Over het leven van Christoffel is niets met zekerheid te zeggen. In de Middeleeuwen gingen er verschillende legendes over hem rond.
Christusdrager
Volgens een bekende laatmiddeleeuwse legende, heette Christoffel aanvankelijk Reprobus. Omdat hij vanwege zijn lengte bekend staat als reus, geeft een kluizenaar hem op een dag de raad reizigers te helpen bij het oversteken van een woeste rivier. Reprobus is namelijk zo groot, dat hij de reizigers eenvoudig op zijn schouders kan dragen en droog naar de overkant lopen. Tijdens een nacht wordt de reus bezocht door een kind dat hem laat weten óók graag weten naar de overkant gedragen te worden. Een ogenschijnlijk makkelijk klusje, maar tijdens de overtocht wordt het kind plotseling ondraaglijk zwaar. Als Reprobus de overkant eindelijk heeft bereikt, vertelt het kind hem dat hij zojuist Christus met alle zonden van de wereld heeft gedragen.
Christus geeft Reprobus hierna de naam Christoffel (Christoforus), wat zoveel betekend als ‘drager van Christus’. Deze legende ontstond in de dertiende eeuw, in het Donaugebied.
Cynocefaal
Christoffel als cynocefaal
Volgens een andere legende was Christoffel de begeleider van de apostel Bartolomeüs en afkomstig uit het land van de Cynocefalen (Hondkoppigen). Christoffel was ooit zelf door Bartolomeüs bekeerd en daarna kon hij, ondanks het feit dat hij een hondenkop had, spreken doordat God hem een menselijke tong schonk. Vanwege deze afkomst is Christoffel vaak afgebeeld met een hondenkop.
Rond 250 zou Christoffel slachtoffer zijn geworden van de christenvervolgingen.
Noodhelper
In de Middeleeuwen behoorde de heilige Christoffel tot de Veertien Noodhelpers. Deze heiligen konden aangeroepen worden als men zich in een noodsituatie bevond. Christoffel werd specifiek aangeroepen als men leed aan de pest of als een ‘onvoorziene dood’ (waarbij de laatste sacramenten niet toegediend konden worden) dreigde. Ook bij hagel, noodweer en watersnoden wendde men zich vaak tot Christoffel.
Omdat men geloofde dat Christoffel bescherming kon bieden bij al dit onheil en hij zich daarnaast zou ontfermen over reizigers, waren in de Middeleeuwen veel afbeeldingen van de heilige in omloop. Veel mensen droegen bijvoorbeeld Sins Christoffel-medailles bij zich.
In Roermond is een kathedraal gewijd aan de heilige, de Sint-Christoffelkathedraal. Op de top van deze hoofdkerk van het bisdom Roermond werd eind negentiende eeuw een beeld van Christoffel geplaatst. Dit bronzen beeld waaide in 1921 weg tijdens een storm. In 1957 werd een nieuw beeld geplaatst, dit keer van goud.
Bron: historiek.net
vrijdag 3 september 2021
3 september - Kerkwijding kathedraal Roermond Liturgia Horarum H. Augustinus De bouw en de inwijding van het huis van God in ons.
Uit een preek van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430)
De bouw en de inwijding van het huis van God in ons.
Wij zijn hier bijeen om de wijding te vieren van een huis van gebed. Hier is dus het huis waar wij bidden, en zelf zijn wij het huis van God. Als wijzelf het huis van God zijn, worden we in deze tijd gebouwd, om aan het einde der tijden gewijd te worden. Het gebouw, of nog beter de bouw, vergt moeite; de wijding brengt vreugde.
Wat hier gebeurde toen dit gebouw werd opgetrokken, gebeurt ook nu wanneer zij die in Christus geloven, samenkomen. Er werd hout uit de bossen gekapt en steen uit het gebergte; iets dergelijks gebeurt er ook met de gelovigen. Wanneer zij het eerste geloofsonderricht ontvangen, gedoopt worden en verdere vorming krijgen, is het alsof zij door timmerlieden en metselaars worden bewerkt, recht gemaakt en gepolijst.
