Posts tonen met het label opmerkelijke kanunnikessen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label opmerkelijke kanunnikessen. Alle posts tonen

donderdag 2 december 2021

Opmerkelijke kanunnikessen van de Orde van het Heilig Graf De gelukzalige Alvera von Virmund (1617 – 1649) (1 - tweede deel)


De gelukzalige Alvera von Virmund (1617 – 1649) (1)
eerste priorin van het kanunnikessenklooster te Gulik [Jülich] II

Na de genadevolle dag van haar professie streefde Alvera von Virmun onvermoeibaar naar de hoogste Godsbenadering die in dit leven kan worden bereikt. Tot 1644 gebeurde zulks in Aken, waar zij zoals nadien in Gulik, om haar bedreven zijn in die kunst, het orgel bespeelde tijdens de goddelijke diensten. In haar gebed, haar boete en versterving bedacht zij de zielen der overledenen. Zo, b.v. voegde zij bij het Gloria Patri de smeekbede: “Laat toch, Heer, de zielen der overledenen aan Uw glorie deelachtig worden”. Dikwijls vastte zij of verdroeg zij gedurende lange tijd smartelijke dorst of nam discipline tot lafenis der zielen van het vagevuur.
“Als ik voor de overledenen bid, zei ze, om door hun voorspraak iets te bekomen, gebeurt het zelden dat ik niet verhoord word”. Tot het inwendig gebed voelde zij zich getrokken. Teksten als: “Vultum tuum, Domine, requiram”, “In Te Domine, confido”, woorden zelfs als: “Tu tibi”, spraken innig tot haar hart en boden steunpunten voor haar dagelijks leven en contact met God.
Dat nam niet weg dat ook haar hart haar zinnen door de natuur en door de boze geest werden overvallen en zij uren van grote duisternis heeft gekend. “In zulke tijden kon ik mij op geen bijzondere goede werken toeleggen” zo uit zij zich daaromtrent in haar geschriften, “maar ik deed wat ik kon om mijn gedachten erop te richten; wanneer dan een gelegenheid zich voordeed, zou ik metterdaad doen wat ik als het best beschouwde. Zo lang ik in zulke duisternis leef, is de wil weerspannig en niettegenstaande de neiging om het beste te doen, zou hij liever het erkend goede niet aanpakken. Ik kon geen ware toevlucht zoeken bij God, zoals ik het anders placht te doen.” Zij volgde toen de aanmaning van de Apostel: “Bidt zonder ophouden tot de Heer” of richtte hulproepen naar God, b.v. : “Ik geloof dat er een God bestaat die alles weet” of “O, Gij sterke God, help mij, houd mij vast”.

Wanneer haar oversten haar een of andere taak oplegden, zag zij daarin Gods uitdrukkelijke wil. Toch liet zij zich te Aken misleiden door enkele ontevreden medezusters met Helena von Nickel aan het hoofd. Dit leidde tot een scheuring in de communiteit. Op 14 juli 1644 stichtten zeven sepulcrienen van Aken een nieuw huis te Gulick, in het aartsbisdom Keulen. Ze werden hier in geholpen door de Jezuieten, wier eerste provinciaal in Duitsland was: Goswin Nickel, oom van de twee zusters Nickel, en door beider vader P. Nickel, voogdmeier der stad Gulick. Na de vestiging te Gulick, verkoos de communiteit tot eerste priorin Alvera von Virmund (3). Haar lijdensweg begon toen voorgoed. Zijzelf noemde dat weggaan uit Aken haar grootste zonde en wel een van ongehoorzaamheid.

Diep berouw greep haar aan, en met tranen bad zij tot de Heer om vergiffenis en om nog dieper kennis van haar schuld. Ziel en lichaam deelden in haar rouwende boete. Haar zielerust herkreeg ze alleen maar door de zachtzinnige vermaningen van haar biechtvader. Deze gehoorzaamde ze en hield hem tot in haar laatste levensuur als haar overste in alle geestelijke zaken. Voor de rest onderwierp zij zich vrijwillig aan de subpriorin waar het haar eigen persoon betrof. Zozeer vorderde zij in de deugd van gehoorzaamheid, dat zij, toen ze zwaar ziek was, op bevel van haar biechtvader, herhaaldelijk op een feestdag opstond om de plechtige eredienst met orgelspel te begeleiden. Doch niet zodra was de feestdag voorbij op de pijn keerde in alle hevigheid weer.

