maandag 29 maart 2021
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada Sancta, Feria III Una est pro mundo mors, et una ex mortuis resurrectio. Er is één dood voor de wereld, en één verrijzenis uit de doden.
Fr. Stefan Ansinger O.P. Maiden-preek - Brengt dank aan de Heer, want Hij is genadig, eindeloos is zijn erbarmen! - 2020
De processie herinnert ons aan het Feest der Tabernakels. Tijdens dit feest herdenken de joden hoe zij onder bescherming van de Heer door de woestijn trokken. Verschillende joden bouwden tenten (tabernakels) met een opening naar de Hemel ter nagedachtenis van de pelgrimage door de woestijn. Deze opening naar de hemel bood de mogelijkheid, om net zoals de pelgrimage in Egypte, de wolkkolom van Gods aanwezigheid te ervaren.
Maar God gaat verder. Hij wordt een van ons door zijn menswording. Hij wil dat wij met al onze zintuigen in de persoon van Jezus ervaren wie God is. Hij wil deel worden van onze levenstent met al haar moeilijkheden en vreugden. Niet als een wolk die buiten ons ligt, maar als een persoon die ons tegemoet komt. Israëlieten, verlaat uw tenten, de Heer is in uw midden, het is de vleesgeworden Alfa en Omega die door de stad Jeruzalem trekt op een ezel.
Wij gaan op naar Jeruzalem omdat de Heer ons voorgegaan is. Het is een vooruitblik op de overwinning die Christus reeds volbracht heeft. De palmtakken symboliseren deze overwinning.
Deze overwinning wordt muziek door het zingen van Psalm 118. Deze psalm werd als een poortliturgie gebruikt voordat de vromen Jeruzalem binnentraden. Ze wordt geciteerd met het
ze wordt op alle drie de grote Joodse feesten gereciteerd maar ook bij de tempelwijding en
aan het begin van de maand. In onze liturgie komt Ps. 118 dagelijks voor in het tweede vers
van het Sanctus: “gezegend die komt in de naam van de Heer”.
Psalm 118 is een dankpsalm voor alle grote daden die de Heer voor de auteur van de psalm verricht heeft. De psalm begint met een lofzang op de Heer; een begin dat wij ook voor ons dagelijks gebed kunnen gebruiken: “Brengt dank aan de Heer, want Hij is genadig, eindeloos is zijn erbarmen!” (Ps. 118,1). We kunnen God voor zoveel bedanken: onze gezondheid, het kloppen van ons hart, de prachtige studies, ons werk, onze broeders, de goede maaltijd die wij ontvangen. Vervolgens lezen we over moeilijkheden die de auteur van de psalm meemaakt: hij wordt omsingeld door volken en hij wordt vervolgd als door een zwerm wespen (Ps. 118, 10-12). Maar dan slaat de psalm om van lijden naar triomf. Er wordt een processie ingezet zoals vandaag in de liturgie.
In deze dankpsalm, gelezen door een christelijke bril, is voor mij de essentie van de hele goede week en onze verlossing zichtbaar. Wij dienen net zoals de psalmist God te danken maar niet slechts voor de redding uit Egypte maar nog meer om Gods redding door Jezus Christus. Met de psalmist zeggen wij vandaag op psalmzondag:
(Ps. 118, 19)
Wij kunnen vandaag onze Heer bidden of wij met hem mee mogen lopen in deze processie, deze bedevaart naar het hemels Jeruzalem. Hernieuwen wij onze intentie om met hem samen
deze weg te gaan, in de zekerheid dat de overwinning al behaald is. We hoeven ons slechts
aan te sluiten bij deze processie en de poorten van onze harten te openen.
Zingen wij op witte donderdag met Jezus die het Pesachmaal vierde met zijn leerlingen en zielsbedroefd was in de Hof van Olijven:
“De steen die de bouwers hebben versmaad, die is tot hoeksteen geworden.” (Ps.
118, 22)
Denken wij op goede vrijdag aan al het lijden dat Christus voor ons doorstaan heeft met Ps.
118, 13: “Zij stootten mij weg en sloegen mij neer, maar Hij heeft mij ondersteund.”
En bidden wij met Pasen met de psalmist:
“Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt, wij zullen hem vieren in blijdschap!” (Ps.
