Posts tonen met het label hebdomada XII per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hebdomada XII per annum. Alle posts tonen

zaterdag 20 juni 2026

Lezingen H. Mis 12e zondag door het jaar A Weest niet bevreesd voor hen die het lichaam kunnen doden

Eerste lezing: Jer. 20, 10-13
Jeremia sprak:
“Ik hoor velen fluisteren:
Daar heb je ‘Ontzetting-overal’.
Breng hem aan.
Ja, we brengen hem aan.
Al mijn vrienden willen niets liever
dan mij ten val brengen.
Ze zeggen:
Misschien laat hij zich misleiden;
dan overmeesteren we hem
en kunnen we ons op hem wreken.
De Heer is bij mij als een machtig strijder.
Mijn achtervolgers vallen neer,
ze zullen niet overwinnen.
Ze worden diep beschaamd,
nooit bereiken ze iets.
Hun schande duurt eeuwig,
ze wordt nooit vergeten!.

“Heer van de hemelse machten, die alles rechtvaardig onderzoekt,
die hart en nieren doorgrondt,
laat mij zien hoe Gij U op hen wreekt.
Ik heb immers mijn zaak in uw handen gelegd.

Zingt een lied, een loflied voor de Heer,
want Hij heeft het leven van de arme
uit de macht van de boosdoeners gered.”

Tweede lezing: Rom. 5, 12-15
Broeders en zusters,
Door één mens is de zonde in de wereld gekomen
en met de zonde de dood;
en zo is de dood over alle mensen gekomen,
aangezien allen gezondigd hebben.
Er was immers reeds zonde in de wereld,
vóór de wet er was.
Maar zonde wordt niet aangerekend,
waar geen wet is.
Toch heeft de dood als koning geheerst
in de tijd van Adam tot Mozes,
dus ook over hen,
die zich niet op de wijze van Adam schuldig hadden gemaakt
aan de overtreding van een gebod.
Adam nu is het beeld van Hem, die komen moest.
Maar de genade van God
laat zich niet afmeten naar de misstap van Adam.
De fout van één mens bracht allen de dood,
maar God schonk allen rijke vergoeding
door de grote gave van zijn genade:
de ene mens, Jezus Christus.

Evangelie: Mt. 10, 26-33
Wat Ik u zeg in het duister, spreekt dat uit in het licht, en wat ge u in het oor hoort fluisteren, verkondigt dat van de daken.
In die tijd zei Jezus tot zijn apostelen:
“Weest niet bang voor de mensen.
Niets is bedekt of het zal onthuld,
niets verborgen of het zal bekend worden.
Wat Ik u zeg in het duister, spreekt dat uit in het licht,
en wat ge u in het oor hoort fluisteren,
verkondigt dat van de daken.
Weest niet bevreesd voor hen, die wel het lichaam kunnen doden
maar niet de ziel;
vreest veeleer Hem,
die én ziel én lichaam in het verderf kan storten in de hel.
Verkoopt men niet twee mussen voor een stuiver?
En toch zal buiten de wil van uw Vader
niet één mus op de grond vallen.
Bij u echter is zelfs iedere haar van uw hoofd geteld.
Weest dus niet bevreesd;
gij zijt toch meer waard dan een zwerm mussen.
Ieder die Mij bij de mensen belijdt,
zal ook Ik als de mijne erkennen bij mijn Vader, die in de hemel is.
Maar ieder die Mij zal verloochenen tegenover de mensen,
zal ook Ik verloochenen
tegenover mijn Vader die in de hemel is.”


Lectio divina Lezingendienst 12e zondag door het jaar - Men moet niet alleen met woorden bidden, maar ook met daden.


Uit de verhandeling van de heilige martelaar Cyprianus, bisschop van Carthago (†258), over het gebed des Heren

Men moet niet alleen met woorden bidden, maar ook met daden.