Met evenveel ijver en liefde beoefende Alvera ook de deugd van armoede. Waar het kon, gebruikte zij afgedragen kledingstukken. “want, zei ze, hals schertsend half ernstig, tegen hitte en koude kan ik evengoed vechten met een oud en versleten habijt als met nieuwe en kostbare weefsels”. Zij trachtte steeds te leven in Gods tegenwoordigheid en getuigt daaromtrent: “Denken aan God, bezig zijn met Hem is mijn sterkste en beste beschutting tegen alle kwaad. Ik struikel alleen dan wanneer ik daarin nalatig ben. Indien ik zonder Gods tegenwoordigheid te gedenken een goed werk verricht en het later onderzoek, dan vind ik het altijd vermengd met enkele onvolmaaktheden, met zelfzucht b.v. of gemakzucht, hovaardij, menselijk opzicht, eergierigheid, behagen in eigen oordeel, afgunst of verachting van anderen, en alle dergelijke gedachten, woorden of werken. Beschouw ik die goede werken enkel oppervlakkig, dan merk ik dat alles niet, want ongemerkt en heimelijk sluipen die onvolmaaktheden binnen en mengen zich onder het goede, en met veel moeite moet ik mij bevrijden uit hun greep. Maar nu heb ik ontdekt, dat zij door de oefening van Gods tegenwoordigheid op de allerbeste wijze kunnen verdreven worden. Ik herinner me niet ooit door dit middel geen hulp te hebben ondervonden. Zonder dit middel zou ik in vele gelegenheden gefaald hebben en bezweken zijn. Alle andere middelen waardoor ik mijn ziel tracht op te monteren, hebben niet de voldoende kracht om me volkomen naar God te voeren, want ik moet me volledig afkeren van mezelf en me toekeren naar God. Dit middel is zo doeltreffend en ik bevind er mij zo goed bij, dat ik het aan de novicen aanbeveel.”

(wordt vervolgd)

Priorij Turnhout, 8 december 1959
Zr. M. Hereswitha O.S.S.J.


(3) Na haar dood werd op 10 juni 1649 Marg. Ter. Nickel (uit Koslar) gekozen, die na vier jaar moest aftreden en toen met haar twee zusters het Heilig Grafklooster stichtte te Neuss (1654-1802). In Gülick werd toen gekozen M. Odilia von Virmund, de zuster van Alvera, (ingetreden in Gülick in 1650). Cfr. Günter Bers, Die Geschichte, p. 6-7, 10-11, 12-13.

vrijdag 3 mei 2019

Opmerkelijke kanunnikessen van de Orde van het Heilig Graf De gelukzalige Alvera von Virmund (1617 – 1649) (1)

Nieuwe reeks: Opmerkelijke kanunnikessen van de Orde van het Heilig Graf

De gelukzalige Alvera von Virmund (1617 – 1649) (1)
eerste priorin van het kanunnikessenklooster te Gulik [Jülich] I