118, 13)
Het belangrijkste is echter dat we in deze momenten van het lijden, sterven en de verrijzenis
van de Heer de dankbaarheid in ons hart bewaren. Dat is ook de betekenis van Eucharistie:
dankzegging. Deze eucharistische dankzegging beslaat niet alleen de verrijzenis maar het
hele Paasmysterie: lijden, sterven, dood en verrijzenis van Christus. Altijd dienen wij God te
danken voor onze eigen mooie en moeilijke momenten in ons leven. Het is door deze dankbaarheid voor de genade die ons leven elke dag in stand houdt, dat wij levende Christenen worden. Ja, vragen wij om de genade om God niet alleen te danken voor onze overwinningsweg naar het nieuwe Jeruzalem, maar ook voor onze kruisweg naar Golgotha.
De oratie van de Vespers van vandaag vat het hele paasmysterie samen met een nadruk op de nederigheid die noodzakelijk is voor de navolging van Christus. Het is in deze nederigheid dat wij in de moeilijke en mooie momenten van ons leven God mogen danken voor zijn genade opdat wij met de psalmist het eschatologisch danklied aanheffen: “Brengt dank aan de Heer, want Hij is genadig, eindeloos is zijn erbarmen!”
Almachtige eeuwige God, om aan de mensen een voorbeeld te geven van nederigheid hebt Gij gewild dat onze Verlosser mens werd zoals wij en de dood onderging aan het kruis.
Geef dat wij ter harte nemen wat zijn lijden ons te zeggen heeft en deelhebben aan zijn verrijzenis. (Oratie van Palmzondag)
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada Sancta, Feria II Gloriemur et nos in cruce Domini. Laten ook wij roemen in het kruis van de Heer.
HET KRUIS VAN JEZUS, BOOM DES LEVENS “Wij aanbidden U, Heer, en wij loven U, omdat Gij door uw Kruis de wereld hebt verlost.”
Een van de voorbeden uit de Preces in de Lauden van gisteren, Palmzondag, en van deze morgen (Maandag in de Goede Week) luidde: “[Christe salvator] Qui crucem tuam arborem vitæ constituisti, fructus eiusdem baptismate renatis largire”, letterlijk vertaald: Christus, Verlosser, die uw kruis tot boom van het leven hebt gemaakt, schenk aan hen die herboren zijn door het Doopsel de vruchten van dezelfde [boom].
U weet dat het vernoemen van het Doopsel in de liturgie van de Veertigdagentijd in relatie staat met de doopcandidaten die in de Paasnacht het H. Doopsel zullen ontvangen. De voorbede loopt met de term renatis (die herboren zijn) vooruit op het nog te ontvangen Sacrament.
Tot driemaal toe wordt op Goede Vrijdag bij de kruisontbloting de antifoon gezongen: Ecce lignum Crucis, in quo salus mundi pependit. Zie het hout van het Kruis, waaraan het Heil van de wereld heeft gehangen. Als antwoord voor het leven dat door de kruisdood werd terug geschonken, klinkt ook driemaal het “Venite, adoremus”, Komt, laten wij aanbidden. En aanstonds horen we in de antifoon “Crucem tuam” de reden van de aanbidding van het Kruis en van de lof op Christus’ heilige verrijzenis: “want zie, door het Kruis [hout] kwam er vreugde in heel de schepping”.
Ook de prefatie van het Feest van Kruisverheffing looft de Vader omwille van het Kruis als instrument van heil en genezing:
“Het Kruis, waaraan uw Zoon gehangen heeft, hebt Gij gesteld tot teken van ons heil: dat Kruis waaraan Hij eens de dood is gestorven, werd onze levensboom. Daar op het Kruis werden de machten van het kwaad gebonden, werd onze dood gedood, door Christus, onze Heer.”
De symboliek van het Kruis als Levensboom was vooral in de Franscicanerorde levendig. De H. Bonaventura van Bagnoregio (Giovanni di Fidanza), ca 1217- 1274 +, richtte zich in zijn meditaties en preken vooral op de Mensheid van Christus, onverbrekelijk verbonden met zijn Godheid.
In het boekje De Boom des Levens heeft hij heel het leven van de Zoon van God overwogen: zijn geboorte uit de Vader, zijn menswording, zijn verblijf op aarde, zijn lijden en sterven en zijn verheerlijking aan de rechterhand van de Vader. Hij beschreef deze meditaties onder het beeld van een boom, een geliefde allegorie (een in een tekst doorgetrokken beeldspraak) in de middeleeuwse literatuur. Hij ziet Christus bij diens geboorte rijzen als de Boom des Levens (Gen 2,9) en werkt vervolgens twaalf hoedanigheden uit, verbeeld van de Boom des Levens in het paradijs door bloemen, lovers en vruchten, door lommer en glanzend groen, door geur en vertier rondom.