Vindt u het verwonderlijk, geliefde broeders en zusters, dat het onze vader zo kort is? En dan heeft onze Meester ook nog alles wat wij kunnen bidden, in deze korte maar heilzame zinnen samengebracht! De profeet Jesaja heeft hierover al gesproken toen hij, vervuld van de heilige Geest, over de majesteit en de goedheid van God zei: dit is een volmaakt woord dat in het kort alle gerechtigheid bevat; op de gehele aarde zal God dit korte woord tot vervulling brengen (vgl. Jes. 10, 22b. 23). En inderdaad, toen het woord van God in onze Heer Jezus Christus voor alle mensen is gekomen - voor beide geslachten, alle generaties, geleerden en ongeletterden - heeft Hij al zijn leringen en geboden in weinig woorden samengevat, opdat het geheugen van de geloofsleerlingen niet te zeer zou worden belast en zij zouden kunnen leren wat voor een eenvoudig geloof nodig is.

Op deze wijze heeft hij in het kort uitgesproken wat het geheim van het eeuwig leven is: ‘Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige ware God en Hem die Gij hebt gezonden, Jezus Christus’ (Joh. 17, 3). En zo heeft Hij ook de eerste en grootste geboden uit de wet en de profeten bijeengebracht: ‘Hoor, Israël! De Heer onze God is de enige Heer’ (Mc. 12, 29), en: ‘Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Dit is het voornaamste en eerste gebod. Het tweede, daarmee gelijkwaardig: gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de wet en de profeten’ (Mt. 22, 37-40); en tenslotte: ‘Alles wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doet dat ook voor hen. Dat is de wet en de profeten’ (Mt. 7, 12).

God heeft ons niet alleen met zijn woord maar ook met zijn voorbeeld geleerd hoe te bidden. Hij bad zeer dikwijls, zoals er geschreven staat: ‘Hij trok zich telkens terug in de eenzaamheid om te bidden’ (Lc. 5, 16), en: ‘Hij ging naar het gebergte om te bidden en bracht de nacht door in gebed tot God’ (Lc. 6, 12). Daarmee toonde Hij ons wat ook wij moeten doen.

De Heer bad niet voor zichzelf - wat zou Hij, zondeloze, voor zich moeten vragen? - maar voor onze zonden, zoals Hij tot Petrus heeft gezegd: ‘De satan heeft geëist u te ziften als tarwe. Maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet zou bezwijken’ (Lc. 22, 31-32). En later heeft Hij voor alle mensen tot de Vader gebeden: ‘Niet voor hen alleen bid Ik, maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen één mogen zijn, zoals Gij, Vader, in Mij en Ik in U: dat ook zij in Ons mogen zijn’ (Joh. 17, 20-21).

Hoe goed en barmhartig is God! Niet alleen verlost Hij ons door zijn bloed, maar Hij bidt bovendien ook voor ons heil. Ziet toch hoezeer Hij verlangt dat, evenals de Vader en de Zoon één zijn, ook wij in hun eenheid blijven.

Introitus Dominica XII per annum : Dominus fortitudo plebis

dinsdag 22 juni 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XII per annum feria III Tota vita Christum declaremus-Laten wij in heel ons leven Christus voor ogen stellen




Lectio altera

Ex Tractátu sancti Gregórii Nysséni epíscopi De perfécta christiáni forma
(PG 46, 283-286)

Tweede lezing

Uit het tractaat over ‘Het volmaakte model van de christen’ van de H. Gregorius van Nyssa, bisschop
(PG 46, 283-286)

Laten wij in heel ons leven Christus voor ogen stellen

Drie dingen zijn er, die het leven van de christen duidelijk maken en onderscheiden: het handelen, het spreken en het denken. Hiervan bekleedt het denken de eerste, het spreken de tweede plaats; dit laatste openbaart en verklaart in woorden de gedachte, die in de geest is ontvangen en ingedrukt. Na het denken en spreken komt dan de uitvoering in de daad van wat door de geest was bedacht. Als wij er dus toe worden geleid, zoals dat gaat, om iets te doen of te bedenken of erover te spreken, is het een vereiste, dat al onze woorden, onze daden, onze gedachten zo bestuurd worden naar de goddelijke norm van die eigenschappen, waardoor Christus voor ogen wordt gesteld, dat wij niets denken en zeggen of doen, wat afwijkt van hun verheven betekenis.

