Posts tonen met het label 27 juli ZTB. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 27 juli ZTB. Alle posts tonen
woensdag 27 juli 2022
Liturgia Horarum Uit een preek van de heilige Titus Brandsma († 1942) over heldhaftigheid
Geschokt door de moord in Frankrijk gisteren waarbij een hoogbejaarde priester tijdens de H. Mis om het leven kwam, bidden wij voor alle slachtoffers van geweld, gericht tegen christenen. Onderstaande tekst van Titus Brandsma is hierbij onverminderd toepasselijk.
Wij zullen onze liefde niet prijsgeven.
Men zegt dat wij leven in een grote tijd, een tijd van grote mannen en vrouwen. Wij zouden misschien beter kunnen zeggen, dat wij leven in een tijd van diepe inzinking, maar waarin zich een reactie begint af te tekenen en men uitziet naar verdediging van de dierbaarste en heiligste panden. En daarom roept men om de sterke man. Maar een held willen wij, strijdend voor een heilige zaak, een ideaal gebaseerd op Gods plan, en niet alleen op menselijke kracht.
Het nieuwe heidendom beschouwt heel de natuur als een emanatie van de godheid, rijk en veelvuldig als de rassen en volkeren der aarde, zo is het ene ras edeler en zuiverder dan het andere. Naarmate het meer licht in zich draagt, heeft het ook tot taak, dat licht uit te stralen en te doen schijnen over de wereld. Het kan dit slechts, als het alle vreemde elementen afscheidt, als het van alle smetten vrij is. Daarom de cultus van ras en bloed, de verering van de helden van het eigen volk.
Hoe kan een verkeerd uitgangspunt toch op noodlottige dwaalwegen voeren. Is het niet jammer, dat zoveel geestdrift en energie gesteld worden in dienst van zulk een verkeerd begrepen en onzuiver gesteld ideaal? Maar ‘laten wij leren van de vijand’, om ons eigen ideaal zuiverder en beter te stellen, om evenveel liefde voor ons ideaal te koesteren, er evenveel geestdrift voor aan de dag te leggen, offervaardigheid om ervoor te leven en te sterven, moed om het in onszelf en in anderen te verwezenlijken.
Ook wij belijden onze voortkomst uit God. Ook wij willen, wat Hij wil. Maar wij aanvaarden geen emanatie en vergoddelijken onszelf niet. Wij erkennen voortkomst in afhankelijkheid. En als wij roepen en bidden om de komst van zijn rijk, dan is dat niet in een differentiatie van ras en bloed, maar dan zijn alle mensen onze broeders, zelfs zij, die ons haten en bestrijden. In vereniging met Hem, die zijn zon doet opgaan over goeden en kwaden.
Wij willen niet hervallen in de zonde van het paradijs, ons met God gelijk maken. Wij willen geen heldenverering baseren op een vergoddelijking van de menselijke natuur.
Wij erkennen een wet Gods en onderwerpen ons daaraan. Wij wensen onze afhankelijkheid van het hoogste wezen, dat ons het aanzijn gaf niet te verdoezelen in een onjuist begrepen zucht om onszelve te zijn. Maar als wij de wet Gods in ons erkennen, ervaren wij evenzeer, dat er in ons een wet om gelding vraagt, die begeert tegen de Geest Gods. Soms komt ook in ons als in Paulus het verlangen op, dat het anders zou zijn; wij hebben er moeite mee, onze onvolmaaktheid en tegenstrijdigheid te erkennen. Wij zouden beter willen wezen, uiteraard, in aanleg en natuur. En soms zelfs menen wij te zijn, wat wij zouden willen wezen.
In de beste ogenblikken echter erkennen wij onze onvolmaaktheid. Maar dan weten we toch, dat we beter zouden kunnen zijn. Wij kunnen de overtuiging niet verdrijven, dat wij veel volmaakter zouden kunnen wezen, als wij er slechts de moed toe hadden. Het gaat niet zonder moeite, niet zonder harde strijd. In diezelfde goede ogenblikken treuren wij niet langer over onze lamlendigheid of die van anderen, maar herinneren we ons het antwoord aan Sint Paulus innerlijk gegeven: ‘Mijn genade is u genoeg’ (2 Kor. 12, 9). In vereniging met Mij kunt gij alles.
Wij leven in een wereld, waarin men zelfs de liefde veroordeelt en een zwakheid noemt die moet worden opgeruimd, waar de mens overheen moet. Geen liefde, maar eigen krachtsontwikkeling. Laat elk zo sterk mogelijk zijn, laat de zwakken ondergaan. Het christendom met zijn liefdeprediking heet uit de tijd en moet vervangen worden door de oude Germaanse kracht.