Het boekje De Boom des Levens bouwde hij op de tekst van Sint Jan in het Boek van de Openbaring: “Het hout des Levens dat twaalf vruchten draagt, en elke maand zijn vruchten geeft, en de bladeren van het hout dienen tot genezing der volken” (Apoc 22,2-3).
In de Carmelitaanse mystieke traditie vinden we Jezus op het kruishout verbeeld als een rozelaar met rode, diep blozende en geurende rozen, die verwijzen naar zijn kruiswonden, waarvan het lied “Jezus is mijn rozenboom” (fr. Berthold, o.carm.) een exempel is. Elke korte strofe, hoe eenvoudig ook, verwijst, culminerend in de laatste strofe, naar de liefde tot Christus’ wonden:
De roos in uwe zijde, Trekt allermeest mij aan - Ik wil om haar te plukken, zacht bij U binnengaan.
Het is een devotie die bekend is van de H. Birgitta van Zweden (1303-1373). Maar dit terzijde.
In de hymnen van de Goede Week:
Pange lingua van het Lezingenofficie, En acetum van de Lauden en in de hymne Vexilla regis van de Vespers kunnen we het beeld van het Kruis als Boom des Levens duidelijk herkennen en uitgewerkt zien. Zo ook in de antifoon “Crux fidelis” van Goede Vrijdag waarvan de ietwat verouderde, maar deugdelijke vertaling luidt:
Crux fidelis, inter omnes arbor una nobilis, Trouwe kruisboom, onder alle enig in uw adeldom.
Nulla talem silva profert, Neen, geen woud teelt uws gelijke,
Fronde, flore, germine. ‘t zij in lover, bloem of vrucht.
Dulce lignum dulci clavo, Zoete takken, zoete spijkers,
Dulce pondus sustinens. wat een zoete last draagt gij.
(Ned.-Lat. Missaal, T’hout, 1959, 441)
Het mysterie van Christus’ Lichaam en Bloed waarvan wij op Witte Donderdag de overlevering en de Eucharistische instelling vieren, verkondigt met de Dood van de Heer, tevens de Verrijzenis en het leven. Het leven is onverbrekelijk met de dood verbonden, waaruit het als vrucht is ontsproten. Waar de gedachtenis van Christus’ Dood wordt gevierd, liggen daarin de Verrijzenis en het leven mee opgesloten. Om die reden kunnen we van een offerviering spreken. Slechts het leven kan men vieren. De dood als zodanig is altijd en alleen een voorwerp van rouw. Ook de Dood van Christus. Alleen omdat het mysterie van de H. Eucharistie deze dood als heilsdood viert, wekt deze “verkondiging van de dood” vreugde. Ze is minder een herdenking van de dood, maar eerder een viering van het leven.
De ontbloting, plechtige begroeting en verering van het Kruis, ingeluid door het drievoudige “Ecce lignum”, is een van de centrale elementen van de liturgie van de Goede Vrijdagviering. Al wordt niet meer, zoals vroeger in Jeruzalem, het ware Kruis van de Heer, of zoals tegenwoordig nog op veel plaatsen een partikel van deze eerbiedwaardige reliek getoond, toch knielen de gelovigen neer voor de barmhartigheid van God, die op het harde hout zichtbaar is geworden. Vóór de coronatijd brachten zij ook met de kus van verering, die men in het oude Oosten op de zoom van het gewaad der koningen drukte, de majesteit van Christus Koning hulde. Het is een actieve deelname van de gelovigen aan het heilsgebeuren in de eredienst.
Blijf ik slechts toeschouwer en laat ik de diepe buiging – de diepe buiging van heel mijn wezen - langs mij heen glijden of betuig ik de Heer, op leven en dood, mijn verlangen te delen in zijn lijden en dood, zijn Pasen te ondergaan, nú in de liturgie, en zonder ophouden in alle moeilijkheden van het dagelijks leven? De diepe buiging voor het kruis, op de dag en het uur, waarop Jezus stierf, is een openbaar verzaken aan het eigen ik, de wereld en satan, een openlijk getuigenis voor Christus en zijn kruis, een ‘nihil amori Christi præponere’, niets stellen boven de liefde van Christus.