Wat anders dus staat hem te doen, die zich die grote christennaam waardig toont, dan al zijn gedachten, woorden en werken zorgvuldig te onderzoeken, om te oordelen, óf elk van zijn daden op Christus is gericht óf aan Hem vreemd is? Dat oordeel hierover kan op verschillende wijzen uitstekend gebeuren. Al wat namelijk met een zekere verwarring wordt gedaan of bedacht of gezegd, komt allerminst met Christus overeen, maar draagt het kenmerk en het beeld van de tegenstander (de duivel), die in de parel van de ziel zijn troebelen mengt, om ze te bederven en zo de glans van dit kleinood misvormt en vernietigt.

Maar al wat vrij en zuiver is van iedere onrustige gesteldheid, staat in betrekking tot de Bewerker en de Oorsprong van de vrede, die Christus is. Wie uit Hem, als uit een zuivere en ongerepte bron, zijn gedachten en genegenheden put en afleidt, draagt zulk een gelijkenis met zijn Beginsel en Oorsprong met zich mee, als het water heeft met zijn bron, of het nu stroomt in een beekje of helder straalt in een kruik.

Want het is een en dezelfde zuiverheid, die wij in Christus zien en in onze geest. Die eerste ontstaat in de bron; die andere komt uit dezelfde bron en wordt tot in ons afgeleid. Ze neemt de schoonheid van haar eigenschappen met zich mee in het leven, zodat er een overeenkomst bestaat tussen het inwendige en het uitwendige van de mens: dit wordt dan tot een schone harmonie, wanneer de eigenschappen, die uit Christus voortkomen, de bescheidenheid en eerbaarheid van het leven regelen en leiden. Hierin is (naar mijn mening) de volmaaktheid gelegen van het christelijk leven, dat wij, die deelachtig zijn geworden aan die namen, waardoor de Naam van Christus wordt aangeduid, de kracht van die namen tot uitdrukking brengen én in onze ziel én in het gebed én in onze levenshouding


maandag 21 juni 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XII per annum feria II Christianus alter Christus.De christen is een andere Christus




Lectio altera

Ex Tractátu sancti Gregórii Nysséni epíscopi De perfécta christiáni forma
(PG 46, 254-255)


Tweede lezing

Uit het tractaat over ‘Het volmaakt model van de christen’ van de H. Gregorius van Nyssa, bisschop
(PG 46, 254-255)
De christen is een andere Christus

Van allen wist Paulus op de meest uitgelezen wijze wie Christus is en door zijn eigen daden maakte hij duidelijk hoe degene moet zijn, die naar Hem wordt genoemd. Want zo nauwkeurig volgde Hij Christus na, dat hij de Heer zelf in zijn leven uitbeeldde. Want door de meest zorgvuldige navolging vormde hij zijn ziel zo naar Christus’ beeld, dat hij, die sprak, niet Paulus meer was, maar Christus scheen te zijn, zoals hij zelf zegt, die zijn eigen gaven aanvoelde: Gij verlangt immers het bewijs, dat Christus spreekt door mij. En: Ik leef, maar niet ikzelf: Christus is het, die in mij leeft.

Hij heeft ons dan ook geopenbaard, welk een kracht die Naam Christus bezit, toen hij zei, dat Christus de Kracht Gods is en de Wijsheid Gods, en Hem de Vrede zelf en het ontoegankelijke Licht noemde, waarin God woont; onze Verzoening en Verlossing en Hogepriester, en Pascha en de Verzoening voor de zielen, de afstraling van Gods heerlijkheid en Evenbeeld van Gods Wezen en Schepper van heel de wereld, geestelijke spijs en drank, Rots en Water, Fundament van ons geloof en Hoeksteen, Beeld van de onzichtbare God, Grote God, Hoofd van Het Lichaam de Kerk, Eerstgeborene van de nieuwe schepping, de Eersteling van hen die ontsliepen, Eerstgeborene uit de doden en Eerstgeborene onder vele broeders, Middelaar tussen God en mensen, de Eniggeboren Zoon met glorie en eer gekroond, de Heer van de glorie, het Begin van alles, Koning van gerechtigheid en daartoe ook Koning des vredes, Koning over alles, die de heerschappij bezit in een Rijk door geen grenzen omsloten.

