donderdag 20 juni 2024

DE CHRISTELIJKE HOOP IN DE VISIE VAN SINT AUGUSTINUS, 1

Christus, ons Hoofd werd gegeseld alvorens Hij opstond uit de doden. Dus laten wij als wij worden gegeseld, niet de moed verliezen, opdat wij ons eens verheugen in onze verrijzenis.


Alles wat Christus te beurt viel, bij zijn kruisiging, zijn graflegging, zijn verrijzenis op de derde dag, bij zijn hemelvaart en bij zijn zetelen aan de rechterhand van de Vader is zó voltrokken, dat in deze geheimnisvolle gebeurtenissen (niet alleen maar in geheimnisvolle woorden) het leven van de christen wordt uitgedrukt, zoals het door de gelovigen wordt geleefd.

In zijn lijden heeft Christus ons laten zien wat wij moeten doorstaan, in zijn verrijzenis wat wij mogen verhopen. Wij bevinden ons reeds aan de rechterhand van de Vader en Hij (Jezus) hier met ons in onze nood; wij, zoals wij hopen aan de rechterhand van de Vader, Hij, hier met ons in de eenheid van liefde. Hij draagt in u de lasten, lijdt dorst en honger in u, ondergaat in u benauwdheid en angst, sterft nog steeds in u - en u bent in Hem reeds verrezen. In Hem zijn wij gestorven, in Hem zijn we opgestaan. Hij vormt de eenheid van Hoofd en mystiek Lichaam: Hoofd en Lichaam vormen de éne Christus.

Christus heeft geleden om uwentwil en u daarmee een voorbeeld gegeven. Treedt dus in zijn voetstappen (cf 1 Pe 2, 21). Met een vurige liefde zijn Hem de martelaren gevolgd; en willen wij niet nutteloos hun gedachtenis eren en niet nutteloos tot dezelfde maaltijd, waardoor zij werden verzadigd, toetreden, tot de tafel van de Heer -, dan moeten ook wij naar hun voorbeeld ons voorbereiden. Daarom gedenken we de martelaren bij die viering, niet zoals de anderen die in vrede rusten, dat we namelijk voor hen zouden bidden, maar eerder dat zij voor ons zouden bidden, opdat wij hun voorbeeld zouden volgen.

Christus, ons Hoofd werd gegeseld alvorens Hij opstond uit de doden. Dus laten wij als wij worden gegeseld, niet de moed verliezen, opdat wij ons eens verheugen in onze verrijzenis.

 “Zijn ziel was bedroefd tot de dood toe” (Mt 26, 38) - Hij, die “de macht bezat, zijn leven te geven en de macht om het weer terug te nemen” (Jo 10, 18). Beseffen wij dat wij de ledematen zijn van wie Hij het Hoofd is: herkennen wij onszelf in zijn droefheid, opdat wij, wanneer wij zelf bedroefd zijn, niet aan vertwijfeling ten onder gaan!

 Met Christus tenslotte zijn wij opgestaan; ook wij zijn nu bij ons Hoofd - eerstens in geloof en hoop, die echter voltooid worden bij de opstanding van de doden; en wanneer onze hoop voleindigd is, dan ook onze rechtvaardiging, - “opdat wij door Hem rechtvaardig voor God kunnen worden” (2 Kor 5, 21).

 In ons sterfelijk lichaam, dat “voor de ziel een last is” (Wijsh 19, 15) leven we armzalig. Weliswaar zijn we verlost door Christus, onze Middellaar en hebben wij de H. Geest ontvangen als onderpand, en daarom bezitten we reeds een ‘zalig leven’ verankerd in onze hoop, maar nog niet in werkelijkheid. “Als we echter nu al zouden zien waarop we hopen, zou het geen hoop meer zijn. Wie hoopt er nog op wat hij al kan zien? Maar als wij hopen op wat nog niet zichtbaar is, blijven we in afwachting daarvan volharden (Rom 8, 24-25).