Al wil het nieuwe heidendom de liefde niet meer, wij zullen, de geschiedenis indachtig, toch met de liefde dat heidendom overwinnen en onze liefde niet prijsgeven. De liefde zal ons weer het hart der heidenen doen winnen. De natuur gaat boven de leer. Laat de theorie de liefde verwerpen en veroordelen, haar een zwakheid noemen, de praktijk van het leven zal haar altijd weer een kracht doen zijn, die de harten der mensen overwint en gevangen houdt.
27 juli Heilige Titus Brandsma
De gedachtenis van de zalige Titus Brandsma, priester uit de Orde van de Karmelieten en martelaar, die werd geboren te Oegeklooster bij Bolsward in de provincie Friesland en na zijn priesterwijding en verdere studies doceerde aan de pas opgerichte Katholieke Universiteit van Nijmegen. Tijdens de Duitse bezetting wierp hij zich in voordrachten en publicaties op als verdediger van de Kerk en van de menselijke waardigheid. Daarom werd hij opgepakt en overgebracht naar het concentratiekamp Dachau bij München in Duitsland. alle ellende en kwellingen waarmee hij werd geconfronteerd, verdroeg hij met gelijkmoedigheid. Niet alleen aan zijn medegevangenen, maar zelfs aan zijn beulen gaf hij een voorbeeld van uitmuntende liefde.
maandag 16 mei 2022
27 juli - Heilige Titus Brandsma - "Ik was U nimmer zo nabij"
Gebed van de Zalige Titus Brandsma
Geschreven in de nacht van 12 op 13 februari 1942 in de Scheveningse gevangenis)
O, Jezus, als ik U aanschouw,
dan leeft weer, dat ik van U houd
en dat ook uw Hart mij bemint,
nog wel als uw bijzondere vriend,
Al vraagt dat mij meer lijdensmoed,
och, alle lijden is mij goed,
omdat ik daardoor U gelijk
en dit de weg is naar uw Rijk.
Ik ben gelukkig in mijn leed,
omdat ik het geen leed meer weet,
maar ‘t alleruitverkorenst lot,
dat mij vereent met U, o God.
O, laat mij hier maar stil alleen,
het kil en koud zijn om me heen,
en laat geen mensen bij mij toe:
‘t alleen zijn wordt ik hier niet moe.
Want Gij, o Jezus, zijt bij mij,
ik was U nimmer zo nabij.
Blijf bij mij, bij mij, Jezus zoet,
uw bijzijn maakt mij alles goed.
dinsdag 27 juli 2021
H. Titus Brandsma - Verrijzenisspiritualiteit Orde van het H. Graf - "zijn als een vuurvlam"
Verrijzenisspiritualiteit
In 1939 hield pater prof. dr. Titus Brandsma o.carm. de volgende homilie
bij de Eeuwige Professsie van vier Kanunnikessen
van de H. Grafpriorij te Turnhout
Een van hen was Zuster M. Matthea van Christus’ Priesterschap
Van 1966-2008 priorin Priorij Thabor Sint Odiliënberg
In 1939 hield pater prof. dr. Titus Brandsma o.carm. de volgende homilie
bij de Eeuwige Professsie van vier Kanunnikessen
van de H. Grafpriorij te Turnhout
Een van hen was Zuster M. Matthea van Christus’ Priesterschap
Van 1966-2008 priorin Priorij Thabor Sint Odiliënberg
Bij de plechtige Professie van vier Zusters Reguliere Kanunnikessen van het H. Graf te Turnhout
Zaterdag 22 April 1939.
Fecit Angelos suos spiritus et ministros suos flammam ignis.
Hij heeft gewild, dat Zijn engelen een geestelijk leven zouden leiden en Zijn dienaren zouden zijn als een vuurvlam.
Hoogeerwaarde en Zeerwaarde Heren, feestvierende Zusters, gelukkige ouders en familieleden, dierbare gelovigen.
Nu wij op deze blijde dag in groten getale van verre gekomen zijn naar het H. Graf van Turnhout, nu komt als vanzelf in ons geheugen en onze verbeelding op, hoe eens de Apostelen en de vrome vrouwen van Jeruzalem op de blijde Paasdag gingen naar het H. Graf te Jeruzalem. Wat zij zagen, zien ook wij: Engelen als wachters bij het Graf, Engelen in witte kleren gehuld, door God tot een verheven taak geroepen en gezonden, een drievoudige taak, een teken van goddelijke uitverkiezing.