Hem noemde hij zo, met deze en andere gelijksoortige titels, die zoveel in aantal zijn, dat ze door hun menigte niet gemakkelijk te tellen zijn. Maar als deze alle met elkaar in verband worden gebracht en al hun betekenissen bijeen worden verzameld, maken ze wel de wonderbare kracht duidelijk van de Naam van Christus en tonen zij van zijn majesteit, die niet met woorden is uit te leggen wel zoveel aan, als wij met onze ziel en onze gedachten kunnen omvatten.

Daar nu de goedheid van onze Heer ons de allergrootste en goddelijkste en allereerste Naam heeft geschonken, zodat wij, gesierd met de naam Christus ‘christenen’ worden genoemd, moeten ook alle namen, die dit woord (Christus) verduidelijken, uitdrukkelijk in ons te zien zijn, opdat wij niet valselijk ‘christenen’ worden genoemd, maar er ook voor getuigen met ons leven.


Liturgy of the Hours Monday of week 12 in Ordinary Time St Gregory of Nyssa The Christian is another Christ


Office of Readings Second Reading

A treatise on Christian Perfection by St Gregory of Nyssa

The Christian is another Christ

More than anyone, St Paul understood who Christ is and those requirements needed by the person named after him. Paul spoke of what he himself had accomplished and accurately imitated him in a manner to show the Lord expressed in his own person. By careful imitation Paul became a model so that it is no longer he who is perceived as living and speaking, but Christ who lives in him. Knowing his own blessings, that good man said You seek proof that Christ is speaking in me and, elsewhere, It is no longer I who live but Christ who lives in me.
  Paul’s words show us the significance of Christ’s name, when he said that Christ is the power and wisdom of God. But he also called Christ: peace; the inaccessible light where God dwells; our sanctification and redemption; the great high priest; our Passover and our sacrifice of expiation; the brightness of glory; the very image of God’s substance; the creator of the ages; our spiritual food and drink; the rock and the water; the foundation of faith; the chief cornerstone; the image of the great and invisible God; the head of his body, the Church; the first-born of the new creation and the first-fruits of those who have fallen asleep; the first-born from the dead, the first-born among many brothers; the mediator between God and man; the only-begotten Son crowned with honour and glory; the Lord of glory; the beginning of all things; the King of justice, but not only of justice but also the King of peace and the King of all things, the King whose kingdom is boundless.
  Paul gave all these names to Christ and many others too: so many that they cannot easily be counted. But they are all related, and if you understand the meaning of each of them on its own and put those meanings together then you will come to understand the full meaning of that one word “Christ” and that will show you – as far as the human soul is able to comprehend it – God’s inexpressible greatness.
  The good Lord has granted us the privilege of sharing in this, the greatest, most divine and chief of all names, so that, honoured by the name of Christ, we are called “Christians.” So then we must ensure that in us are seen all the meanings of the name of Christ, so that our title is not false and meaningless but is borne out by our lives.

zaterdag 19 juni 2021

Lezingen H. Mis 12e zondag door het jaar B “Wie is Hij toch, dat zelfs wind en water Hem gehoorzamen?”


 Eerste lezing
: Job 38, 1.8-11

In die tijd begon de Heer, in storm en wind

tot Job te spreken:

“Waar was je

toen de zee haar poorten beukte,

onstuimig los wilde breken uit de moederschoot;

toen Ik haar kleedde in wolken

en hulde in windels van wolkenslierten;

toen Ik haar paal en perk stelde,

de poort vergrendelde en zei:

Tot hier en niet verder,

hier breken uw trotse golven?”


Tweede lezing: 2 Kor. 5, 14-17

Broeders en zusters,

de liefde van Christus laat ons geen rust

sinds wij hebben ingezien, dat Een is gestorven voor allen.

Maar dan zijn allen gestorven!

En Hij is voor allen gestorven,

opdat zij die leven niet meer voor zichzelf zouden leven,

maar voor Hem, die ter wille van hen is gestorven en verrezen.

Daarom beoordelen wij voortaan niemand meer

naar de oude maatstaven.

En al hebben wij Christus ooit op zulke wijze beoordeeld,

dan nu toch niet meer.

Zo is dus wie in Christus is een nieuwe schepping:

het oude is voorbij, het nieuwe is al gekomen.


Evangelie: Mc. 4, 35-41

Op een dag, tegen het vallen van de avond,

sprak Jezus tot zijn leerlingen:

“Laten we oversteken.”

