woensdag 31 juli 2019

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XVII per annum feria V. Ecclesia sponsa Christi. De Kerk, de Bruid van Christus.


Lectio altera
Ex Catechésibus sancti Cyrílli Hierosolymitáni epíscopi
(Cat. 18, 26-29: PG 33, 1047-1050)


Tweede lezing
De Kerk, de Bruid van Christus.

De ‘Katholieke’ Kerk: dát toch is de eigenlijke naam van deze heilige en Moeder van ons allen. Zij is ook de Bruid van onze Heer Jezus Christus, Gods Eniggeboren Zoon (want er staat geschreven: Zoals Christus de Kerk heeft liefgehad en Zichzelf voor haar heeft overgeleverd, en zo al het volgende). 
Zij draagt de voorafbeelding en de gelijkenis in zich van het Jeruzalem van omhoog, dat vrij is en de Moeder van ons allen. Zij, die eerst onvruchtbaar was, is nu de Moeder van een ontelbaar kroost.

Nadat de eerste kerk was verstoten, heeft God in de tweede, de katholieke Kerk, zoals Paulus het zegt, op de eerste plaats apostelen aangesteld, op de tweede plaats profeten, op de derde plaats leraren, daarna machthebbers: dan gaven van genezing, van hulpverlening, van bestuur, van allerlei talen en alle soorten krachten, zoals: wijsheid en verstand, matigheid en rechtvaardigheid, barmhartigheid en menslievendheid, een onuitsprekelijk geduld bij vervolgingen.

Die Kerk heeft in het begin met de wapenen der gerechtigheid ter linker- en ter rechter zijde, door eer en schande bij vervolgingen en benauwdheden, heilige martelaren vrijgekocht, die met verschillende zegekronen van geduld en van allerlei kleur waren gesierd. Maar nu, in vreedzamer tijden, ontvangt zij door Gods genade eer van vorsten, van mannen, die hoog staan aangeschreven, en tenslotte van allerlei soorten van mensen. En terwijl de vorsten van verschillende volken en van verschillende streken slechts een beperkte macht bezitten, is het alléén de heilige, katholieke Kerk, die zich over heel de wereld in een onbeperkte macht verheugt. Want God, zoals er geschreven staat, schonk vrede aan uw grenzen.

In deze heilige katholieke Kerk, die zowel met voorschriften als met uitmuntende zedewetten is uitgerust, zullen wij het Rijk der hemelen bezitten en als erfenis het eeuwig leven verwerven. Dáárvoor nu zullen wij alles verduren, om dát van God te verkrijgen. Ons vooropgesteld doel bestaat immers niet in kleinigheden: maar om het eeuwig leven te verwerven, dáár strijden wij voor.
Daarom leert men ons in de geloofsbelijdenis dat wij ná: en in de verrijzenis van het lichaam dit is, van de doden, waarover we gesproken hebben, wij óók geloven in het eeuwig leven, waarvoor wij, christenen moeten strijden.

Het leven is inderdaad en in waarheid: de Vader, die door zijn Zoon, in de Heilige Geest, aan allen de hemelse gaven schenkt als uit een bron, en door Zijn barmhartigheid zijn ons, mensen, ook waarlijk de goederen van het eeuwig leven beloofd.