woensdag 3 juli 2019

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XIII per annum feria IV Adveniat regnum tuum. Uw Rijk kome




Lectio altera

E Libro sanctæ Terésiæ vírginis De via perfectiónis
(Cap. 30, 1-5: Œuvres complètes, Desclée De Brouwer Paris, 1964, 467-468)

Tweede lezing

Uit het werk ‘de Weg der volmaaktheid’ van de H. Teresia van Avila, maagd
(Cap. 30, 1-5: Œuvres complètes, Desclée De Brouwer Paris, 1964, 467-468)

Uw Rijk kome

Wie toch, hoe weinig fijngevoelig en hoe onbezonnen hij ook mag zijn, zal, als hij iets aan een voornaam iemand wil vragen, niet eerst bedenken, en zich voorstellen, hoe hij die persoon zal toespreken om bij hem in de gunst te komen en om niet zijn afkeer en misnoegen op te wekken. Vervolgens zal hij nagaan wat hij van plan is te vragen en waarvóór hij het gevraagde nodig heeft, en dit vooral als hij iets bijzonders en groots vraagt, zoals onze goede Jezus ons leert bidden? Dat is, meen ik, vooral onze aandacht waard. Hadt Gij, Heer, heel de vraag niet in een enkel woord kunnen samenvatten en zeggen: ‘Vader, geef ons alles, wat passend en goed voor ons is’? Want voor Hem vooral, die alles zo goed en volmaakt weet, scheen het toch niet nodig, verder nog iets te zeggen.

Dit, o eeuwige Wijsheid, was voldoende in de betrekking tussen U en uw hemelse Vader, en zo hebt Gij ook tot Hem gesproken in de Hof van Gethsemani. Daar toch hebt Gij uw Vader uw wil en vrees geopenbaard, maar hebt Gij U toch volkomen aan zijn Wil overgeven. Maar Gij, o Heer, weet dat niet zo overgegeven zijn, zoals Gij dat waart aan de Wil van uw Vader; en dat het daarom nodig was, dat wij iedere wens apart en in het bijzonder aan U kenbaar moesten maken, om zo bij onszelf te kunnen nagaan, of hetgeen wij vroegen wel dienstig en passend was en om, als dat ons niet zo toescheen, ook niets te vragen. Want wij zijn nu eenmaal zo gesteld, dat wij, als wij niet krijgen wat wij vragen, wij (en wel wegens de vrije wil, die we hebben) niet zouden aanvaarden, wat God ons nu juist wel wil geven. Want hoewel, wat God geeft, verreweg het beste is, toch zouden wij ons nooit als rijk beschouwen, als wij niet direct, om zo te zeggen, het geld in onze hand zouden zien.

De goede Jezus leert ons dus déze woorden te gebruiken, waarmee we vragen, dat Gods Rijk voor ons moge komen: Uw Naam worde geheiligd; uw Rijk kome. Beschouw hier, bid ik u, de uitzonderlijke wijsheid van onze Leermeester. Ik vraag mijzelf af hier – en het is zeker goed, dat wij dat begrijpen -, wát wij met dit Rijk vragen. Omdat nu zijn Majesteit zag, dat wij die heilige Naam van de eeuwige Vader niet kunnen heiligen of verheerlijken (behalve dat kleine en geringe wat wij zelf kunnen), als niet zijn Majesteit op een of andere manier hierin voor ons voorzien, namelijk door ons hier op aarde zijn Rijk te schenken, heeft onze goede Jezus deze twee beden met elkaar verenigd. Om te begrijpen, wat wij daarin vragen, en van hoe groot gewicht het is daarom met aandrang en vurigheid te vragen, en alles te doen wat wij kunnen om Hém te behagen en voldoening te geven, die ons dat Rijk moet schenken, wil ik u hier uiteenzettenen zeggen, wat in deze kwestie mijn eigen mening is.
Het hoogste geluk nu, dat naar mijn mening bestaat in het bezit van het Rijk der hemelen, (om over de vele andere maar niet te spreken) is: dat alles wat aarde en wereld weten te bieden, voor ons geen waarde meer heeft, maar wij verder een vreugde genieten, die voortvloeit uit het feit, dat allen zich verheugen. Er heerst een blijvende vrede en een innige voldoening in zichzelf, omdat de ziel ziet, dat God door alle stervelingen volmaakt wordt verheerlijkt en geprezen, en dat zijn Heilige Naam door hen wordt gezegend; dat Hij door niemand meer door zonden wordt beledigd, maar tenslotte door allen wordt bemind. Ja, met niets anders kan de ziel zich bezighouden dan met Hem te beminnen; ze is zelfs niet in staat Hem niét te beminnen, omdat ze Hem nu kent. Als wij Hem nú zouden kennen, zouden wij Hem ook nu in deze wereld beminnen, wel niet met die volmaaktheid en even wezenlijk, maar tenminste veel méér en op verhevener wijze dan wij Hem nú beminnen.