Alvera von Virmund leefde in de Rijnstreek, deel van het godsdienstig-verscheurde Duitsland van de 17e eeuw waar de Contraformatie eindelijk zegevierde.
Zij stamde uit het adellijk geslacht von Virmund en werd op 3 mei 1617 geboren te Neersen bij Mönchen-Gladbach, als kleindochter van Vrijheer Ambrosius VI en als Dochter van Vrijheer Johann, heer van Neersen en Anrath. Haar vader, in 1616 van het calvinisme tot het katholicisme bekeerd, werd om zijn dapperheid in de strijd bij de Witte Berg te Praag, tot generaal-wachtmeester van de ruiterij benoemd. Alvera’s moeder, op 2 oktober 1612 gehuwd, was de vrome Joanna-Maria, gravin van Flodorff, uit het geslacht Leude bij Maastricht. Diepe gemoedsadel en ware deugd kenmerkten haar. Zij werd geroemd om haar vriendelijk behulpzaamheid voor armen en behoeftigen.
In het H. Doopsel ontving het eerste dochtertje van Joanna-Maria van Flodorff de naam Alvera, een verkorting voor Alverade-Alberta, naam die volgens Dr. Georg Scottely zou beduiden: “die zich weert”, “de zich tegen alles verwerende”. Het kind werd na haar Doopsel op het altaar aan de Heer opgedragen en onder de bijzondere hoede van O. L. Vrouw gesteld. In haar later leven schreef Alvera aan dit feit al de genaden toe die zij van God ontving, waaronder speciaal haar kloosterroeping. “Aan God, zo luidt haar woord, wil ik mijn verschuldigde dank uitspreken en ik voel mij zeer verplicht tegenover Hem, omdat Hij mij, onwaardige, in het katholiek geloof liet opvoeden en mij door een katholieke priester liet dopen. Mijn grootste vreugde is het nochtans dat ik aan God en aan Zijn Heilige Moeder toebehoor, vermits mijn ouders mij vanaf mijn prilste jeugd aan de Moeder Gods als een offer hebben toegewijd.” Tot na haar eerste levensjaar werd zij geheel in het wit gekleed, omdat wit de liturgische kleur is van de feesten van O. Heer en van zijn H. Moeder, alsmede het symbool van de vreugde en van de reinheid.

Alvera ontving thuis haar godsdienstig-zedelijke opvoeding, vooral van haar moeder, en naar de gewoonte van die tijd, werd ze door leraars ook onderwezen in het Latijn en het Frans. De schrijvers die ze ter hand nam, waren bij voorkeur godsdienstige, en in haar vrije tijd was ze gaarne alleen en doorbladerde dan de levens der heiligen. Moeders voorbeeld leerde haar de wegen van de barmhartigheid en van de wegschenkende liefde. Ouder geworden nam zij deel aan eerzame genoegens en bijeenkomsten, waar zij de welgekomen gast was, maar nooit nam ze deel aan een gesprek waarbij de eer of de goede faam van de evenmens in het gedrang kwam.
Aanvankelijk streefde Alvera ernaar roem en aanzien te verwerven en trachtte zij bij de mensen door te gaan voor iemand die wars is van vleierij, en toch, zo vertelt zij zelf, was de spiegel dikwijls haar raadsman voor haar uiterlijk voorkomen. Maar haar sterkte trek naar eenzaamheid en bezinning deed haar spoedig de nietigheid van al het aardse ontdekken; vooral hielp daartoe ook mee het afsterven van geliefden en bekenden. “Zo ben ik er ook zeker van, zo schrijft zij, dat ik hen zonder oponthoud achterna ijl. Niemand kan met zekerheid zeggen dat ik nog een uur langer te leven heb. In welke toestand had de dood mij kunnen verrassen; hoe zou ik voor Gods Rechterstoel verschenen zijn, door ijdelheid opgeblazen en arm aan goede werken!” Met de H. Ignatius herhaalde zij graag: “Wat lijkt de wereld mij toch nietig, wanneer ik de Hemel beschouw!”

De roeping tot het kloosterleven, die in haar was gerijpt, moest nochtans nog een affectieve moeilijkheid overwinnen, n.l. haar grote liefde voor haar ouders, zonder wie het leven haar onmogelijk scheen. God zou ook dat offer mogelijk maken.
In 1632 – haar vader was voor een tijd vanuit het leger met verlof thuis – reed deze op zekere dag naar Keulen om er in de kerk der Jezuieten God te danken voor zijn behoud en andere ontvangen weldaden. Doch, op het plein voor de kerk gekomen, wordt hij dodelijk getroffen door een kogel van een hooggeplaatst maar hem vijandig persoon. (Zulke wraaktonelen kwamen meer voor in die tijd van godsdienstig-politieke strijd.) Die onverwachte en tragische dood van haar vader grijpt Alvera diep aan en doet haar de onbestendigheid van alle aardse dingen grondiger beseffen. En ze schrijft: “(Toen “begon ik de onbestendigheid van onze liefde in te zien als deze op een schepsel gericht is, doordat het voorwerp van mijn rechtmatige billijke liefde door een zo plotse onvoorziene dood weggenomen was”). Gelouterd door diepte zielesmart wordt het haar mogelijk Christus’ roepstem te volgen. Na verloop van de bepaalde rouwtijd deelt zij haar besluit aan haar moeder mede, die haar toestemming verleent, haar aanmoedigt en helpt bij het uitvoeren van haar voornemen.