Maar zij worden geen huis van de Heer als zij niet onderling worden verbonden door de liefde. Wanneer dit hout en deze stenen niet volgens een bepaald plan waren samengevoegd, wanneer zij geen harmonisch geheel vormden, wanneer ze niet door het feit van hun samenvoeging, elkaar in zekere zin liefhadden, zou niemand hier binnentreden. Maar als men ziet dat in een gebouw hout en stenen een stevig geheel vormen, treedt men er veilig binnen en is men niet bang dat het zal instorten.
Omdat nu Christus de Heer bij ons wilde binnengaan om in ons te wonen, zei Hij met het oog op het bouwen: ‘Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben’ (Joh. 13, 34). ‘Een nieuw gebod,’ zei Hij, ‘geef Ik u.’ Want gij waart verouderd en gij lag daar als een bouwval: gij waart nog geen huis voor Mij. Hebt elkaar dus lief en gij zult bevrijd worden uit uw oude, bouwvallige toestand.
Denk ook hieraan, mijn geliefden: dit huis is in aanbouw over de hele wereld, zoals voorspeld is en beloofd. Want toen na de ballingschap de tempel herbouwd werd, luidde het, zoals in een psalm staat: ‘Zingt voor de Heer een nieuw gezang, zingt voor de Heer, alle landen’ (Ps. 96 (95), 1). Wat daar ‘nieuw gezang’ heet, noemt de Heer een ‘nieuw gebod’. Maar wat houdt het nieuwe gezang anders in dan nieuwe liefde? Wie liefheeft, zingt. De stem van deze zanger is de gloed van een heilige liefde.
Wat we stoffelijk gerealiseerd zien met deze muren, moet zich geestelijk in u voltrekken. Wat we hier voltooid zien in steen en hout moet door het opbouwend werk van Gods genade in uw eigen lichaam tot stand worden gebracht. Brengen we daarom vooral dank aan de Heer onze God, van wie elke goede gave, elk volmaakt geschenk neerdaalt (vgl. Jak. 1, 17).
Laten wij zijn goedheid loven met heel de inzet van ons hart. Want om dit huis van gebed te bouwen, heeft Hij de geest van zijn gelovigen bezocht; Hij heeft hun verlangen gewekt en is hun te hulp gekomen. Zij die nog niet wilden, heeft Hij doen willen. Hij heeft de pogingen van hun goede wil ondersteund zodat zij tot daden overgingen. Zo heeft God, die in de zijnen ‘naar zijn welbehagen zowel het willen als het doen tot stand brengt’ (Fil. 2, 13), zelf met dit alles een aanvang gemaakt en ook zelf de voltooiing geschonken (vgl. Fil. 1, 6).
De bouw en de inwijding van het huis van God in ons.
Wij zijn hier bijeen om de wijding te vieren van een huis van gebed. Hier is dus het huis waar wij bidden, en zelf zijn wij het huis van God. Als wijzelf het huis van God zijn, worden we in deze tijd gebouwd, om aan het einde der tijden gewijd te worden. Het gebouw, of nog beter de bouw, vergt moeite; de wijding brengt vreugde.
Wat hier gebeurde toen dit gebouw werd opgetrokken, gebeurt ook nu wanneer zij die in Christus geloven, samenkomen. Er werd hout uit de bossen gekapt en steen uit het gebergte; iets dergelijks gebeurt er ook met de gelovigen. Wanneer zij het eerste geloofsonderricht ontvangen, gedoopt worden en verdere vorming krijgen, is het alsof zij door timmerlieden en metselaars worden bewerkt, recht gemaakt en gepolijst.
Maar zij worden geen huis van de Heer als zij niet onderling worden verbonden door de liefde. Wanneer dit hout en deze stenen niet volgens een bepaald plan waren samengevoegd, wanneer zij geen harmonisch geheel vormden, wanneer ze niet door het feit van hun samenvoeging, elkaar in zekere zin liefhadden, zou niemand hier binnentreden. Maar als men ziet dat in een gebouw hout en stenen een stevig geheel vormen, treedt men er veilig binnen en is men niet bang dat het zal instorten.
