische tekst van Gregorius de Grote is de Pastorale Regel, geschreven in de eerste jaren van zijn pontificaat. Daarin neem Gregorius zich voor de figuur te behandelen van de ideale bisschop, meester en leidsman van zijn kudde. Met dat doel licht hij de zwaarte toe van de taak als herder van de Kerk en de plichten die zij met zich meebrengt: opdat degenen die niet tot zo’n taak geroepen zijn haar niet in oppervlakkigheid ambiëren, en opdat daarentegen degenen die haar zonder er naar behoren over te hebben nagedacht, hebben aanvaard, in hun ziel een passende huiver voelen ontstaan.

Een geliefd thema hernemend, stelt hij dat de bisschop bovenal een ‘prediker’ bij uitstek is: als zodanig moet hij vóór alles een voorbeeld voor anderen zijn, zodat allen zich naar zijn gedrag kunnen richten. Wil een pastorale handeling effectief zijn, dan vraagt dat vervolgens dat hij degenen op wie zij gericht is, kent en dat hij zijn woorden aanpast aan ieders situatie. Gregorius staat in zulke rake en precieze notities stil bij de beschrijving van de diverse categorieën gelovigen, dat terecht de een of andere dit werk ook als een psychologische verhandeling heeft kunnen zien. Hieruit begrijpt men dat hij zijn kudde echt kende en over alles sprak met de mensen van zijn tijd en van zijn stad.

De grote paus insisteert evenwel op de plicht die de herder heeft om dagelijks zijn eigen ellende te erkennen, zodat de trots het volbrachte goede in de ogen van de opperste Rechter niet ijdel maakt. Daarom is het slothoofdstuk van de Regula gewijd aan de nederigheid: “Wanneer men er behagen in schept veel deugden te hebben bereikt, is het goed na te denken over de eigen tekortkomingen en zich te vernederen: in plaats van het volbrachte  goede te bezien, moet men nagaan wat men verwaarloosd heeft te volbrengen”. Al deze kostbare aanwijzingen laten de hoge opvatting zien die Sint-Gregorius heeft over de zorg voor de zielen, door hem gedefinieerd als de ‘ars artium’, de kunst der kunsten [dat is de vaardigheid die alle andere overtreft]. De Regel werd een groot succes, zozeer dat – wat eerder een zeldzaamheid is – deze al gauw vertaald werd in het Grieks en in het Angelsaksisch.

Significant is ook het andere werk, de Dialogen, waarin Gregorius aan zijn vriend en diaken Petrus, die ervan overtuigd was dat de zeden inmiddels zo bedorven waren dat ze het onmogelijk maakten dat er zoals in vroeger tijden nog heiligen konden opstaan, het tegendeel bewijst: de heiligheid is altijd mogelijk, ook in moeilijke tijden. Hij bewijst het door het leven te verhalen van mensen die tijdgenoten waren of nog maar sinds kort overleden waren, die wel degelijk als heiligen konden worden gekwalificeerd, ook al waren ze niet heilig verklaard. De vertelling gaat gepaard met theologische en mystieke reflecties die van het boek een uitzonderlijke hagiografische tekst maken, die hele generaties van lezers heeft weten te fascineren. De stof wordt ontleend aan de levende overleveringen van het volk en heeft tot doel te stichten en te vormen, terwijl het de aandacht van de lezer trekt naar een reeks van vraagstukken zoals de betekenis van het wonder, de uitleg van de Schrift, de onsterfelijkheid van de ziel, het bestaan van de hel, de voorstelling van het hiernamaals, thema’s die een passende uitleg behoefden. Boek II is geheel gewijd aan de gestalte van Benedictus van Norcia en vormt het enige oude getuigenis over het leven van de heilige monnik, wiens geestelijke schoonheid uit heel de tekst duidelijk naar voren komt.