Alvera’s keuze viel op de Heilig-Graforde, omdat men daar voortdurend God dankt voor de weldaad der Verlossing en het Lijden en Dood, de Begrafenis en de Verrijzenis van de Zaligmaker herdenkt, juist die geheimen waarvan het overwegen haar het dierbaarst was. Op Driekoningenfeest 1633 trad ze in bij de Sepulcrienen van het monasterium St. Leonhard te Aken. Bij die gelegenheid schrijft ze: “zo behoort het te zijn mijn God, dat ik U alleen bemin en alles van mij verwijder wat vergankelijk en voorbijgaand is. Moge niets voortaan mij nog verblijden dan de eeuwigheid.” Alles wat niet op haar gericht is zal mij mishagen.”

Na afloop van haar proefjaren, n.l. op 1 mei 1635, feest van St. Jacobus de Mindere, patroon der Orde, sprak zij haar plechtige geloften uit. De formule (de geloftebrief bleef bewaard) (2) luidde: “Ik, Alvera, wettige dochter van Johann von Virmund zaliger, alhoewel gans onwaardig maar betrouwend op Uw barmhartigheid, offer mijzelf en het mijne aan Uw goddelijke Majesteit en beloof U alle dagen van mijn levens in deze kanoniale Orde van het Heilig Graf van mijn Verlosser, volgens de Regel van de H. Augustinus, in armoede, kuisheid, gehoorzaamheid en bestendige clausuur te blijven, volgens de Statuten van deze Orde.
Dit beloof ik ook aan U, Hoogeerwaarde in naam en als plaatsvervanger van onze Heilige Vader de Paus, en van de Hoogeerwaarde Aarts- [-onjuist] –bisschop van Luik, ordinarius van deze plaats [Aken]. Ik bid mijn goedertierenste Verlosser, door de verdiensten van Zijn dierbaar Bloed, mijn offer welgevallig te willen aanvaarden en mij de gratie te verlenen de Hem geofferde geloften te volbrengen al de dagen van mijn leven”.

Gedaan in het huis van het Heilig Graf te Aken, 1 mei 1635, in de stand van Koorzuster,

Alvera von Virmund +”.

(1)     C.P. LüLL, Lebhaftes confrafait einer aufrichtiger in der geistlicher Vollkommenheit ergebener und in Gott verliebter Seelen in der Wohl-Ehrwürdigen in Gott ruhender Frauen Alvera von Virmund bei Lebzeiten desz uhralten regulierten Ordens vom H. Grab zu Gülich Wohlverdienter Vorsteherin, Cöllen, Johan Widenfeldts, 1682, in 4°, 119 blz; - (De aangehaalde teksten of uitspraken van Alvera werden uit dit werk overgenomen); - A. Schiffers, Alvera von Virmund, eine heiligmässige Klosterfrau von Jülich, in Rur Blumen, nr. 46, 1927, blz. 4-5; - Alvera von Virmund, Priorin des uralten regul. Ordes v. Hl. Grab zu Jülich, door een Zuster van het Heilig Grafklooster te Baden, hs, vertaald in het Nederlands door Zr. Gariël-Marie, hs, 23 blz.; - Günter Bers, Die Geschichte des ehemaligen Sepulchrinerinnenkloster St. Joseph zu Jülich, overdruk uit de Heimatkalender des Kreises Jülich 1959.
(2)    Rijksarchief Düsseldorf.