Er waren ook andere wachters bij het Graf, door donkere machten gezonden, om Christus’ verrijzenis te beletten en nadat Hij was verrezen, die verrijzenis te loochenen en tegen te spreken. Maar van deze wachters spreken wij hier niet meer, nadat God hen met Zijn bliksem heeft neergeworpen.
Wij begroeten met de Apostelen en de vrouwen de Engelen Gods en verheugen ons erover, dat Hij de wonderen van Zijn liefde wil doen voortduren en wij nu nog mogen aanschouwen, wat eenmaal de Apostelen en de vrome vrouwen met zo grote vreugde vervulde. Ook hier zien wij vier Engelen neergeknield voor het altaar om zich aan God toe te wijden om heel haar leven trouwe wachteressen te zijn van Zijn H. Graf en bij dit H. Graf de taak te vervullen, welke Hij eens Zijn Engelen opdroeg op de dag van Zijn verrijzenis.
Ja, Eerwaarde Zusters, de taak aan die Engelen opgedragen is een beeld van de roeping door God U geschonken. En daarom willen wij een ogenblik stilstaan en die Engelen beschouwen om te zien, wat O.L. Heer heden van U vraagt, wat Hij tot U zegt in antwoord op uw bede, tot de H.H. Geloften te worden toegelaten.
De grote moeilijkheid van de vrouwen, die in de vroegte opgingen naar het H. Graf was: Wie zal ons de steen afwentelen, die het H. Graf voor ons afsluit? Ziet, de Engel van de Heer daalde neer en wentelde de steen weg en zette zich daarop neer. De vrouwen zagen, toen zij kwamen, hoe voor haar de steen reeds afgewenteld was en zij vrij het Graf van de Heer konden binnengaan. Zusters, gij wilt uw Geloften afleggen in een Orde, die op zo heerlijke wijze de taak vervult, voor duizenden de steen af te wentelen, die hen verhindert tot God te gaan. Door de opvoeding, welke uw Instituut zo roemvol aan zulk een groot aantal kinderen geeft, ruimt gij voor hen de beletselen weg, welke hen van God verwijderd houden en doet gij hen naderen tot Onze Lieve Heer. Het is een heerlijk Apostolaat, waartoe God U roept, door U toe te staan, uw Geloften af te leggen in deze Heilige Orde.
Maar wij horen, ook, hoe de Engelen aan de Apostelen en de vrome vrouwen de blijde boodschap brengen, dat Christus is verrezen, hun de bevestiging geven van Christus’ goddelijke zending, door Zijn Verrijzenis, zoals Sint Paulus zegt, zo krachtig mogelijk voor ons gewaarborgd.
Zij veranderen hun droefheid in vreugde, hun duisternis in Licht, hun onzekerheid in een oprecht geloof. Dit is een beeld van een andere werkzaamheid aan uw Orde toevertrouwd, door voorbeeld, woord en geschrift mee te werken aan de uitbreiding van het Rijk Gods op aarde, op tal van wijzen de wonderen van de Heer te verhalen en te doen kennen en geestdrift daarvoor te wekken. Tot in de verre missielanden toe, tot in het verwijderde gebied van de Congo mag U werken aan de uitbreiding van het Rijk van Christus op aarde en wordt uw werk gezegend.
Zusters, ik kan mij voorstellen, hoe uw hart popelt, hoe gij van geestdrift zijt vervuld om uw jonge krachten in te schakelen in dit heerlijk Apostolaat, hoe gij uw frisse werkkracht in dienst zoudt willen stellen van degenen, die zich wijden aan de opvoeding van de jeugd of aan het missiewerk. Hetzij het negatief wordt gezien in het wegnemen van de beletselen, die de mensen van God verwijderd houden, of positief in het ontwikkelen van het goede in het menselijk hart en het doen kennen van de waarheid, ik kan me begrijpen, hoe het werk U aanlokt en hoe Gij U ten offer brengen wilt om deze heerlijke taak te vervullen.
Maar dan zie ik weer de Engelen bij het Graf van den Heer.
Revolvit lapidem et sedebat super eum. Een ogenblik slechts besteedde hij aan het afwentelen van de steen om er zich op neer te zetten en de wonderen Gods te beschouwen.
De Apostelen en de vrouwen, zij vonden ziende in het Graf, hoe te rechter en te linker zijde de Engelen gezeten waren in een stille beschouwing van het Lijden en de Verrijzenis van de Heer. Enkele ogenblikken slechts werd hun beschouwing, hun rustige rust onderbroken door de komst van de vrouwen en van de Apostelen en werden zij geroepen om de blijde boodschap van de Verrijzenis aan hen te brengen om daarna weer tot hun beschouwing terug te keren. Hoe wonderbaar is dit en hoe zegt dit ons, dat wij eerst en vooral moeten neerzitten om te luisteren naar het woord van de Heer en Zijn wonderwerken te beschouwen. Wat stellen wij vaak te groot vertrouwen in ons eigen werk en menen wij ons oordeel te moeten uitspreken, hoe dit of dat zou kunnen en moeten gebeuren. Wat zouden wij dit of dat willen doen en kunnen niet wachten, tot de Oversten er toe besluiten, het ons op te dragen.