Dit leven waarvan Job zich afvraagt “Is het leven van de mens op aarde geen beproeving?” (Job 7, 1), dit leven waarbij we dagelijks roepen: “Verlos ons van het kwade” (Mt 6, 13), moet de mens nog leven en verdragen, ook na de vergeving van de zonden (ofschoon de zonde de schuld draagt van dit leven vol beproevingen); want de straf duurt langer dan de schuld, opdat de schuld ons niet als gering voorkomt, als met haar ook de straf eindigt. Zo wil het de rechtvaardige ‘toorn van God’, waarvan de Schrift spreekt: “De mens, geboren uit een vrouw, leeft korte tijd en vol ellende” (Job 14,1). “Maar zou God zijn vergeten zich te ontfermen, of in zijn toorn zijn hart hebben gesloten? vraagt Psalm 76, 10 zich af, tot troost voor de armen die wij altijd bij ons hebben? En heeft Hij niet “toen de volheid van de tijd was gekomen zijn eigen Zoon gezonden” (Gal 4, 4) “als enige Middellaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jezus”? (1 Tim 2,5). Door te geloven in Hem zouden zij kwijtschelding van schuld ontvangen en gevrijwaard voor de eeuwige verdoemenis, in geloof, hoop en liefde door deze wereld pelgrimeren - temidden van moeizame en gevaarlijke beproevingen weliswaar - maar ook op hun weg vooruit geholpen door geestelijke troost, de aanschouwing van Hem tegemoet, de ‘Weg’ die Christus voor hen is geworden.

 Hier beneden geldt het woord van het Hooglied: “Gewond ben ik door de liefde” (Hoogl 5, 8). Gewond wil zeggen dat wij verlangen, maar nog niet bezitten. Gewond is onze liefde omdat zij leed en verdriet draagt en verdraagt. Maar als wij ons doel hebben bereikt, zullen leed en verdriet wijken en de liefde worden bestendigd. Hier beleven we de tijd van hopen, van wenen, van vernedering en het verdriet om onze gebrekkigheid; wie hier geen verlangen bezit in zijn hoop, bereikt het doel niet. Blijf hopen, opdat u de vervulling ten deel valt! Blijf hongeren en dorsten, opdat u verzadigd wordt!

 Heel het leven van de ware christen is heilig verlangen en wat u verlangt, ziet u nog niet. De hoop is nodig voor onze pelgrimstocht. Zij is het die ons staande houdt op onze weg. Ontneem de wandelaar de hoop zijn doel te bereiken: hij stort in en heeft geen kracht meer verder te gaan! Wie echter het geloof - “dat door de liefde werkzaam is” (Gal 5, 6) - bezit, hoopt ook op hetgeen God belooft.

“In deze hoop zijn we gered” zegt Sint Paulus in Rom 8, 24. Deze stelling neem ik dikwijls in de mond, opdat we niet zouden geloven, dat we hier op aarde inderdaad al zalig moeten zijn en verlost van allerlei beproevingen, zodat we bij voorbijgaand kwaad tegen God zouden morren als gaf Hij ons niet wat Hij heeft beloofd. Hij heeft ons het noodzakelijke voor dit leven beloofd, maar men moet wel een onderscheid maken tussen troost voor hen die moeizaam door het leven gaan en de vreugde van de zaligen. “Heer, wanneer zware zorgen mij innerlijk drukken, dan verkwikt uw vertroosting mijn ziel”, zegt de psalmist in Psalm 93, 19.

 Laat ons dus niet morren wanneer we het zwaar hebben en ook niet de vreugde verliezen waarover gezegd is: “Wees verheugd door de hoop die u hebt” (Rom 12, 12) - waarop onmiddellijk volgt: “Wees standvastig wanneer u tegenspoed ondervindt, en bid onophoudelijk”.

