Posts tonen met het label H. Anselmus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label H. Anselmus. Alle posts tonen

donderdag 2 december 2021

Lectio divina linqua latina Liturgia Horarum Feria VI Hebdomadæ I Adventus Ad Officium lectionis Desiderium contemplandi Deum. Het verlangen naar de Godsaanschouwing.



Lectio altera
E libro «Proslógion» sancti Ansélmi epíscopi
 (Cap. 1: Opera omnia, Edit. Schmitt, Seccovii, 1938, 1, 97-100)

Tweede lezing
Uit het ‘Proslogion’ van de H. Anselmus, bisschop
Het verlangen naar de Godsaanschouwing
Welaan, klein mensenkind, trek u voor een korte tijd eens uit uw bezigheden terug, neem wat afstand van uw woelige gedachten. Werp uw lastige zorgen eens van u af en laat uw moeizame bezigheden een tijdje staan.
Treed in de binnenkamer van uw geest. Sluit alles buiten, behalve God en wat u kan helpen Hem te vinden. Sluit uw deur en tracht Hem te vinden. Zeg nu, heel mijn hart, zeg nu tot God: Ik zoek uw aangezicht, uw aangezicht, Heer, verlang ik te zien.
Welaan dan, Heer, mijn God, leer mijn hart wáár en hóe het U moet zoeken, wáár en hóe het U kan vinden Heer; als Gij niet hier zijt, waar moet ik U zoeken in uw afwezigheid?  Maar als Gij overal zijt, waarom zie ik U dan niet aanwezig? Ongetwijfeld bewoont Gij een ontoegankelijk licht.  Maar waar is dat ontoegankelijke licht, of hoe kan ik dat benaderen? Of wie voert mij erheen en geeft mij daar toegang, om U in dat licht te zien? En dan, onder welke tekenen, onder welk uiterlijk moet ik U zoeken? Ik heb U nooit gezien, Heer, mijn  God, ik ken uw gelaat niet.
Heer, Gij zijt mijn God en Gij zijt mijn heer, maar ik heb U nooit gezien. Gij hebt mij gemaakt en hervormd en mij alle goeds geschonken en nog ken ik U niet. Tenslotte ben ik geschapen om U te zien, maar ik heb nog niet bereikt waarvoor ik geschapen ben.
Maar, o Heer, hoelang nog? Tot hoelang, Heer, zult Gij ons vergeten, tot hoelang uw gelaat van ons afwenden? Wanneer zult Ge op ons neerzien en ons verhoren? Wanneer zult Ge onze ogen verlichten en ons uw gelaat tonen?  Wanneer zult Ge U weer aan ons terugschenken?
Zie op ons neer, Heer, verhoor ons, verlicht ons, toon U aan ons. Geef U aan ons terug tot ons geluk, want zonder dit is het zo slecht gesteld met ons. Heb medelijden met onze moeiten en inspanningen om tot U te komen, wij, die niets kunnen zonder U.

Leer mij U te zoeken en toon U aan de zoekenden, want noch kan ik U zoeken als Gij mij niet onderricht, noch U vinden als Gij U niet aan mij vertoont. Moge ik U zoeken door naar U te verlangen. Moge ik naar U verlangen door U te zoeken. Moge ik U vinden door U te beminnen. Moge ik U beminnend door U te vinden.