Eens maakte ook Martha zich druk voor de dienst van de Heer en moest zij van O.L. Heer horen: Martha, Martha turbaris ergo plurima; porro unum est necessarium. Maria optimam partem elegit; Martha, Martha gij maakt u druk over vele dingen; en toch is er maar één ding noodzakelijk. Maria heeft het beste deel verkoren. Het werd haar niet ontnomen. Het zal ook U niet ontnomen worden, indien Gij het weet te kiezen. Het eerste in uw leven moet altijd zijn, luisteren naar de stem van de Heer, U zo innig mogelijk met Hem verenigen om dan volgens de roepstem van de liefde en van de gehoorzaamheid de overweging te onderbreken en U aan de werken van het Apostolaat te wijden.
Er is natuurlijk geen sprake van, dat wij het werkzame leven zouden kunnen nalaten. Onze Lieve Heer roept er toe door de nood der tijden en wij moeten ons gelukkig rekenen, dat Hij ons gebruiken wil voor de uitbreiding van zijn Rijk of om allerlei dingen te doen, die nodig zijn in de grote organisatie van Zijn Kerk en ook van de Orde. Maar wij moeten niet vertrouwen op eigen kracht en talenten, niet involgen eigen zin en aandrift, maar altijd ons oor te luisteren leggen naar hetgeen O.L. Heer ons door de Oversten, door onze vereniging met Hem vraagt. Telkens weer, Zusters, moet gij in deze kerk of in een ander huis naar de kapel van dat huis gaan om U te verbergen in het H. Graf van de Heer en als de Engelen eens in dat Graf van Jeruzalem U scharen te rechter en te linker zijde, volgens de regels van de Koordienst, en daar stil overwegen, hoe wonderbaar God is, die uit het Graf opstond, het dode levend maakte, en te begrijpen, hoe al uw kracht gelegen is in ue vereniging met dezn sterkn God, van Wie niets U moge scheiden.
In uw kapel toch is ook dat H. Graf en wil O.L. Heer ook zijn Engelen, die er zich verborgen neerzetten om Zijn macht en liefde te beschouwen. Of eigenlijk is het geen Graf, zoo min als het te Jeruzalem een Graf was. Riepen de Engelen het de Apostelen en vrome vrouwen niet toe: Hij lééft, Hij is verrezen. Dit graf is een beeld van het Graf, dat Christus ons in het H. Tabernakel heeft willen geven. De medelijdende en barmhartige God heeft een gedachtenis ingesteld aan Zijn wonderwerken. Memoriam fecit mirabilium suorum misericors et miserator Dominus. In de H. Mis heeft Hij het H. Kruisoffer willen doen voortduren en hernieuwd worden. Rondom dit H. Misoffer groepeert zich uw Koordienst, rondom Misoffer en Koordienst uw leven. Telkens moet gij gaan naar dit H. Graf, maar ook daaruit klinkt U het blijde woord tegen: Hij lééft. En Hij wil, dat wij met Hem leven. Met Paulus moeten wij zeggen, wij, die dagelijks dit H. Kruisoffer en zijn H. Graflegging bijwonen, ons in de H. Communie met dit Offer verenigen en de vruchten ervan trachten te plukken: Ik leef, nee, niet ik leef, maar Christus leeft in mij. Het H. Graf van het Tabernakel is ook voor ons geen Graf, maar de openbaring van Jezus’ leven en de voortdurende opwekking, dat wij met Hem uit het Graf moeten opstaan om in en door en met Hem te leven. Maar dan moeten ook wij eerst met Christus het Graf binnengaan, met de Engelen ons er neerzetten te rechter en te linker zijde om de diepte van de goddelijke vernedering te beseffen en ons daarin te spiegelen, ons daarin met Jezus zoveel mogelijk gelijkvormig te maken. Dan eerst zullen we met de Engelen uit het Graf te voorschijn mogen treden om de blijde boodschap van Zijn Verrijzenis aan anderen te brengen.
Zusters, dit is uw heerlijke roeping, maar ik erken, het is niet gemakkelijk, aan die roepstem te beantwoorden, die verheven taak te vervullen.