 Als christenen moeten we ons in deze wereld op tegenspoed voorbereiden. Op rustige en betere tijden hoeven we niet te hopen. Laten we ons zelf niets wijsmaken: wat het Evangelie niet belooft, dat moeten we ons zelf ook niet beloven.


maandag 17 juni 2024

Evangelie van de elfde zondag (Mc. 4, 26-34) en een overdenking








EVANGELIE VAN DE ELFDE ZONDAG DOOR HET JAAR (Mc. 4, 26-34)

In die tijd zei Jezus tot de menigte:
“Het gaat met het Rijk Gods
als met een man, die zijn land bezaait;
hij slaapt en staat op, ‘s nachts en overdag,
en onderwijl kiemt het zaad en schiet op,
maar hij weet niet hoe.
Uit eigen kracht brengt de aarde vruchten voort,
eerst de groene halm, dan de aar,
dan het volgroeide graan in de aar.
Zodra de vrucht
het toelaat slaat hij er de sikkel in,
want het is tijd voor de oogst.”
En verder:
“Welke vergelijking kunnen wij vinden voor het Rijk Gods
en in welke gelijkenis zullen we het voorstellen?
Het lijkt op een mosterdzaadje.
Wanneer het gezaaid wordt in de grond,
is het wel het allerkleinste zaadje op aarde;
maar eenmaal gezaaid schiet het op
en het wordt groter dan alle tuingewassen,
en het krijgt grote takken,
zodat de vogels in zijn schaduw kunnen nestelen.”
In vele dergelijke gelijkenissen verkondigde Hij hun zijn leer
op de wijze, die zij konden verstaan.
Anders dan in gelijkenissen sprak Hij niet tot hen,
maar eenmaal met zijn leerlingen alleen,
gaf Hij van alles uitleg.


OVERWEGING


Het rijk Gods:
Een zaaier zaait, hij slaapt en staat op, ‘s nachts en overdag, en onderwijl kiemt het zaad en schiet op, maar hij weet niet hoe.
Uit eigen kracht brengt de aarde vruchten voort . . .

In het Evangelie keert het woord ´Rijk van God´ verschillende malen terug. Het ´Rijk van God´ verwijst naar iets waar iedereen reikhalzend naar uitkijkt. Het woord ´Rijk van God´  verwoordt immers dat God het laatste woord heeft, Hij die hart heeft voor de mens, die steeds voor ons open staat en ons nooit afwijst.

Rijk van God wil ook zeggen dat wij God kunnen ervaren in Jezus die onrecht, allerlei ellende én de dood bestreed en overwon. Hij is ook te ervaren waar wij proberen om in de voetstappen van Christus te treden.

 Hedentendage stellen nogal wat mensen vragen over de toekomst van de Kerk.

Het Evangelie raadt ons aan om geduldig te wachten. Langzaamaan, maar zeker, groeit er aan de basis een nieuwe geloofsgemeenschap : eerst de groene halm en dan de aar, daarna het volgroeide graan. We hoeven niet te wanhopen. We hoeven in deze vaak harde wereld nooit de moed te verliezen. God, de Vader heeft besloten dat er voor ons toekomst is, en wel een grootse en indrukwekkende toekomst. Jezus heeft ons dit als geen ander duidelijk gemaakt. Hij maakte geen aanspraak op een machtsgebied, Hij liet geen zwaarden trekken. Gebiedshonger, machtsbegeerte, sensatie en onheilsvoorspellingen kende Hij niet. Zonder dat het echt opviel, maar toch werkelijk, bracht Hij  iets van God, van de hemel in het gewone leven van de mensen.

In een scheve wereld wilde Hij recht leven, in een egocentrische wereld was Hij menslievend. Zijn voorliefde ging uit naar broeder- en zusterschap onder alle mensen, naar een wereld waarin iedereen gelijk is, naar rechtvaardigheid en eenvoud. Het is Jezus niet te doen om sensatie, die mensen wél blind maakt, maar niet voedt. Zijn manier van leven was zoals God Zich dat voorstelde.

Dat de Vader Jezus uit de dood opwekte, bewijst dat. Toen Hij verrees kwam de uiteindelijke onmacht van het negatieve aan het licht, maakte dit negatieve zich hopeloos belachelijk.