dinsdag 20 april 2021

Liturgia Horarum 8 december Hoogfeest Onbevlekte Ontvangenis van Maria


Uit de Preken van de H. Anselmus, bisschop

O Maagd, door wier zegeningen heel de natuur gezegend wordt

Hemel, sterren, aarde, rivieren, dag en nacht en alles wat dienen kan voor de macht en het nut van de mens, verheugen zich – nu de glans van dat al verloren was – in u, Meesteres, omdat die schepping door u in zekere zin weer herrezen is en met een onuitsprekelijke gratie bekleed is. Al die schepselen waren als het ware dood, omdat de oorspronkelijke menselijke waardigheid verloren was gegaan, die moest helpen dat alles te beheersen en te gebruiken om God ermee te verheerlijken, waarvoor het geschapen was. Al die schepselen werden met geweld vernield en verloren hun schoonheid door het misbruik van de afgodendienst, waarvoor zij niet gemaakt waren. Maar nu zij als het ware herrezen zijn, verheugen zij zich, omdat zij nu geregeerd worden door het bestuur van mensen, die God erkennen en die door hen te gebruiken, hen prijzen.
Al die vernieuwde schepselen juichen nu als het ware met een onvergelijkelijke gratie, omdat zij nu God zelf hun eigen Schepper, - niet alleen onzichtbaar boven zich als bestuurder wisten, maar ook zichtbaar in hun midden, doordat Hij hen gebruikte, – zagen als hun Heiligmaker. En al die grote goederen zijn ons toegekomen door de gezegende Vrucht van de gezegende schoot van de gezegende Maria.

Want door de volheid van uw genade verheugen zich al die schepselen, bevrijd uit de onderwereld, en zij die op de aarde zijn, zijn blij, omdat zij hersteld zijn.

Door dezelfde glorievolle Zoon van uw glorievolle maagdelijkheid juichen nu alle rechtvaardigen, die stierven vóór zijn levengevende dood, over de verlossing uit hun gevangenschap; en de engelen verheugen zich over het herstel van hun halfverwoeste staat.

O, Vrouw, vol en overvol van genade: elk schepsel, dat besproeid wordt door uw uitbundige volheid, bloeit aldus weer op! O, gezegende en boven alle maat gezegende, door wier zegening heel de natuur wordt gezegend, niet alleen gij zelf als geschapene door de Schepper, maar ook de Schepper door zijn schepsel!

God – wiens Zoon zelf, alleen aan Hem gelijk en van Hem voortkomend en Die Hij met heel zijn liefde als Zichzelf bemint – Hij gaf die Zoon aan Maria. En uit Maria schiep God zich een Zoon, niet een andere maar dezelfde, zodat Hij van nature een en dezelfde Zoon was: gemeenschappelijk van God en van Maria. Geheel de natuur is door God geschapen en God is uit Maria geboren. God heeft alles geschapen en Maria heeft God gebaard. God, die alles heeft geschapen, vormde Zichzelf uit Maria. En zo heeft Hij herschapen wat Hij eens geschapen had. Hij, die alles uit het niet tevoorschijn kon brengen, wilde, toen dat alles geschonden was, dit niet herstellen zonder Maria.

God is derhalve de Vader van de schepselen, Maria de Moeder van de hernieuwde schepselen. God is de Vader van de grondvesting van alles, Maria de Moeder van het herstelde alles. God immers bracht Hem voort, door Wie alles is geschapen; Maria bracht Hem voort, door Wie alles werd verlost. God bracht Hem voort, zonder Wie er geheel niets bestaat; Maria bracht Hem voort, zonder Wie er niets goeds bestaat.

O, waarlijk is de Heer met U, aan wie de Heer het gaf, dat heel de natuur zoveel aan U verschuldigd is met zichzelf erbij.

(Oratio 52 PL 158: 955-956)

De H. Anselmus over Maria


“Maria, Gij zijt degene die mijn hart wil beminnen
Gij zijt degene die mijn mond vurig verlangt te loven”

21 april - H. Anselmus, bisschop en kerkleraar "U kennen, U beminnen om in U mijn vreugde te vinden"

Anselmus werd in 1033 geboren te Aosta in Piemonte (Noord-Italië). Hij trad in bij de benedictijnen van de abdij van Le Bec in Normandië. Met grote ijver legde hij zich toe op het monastieke leven en wijdde hij zich aan het theologisch onderricht van zijn medebroeders. Na zijn overtocht naar Engeland werd hij tot bisschop van Canterbury gekozen. Om zijn onverzettelijke houding inzake de rechten van de kerk werd hij tweemaal verbannen. Hij was een voortreffelijk schrijver en liet bij zijn dood in 1109 verschillende werken na van mystiek-theologische inhoud.
 
