vrijdag 8 maart 2019

Liturgia Horarum De H. Irenæus over de vriendschap met God

Liturgia Horarum

Lezing van zaterdag voor de 1e zondag van de Vasten

De H. Irenæus over de vriendschap met God

Onze Heer, het Woord Gods, begon met zijn dienaren tot God te trekken, daarna schonk Hij hun, die Hem onderworpen waren, de vrijheid, zoals Hij tegen zijn leerlingen zei: Ik noem u geen dienaren meer, want de dienaar weet niet wat zijn Heer doet; , u noem Ik mijn vrienden, omdat Ik u alles geopenbaard heb, wat Ik van mijn Vader heb gehoord.
Want de vriendschap van God geeft de onsterfelijkheid aan allen die deze verlangen.
In het begin dan ook vormde God Adam, niet alsof Hij de mens nodig had, maar als iemand aan wie Hij zijn weldaden kon schenken. Want niet alleen vóór Adam maar ook vóór de hele schepping verheerlijkte het Woord zijn Vader, en in Hem blijvend werd Hijzelf door de Vader verheerlijkt, zoals Hijzelf zegt: Vader, verheerlijk Mij met de heerlijkheid, die Ik bezat vóór de grondvesting van de wereld.
Hij beval ons niet hem te volgen, omdat Hij onze dienst nodig had, maar om onszelf het heil te schenken. Want de Verlosser volgen is delen in het heil; en het Licht volgen is het licht ontvangen.
Want wie in het licht zijn, doen zelf het licht niet ontbranden, maar worden door het licht verlicht en er door bestraald. Zelf geven zij het licht niets, maar doot die weldaad te ontvangen worden zij door het licht verlicht.
Zo is ook de dienst aan God bewezen. Deze schenkt God wel niets, noch heeft God behoefte aan onze verering. Maar Hijzelf geeft aan die Hem volgen en dienen het onbederfelijke leven en de eeuwige glorie, en bewijst daarmee een weldaad aan die Hem dienen om reden van hun dienen, en aan die Hem volgen omdat zij Hem volgen, maar niet omdat Hij van hen een weldaad ontvangt. Hij is immers rijk, volmaakt en zonder behoefte.

Hiérom dan ook vraagt God van de mensen dienstbaarheid, om aan hen die volharden en zijn dienst, weldaden te bewijzen, omdat Hij goed en barmhartig is. Waar naarmate God niemand nodig heeft, heeft de mens behoefte aan de vereniging met God.

Dit toch is de glorie van de mens, te blijven en te volharden in de dienst van God. En daarom zei de Heer tot zijn leerlingen: Niet gij hebt Mij uitgekozen, maar Ik u, waarmee Hij wilde zeggen, dat niet zij Hem verheerlijkten door Hem te volgen, maar dat zijzelf, door de Zoon Gods te volgen, door Hem verheerlijkt werden. En elders zegt Hij: Ik wil dat, waar Ik ben, ook zij zijn, opdat zij mijn heerlijkheid zien.


(Uit het Tractaat “Tegen de ketters”, Lib. 14, 13,4-14,1: SCh 100, 534-540)