Het is begrijpelijk dat de vernieuwde liturgie op deze adoratio de communio laat volgen. De betuigde bereidheid en trouw worden bezegeld door het nuttigen van het geofferde Lichaam van de Heer om daarin de kracht te ontvangen in vereniging met de Heer de zwarigheden en de lasten van het leven te dragen.
“Door het Kruis kwam er vreugde in de wereld”. Dit is tekenend voor de grondhouding van de Kerk, niet alleen in de liturgie, maar in heel haar leven. Met de mensgeworden Heer gaan ook wij door de tijd en dragen met Hem het kruis. Goede Vrijdag duurt nog voort zolang de wereld blijft bestaan; welke dichte duisternissen staan ons nog te wachten? Maar wij mogen reeds leven in de verrijzenis; ons Voedsel is immers het Brood der onsterfelijkheid: het Lichaam van de Verrezen Heer.
“Wij aanbidden U, Heer, en wij loven U, omdat Gij door uw Kruis de wereld hebt verlost.”
Kort commentaar op het Collectagebed Maandag in de Goede Week - Onze last maakte Hij tot de zijne
Da, quæsumus, omnipotens Deus,
ut,
qui ex nostra infirmitate deficimus,
intercedente
unigeniti Fillii tui passione, respiremus.
Almachtige God,
als
wij door onze zwakheid bezwijken,
laat
ons dan weer op kracht komen door het lijden van uw eniggeboren Zoon.
Het Collectagebed is afkomstig uit het Sacramentarium Gregorianum (Hadrianum), 9e eeuw, (Ed. Lietzmann 1921) 74, 1 en was in het Romeins Missaal 1962 het Collectagebed van Feria II Hebdomadæ Sanctæ, maandag in de Goede Week, met een klein tekstverschil: in plaats van “qui in tot adversis ex nostra infirmitate deficimus”, die onder de last van zoveel tegenspoed bijna bezwijken MR 1962) staat er nu: “qui ex nostra infirmitate” (die onder zwakheid zijn bezweken (MR 1970).
De oratie heeft, zoals deze luidt, geen
speciale zwakheid van de mens op het oog, ook niet zijn vatbaarheid of
gevoeligheid voor het kwaad. Het gaat om een te kort schieten over heel de
linie, ook waar het gaat om in de liefde tot God en de mensen te groeien.
Wanneer wij, door zwakheid uitgeput, tot niets meer in staat zijn, is het God
met zijn genade, die ons weer op adem laat komen en op de been brengt door de
tussenkomst van Jezus in zijn lijden. In zijn eigen Persoon heeft Hij niet
alleen onze zonden op Zich genomen, maar ook heel onze zwakheid. In en door
zijn lijden helpt Hij ons op, ook als wij dreigen in te storten. Het vertrouwen
op deze goddelijke hulp wordt verwoord door de oratie: onze last maakt Hij tot
de zijne, Zijn tr0uw werd de onze!
zaterdag 27 maart 2021
Lezingen H. Mis Palmzondag - B “Waarlijk, deze mens was een Zoon van God.”
Uit de profeet Jesaja.
God de Heer heeft mij de gave van het woord geschonken;
ik versta het de ontmoedigden moed in te spreken.
Elke morgen spreekt Hij zijn woord,
elke morgen richt Hij het woord tot mij
en ik luister met volle overgave.
God de Heer heeft tot mij gesproken
en ik heb mij niet verzet, ik ben niet teruggedeinsd.
Mijn rug bood ik aan wie mij sloegen,
mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten
en mijn gezicht heb ik niet afgewend
van wie mij smaadden en bespuwden.
God de Heer zal mij helpen:
daarom zal ik niet beschaamd staan
en ik zal geen spier vertrekken.
Ja, ik weet dat ik niet te schande zal worden.
Tweede lezing (Fil. 2, 6-11)
Broeders en zusters,
Hij, die bestond in goddelijke majesteit
heeft zich niet willen vastklampen
aan de gelijkheid met God.
Hij heeft zichzelf ontledigd
en het bestaan van een slaaf op zich genomen.
Hij is aan de mensen gelijk geworden.
En als mens verschenen
heeft Hij zich vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood,
tot de dood aan het kruis.
Daarom heeft God Hem hoog verheven
en Hem de Naam verleend,
die boven alle namen is.
Opdat bij het noemen van zijn Naam
zich iedere knie zou buigen
in de hemel, op aarde en onder de aarde;
en iedere tong zou belijden,
tot eer van God de Vader:
Jezus Christus is de Heer.