Omdat nu Christus de Heer bij ons wilde binnengaan om in ons te wonen, zei Hij met het oog op het bouwen: ‘Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben’ (Joh. 13, 34). ‘Een nieuw gebod,’ zei Hij, ‘geef Ik u.’ Want gij waart verouderd en gij lag daar als een bouwval: gij waart nog geen huis voor Mij. Hebt elkaar dus lief en gij zult bevrijd worden uit uw oude, bouwvallige toestand.
Denk ook hieraan, mijn geliefden: dit huis is in aanbouw over de hele wereld, zoals voorspeld is en beloofd. Want toen na de ballingschap de tempel herbouwd werd, luidde het, zoals in een psalm staat: ‘Zingt voor de Heer een nieuw gezang, zingt voor de Heer, alle landen’ (Ps. 96 (95), 1). Wat daar ‘nieuw gezang’ heet, noemt de Heer een ‘nieuw gebod’. Maar wat houdt het nieuwe gezang anders in dan nieuwe liefde? Wie liefheeft, zingt. De stem van deze zanger is de gloed van een heilige liefde.
Wat we stoffelijk gerealiseerd zien met deze muren, moet zich geestelijk in u voltrekken. Wat we hier voltooid zien in steen en hout moet door het opbouwend werk van Gods genade in uw eigen lichaam tot stand worden gebracht. Brengen we daarom vooral dank aan de Heer onze God, van wie elke goede gave, elk volmaakt geschenk neerdaalt (vgl. Jak. 1, 17).
Laten wij zijn goedheid loven met heel de inzet van ons hart. Want om dit huis van gebed te bouwen, heeft Hij de geest van zijn gelovigen bezocht; Hij heeft hun verlangen gewekt en is hun te hulp gekomen. Zij die nog niet wilden, heeft Hij doen willen. Hij heeft de pogingen van hun goede wil ondersteund zodat zij tot daden overgingen. Zo heeft God, die in de zijnen ‘naar zijn welbehagen zowel het willen als het doen tot stand brengt’ (Fil. 2, 13), zelf met dit alles een aanvang gemaakt en ook zelf de voltooiing geschonken (vgl. Fil. 1, 6).
woensdag 1 september 2021
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XXI per annum feria V Tu es, Deus, omnia nostra.Gij, o God, zijt alles
Lectio altera
Ex Instructiónibus sancti Columbáni abbátis
(Instr. 13, De Christo fonte vitæ, 2-3:
Opera, Dublin 1957, 118-120)
Fratres,
vocatiónem sequámur, qua ad vitæ fontem vocámur a vita, qui est fons non solum
aquæ vivæ, sed et fons ætérnæ vitæ, fons lucis idem et fons lúminis; ab illo enim
hæc ómnia sunt, sapiéntia et vita, lux ætérna. Auctor vitæ fons vitæ est, lucis
creátor fons lúminis est; et ídeo contémptis his quæ vidéntur, transcénso
sæculo in superióribus cælórum, fontem lúminis, fontem vitæ, fontem aquæ vivæ
ut rationábiles et sagacíssimi pisces quærámus, ut ibi bibámus aquam vivam
et saliéntem in vitam ætérnam.
Utinam me illuc
dignáres adscíscere ad illum fontem, Deus miséricors, pie Dómine, ut ibi et ego
cum sitiéntibus tuis vivam undam vivi fontis aquæ vivæ bíberem, cuius nímia
dulcédine delectátus sursum semper ei hærérem et dícerem: «Quam dulcis est fons
aquæ vivæ, cuius non déficit aqua sáliens in vitam ætérnam!».
O Dómine, tu es
ipse iste fons semper et semper desiderándus, semper licet et semper
hauriéndus. Nobis semper da, Dómine Christe, hanc aquam, ut sit
in nobis quoque fons aquæ vivæ et saliéntis in vitam ætérnam. Magna
quidem posco, quis nésciat? Sed tu, rex glóriæ, magna donáre nosti et magna
promisísti; nihil te maius, et te nobis donásti, te pro nobis dedísti.