Maar dan roep ik in uw herinnering terug de woorden, welke ik allereerst tot U richtte. Als gij Engelen wilt zijn bij het H. Graf van de Heer: Hij heeft gewild, dat Zijn Engelen geesten zouden zijn, d.i. een geestelijk leven zouden leiden, dat gij, als zijn dienaressen, zoudt zijn als een vuurvlam. Fecit Angelos suos spiritus et ministros suos flammam ignis. Dan moet gij leren, alles in het leven geestelijk te zien en in een hoger licht te beschouwen, dan moet gij uw menselijke wijsheid afleggen en uw oordeel weten te regelen naar de oordelen Gods, die anders zijn. Wij worden zo gemakkelijk door onze aardse en wereldse neigingen en driften meegenomen en bezien alles zoo menselijk en zo naar aardse wijsheid. Maar geesten moeten wij trachten te wezen en ons hoger weten in te stellen.
Nu brandt uw hart van liefde en offervaardigheid. Nu gloeit in U de hoogste geestdrift. Maar het vuur, dat nu op deze mooie blijde dag in uw harten brandt, nee, dat O.L. Heer door zijn genade heden – door U toe te laten tot de H. Geloften – in uw harten ontstoken heeft, dat vuur moet gij onderhouden, dat vuur moet blijven branden. En daarvoor is nodig, dat gij telkens weer de wonderwerken van Gods liefde in U overweegt, dat gij neerzit met de Engelen in het Graf van de zelfvernietiging, van de zelfverloochening om te beseffen, welke grote dingen de Heer aan U heeft gedaan en hoe gij tot grote en innige wederliefde verplicht zijt. Als dat vuur niet brandt en niet brandend wordt gehouden, dan kunt gij de taak, die gij vandaag op uw schouders neemt, niet vervullen.
Maar als ik U schilder, dat uw taak geen gemakkelijke is, dat gij een leven van offer zijt aangegaan, dat is noch voor U noch voor mij een reden, daarover ongerust te zijn of zich zorgen te maken. Integendeel, uit heel mijn hart wens ik U geluk met uw uitverkiezing tot dit offer. God is met U. Hij, de sterke God, die de dood overwon, Hij zal U helpen en over alle moeilijkheden doen zegevieren, als gij U slechts met Hem verbonden houdt, als gij slechts op Hem vertrouwt. Ik feliciteer U, omdat gij in de liefde U heden door God betoond een waarborg mag zien, dat Hij U tot de eeuwige glorie roept en U uit het Graf, waarin gij U verbergt, wil doen verrijzen tot een leven met Hem en tot een eeuwig leven in Zijn glorie.
En als ik u gelukwens, dan ook U, ouders en familieleden, omdat ondanks het offer, dat gij brengt- Ja, gij brengt een offer, ik erken het een zwaar offer, gij kunt, die zich hier aan God toewijden, gij kunt ze eigenlijk niet missen – gij U gelukkig voelt, omdat zij gelukkig zijn.
Gij verheugt U, omdat gij weet, dat zij door haar offer en haar toewijding aan de Heer de weg gaan naar de hemel, de weg volgen, door God haar afgebakend om haar tot de heerlijkheid van de hemel te brengen als zijn tere en boven andere geliefde bruiden. Ik deel in uw aller vreugde en ik ben blij, heden enkele woorden te hebben mogen spreken om aan die vreugde uiting te geven en daardoor ook uiting te geven aan de vreugde, die uw aller harten vervult.
En tot slot, op deze zaterdag onder het Octaaf van het feest van het H. Graf, op deze dag aan Maria toegewijd, mag ik mijn woorden niet besluiten zonder allereerst Maria, de Koningin der Engelen, dank te zeggen voor de genade, welke door de bemiddeling van haar, die toch de Middelares van alle genaden is, aan deze vier Zusters heden is geschonken, en vervolgens om haar machtige voorspraak in te roepen over deze vier Zusters opdat zij, Engelen geworden bij het H. Graf van Christus, haar Zoon, onder aanvoering van de Koningin der Engelen, door haar voorbeeld geleid, door haar machtige voorspraak geholpen, de verheven taak vervullen, die Jezus haar vandaag gegeven heeft. Zoals Maria eens aanschouwen mocht de glorierijke Verrijzenis van haar Goddelijke Zoon, zo moge zij aanschouwen de Verrijzenis met Hem van deze zijne Bruiden, opdat zij met Haar, de Koningin des Hemels delen in eeuwigheid in de onsterfelijke glorie, die ik U allen moge toewensen. Amen.
w.g. p. Titus Brandsma. O.Carm.
Abonneren op:
Posts (Atom)