 Zr. Dr.  M. Hereswitha O.S.S.J. H. Grafpriorij Turnhout, 1959 (tekst licht bewerkt)

vrijdag 31 maart 2017

Opmerkelijke kanunnikessen van de Orde van het Heilig Graf De gelukzalige Alvera von Virmund (1617 – 1649) (1 deel IV)

Opmerkelijke kanunnikessen van de Orde van het Heilig Graf De gelukzalige Alvera von Virmund (1617 – 1649) (1)
Nieuwe reeks: Opmerkelijke kanunnikessen van de Orde van het Heilig Graf
De gelukzalige Alvera von Virmund (1617 – 1649) (1)
eerste priorin van het kanunnikessenklooster te Gulik [Jülich] IV

Alvera von Virmund doorstond vele ziekten, kon o.a. herhaaldelijk drie maanden lang bijna geen enkel lidmaat bewegen, maar de leuze “beminnen en lijden” had zij tot de hare gemaakt. Tegen het einde van haar leven openbaarde zich een zware hartziekte, daarbij kwam nog het koudvuur in de voeten; in vereniging met Christus’ lijden sprak zij toen: “Zijn heilig Lichaam werd toch ook tot ons heil verscheurd”.

Op 24 februari 1649, bij een hartcrisis, traden de tekenen van haar naderend stervensuur in, dat haar bovendien na de H. Communie in een visioen geopenbaard werd. Omringd door de communiteit en bijgestaan door Kanunnik Schneiber, doctor in de godgeleerdheid en kanunnik van de collegiale kerk te Gulik, ontsliep zij in de Heer op Paasmorgen 24 april 1649 tussen 6 en 7 uur, in gehoorzaamheid aan haar biechtvader, onder diens zegen en met op haar lippen de woorden: “In manus tuas, Domine, commendo spiritum meum”.
Na het overlijden kregen aangezicht en wangen een frisse zachtrode kleur, zodat de omstanders zich afvroegen of de dood wel was ingetreden. Kanunnik Schneiber zei: “Dit is werkelijk het aangezicht van een engel ….. Ik kan getuigen dat de liefde deze ziel heeft ontrukt aan het lichaam en haar heeft heengevoerd naar de hemelse Bruidegom. Met Hem is zij nu volmaakt verenigd.”
Haar biechtvader was van mening, dat haar heimwee naar God de hoofdoorzaak was van haar afsterven. Het hele lichaam bleef soepel. Wanneer men de hand erop legde, herkreeg die plaats aanstonds haar natuurlijke warmte. Zelfs de geneesheer moest bekennen, dat dit enkel op bovennatuurlijke wijze te verklaren was.

Daar het klooster nog geen eigen kerk had, werd haar stoffelijk overschot bijgezet in de parochiekerk, omstreeks 9 uur in de avond van 26 april. De geestelijkheid, hoge ambtenaren, het volk van de stad, begeleidden vol eerbied haar ontzield lichaam naar zijn laatste rustplaats. Laatste toch niet, want zeven jaar later, toen de zusters van het Heilig Graf klooster een eigen kerk hadden, vroegen zij het lijk van de dierbare dode terug. Na enige moeilijkheden werd hun verzoek ingewilligd. Al wie Alvera gekend hadden en het nieuws van de overbrenging van haar stoffelijk overschot naar de kloosterkapel hadden vernomen, waren aanwezig. De kist werd geopend, en daar lag ze nog als de eerste dag. Het eerste lid van de kleine vinger werd als reliek meegnomen en door haar biechtvader bewaard. Men zegt dat hij door deze relikwie de genezing van een bezetene zou hebben bekomen. Met de meeste verering werd ze dan naar haar huis, het Sint Jozefklooster, dat ze zelf begonnen was te bouwen, teruggebracht en haar stoffelijk overschot bijgezet in de nieuwe kerk. Daar rustte zij dicht bij de haren, die haar voorspraak afsmeekten. Rijke genaden bekwam zij voor haar zuster Odilia von Virmund - (die in 1650 intrad en in 1654 de derde priorin van het klooster werd) (3) -, alsmede voor de andere zusters en leerlingen van die jaren en van later tijd.