Unde te rogámus,
ut sciámus quod amámus, quia nihil áliud præter te nobis dari postulámus; tu es
enim ómnia nostra, vita nostra, lux nostra, salus nostra, cibus noster, potus
noster, Deus noster. Inspíra corda nostra, rogo, Iesu noster, illa tui Spíritus
aura, et vúlnera nostras tua caritáte ánimas, ut possit uniuscuiúsque nostrum
ánima in veritáte dícere: Indica mihi quem diléxit ánima mea, quóniam
vulneráta caritáte ego sum.
Opto illa vúlnera
in me sint, Dómine. Beáta talis ánima, quæ caritáte sic vulnerátur; talis
fontem quærit, talis bibit, semper tamen sitit bibéndo, semper haurit
desiderándo, quæ semper bibit sitiéndo; sic semper quærit amándo, quæ sanátur
vulnerándo; quo salutári vúlnere ánimæ nostræ interióra Deus et Dóminus noster
Iesus Christus, pius ille salutarísque médicus, vulneráre dignétur, cui cum
Patre et cum Spíritu Sancto únitas est in sæcula sæculórum. Amen.
Tweede lezing
Uit de
instructies van de H. Columbanus, abt
(Instr. 13, De Christo fonte vitæ, 2-3: Opera, Dublin 1957,
118-120)
Gij, o God, zijt alles
Broeders,
laten wij de roeping volgen waarmee wij door het leven tot de bron des levens
worden geroepen, die niet alleen de bron is van het levend water, maar ook van
het eeuwig leven, de bron van het licht en tegelijk ook de bron van de
verlichting. Door Hem toch bestaat dit alles: wijsheid en leven, het eeuwig
licht. De bewerker van het leven is ook de bron van het leven, de schepper van
het licht ook de bron van de verlichting. Laten wij daarom met verwaarlozing
van hetgeen wij zien en de wereld overstijgend, als verstandelijke en slimme
vissen, naar de hoge hemelen, de bron van het licht zoeken, de bron van het
leven, de bron van het levend water, om daar te drinken het levend water dat ontspringt ten eeuwig leven.
Barmhartige
God, liefdevolle Heer, mocht Gij ook mij bij die bron brengen om daar ook met
uw anderen, die dorsten, aan de levende stroom te drinken van de levende bron
met levend water en dat ik daar door die overheerlijke smaak verkwikt er steeds
opnieuw naar kan terugkeren en zeggen: ‘Hoe fijn is de bron van levend water waaraan nooit ontbreekt het water, dat ontspringt ten eeuwige leven!’
O Heer,
Gij zijt Zelf die bron, waarnaar men altijd en altijd moet terugverlangen,
waaruit men altijd en altijd mag putten. Heer Christus geef ons altijd dit water
opdat het ook in ons kan worden tot een
bron van levend water dat ontspringt ten eeuwige leven. Ik vraag wel grote
gunsten, nietwaar? Maar Gij, Koning der glorie, Gij weet grote gaven te
schenken en hebt ook grote beloofd. Niets is groter dan Gij en Gij hebt Uzelf
aan ons gegeven, U voor ons overgeleverd.
Daarom
vragen wij U dat wij mogen beseffen wat wij beminnen, omdat wij niets anders
vragen dan dat Gij aan ons geschonken wordt: Gij toch zijt ons alles, ons
leven, ons licht, ons heil, ons voedsel, onze dank, onze God. Ik vraag U, onze
Jezus, beziel onze harten met die uitstraling van uw Geest en verwond onze
zielen met uw liefde, zodat de ziel van ieder van ons in waarheid kan zeggen:
Verklaar mij aan wie mijn ziel haar liefde gegeven heeft, want ik ben gewond
door de liefde. Ik verlang, dat die wonden in mij blijven, Heer. Want zalig de
ziel die zo door de liefde wordt gewond. Zulk een ziel zoekt de bron, zo een
drinkt maar blijft al drinkende toch dorsten. Zij put voortdurend door te
verlangen wat zij door te dorsten steeds blijft drinken. Zo zoekt zij die door
wonden op te lopen wordt genezen, altijd door te beminnen. Door die heilzame
verwonding gewaardige Zich ons God en Heer Jezus Christus, die liefdevolle en
heilzame geneesheer, het innerlijk van onze ziel te verwonden, Hij die met de
Vader en de Heilige Geest een eenheid is in de eeuwen der eeuwen, Amen.