Het lijdensverhaal volgens Marcus (14, 1-15, 47)
in het jaar B
L = lezer of lektor
C = Christus (priester)
A = allen
P = andere bijbelse personen
L Over twee dagen was het feest van Pasen
en van het ongedesemde brood.
De hogepriesters en de schriftgeleerden zochten
op welke manier zij Jezus door list zouden kunnen grijpen
en Hem ter dood zouden kunnen brengen.
Want ze dachten:
A “Niet op het feest;
er mochten anders eens onlusten ontstaan onder het volk.”
Paasmaal en verrader
L Terwijl Jezus zich te Betanië bevond
in het huis van Simon de Melaatse
en daar aan tafel aanlag,
kwam er een vrouw met een albasten vaasje echte,
zeer dure nardusbalsem.
Zij brak het vaasje stuk en goot de inhoud uit over zijn hoofd.
Sommigen waren er verontwaardigd over en zeiden onder elkaar:
A “Waar is die verkwisting van de balsem nu voor nodig geweest?
De balsem had voor meer dan driehonderd denaries
verkocht kunnen worden ten bate van de armen.”
L Toen zij tegen haar uitvoeren sprak Jezus:
C “Laat haar met rust.
Waarom valt ge haar lastig?
Het is toch goed werk dat zij aan Mij heeft gedaan.
Armen hebt gij altijd in uw midden
en gij kunt hun weldoen wanneer ge maar wilt,
maar Mij hebt gij niet altijd.
Zij heeft gedaan wat in haar macht was;
zij heeft mijn lichaam op voorhand gezalfd
met het oog op mijn begrafenis.
Voorwaar, Ik zeg u:
waar ook ter wereld de Blijde Boodschap verkondigd zal worden,
zal tevens ter herinnering aan haar
verhaald worden wat zij gedaan heeft.”
L Hierop ging Judas Iskariot, een van de twaalf,
naar de hogepriesters om Hem aan hen uit te leveren.
Dezen waren blij toen ze dat hoorden en beloofden hem geld.
Hij zocht naar een gunstige gelegenheid om Hem uit te leveren.
Op de eerste dag van het ongedesemde brood,
de dag waarop men het paaslam slacht,
zeiden zijn leerlingen tot Hem:
A “Waar wilt Gij dat wij voorbereidselen gaan treffen
zodat Gij het paasmaal kunt houden?”
L Hij zond daarop twee van zijn leerlingen uit met de opdracht:
C “Gaat naar de stad
en daar zult ge een man tegenkomen,
die een kruik water draagt;
volgt hem
en zegt aan de eigenaar van het huis waar hij binnengaat:
De Meester laat vragen:
Waar is de zaal voor Mij waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden?
Hij zal u dan een grote bovenzaal laten zien
met rustbedden en van al het nodige voorzien;
maakt daar alles voor ons klaar.”
L De leerlingen vertrokken,
gingen de stad binnen,
vonden alles zoals Hij het hun gezegd had
en maakten het paasmaal gereed.
Toen de avond gevallen was kwam Hij met de twaalf.
Terwijl zij aan tafel aanlagen
en de maaltijd aan de gang was zei Jezus:
C ”Voorwaar, Ik zeg u:
een van u zal mij overleveren,
een die met Mij eet.”
L Droefheid maakte zich van hen meester
en zij begonnen, de een na de ander Hem te vragen:
P “Ik ben het toch niet?”
L Hij antwoordde hun:
C “Een van de twaalf, die met Mij in de schotel doopt.
Wel gaat de Mensenzoon heen zoals van Hem geschreven staat,
maar wee de mens
door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd!
Het zou beter voor hem zijn als hij niet geboren was,
die mens!”
Instelling van de eucharistie
L Onder de maaltijd nam Jezus brood,
sprak de zegen uit,
brak het en gaf het hun, niet de woorden:
C “Neemt,
dit is mijn lichaam.”
L Daarna nam Hij de beker
en na het spreken van het dankgebed reikte Hij hun die toe
en zij dronken allen daaruit.
En Hij sprak tot hen:
C “Dit is mijn bloed van het Verbond,
dat vergoten wordt voor velen.
Voorwaar, Ik zeg u:
Ik zal niet meer drinken van wat de wijnstok voortbrengt
tot op de dag waarop Ik het, nieuw
zal drinken in het Koninkrijk van God.”
In de hof van olijven, voorspelling van Petrus’ verloochening
L Nadat zij de lofzang gezongen hadden
gingen zij naar de Olijfberg.