Zij stuurden het volk weg

en namen Hem mee, zoals Hij daar in de boot zat; andere boten begeleidden Hem.

Er stak een hevige storm op

en de golven sloegen over de boot, zodat hij al vol liep.

Intussen lag Hij aan de achtersteven op het kussen te slapen.

Ze maakten Hem wakker en zeiden Hem:

“Meester, raakt het U niet dat wij vergaan?”

Hij stond op,

richtte zich met dwingend woord tot de wind

en sprak tot het water:

“Zwijg stil!”

De wind ging liggen en het werd volmaakt stil.

Hij sprak tot hen:

“Waarom zijt gij zo bang?

Hoe is het mogelijk dat ge nog geen geloof bezit?”

Zij werden door een grote vrees bevangen en vroegen elkaar:

“Wie is Hij toch, dat zelfs wind en water Hem gehoorzamen?”

zaterdag 30 juni 2018

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XII per annum sabbato Deus inveniri potest in corde homini. God kan gevonden worden in het hart van de mens.


  

Lectio altera

Ex Homilíis sancti Gregórii Nysséni epíscopi
(Orat. 6 De beatitudinibus: PG 44, 1270-1271)
Tweede lezing

Uit de Homilieën van de H. Gregorius van Nyssa
(Orat. 6 De beatitudinibus: PG 44, 1270-1271)
God kan gevonden worden in het hart van de mens

Een bepaald goed in het leven van de mens is de gezondheid van het lichaam, maar het geluk bestaat niet slechts in het kennen van de aard van de gezondheid, maar veeleer in het leven in gezondheid. Want als iemand de lof bezingt van de gezondheid, maar voedsel nuttigt, dat kwade vochten en ziekten voortbrengt, wat baat het dan die lof over de gezondheid, als hij zelf door ziekten wegkwijnt? Op dezelfde wijze dus moeten wij het gezegde verstaan, ons door de Heer voorgehouden, dat het niet zalig is iets over God te kennen, maar God in zich te bezitten. Immers: Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien. Daarmee wordt volgens mij niet bedoeld, dat hij, die het oog van zijn ziel heeft gezuiverd God van aanschijn tot aanschijn zal aanschouwen, maar dit prachtige gezegde doet ons misschien verstaan, wat Christus bij een andere gelegenheid duidelijker gezegd heeft: Her Rijk Gods is midden in u; zodat wij erop gewezen worden, dat hij, die zijn hart gereinigd heeft van elk schepsel en van slechte neigingen, in zijn eigen schoonheid het beeld ziet van de goddelijke natuur.

En mij schijnt het toe, dat het goddelijk Woord met die weinige woorden een raad wilde geven van deze strekking: O, gij mensen, die een bepaald verlangen in u bezit te aanschouwen Degene, die waarlijk goed is en wanneer U tegelijkertijd hoort, dat de goddelijke majesteit ver boven de hemelen is verheven, dat zijn glorie niet te vatten is, zijn schoonheid onuitsprekelijk en zijn natuur niet te begrijpen is – laat u niet tot wanhoop verleiden, alsof gij niet kunt zien wat gij verlangt te zien.

Want als ge door een zorgzaam en onberispelijk leven de onreinheid, die zich in en aan uw hart had gehecht, weer zult hebben afgewassen, zal de goddelijke schoonheid in u weer gaan stralen. Zoiets zien we ook bij ijzer gebeuren: waar het ijzer kort te voren nog donker en vuil was, gaat het, nadat het roest er met een slijpsteen van werd verwijderd, zelf weer in de zon blinken en schitteren; zo ook zal de inwendige mens, die door de Heer ‘hart’ wordt genoemd, als hij het roestvuil van de zonde, dat zich door ongunstige omstandigheden aan de buitenkant vormde, verwijderd heeft, weer op zijn oorspronkelijke gedaante gaan gelijken en daarmee weer goed worden. Want wat op het goede gelijkt, is ongetwijfeld zelf goed.