Uit de geschriften van de heilige Anselmus, bisschop van Canterbury († 1109)
Dat ik U mag kennen, U mag beminnen om in U mijn vreugde te vinden.
Mijn ziel, heb je gevonden wat je zocht? Jij hebt God gezocht en je hebt gevonden dat Hij iets is dat het hoogste van alles is, het beste dat kan worden gedacht; en dat dit het leven zelf is, het licht, de wijsheid, de goedheid, het eeuwige geluk en de gelukzalige eeuwigheid; en dat dit overal bestaat en altijd.
Heer, mijn God, Gij hebt mij gevormd en hervormd. Zeg aan mijn verlangende ziel wat Gij, God, nog meer zijt dan wat zij heeft gezien, zodat zij zuiver kan zien wat zij verlangt. Zij spant zich in om meer te zien en boven dat wat zij gezien heeft, ziet zij niets dan duisternis. Of liever: zij ziet geen duisternis, want die is er niet in U, maar zij ziet in dat zij niet verder kan zien vanwege haar eigen gebrek aan licht.
Werkelijk, Heer, dit is ‘het ongenaakbaar licht’ (1 Tim. 6, 16) waarin Gij woont. Want er is werkelijk niets anders dat in dit licht kan binnendringen om U daar te aanschouwen. En de reden waarom ik dit licht niet zie, is dat het voor mij te fel is. En toch, al wat ik zie, zie ik door dat licht, zoals ons zwakke oog alles ziet dank zij het licht van de zon dat zelf voor ons oog te fel is.
Mijn verstand is onvoldoende voor dat licht. Het straalt te sterk. Mijn verstand kan het niet vatten en het oog van mijn ziel houdt het niet uit om zich daarop langere tijd te richten. Het wordt verblind door de glans, overweldigd door de weidsheid, overstelpt door de onmetelijkheid en verward door de omvang.
Hoogste licht, onbereikbaar, volledige gelukzalige waarheid, hoe ver zijt Gij van mij af, al ben ik zo dicht bij U.
Hoe ver zijt Gij weg van mijn ogen, al ben ik zo dicht bij voor U. Overal zijt Gij volledig aanwezig en toch zie ik U niet. ‘In U beweeg ik mij, in U besta ik, en toch kan ik niet bij U komen. Gij zijt in mij en om mij heen, en toch word ik U niet gewaar.’
Ik bid, o God, dat ik U mag kennen, dat ik U mag beminnen om mij in U te mogen verheugen. En als ik daartoe in dit leven niet volledig in staat ben, laat mij dan hierin toch van dag tot dag vooruitgaan, totdat die vreugde volkomen wordt. Moge de kennis van U hier in mij toenemen en ginds volledig worden, moge mijn liefde voor U groeien en ginds volkomen zijn, zodat mijn vreugde hier groot is door de verwachting en ginds in werkelijkheid volmaakt.
Heer, door uw Zoon beveelt Gij ons, of liever raadt Gij ons aan U te vragen, en Gij belooft dat wij het zullen verkrijgen zodat ‘onze vreugde volkomen wordt’ (Joh. 16, 11). Ik vraag, Heer, wat Gij ons aanraadt door onze wonderbare raadgever. Mag ik ontvangen wat Gij door uw waarheid belooft, zodat ‘mijn vreugde volkomen wordt’. Waarachtige God, ik vraag U dat ik mag ontvangen, zodat ‘mijn vreugde volkomen wordt’.
Intussen moet mijn geest daarover nadenken, mijn tong daarover spreken, mijn hart dat beminnen en mijn mond het verkondigen. Mijn ziel moet daarnaar hongeren, mijn lichaam dorsten, mijn hele wezen verlangen, totdat ik zal binnengaan in de vreugde van mijn Heer, de drieëne God, geprezen in eeuwigheid. Amen.