Toen sprak Jezus tot hen:
C “Allen zult gij ten val komen,
want er staat geschreven:
Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden.
Maar na mijn verrijzenis zal Ik u voorgaan naar Galilea.”
L Toen zei Petrus:
P “Al komen allen ten val, ik zeker niet.”
L Jezus antwoordde hem:
C “Voorwaar, Ik zeg u:
nog heden,
nog deze nacht,
voordat de haan tweemaal kraait,
zult juist gij Mij driemaal verloochenen.”
L Maar met nog meer nadruk verzekerde Petrus:
P “Al moest ik met U sterven,
in geen geval zal ik U verloochenen.”
L In diezelfde geest spraken allen.
Zij kwamen nu aan een landgoed dat Getsemane heette.
Daar zei Hij tot zijn leerlingen:
C “Blijft hier zitten terwijl Ik bid.”
L Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee
en begon zich ontsteld en beangst te gevoelen.
Hij sprak tot hen:
C “Ik ben bedroefd tot stervens toe.
Blijft hier en waakt.”
L Nadat Hij een weinig verder was gegaan
wierp Hij zich ter aarde
en bad dat dit uur, als het mogelijk was,
aan Hem mocht voorbijgaan.
C “Abba, Vader,”
L - zo bad Hij -
C “voor U is alles mogelijk;
laat deze beker Mij voorbijgaan.
Maar toch: niet wat Ik, maar wat Gij wilt.”
L Toen ging Hij terug en vond hen in slaap;
en Hij sprak tot Petrus:
C “Simon, slaapt ge?
Ging het dan uw krachten te boven één uur te waken?
Waakt en bidt
dat gij niet op de bekoring ingaat.
De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.”
L Opnieuw verwijderde Hij zich en bad met dezelfde woorden.
En teruggekomen vond Hij hen weer in slaap,
want hun oogleden waren zwaar;
ze wisten niet wat ze Hem moesten antwoorden.
Toen Hij voor de derde maal terugkwam, sprak Hij tot hen:
C “Slaapt dan maar door en rust uit.
Het is zover,
het uur is gekomen;
zie, de Mensenzoon
wordt overgeleverd in de handen van de zondaars.
Staat op,
laten we gaan:
mijn verrader is nabij.”
Het verraad
L Hij was nog niet uitgesproken of daar kwam Judas,
een van de twaalf,
vergezeld van een bende met zwaarden en knuppels,
gestuurd door de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten.
Zijn verrader had een teken met hen afgesproken door te zeggen:
P “Die ik zal kussen, Hij is het;
grijpt Hem vast en voert Hem onder strenge bewaking weg.”
L Hij ging recht op Jezus af en zei:
P “Rabbi!”
L En hij kuste Hem.
Zij grepen Hem en maakten zich van Hem meester.
Maar een van die er bij stonden, trok zijn zwaard
en sloeg met één houw de knecht van de hogepriester het oor af.
Daarna richtte Jezus zich tot hen met de woorden:
C “Als tegen een rover
zijt ge uitgetrokken met zwaarden en knuppels
om Mij gevangen te nemen.
Dagelijks gaf Ik onderricht bij u in de tempel
en toch hebt ge mij niet gegrepen.
Maar zo moesten de Schriften in vervulling gaan.”
L Toen lieten allen Hem in de steek en namen de vlucht.
Toch ging een jongeman,
die een linnen doek om het blote lichaam had geslagen
Hem achterna.
Ze grepen hem, maar hij liet zijn kleed in de steek en vluchtte naakt weg.
Voor het Sanhedrin
Men bracht Jezus naar de hogepriester,
waar alle hogepriesters,
oudsten en schriftgeleerden bijeenkwamen.
Petrus volgde Hem op een afstand
tot op de binnenplaats van het paleis van de hogepriester
en nam plaats onder het dienstvolk
om zich bij het vuur te warmen.
De hogepriester en het hele Sanhedrin
zochten naar een getuigenis tegen Jezus
om Hem ter dood te kunnen brengen,
maar zij vonden er geen.
Wel brachten velen valse getuigenissen tegen Hem in,
maar hun getuigenissen stemden niet overeen.
Toen traden enige valse getuigen tegen Hem op die verklaarden:
A “Wij hebben Hem horen zeggen:
Ik zal deze door mensenhanden gemaakte tempel afbreken
en in drie dagen een andere opbouwen,
die niet door mensenhanden is gemaakt.”