Als dus zo iemand in zijn binnenste ziet, ziet hij in zichzelf, wat hij verlangt te zien. Aldus wordt hij, die een rein hart bezit, gelukkig, omdat hij, wanneer hij zijn eigen zuiverheid beschouwt, in zijn eigen beeld het Oerbeeld beschouwt. Want zoals zij, die in een spiegel de zon zien, hoewel zij niet met een vaste blik in de zon zelf kunnen kijken, toch de zon in de glans van de spiegel niet minder duidelijk zien dan zij, die in de zon zelf kijken – zó, wil de Heer zeggen, zijt gij wel te zwak van krachten om het ontoegankelijke Licht zelf te aanschouwen, maar als gij naar dat glanzende en genadevolle beeld, dat Hij U oorspronkelijk heeft meegegeven terugkeert, zult gij in uzelf bezitten, wat gij zoekt.

De Godheid immers is de reinheid en het vrij-zijn van ondeugden en slechte hartstochten, het verwijderd zijn van alle kwaad. Als dit dus in u aanwezig is, is ook God zeker in u aanwezig. Daarom, als uw geest rein is van alle boosheid, vrij van alle verkeerde neiging en ondeugd, en van alle bezoedeling verwijderd, zijt gij zalig door uw scherpe en heldere blik, omdat datgene, wat de blik ontgaat van hen, die niét gezuiverd zijn, gijzelf als gezuiverde terstond bemerkt, en met de ogen van de ziel, bevrijd van de stoffelijke duisternis, ziet gij door de zuiverheid van uw hart helder het zalig schouwspel. En wat ziet gij daar? Wel: heiligheid, zuiverheid, eenvoud, al dergelijke schitterende uitstralingen van de goddelijke natuur, waardoor God zelf wordt aanschouwd.


dinsdag 26 juni 2018

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XII per annum feria IV Vera perfecta et æterna amicitia. De ware, volmaakte en eeuwige vriendschap.

Lectio altera

Ex Tractátu beáti Aelrédi abbátis De spiritáli amicítia
(Lib. 3: PL 195, 692-693)
Præstantíssimus iúvenum Iónathas, non régium stemma, nec regni exspectatiónem atténdens, fœdus íniit cum David, et servum in amicítiam adæquans dómino, sic fugátum a patre, sic latitántem in erémo, sic adiudicátum morti, neci destinátum, sibi prætulit, se humílians, et illum exáltans: Tu, inquit, eris rex, et ego ero secúndus post te.
O præclaríssimum veræ amicítiæ spéculum! Mira res! Rex furébat in servum et quasi in æmulum regni totam pátriam excitábat; sacerdótes árguens proditiónis, pro sola suspicióne trucídat; lustrat némora, valles exquírit, montes et rupes armáta óbsidet manu, omnes se régiæ indignatiónis spondent ultóres; solus Iónathas, qui solus iústius póterat invidére, patri resisténdum putávit, deferéndum amíco, præbéndum in tanta adversitáte consílium, et amicítiam regno præferens: Tu eris, ait, rex, et ego ero secúndus post te. Et vide, quómodo pater adulescéntis contra amícum excitábat invídiam, convíciis urgens, terrens minis spoliándum regno, honóre privándum commémorans.
Cum enim in David mortis senténtiam protulísset, Iónathas amíco non défuit. Quare moriétur David? quid peccávit? quid fecit? Ipse pósuit ánimam suam in manu sua, et percússit Philisthæum, lætátus es. Quare ergo moriétur? Ad hanc vocem versus in insániam rex, láncea nisus est confódere Iónatham cum paríete addénsque convícia minis: Fili, inquit, mulíeris ultro virum rapiéntis; scio quia díligis eum in confusiónem tuam, et in confusiónem ignominiósæ matris tuæ. Deínde totum virus, quo pectus iúvenis aspergerétur, evómuit, adíciens verbum ambitiónis incitaméntum, foméntum invídiæ, zeli et amaritúdinis incentívum: Quámdiu víxerit fílius Isai, non stabiliétur regnum tuum.
Quis non moverétur his verbis, non invidéret? Cuius amórem, cuius grátiam, cuius amicítiam non corrúmperent, non minúerent, non obliterárent? Ille amantíssimus aduléscens amicítiæ iura consérvans, fortis ad minas, pátiens ad convícia, propter amicítiam regni contémptor, ímmemor glóriæ, sed memor grátiæ. Tu eris, inquit, rex, et ego ero secúndus post te.
Hæc est vera, perfécta, stábilis et ætérna amicítia: quam invídia non corrúmpit, non suspício mínuit, non dissólvit ambítio; quæ sic tentáta non cessit, sic arietáta non córruit; quæ tot convíciis pulsáta cérnitur inflexíbilis, tot lacessíta iniúriis permánsit immóbilis. Vade ergo, et tu fac simíliter.