Als wij in zijn krachtveld treden door te geloven, door ons voor God open te stellen, dan zullen wij triomferen over kwaad, leed en doodsangst. Dan bewerkt God in ons een verandering, a.h.w. een nieuwe geboorte. We laten ons dan leiden door zijn bevrijdende werking en daden.

Ondanks de uiterlijke schijn, zijn er dus in deze wereld ook nog heel andere krachten aan het werk, dan die welke de meeste indruk maken. En die goddelijke krachten zullen tenslotte deze wereld, die op het eerste gezicht onveranderlijk lijkt, toch dichter bij Gods plan brengen.

De heerlijkheid groeit, nu nauwelijks zichtbaar en nog onvolkomen, maar ooit te ervaren, volgroeid en zonder communicatiestoornis, en wel voor ons allemaal.

We hoeven niet te weten hóe dat gebeurt, maar we kunnen er wel zeker van zijn dát het gebeurt. Want wat God begonnen is, zal Hij ook voltooien. Jezus heeft het ons laten zien. Het gaat geleidelijk aan, het is een groeiproces, dat geduld vraagt. En dit is inderdaad niet gemakkelijk, zeker niet voor de geweldenaars onder mensen, die menen dat alles direct moet gebeuren. Maar dat kan niet. ´Langzaam, maar zeker´, zegt het spreekwoord, dat ook hier geldt.

Die heerlijkheid, die nieuwe wereld is al aan het groeien. Groeien is nu  eenmaal, veranderen. En dit vraagt soepel blijven reageren, doodlopende paden verlaten om op zoek te gaan naar nieuwe wegen, ook al is de toekomst ondoorzichtig.

We kunnen dit omdat God achter ons staat, omdat Hij ons heeft beloofd dat we zullen aankomen in een veilige haven.


donderdag 30 mei 2024

Vandaag: SACRAMENTSDAG

 

Vandaag vieren we het hoogfeest van Corpus Christi: het Allerheiligste Lichaam en Bloed van Christus. Deze plechtigheid ontstond toen de zuster Julienne de Cornillon in 1208 het idee promootte om een feest te vieren ter ere van het Lichaam en Bloed van Christus dat in de Eucharistie aanwezig is, om de werkelijke aanwezigheid van het lichaam en bloed van Jezus in de gedaanten van brood en wijn die in de Eucharistieviering worden geconsacreerd, sterk te markeren. Het werd voor het eerst gevierd in 1246 in het bisdom Luik (België) en in 1263, toen een priester de mis opdroeg in de kerk van de stad Bolsena (Italië), toen hij de geconsacreerde hostie brak, spoot er volgens de traditie bloed uit. Deze gebeurtenis, die wijd verspreid en gevierd werd, gaf een definitieve impuls aan de instelling van Corpus Christi als liturgisch feest. Het werd op 8 september 1264 ingesteld door paus Urbanus IV, door middel van de bul ‘Transiturus de hoc mundo’. De heilige Thomas van Aquino kreeg de opdracht om de teksten voor te bereiden voor het officie en de mis die bij de dag hoorden. Maar de ratificatie kwam van paus Nicolaas V, toen hij op het feest van Corpus Christi in 1447 in processie met de Heilige Hostie door de straten van Rome trok. Om deze reden omvatten Corpus Christi-vieringen meestal een processie waarbij de geconsacreerde hostie in een monstrans wordt getoond.


zondag 12 mei 2024

Zó is God ons nabij in de Heilige Geest


Overweging op de 7e zondag van Pasen in de opgang naar Pinksteren

 In de Bijbel lezen we dat de liefdevolle God ons deel heeft gegeven aan zijn Geest. Het is voor ons niet zo gemakkelijk om ons een voorstelling te maken van die Heilige Geest. Wie is Hij eigenlijk? Het is opvallend dat er in de Bijbel heel concreet, op een tastbare manier over de H. Geest wordt gesproken. Men sprak van Gods adem, van een geweldige kracht. En op een andere plaats lees je hoe de Geest is als de dauw van de morgen, verfrissend als helder water, of de tederheid waarmee God ons wil omhelzen omdat Hij ons oneindig bemint; zoals de Geest ook beschreven wordt als de meest intieme liefdesband tussen Vader en Zoon.