L Maar ook daaromtrent was hun getuigenis niet eensluidend.
Toen stond de hogepriester in hun midden op
en hij vroeg aan Jezus:
P “Geeft Ge in het geheel geen antwoord?
Wat getuigen deze mensen tegen U?”
L Maar Jezus bleef zwijgen en gaf volstrekt geen antwoord.
Daarop stelde de hogepriester Hem nog een vraag:
P “Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?”
L Jezus antwoordde:
C “Ja, dat ben Ik,
en gij zult de Mensenzoon zien zitten
aan de rechterhand van de Macht
en komen met de wolken des hemels.”
L Toen scheurde de hogepriester zijn gewaad en riep uit:
P “Waartoe hebben wij nog getuigen nodig?
Ge hebt de godslastering gehoord.
Wat dunkt u?”
L Allen spraken het vonnis uit
dat Hij de dood verdiende.
Daarop begonnen sommigen Hem te bespuwen en,
na zijn gelaat bedekt te hebben,
Hem met de vuist te slaan, terwijl ze zeiden:
A “Wees nu eens profeet!”
L Ook de knechten dienden Hem slagen toe.
Door Petrus verloochend
Terwijl Petrus zich beneden op de binnenplaats bevond
kwam daar één van de dienstmeisjes van de hogepriester.
Toen zij Petrus zag die zich zat te warmen,
keek ze hem eens aan en zei:
P “Jij was ook bij Jezus de Nazarener.”
L Maar hij ontkende het:
P “Ik weet niet, ik begrijp niet wat je bedoelt.”
L En terwijl hij wegging naar het poortgebouw kraaide een haan.
Maar toen het meisje hem daar opmerkte,
verzekerde ze nog eens aan de omstanders:
P “Die is er ook een van.”
L Hij ontkende het opnieuw.
Even daarna zeiden de omstanders op hun beurt tot Petrus:
A “Waarachtig, jij bent er ook een van;
je bent toch ook een Galileeër.”
L Toen begon hij te vloeken en te zweren:
P “Ik ken die man niet waarover jullie het hebben.”
L Onmiddellijk daarop kraaide een haan voor de tweede keer.
Nu herinnerde Petrus zich hoe Jezus tot hem gezegd had:
Voordat een haan tweemaal kraait
zult ge Mij driemaal verloochenen.
En hij barstte in tranen uit.
Jezus voor Pilatus
L In de vroege morgen kwamen zij tot een besluit:
de hogepriesters met de oudsten en schriftgeleerden,
heel het Sanhedrin.
Zij boeiden Jezus,
voerden Hem weg en leverden Hem uit aan Pilatus.
Pilatus stelde Hem de vraag:
P “Zijt Gij de koning der Joden?”
L Hij antwoordde hem:
C “Gij zegt het.”
L Toen de hogepriesters vele beschuldigingen tegen Hem inbrachten,
ondervroeg Pilatus Hem weer en zei:
P “Geeft Gij in het geheel geen antwoord?
Zie eens wat voor beschuldigingen ze tegen U inbrengen.”
L Maar Jezus gaf volstrekt geen antwoord meer,
zodat Pilatus verbaasd was.
Nu was hij gewoon bij elk feest één gevangene vrij te laten,
degene om wie zij vroegen.
Er zat juist een zekere Barabbas gevangen onder de oproermakers;
zij hadden bij het oproer een moord begaan.
Het volk kwam opzetten en begon te vragen
dat hij voor hen zou doen zoals altijd.
Pilatus antwoordde daarop met de vraag:
P “Wilt ge dat ik de koning der Joden zal vrijlaten?”
L Hij zag wel in dat de hogepriesters Hem uit nijd overgeleverd hadden.
Maar de hogepriesters hitsten het volk op
te vragen dat hij toch liever Barabbas moest vrijlaten.
Nu nam Pilatus weer het woord en vroeg hun:
P “Wat moet ik dan doen met Hem,
die gij de koning der Joden noemt?”
L Nu schreeuwden ze opnieuw:
A “Kruisig Hem!”
L Daarop vroeg Pilatus hun:
P “Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?”
L Maar zij schreeuwden nog harder:
A “Kruisig Hem!”
L Omdat Pilatus het volk zijn zin wilde geven,
geven liet hij Barabbas vrij,
maar Jezus liet hij geselen
en gaf Hem over om gekruisigd te worden.