In het theologische plan dat Gregorius door zijn werken heen ontwikkelt, worden verleden, heden en toekomst met elkaar verbonden. Wat voor hem méér dan alles telt, is de hele boog van de heilsgeschiedenis, die doorgaat met zich af te wikkelen te midden van de duistere meanders van de tijd. Wat dit betreft is het significant dat hij de aankondiging van de bekering van de Angelen midden in het Moreel commentaar op Job plaatst: in zijn ogen vormde het gebeuren een bevordering van het Rijk Gods waarover de Schrift handelt; het kon dus met goede reden vernoemd worden in een commentaar op een heilig boek. Volgens hem moeten de leiders van de christengemeenschap zich inspannen de gebeurtenissen te herlezen in het licht van het Woord van God: in deze zin voelt de grote paus de plicht herders en gelovigen naar de geestelijke pelgrimstocht te leiden van een verlichte en concrete lectio divina, geplaatst in de context van het eigen leven.

Alvorens te besluiten is het passend een enkel woord te wijden aan de relaties die paus Gregorius onderhield met de patriarchen van Antiochië, Alexandrië en van Constantinopel zelf. Hij droeg er zorg voor, hun rechten te erkennen en te respecteren, zich hoedend  voor elke vorm van bemoeienis die er de wettige autonomie van zou begrenzen. Als de heilige Gregorius evenwel in de context van zijn historische situatie, zich verzet tegen de titel van ‘oecumenisch’ van de patriarch van Constantinopel, dan heeft hij dat niet gedaan om dit wettige gezag te beperken of te ontkennen, maar omdat hij bezorgd was voor de broederlijke eenheid van de universele Kerk. Hij heeft het vooral gedaan vanuit zijn diepe overtuiging dat de nederigheid de fundamentele deugd zou moeten zijn van iedere bisschop, en nog méér van een patriarch. Gregorius was in zijn hart een eenvoudige monnik gebleven en daarom was hij vastberaden tegen grote titels. Hij wilde – het is zijn eigen uitdrukking – servus servorum Dei zijn, dienstknecht van hen die God dienen. Deze door hemzelf gevormde uitdrukking was in zijn mond geen vrome formule, maar de ware uitdrukking van zijn wijze van leven en doen. Hij was innerlijk getroffen door de nederigheid van God, die in Christus onze dienstknecht geworden is, die onze vuile voeten gewassen heeft en nog steeds wast. Zijn eigenlijke verlangen was als monnik te kunnen leven in een voortdurende samenspraak met het Woord van God, maar uit liefde voor God wist hij dienstknecht te worden van allen in een tijd vol moeilijkheden en lijden, wist hij ‘dienstknecht van de dienstknechten’ te worden. Juist omdat hij dit was, is hij groot en laat hij ook aan ons de maat zien van ware grootheid.

Ontleend aan:
RKDOCUMENTEN.nl; zie ook: Benedictus XVI, De kerkvaders. Voorwoord mgr. dr. E. de Jong, inleiding van prof. dr. Paul van der Geest en vertaald door Chr. Th. Van Buijtenen, pr.
Libreria Editrice Vaticana-Uitgeverij Colomba 2008, p. 255-262.

Bij de afbeelding:

Men vertelt dat een duif op zijn schouder de goddelijk stem aan Gregorius de Grote heeft overgebracht, toen hij zijn Commentaren schreef. Op dit ivoor uit de 9e-10e eeuw zit hij in een prachtige geschematiseerde studeerkamer met opgenomen gordijnen, een versierde lezenaar en een zeteltje als een antiek kapiteel. 

3 / 4 september H. Gregorius de Grote, paus en kerkleraar

Martyrologium Romanum
3 september
Heilige Gregorius de Grote, paus en kerkleraar 604 +

De gedachtenis van de heilige Gregorius de Grote, paus en kerkleraar, die na een kloosterleven te zijn begonnen te Constantinopel het ambt van gezant bekleedde.  Op deze dag werd hij uiteindelijk uitverkoren tot de bisschopszetel van Rome. Als dienaar der dienaren regelde hij niet alleen het aardse, maar droeg hij ook zorg voor het heilige en betoonde hij zich een ware herder. Zo hield hij zich bezig met het bestuur, kwam behoeftigen op allerlei manieren te hulp, bevorderde het kloosterleven en versterkte en verbreidde overal het geloof. Daarom schreef hij op voortreffelijke wijze ook veel op het gebied van moraal en pastoraal. Hij stierf op 12 maart.

