vrijdag 11 januari 2019

Sint Augustinus - "Als ik de mensen wilde behagen, was ik geen dienaar van Christus"

Uit Liturgia Horarum / Getijdengebed van dinsdag, de 13e week door het jaar: vervolg van sermo 47, een preek van de H. Augustinus op Psalm 94, de openingspsalm van het getijdengebed aan het begin van elke dag, vroeg in de morgen.

Uit de Preken van de H. Augustinus, bisschop

Als ik de mensen wilde behagen, was ik geen dienaar van Christus

Onze, roem is dit: het getuigenis van ons geweten. Onder de mensen zijn vermetele rechters, kwaadsprekers, onruststokers, mensen die morren, mensen die uit zijn op verdenkingen omtrent hetgeen ze niet hebben gezien; zelfs zijn er, die graag iets rondstrooien zonder enige verdenking – Wat blijft er tegenover zulke mensen anders over, dan het getuigenis van een goed geweten? Want, broeders, zelfs in hen, die wij willen behagen, zoeken wij onze eigen glorie niet of moeten die althans niet zoeken, maar wij zoeken daar alleen hun heil, opdat, als wij goed wandelen, zij niet afdwalen door ons te volgen. Laten zij ónze navolgers zijn, als wij het zijn van Christus. Maar als wij Christus’ navolgers niet zijn, laten zij dan navolgers van Christus zijn. Hij toch weidt zijn kudde, en Hij is alleen met alle goede herders, omdat die allen in Hem zijn.

Wij zoeken dus niet ons eigen voordeel, als wij de mensen willen behagen, maar willen ons verheugen in de mensen en zijn blij hen te behagen, wat iets goeds is, voor hun nut, niet ons eigen aanzien. Want tot wie de Apostel zei: Als ik de mensen zou willen behagen, was ik geen dienaar van Christus, is duidelijk. En om wie hij zei: Behaagt aan allen in alles, zoals ook ik aan allen behaag in alles, is eveneens duidelijk. Beide uitspraken zijn duidelijk, beide zijn rustig geuit, beide zuiver, beide niet verward. Weid dus slechts en drink, en wil niet minachten en verwarring stichtten.

Want ge hebt toch ook het woord gehoord van onze Heer zelf, Jesus Christus, de Leermeester van de apostelen: Laat uw werken stralen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader verheerlijken, die in de hemel is, Hem, die u zo gemaakt heeft. Want wij zijn het volk van zijn weide en de schapen van zijn hand. Laat Hij dus geprezen worden, die u, als ge goed zijt, goed gemáákt heeft, niet u, die uit uzelf alleen maar slecht kunt zijn. Maar waarom wilt ge de waarheid in het tegendeel doen verkeren, dat ge wilt dat gíj geprezen wordt, wanneer ge iets goeds doet, en de Heer gelaakt wilt zien worden, wanneer ge iets slechts doet? Hij toch, die gezegd heeft: Laat uw werken schijnen voor het oog van de mensen, zegt óók in dezelfde onderrichting: Beoefent uw gerechtigheid niet voor het oog van de mensen. Maar zoals volgens u bij de Apostel die tegenspraak scheen te bestaan, zo zal dat ook bij deze passage in het Evangelie wel het geval zijn. Als ge echter uw hart niet laat verontrusten, zult ge ook hier de vrede van de Schriften erkennen, en zult ge zelf ook vrede met ze hebben.

Laten wij er dus voor zorgen, broeders, niet alleen goed te leven, maar ook goed om te gaan met de anderen, en er niet alleen voor zorgen een goed geweten te hebben, maar ook, voor zover onze zwakheid en de waakzaamheid over die menselijke zwakheid het kan: er voor zorgen zelfs niets te doen, waarin voor een zwakke broeder aanleiding zou kunnen liggen tot een kwaad vermoeden, om te voorkomen, dat wij zelf wel zuiver gras eten en zuiver water drinken, maar dat wij de weiden van God zelf met voeten treden en zo de zwakke schapen vertrapt gras te eten krijgen en vertroebeld water om te drinken.


(S. Augustini, Sermo 47, 12-14, De ovibus: CCL 41, 582-584)