Eigenlijk wil de Bijbel hiermee zeggen: kijk zó is God ons nabij. Hij is allernauwst met ons verbonden. Hij is er, overal waar wij gaan of staan.

Op het ene moment laat Hij Zich zien als de bron van alles wat leeft, als een onvoorstelbaar rijke krachtbron, zoals het scheppingsverhaal ons vertelt van de adem van God die alles tot leven roept.

Op een ander moment laat God Zich zien in de stilte, als een zachte bries, de God die in zijn tederheid begaan is met iedereen, wiens hart naar ieder van ons uitgaat, de troostende en nabije God, zoals een moeder haar kindje draagt.

Gods Geest, we kunnen Hem dicht bij ons ervaren, wanneer we enthousiaste, geestdriftige mensen ontmoeten, of mensen die in onze tijd consequent opkomen voor recht en vrijheid voor iedereen. Mensen die het volhouden, die het niet kunnen nalaten om goed en hartelijk te zijn voor anderen. Bewogen mensen zeggen we.

Of je ervaart de Heilige Geest in de stilte en de rust die er van mensen kan uitgaan. Mensen die niet zo opvallen, maar geweldig veel betekenen omdat zij ruimte maken voor troost en blijdschap; milde en meelevende mensen. Enthousiaste mensen, eigenlijk mensen die vol zijn van God, die zó leven dat God in hen zichtbaar wordt, bijna iets aanstekelijks.

Jezus Christus was zo Iemand. In Hem zie je hoe die beide momenten, die geweldige kracht en de stille tederheid, samenkomen. Hij was een geweldig bewogen mens die kwaad kon worden als er over mensen werd heen gelopen, die het waagde zeer harde vragen te stellen aan de manier waarop mensen leefden. Maar tegelijk en in de eerste plaats was Hij een rustige, blije man die zich kon schilderen als de goede herder die op zoek is naar het ene verloren schaap, als een mens die zich kon terugtrekken in de stilte, die mild was tot in het onbegrijpelijke, een mens die door de vingers kon zien.

Laten we bidden om die Geest van Jezus. Wat zou het geweldig zijn, wanneer ook van ons  geldt dat we geestdriftige mensen zijn: mensen aan wie je kunt merken, hoe nabij de liefdevolle God is! Het moet toch mogelijk zijn, ook al is het met vallen en opstaan, door telkens opnieuw te proberen. Bidden en verlangen: Kom, Heilige Geest, maak ons hart vol van U, ontsteek in ons het vuur van Uw liefde. Dan zal het gezicht van de aarde nieuw worden!

 


zaterdag 4 mei 2024

MUZIEK VOOR DE VESPERS - zondag 5 mei

 Muziek voor de Vespers - muziek rond het avonduur, muziek ter verstilling.




woensdag 1 mei 2024

1 MEI GEDACHTENIS VAN SINT JOZEF ARBEIDER

 


De gedachtenis van Sint Jozef Arbeider op 1 mei werd in 1955 ingesteld door paus Pius XII.

In antwoord op de 1 Mei-viering (Dag van de Arbeid) in communistische staten en in landen waar communisten en socialisten veel invloed hadden, stelde paus Pius XII in 1955 het feest van Sint Jozef Arbeider in, eveneens te vieren op de eerste dag van de meimaand, die in de Katholieke Kerk is toegewijd aan Maria. 

Heiliging arbeid
Pius XII stelde Sint Jozef, de timmerman uit Nazareth, ten voorbeeld voor de arbeiders. Hij wilde daarmee de arbeid heiligen en het proletariaat een patroon geven. Zo hoopte hij de katholieke vakbewegingen te ondersteunen in hun strijd om sociale gerechtigheid en een spirituele dimensie toe te voegen aan de maatschappelijke debatten over de waarde van de arbeid.