Tweede lezing

Uit het tractaat over “De geestelijke vriendschap” van de Zalige Aelred, abt
(Lib. 3: PL 195, 692-693)
De ware, volmaakte en eeuwige vriendschap

Met voorbijzien van zijn koninklijke afkomst en van de verwachting, dat hij zelf eens zou regeren, sloot de uitmuntende jongeman Jonathan een verbond met David. In zijn vriendschap stelde hij de dienaar gelijk aan de heer; en David, die zo door zijn vader Saül werd verjaagd, die zich zo in de woestijn verborgen hield; die zo ter dood was veroordeeld en terecht moest worden gesteld – die stelde hij boven zichzelf, zichzelf vernederend en David verheerlijkend, toen hij tot hem zei: Gij zult koning zijn, en ik de tweede, na u.

Schitterende spiegel van ware vriendschap! Een wonderbaar iets! De koning woedde tegen zijn dienaar en als tegen een mededinger in zijn macht bracht hij heel zijn rijk in beroering. De priesters beschuldigde hij van verraad, en doodde hen alleen al op verdenking. Hij doorkruiste de bossen, doorzocht de dalen, bezette bergen en rotsen met gewapende manschappen; allen beloofden wrekers te zijn van de koninklijke verontwaardiging. Alleen Jonathan, die als enige het meeste recht had om na-ijverig te zijn, meende zijn vader te moeten weerstaan, bracht berichten over aan zijn vriend en gaf hem raad in diens grote beproeving. En zijn vriendschap boven het koningschap stellend zei hij tot David: Gij zult koning zijn, en ik de tweede, na u.
En zie dan, hoe de vader van die jongeman afgunst tracht te wekken tegen diens vriend door zijn schelden, door zijn zoon de dreiging voor te houden dat hij van het koningschap zou worden beroofd en zo in zijn eer zou worden aangetast.

Want toen Saül het doodvonnis over David had uitgesproken, liet Jonathan zijn vriend niet in de steek. Waarom moet David sterven? Waarin heeft hij gezondigd? Wat heeft hij gedaan? Hij heeft zijn leven in uw hand gesteld. Hij heeft de Filistijn verslagen en ge hebt u daarover verheugd. Waarom moet hij dan sterven?
Op dit woord werd de koning woedend; hij trachtte met zijn lans Jonathan tegen de muur te doorboren, en voegde hem bedreigingen en scheldwoorden toe: Jij, zoon van een straatmeid; ik weet heel goed, dat je het met de zoon van Isaï houdt tot je eigen schande en tot de schande van de schaamte van je moeder. En dan braakt hij al zijn venijn uit waarmee hij de jongeman tegen de borst stuitte, en probeerde nog zijn na-ijver te prikkelen door voedsel te geven aan afgunst, nijd en verbittering, met de woorden: Zolang de zoon van Isaï leeft, zal jouw rijk niet vaststaan.

Wie zou door die woorden niet bewogen worden, wie niet benijden? Ten opzichte van wie zou de liefde, de genegenheid en vriendschap door zulke woorden niet bedorven, verzwakt en uitgewist worden? Maar hij, die vurig-minnende jongeman, blijft trouw aan de rechten van de vriendschap, hij staat sterk tegenover bedreigingen, is geduldig bij smaad, veracht het heersen om de vriendschap, denkt niet aan glorie maar is bedacht op zijn genegenheid. Gij zult koning zijn, zegt hij, en ik de tweede, ná u.

Dat is de ware, volmaakte, standvastige en blijvende vriendschap: die door geen afgunst wordt aangetast, door geen verdenking verzwakt, door geen na-ijver vernietigd; die zo beproefd niet wijkt, en zo gebeukt niet bezwijkt: die met zoveel smaad behandeld onbuigzaam blijkt te zijn, door zoveel beledigingen uitgedaagd onbewogen blijft.
Ga dus heen en doe evenzo.