Bespotting en kruisiging
Nu brachten de soldaten Hem het paleis binnen,
dat wil zeggen het pretorium,
en riepen de hele afdeling bij elkaar.
Ze hingen Hem een purperen kleed om,
vlochten een doornenkroon en zetten Hem die op.
Vervolgens gingen zij Hem het saluut brengen:
A “Gegroet, koning der Joden.”
L Zij sloegen Hem met een rietstok op het hoofd,
bespuwden Hem
en brachten Hem hulde door op de knieën te vallen.
Nadat zij hun spel met Hem gedreven hadden,
ontdeden zij Hem van het purperen kleed,
trokken Hem zijn eigen kleren aan
en voerden Hem weg om Hem te kruisigen.
Zij vorderden een voorbijganger die van het veld kwam,
Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus,
tot het dragen van zijn kruis.
Zo brachten ze Hem naar de plaats Golgota,
wat vertaald wordt met schedelplaats.
Daar boden ze Hem met mirre gekruide wijn aan,
maar Hij weigerde.
Nadat ze Hem gekruisigd hadden, verdeelden ze zijn kleren
en dobbelden om wat ieder krijgen zou.
Het was het derde uur toen ze Hem kruisigden.
Het opschrift met de reden van zijn veroordeling luidde:
De koning der Joden.
Samen met Hem kruisigden ze ook twee rovers,
de een rechts, de ander links van Hem.
Zo ging in vervulling dit Schriftwoord:
Hij is onder de booswichten gerekend.
Voorbijgangers hoonden Hem,
terwijl ze het hoofd schudden en zeiden:
A “Ha, Gij daar
die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt,
kom van het kruis af en red U zelf.”
L In dezelfde geest zeiden de hogepriesters en de schriftgeleerden
spottend onder elkaar:
A “Anderen heeft Hij gered,
maar zichzelf kan Hij niet redden.
Die Messias, die koning van Israël,
laat Hem nu van het kruis afkomen;
dan zullen we zien en geloven!”
L Zelfs die samen met Hem gekruisigd waren,
voegden Hem beschimpingen toe.
Jezus sterft aan het kruis
Vanaf het zesde uur viel er een duisternis over het hele land
tot aan het negende uur toe.
En op het negende uur riep Jezus met luider stem:
C “Eloï, Eloï, lama sabaktani!”
L Dit is vertaald:
Mijn God, mijn God,
waarom hebt Gij Mij verlaten?
Enkele omstanders die het hoorden zeiden:
A “Hoor, Hij roept Elia.”
L Een van hen ging een spons halen,
drenkte die in zure wijn,
stak hem op een rietstok
en bood Hem te drinken, terwijl hij zei:
P “Laat me begaan!
We willen eens zien of Elia Hem er af komt halen.”
L Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest.
Hier knielen allen gedurende enige tijd.
Toen scheurde het voorhangsel van de tempel
van boven tot onder in tweeën.
De honderdman, die tegenover Hem post had gevat en zag
dat Hij onder zulke omstandigheden de geest had gegeven,
riep uit:
P “Waarlijk, deze mens was een Zoon van God.”
L Er stonden ook vrouwen op een afstand toe te kijken;
onder hen bevonden zich Maria Magdalena,
Maria, de moeder van Jakobus de jongere en van Joses,
en Salóme.
Zij waren Hem in de tijd, dat Hij in Galilea verbleef,
gevolgd om voor Hem te zorgen;
verder nog vele andere vrouwen,
die met Hem naar Jeruzalem gekomen waren.
De begrafenis van Jezus
Het was al avond geworden
en het was Voorbereiding,
dat wil zeggen de dag voor de sabbat.
Jozef van Arimatéa,
een vooraanstaand lid van de Hoge Raad,
die zelf ook in de verwachting van het Rijk Gods leefde,
waagde het daarom naar Pilatus te gaan
en te vragen om het lichaam van Jezus.
Pilatus stond er verwonderd over dat Hij reeds dood zou zijn;
hij liet dan ook de honderdman roepen
en vroeg hem of Hij al gestorven was.
Nadat hij door de honderdman op de hoogte was gebracht,
stond hij welwillend het lijk aan Jozef af.
Deze kocht een lijnwaad,
nam Hem van het kruis
en wikkelde Hem in het lijnwaad.
Daarop legde hij Hem in een graf,
dat in de rots was uitgehouwen
en rolde een steen voor de ingang ervan.
Maria Magdalena en Maria de moeder van Joses
zagen toe waar Hij werd neergelegd.