Uit het Getijdengebed van 1 mei, gedachtenis van Sint Jozef Arbeider

Lezingenofficie, Tweede Lezing

Uit de pastorale constitutie over de kerk in de wereld van deze tijd van het Tweede Vaticaans Concilie
Over de menselijke activiteiten in de wereld.
Door eigen werkzaamheid en natuurlijke talenten heeft de mens steeds getracht zijn leven verder te ontwikkelen. Tegenwoordig echter heeft hij, vooral door de wetenschap en de techniek, zijn heerschappij over de gehele natuur uitgebreid en steeds gaat hij daarin verder. Vooral door de toenemende hulp van velerlei communicatiemogelijkheden tussen de volkeren, ziet de mensheid zich steeds meer als een wereldomvattende gemeenschap waaraan zij gestalte moet geven. Zo geschiedt het dat de mens zich vele goederen, die hij vroeger voornamelijk van bovenaardse krachten verwachtte, thans door eigen inspanning kan bezorgen.
In verband met deze grootse onderneming, die reeds de gehele mensheid omvat, rijzen er onder de mensen veel vragen. Wat is toch de zin en de waarde van deze bedrijvigheid? Hoe is dit alles te gebruiken? Wat bereiken personen of gemeenschappen met deze inspanningen?
De kerk, die het haar toevertrouwde woord van God bewaart waaraan zij haar godsdienstige en morele beginselen ontleent, heeft niet op iedere vraag een pasklaar antwoord. Maar zij laat het licht van de openbaring schijnen over de ervaring van allen, om de weg te verlichten die de mensheid sinds kort is ingegaan.
De individuele en gezamenlijke activiteiten van de mensen zijn een grootse onderneming waarin de mensen in de loop der eeuwen hun levensvoorwaarden trachten te verbeteren. Het is voor de gelovigen een vaste overtuiging dat deze activiteiten, in zichzelf beschouwd, aan de bedoeling van God beantwoorden.
Want de mens is naar het beeld van God geschapen en heeft de opdracht gekregen de aarde met alles wat zij in zich bevat, aan zich te onderwerpen en de wereld in rechtvaardigheid en heiligheid te besturen. Door God als Schepper van alles te erkennen, moet hij zichzelf en de totaliteit van de dingen naar Hem terugvoeren. Zo zal na de onderwerping van alles aan de mens, de naam van God over de gehele wereld verheerlijkt worden.
Dit geldt ook voor de gewone dagelijkse werkzaamheden. Want de mannen en vrouwen die in hun zorg voor het levensonderhoud van zichzelf en hun gezin een zodanige activiteit aan de dag leggen, dat zij de maatschappij een reële dienst bewijzen, mogen terecht hun werkzaamheid beschouwen als een voortzetting van het werk van de Schepper en als een bijdrage tot het welzijn van hun medemensen. Door hun persoonlijke inzet werken zij mee aan de vervulling van het goddelijke plan in de geschiedenis.
De christenen mogen dus beslist niet denken, dat de werken van het menselijk verstand en de menselijke daadkracht tegenover de macht van God staan, noch dat het redelijke schepsel een rivaal van de Schepper is. Zij moeten er integendeel van overtuigd zijn, dat de triomfen van de mensheid een teken zijn van de grootheid van God en het resultaat van zijn onuitsprekelijk raadsbesluit.
Naarmate echter de macht van de mens toeneemt, des te meer breidt zich de individuele en collectieve verantwoordelijkheid uit.
Hieruit blijkt dus dat de christelijke boodschap de mensen niet afhoudt van de opbouw van de wereld en evenmin een reden is om de belangen van hun medemensen te verwaarlozen. Integendeel, deze boodschap verplicht hen nog dringender hieraan te werken.

zondag 21 april 2024

VIERDE ZONDAG VAN PASEN: Evangelie: DE GOEDE HERDER GEEFT ZIJN LEVEN VOOR ZIJN SCHAPEN. (Joh. 10, 11-18) en een overweging daarover



Evangelie

 In die tijd sprak Jezus tot zijn leerlingen: Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen. Maar de huurling, die geen herder is en geen eigenaar van de schapen, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht weg; de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen. Hij is dan ook maar een huurling en heeft geen hart voor de schapen. Ik ben de goede herder. Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken. Ik geef mijn leven voor de schapen. Ik heb nog andere schapen die niet uit deze schaapstal zijn. Ook die moet ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren en het zal worden: één kudde, één herder. Hierom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik mijn leven geef om het later weer terug te nemen. Niemand neemt Mij het af, maar Ik geef het uit Mijzelf. Macht heb Ik om het te geven en macht om het terug te nemen: dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb ontvangen.