Kloosterlijke stilte II - Een weg van ons naar God maar ook een weg van God naar ons
Kloosterlijke stilte is een weg van ons naar God maar ook een weg van God naar ons. Uitwendige en innerlijke stilte scherpen de oren van de ziel om met het psalmwoord: “Audi, filia et vide et inclina aurem tuam” (44,11a) – Luister, dochter, zie en neig uw oor - het woord van God, het mensgeworden Woord te kunnen ontvangen.
Kloosterlijke stilte beoogt een zich instellen op Christus om zich des te eerder te kunnen voegen bij Hem en met Hem één stem te worden in de aanbidding van de Vader. Het gaat er om de gezindheid van zijn Hart te leren kennen, deze steeds beter te begrijpen en tenslotte zelf daardoor te worden gevormd en ómgevormd. Het is de gezindheid die Christus bezielde waartoe de apostel Paulus in zijn Brief aan de Filippenzen (2,5-8) aanspoort: de grondslag van Christus’ denken en voelen zich eigen maken. Over welke gezindheid gaat het dan? Een volledige en absolute zelfverloochening! Die weg laat de H. Geest ons zien opdat de gezindheid van Christus in ons wordt gevormd. Hij kwam naar beneden, wij willen graag omhoog komen. Christus daalde niet alleen van de troon van zijn heerlijkheid af, maar bekleedde zich met ootmoed (1 Petr 5,5) en waste als een dienstknecht zijn leerlingen de voeten. Voor alle onenigheid, alle verdeeldheid, van alle misverstanden en moeilijkheden zou die gezindheid een oplossing kunnen zijn.
Om van Christus te leren moet de kloosterlijke stilte worden ingeoefend tot een bereidheid zich geheel te veranderen, om anders te gaan denken zodat het Hart van Christus met zijn verheven en toch zo eenvoudige gedachten in ons de juiste snaar kan aanslaan. “Paratum cor meum, paratum cor meum” (Ps 107,2), zingen de novicen als zij het kloosterkleed ontvangen. Ook al hebben wij Christus heel ons hart toegewijd bij de kloosterlijke professie en iedere dag opnieuw, we weten en ervaren dat ons hart te klein en te begrensd is om een getrouwe echo te zijn van de oneindige volheid van Christus’ gedachten. Maar we kunnen wel zijn gedachten met Hem méédenken en in praktijk brengen om zo Zijn kruis op te nemen en Hem achterna te gaan. Zo begint de Navolging van Christus.
John Henry Newman 1801-1890 Uitzien naar Christus (3)
Gehouden
in de Universiteitskerk te Dublin, op de 27ste zondag na Pinksteren
1856.