3 / 4 september H. Gregorius de Grote, paus


Uit de Homilieën op Ezechiël, van de H. Gregorius de Grote, paus

Uit liefde tot Christus spaar ik mij niet voor zijn woord

Mensenkind, zo heb ik u aangesteld als wachter over Israëls huis. Men moet hier opmerken, dat de Heer degene die Hij als zijn prediker zendt, aankondigt als zijn wachter. De wachter immers staat altijd op een hoogte, om reeds van verre te zien al wat er aankomt. En al wie tot wachter van het volk wordt aangesteld, moet in zijn leven op een hoogte staan, om door zijn voorzorgen nuttig te kunnen zijn.

O hoe hard klinken die woorden voor mij, omdat ik met zo te spreken mijzelf tref, wiens tong niet naar behoren preekt en wiens leven ook niet in voldoende mate zijn preken volgt.

Ik ontken niet schuldig te zijn; ik zie mijn traagheid en nalatigheid. Misschien zal mijn schuldbelijdenis zelf bij de liefdevolle Rechter vergeving bewerken. Toen ik nog in het klooster was, kon ik mijn tong weerhouden van ijdel gepraat en mijn geest bijna voordurend op het gebed gericht houden. Maar sinds ik de last van het pastoraat op mijn schouders heb genomen, kan mijn geest zich niet meer zo ijverig naar binnen keren, omdat ik naar veel zijden verstrooid word.

Want nu eens word ik gedwongen kerkelijke kwesties te bespreken, dan weer kloosterlijke. Dikwijls ook moet ik het leven en de verrichtingen van afzonderlijke personen beoordelen; nu eens mij bezig houden met civiele zaken, dan weer zuchten onder de dreigende aanvallen van barbaren, en vrezen voor de wolven, die loeren op de mij toevertrouwde kudden. Soms moet ik zorgen voor het materiële, opdat niet de middelen ontbreken juist voor degenen, door wie de leefregel in acht moet worden genomen. Dan weer moet ik bepaalde rovers gelijkmoedig verdragen, ofwel hen tegemoet treden en vol ijver de liefde trachten te bewaren.

Wanneer dan de gespleten en verscheurde geest gedwongen wordt om aan zo grote en zovele dingen te moeten denken – hoe kan hij dan in zichzelf keren om zich geheel op zijn prediking te concentreren en zo niet zijn plicht om het Evangelie te verkondigen verzaakt? Maar omdat ik door noodzaak gedwongen dikwijls met wereldse mensen in aanraking kom, laat ik soms mijn woorden de vrije loop. Want als ik mij voortdurend onder controle houd, weet ik, dat ik door zwakke mensen word vermeden en hen dus nooit kan optrekken naar wat ik met hen voor heb. Zo komt het, dat ik dikwijls geduldig naar hun ijdel gepraat blijf luisteren. Maar omdat ik zelf ook zwak ben, laat ik mij dan een beetje in met leeg gepraat en ga tenslotte graag over datgene praten, dat ik in het begin maar met tegenzin aanhoorde. En waar ik mij voor hoedde om erin te vervallen, dat doe ik dan tenslotte graag.

Wie dus ben ik eigenlijk of wat voor wachter, dat ik niet op de top sta van mijn werkterrein, maar nog neerlig in het dal van mijn zwakheid? Machtig evenwel is de Schepper en Verlosser van het menselijk geslacht, om mij, onwaardige, een hoge levensbeschouwing te geven en kracht aan mijn woord, want uit liefde tot Hem spaar ik ook mijzelf niet bij Zijn woord.

(In Ezech.; Lib. 1,11, 4-6; CCL 179-172)