De Franse Revolutie dreef de Zusters uiteen, vervreemdde de goederen en vernielde of verstrooide de geschriften zowel van de gelukzalige als die van de communiteit.
Maar de nagedachtenis van Alvera leeft voort, omstraald met de aureool van de heiligheid. De benaming “gelukzalige Alvera” werd algemeen aangenomen onder de Heilig Grafzusters. Al heeft de Kerk deze titel nog niet officieel erkend, zeker is Alvera von Virmund toch een begenadigde ziel geweest, een heilige zuster van onze Orde. En met vertrouwen bid ik daarom, als besluit van dit kort overzicht van haar leven: Alvera, bid voor ons, spreek bij God ten beste voor onze Orde, onze kloostergemeenschap, ons apostolaat.

Priorij Turnhout, 8 dec. 1959
Zr. M. Hereswitha O.S.S.J.


(3) Na haar dood werd op 10 juni 1649 Margaretha Teresia Nickel (uit Koslar) gekozen, die na vier jaar moest aftreden en toen met haar twee zusters het Heilig Grafklooster stichtte te Neuss (1654-1802). In Gülik werd toen gekozen M. Odilia von Virmund, de zuster van Alvera, (ingetreden in Gülik in 1650). Cfr. Günter Bers, Die Geschichte………, p. 6-7, 10-11, 12-13.

zaterdag 11 maart 2017

Opmerkelijke kanunnikessen van de Orde van het Heilig Graf De gelukzalige Alvera von Virmund (1617 – 1649) (1 - deel III)

Opmerkelijke kanunnikessen van de Orde van het Heilig Graf De gelukzalige Alvera von Virmund (1617 – 1649) (1)
De gelukzalige Alvera von Virmund (1617 – 1649) (1)
eerste priorin van het kanunnikessenklooster te Gulik [Jülich] III