Uitzien naar Christus 3
Wij lezen in het Evangelie
dat de Heer eens “in een zeker dorp kwam”, en daar werd ontvangen en geherbergd
door “een vrouw Martha genaamd”. Er waren twee zusters, Matha en Maria; “Martha
was druk in de weer met bedienen”; maar Maria ging zitten aan de voeten van den
Heer en luisterde naar Zijn woorden. U herinnert u, mijn broeders, hoe Hij die
twee zusters met elkander vergelijkt. “Martha, Martha,” zei Hij, “over veel
dingen zijt ge bezorgd en bekommerd; maar één ding alleen is noodzakelijk;
Maria heeft het beste deel gekozen”. Martha nu beminde Hem, en Maria beminde
Hem. Maar Maria wachtte ook bij Hem, en daarom ontving zij de belofte van de
eindvolharding: “Maria heeft het beste deel gekozen, dat haar niet ontnomen zal
worden”. [8]
Zij, derhalve, wachten en
waken voor hun Heer, die in hun devotie jegens Hem teerhartig en gevoelig zijn;
die zich verzadigen met de gedachte aan Hem, en aan Zijn woorden hangen; die
leven in Zijn glimlach, en gedijen en groeien onder Zijn hand. Ze zijn begerig
naar Zijn goedkeuring, vlug in het raden van Zijn bedoeling, bezorgd voor Zijn
eer. Ze zien Hem in alle dingen, verwachten Hem in alle gebeurtenissen, en
zouden, temidden van alle zorgen, belangen, en bezigheden van het gewone leven,
een ontzagwekkende vreugde, en niet een teleurstelling, gevoelen, indien zij
hoorden dat Hij op het punt stond te komen. “ ’s Nachts verlangde ik naar mijn
Zielsbeminde,” zegt het geïnspireerde lied; “Ik zocht naar Hem, maar vond Hem
niet. Ik wil opstaan, rondgaan door de stad; op straten en pleinen zal ik Hem
zoeken”. [9] Moet ik nog nauwkeuriger zijn in mijn beschrijving van deze
hartelijke gemoedsgesteltenis? Dan vraag ik u, kent u het gevoel van te zitten
wachten op een vriend, als u meent dat hij komen zal, en hij toch talmt? of
weet u wat het is te zijn in gezelschap van mensen met wie u niet op uw gemak bent,
en te verlangen dat de tijd maar zal voorbijgaan en dat het uur maar zal slaan
waarop u vrij van hen zult zijn? of weet u wat het is in angst te zijn dat iets
gebeuren zal, iets wat gebeuren kan af niet; of in spanning te zijn over een gewichtige
gebeurtenis, die uw hart doet bonzen als iets u er aan herinnert, en waaraan u
’s morgens het allereerst denkt? of weet u wat het is vrienden te hebben in een
ver land, tijding van hen te verwachten, en van dag tot dag u af te vragen wat
ze doen, en hoe ze het maken? of weet u, van de andere kant, wat het is zelf in
een vreemd land te zijn, met niemand om tegen te spreken, met niemand die
sympathie voor u heeft, vol heimwee, - terneergeslagen omdat er maar geen brief
komt, - en niet wetend hoe u ooit terug zult kunnen? of weet u wat het is
iemand die bij u is zozeer te beminnen en van hem te leven, dat uw ogen de
zijne volgen, dat u zijn ziel kunt lezen, dat u iedere verandering ervan
terstond ziet in zijn gezicht, dat u zijn wensen voorkomt, dat u bedroefd bent
in zijn droefheid, bezorgd als hij zich ergert, onrustig wanneer u hem niet
begrijpt, opgelucht, getroost, als het geheim is opgehelderd?
Dit nu is een
gemoedsgesteltenis die, als onze Heer en Zaligmaker het Voorwerp ervan is, op
het eerste gezicht onbegrijpelijk is voor de wereld, niet gemakkelijk voor de
natuur, maar die in alle eeuwen zó gewoon is in de Kerk, dat ze een teken is
geworden van de Tegenwoordigheid van de Onzichtbare, en een kenteken is van de
goddelijkheid van onze godsdienst. U weet dat er fijne instincten bestaan bij
de lagere dieren, waardoor ze de tegenwoordigheid merken van dingen die de mens
niet kan onderscheiden, zoals van atmosferische veranderingen, of van
aardverschuivingen, of van hun natuurlijke vijanden, die ze toch niet werkelijk
zien; en we beschouwen de onrust of schrik die ze aan de dag leggen, als een
bewijs dat daar iets is dat het voorwerp van het gevoel moet zijn, en dat aldus
zijn eigen werkelijkheid aantoont. Welnu, op een soortgelijke manier is het waken
en wachten op Christus, waarvan de Profeten, de Apostelen, en de op hen
gebouwde Kerk van eeuw tot eeuw hebben blijk gegeven, een argument dat het
voorwerp daarvan niet is een droom of een fantasie, maar werkelijk bestaat; met
andere woorden, dat Hij nog altijd leeft, die eenmaal op aarde verbleef, die
gestorven is, die verdwenen is, die zei dat Hij terug zou komen.
[8]
Lc 10,38-42.
[9]
Hoogl 3,1-2.
Abonneren op:
Posts (Atom)