Overweging

Voor de een of ander kan het thema van de Goede Herder op het eerste gehoor weinig realistisch klinken. Zo kan het herinneringen oproepen aan een vervlogen romantiek en aan oude liedjes, als dat van die ´grote stille heide´...

De Bijbel stelt ons Jahweh voor als herder. Dit is niet verwonderlijk voor het relaas van een herdersvolk, dat bidt : ´De Heer is mijn herder, niets kom ik tekort ; Hij laat mij weiden op groene velden´. ´Hij is de herder en wij zijn kudde´.

In Jezus krijgt het herderschap van Jahweh op een unieke manier gestalte. ´Ik ben de goede herder´. Van geen enkele profeet in de Bijbel wordt zoiets gezegd. Hij is de verpersoonlijking van Jahweh´s trouw, bij tij en ontij, persoonlijk weet hebbend van ieders naam en toenaam.

Zijn herderschap geeft allerminst grond voor halfzachte voorstellingen.

De zorg van de Goede Herder is een strijd, die zich afspeelt in de wildernis ( vgl. Lc. 14,4 ). Hij verjaagt dieven, rovers en wilde dieren. Als het moet, laat Hij ze allemaal achter, om dat ene verlorene op te zoeken.

De Goede Herder houdt allen gaande en geeft voedsel voor onderweg.

Hij biedt een ijzersterke achtergrond om echte menselijkheid aan te moedigen, zorg te hebben voor mensen, een goed woord te spreken en het hart te raken met een nieuw gevoel.

In de hedendaagse woestijn van massa´s, in de leegte van de steden rijst het beeld op van een Gids en herder met dit Goede, Verblijdende Nieuws : wij mensen zijn geen onbetekenend schroefje in het raderwerk van een naamloze wereld, geen willekeurig, uitwisbaar nummer. De wereld is niet een speelbal van onberekenbaar toeval. We zijn niet verkocht en veroordeeld tot een per slot van rekening zinloos bestaan.

Want God ziet om naar de menigte van mensen, die zich verloren en angstig voelen, ´als schapen zonder herder´.  Hij is Iemand, die tot ieder van ons zegt : ´je bent uniek, Ik ken je, je kunt op Mij rekenen, je zult leven´.

Alle mensen zijn geroepen om met anderen om te gaan zoals God dat doet, door elkaar te dragen, te sterken, te behoeden en vooruit te helpen.

Gods uitnodigende roep om goede, warme mensen klinkt ook door in de vraag van de basis van de Kerk : geef ons mensen  om tekenen te stellen van Gods herderlijke nabijheid.

Ondanks de jungle van onze verstedelijkte wereld geschiedt het herderschap van Jezus, in de oases van hartelijke groepen, in verkondiging en bediening van Christus´ woord en sacrament, in inzet voor vrede en gerechtigheid.

Boven alle binnenkerkelijke discussies uit zien we grote herders, die de Weg kennen en wijzen, die zorgen voor groene weiden en gezonde kost, die zwaaien met hun staf tegen onderdrukkers, rovers en verdeeldheidzaaiers, die de menselijke waardigheid verdedigen, met name van de kleinen en rechtelozen, de armen, gevangenen en ongeneeslijk-zieken.

Deze herderlijke zorg zal het hart en het gezicht van de Kerk zijn want mensen kunnen pas geloven dat onze God een hart heeft, als zij een hart ervaren in goede mensen. Zij komen als geroepen.