De naastenliefde van de zalige Alvera von Virmund uitte zich in dienstvaardigheid aan haar medezusters, in behulpzaamheid bij alle huiselijk werk, in het aanmoedigen van allen door woord en gebaar. Ze had zich als regel voorgesteld ten minste om de twee maanden aan elke geprofeste zuster gelegenheid te schenken om met haar alleen te spreken. Ze trachtte ook de zusters met kinderlijke vrijmoedigheid te laten zeggen welke veranderingen zij nodig vonden voor de goede gang van het huis. Ze vroeg hen ook in alle nederigheid of ze door haar manier van doen hen niet ergerde.
Dag en nacht brandde in haar vurige liefde tot God. Bij het opstaan bad zij onder meer: “Door uw lijden en sterven zijt Gij een vorstelijke Zegepraler geworden en door uw zegepralende Verrijzenis zijt Gij uw heerlijkheid ingegaan. Moge uw Kruisdood ons zegeteken zijn, en laat ons allen deelgenoten worden van uw Rijk. Ons leven en ons heil berusten in het Kruis van Christus.” Wanneer iemand haar in heftige woorden toesprak of ten onrechte klachten over haar uitstrooide of anderszins onrecht aandeed, spande zij zich in om dit zwijgend en met vreugde te dragen. Hierover schreef zij: “In weemoed of in akelige omstandigheden zou mijn gemoed wel gaarne troost zoeken bij de schepselen. Doch ik weerhoud me daarvan met geweld. Want niet bij de mensen wil ik mijn hart ontlasten en over mijn wederwaardigheden klagen; alleen aan God vertel ik alles. Wanneer ik voel dat mijn ziel en mijn geest zwak en krachteloos zijn, dan benader ik God met het hart en de gedachten als van een ziek kind bij zijn moeder. ” Elders nog: “Het verlangen naar lijden beschouw ik niet alleen als redelijk, maar ook als natuurlijk. Zo klaar zie ik de noodzakelijkheid in van het lijden. Ja, ik durf te zeggen: het lijden is het beste op aarde, wanneer het gedragen wordt met een oprecht hart. In het lijden, waarvoor de natuur weliswaar huivert en afschrik voelt, moeten wij niet het eigenbelang zoeken, maar de bijzonder grote schat van Gods genade en welbehagen. Daarom, wanneer ik hoor dat iemand het lijden schuwt, ben ik daarover niet verwonderd, maar ik heb medelijden met hem, omdat hij de ware troost niet zoekt. Ik ben de mening toegedaan dat God het vertrouwen op Hem en de overgave aan Hem moet verbergen of onthouden aan iemand van wie Hij iets groots verwacht. Anders zou men geen last ervan ondervinden. Moesten ooit over mij grote pijnen komen, die me onmogelijk te dragen schijnen, b.v. de gruwzaamheden van de martelaars, zo wil ik toch niet daarvoor terugschrikken. Ik ben er echter niet zeker van of ik ze wel zou kunnen doorstaan. Maar ik weet beslist dat God mij ofwel de genade zou geven om dat lijden te verdragen, ofwel het van mij zou afwenden. Indien mijn vader me zag bezwijken onder een last, dan zou hij me zeker ter hulp komen. Welnu, hoeveel trouwer is God dan vader of moeder! Ik meen, dat mijn leven veel te rustig, te vredig is, juist omdat het lijden voor de mens zo noodzakelijk is. Ik zeg vredig, en dan denk ik aan uiterlijk aangedane onrechtvaardigheden. Ik heb wel strijd te voeren tegen mijn driften, maar die strijd is mij niet onaangenaam. Wanneer ik mijn lijden vergelijk met dat van andere dienaren en dienaressen Gods, dan moet ik bekennen dat ik leef in een klein paradijs. Mijn grootste bekommernis ligt wel daarin, dat ik niets of enkel zeer weinig kan lijden voor Gods glorie. Daarom bid ik tweemaal daags tot de H. Moeder van God, opdat zij mij de genade zou bekomen veel en goed te lijden, en gelijk Zij, toen Zij stond onder het Kruis. Wanneer ik door anderen onaangenaamheden moet verduren – och het zijn maar kleine zaken -, dan ben ik blij en in mijn hart word ik wat vreugde gewaar.”
De kracht tot die offerbereide zielshouding vond Alvera in het gebed, in de H. Eucharistie. Urenlang kon zij doorbrengen, ook ’s nachts, neergeknield voor het Tabernakel. “Mijn verlangen naar God, zo bekent ze, veroorzaakt in mij niet alleen zielepijn maar ook lichamelijk pijn aan het hart. Ik weet dat ik nooit groter pijn heb geleden. God weet hoe innig ik naar Hem verlang. Soms gebeurt het dat een zo groot heimwee naar de Godsgenieting me aangrijpt dat ik mijn hart geweld moet aandoen. In het begin wist ik niet wat er mij gebeurde. Ik merkte wel dat niets mijn hart kon bevredigen dan God alleen. Dat heb ik geleerd uit mijn bevindingen na de H. Communie: Gedurende en na die tijd is er in mij geen zo hevig verlangen, omdat mijn ziel bezit wat zij zo innig begeerde.
Doch nu ervaar ik dat mijn ziel verlangt ontbonden te worden en de voorhang verwijderd te zien die Gods Aangezicht voor haar verborgen houdt. Wanneer mijn gedachten ook maar een weinig daarheen gericht zijn, vervult mij spoedig een groot verlangen om dicht bij God te zijn. Dikwijls wordt het innerlijk geweld dat ik doorsta zo groot dat het mij als een foltering schijnt. Het ontstaat uit de beide begeerten: het hoogste goed inniger te beminnen en verlangen dichter bij God te zijn.”
Om die liefde nog aan te vuren smeekte zij met aandrang de hulp der heiligen af, vooral die der Allerheiligste Maagd en Moeder Gods, die ze dagelijks op bijzondere wijze vereerde, o.a. door een uur te harer ere op te dragen, het Ave Maris Stella, het Rozenkransgebed en het Officie van O. L. Vrouw Onbevlekt te bidden. Driemaal daags bad ze het “Monstra te esse Matrem” om de bijzondere bijstand van Maria te bekomen in het uur van haar dood. Tot Sint Jozef ook had zij een speciale devotie en kort voor haar dood drukte zij de wens uit dat de kloosterkerk die men van plan was te bouwen aan hem zou worden toegewijd.

(wordt vervolgd)

Priorij Turnhout, 8 dec. 1959

Zr. M. Hereswitha O.S.S.J.