maandag 20 juli 2020

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XVI per annum feria III Christum habetis in vobis. Gij bezit Christus in u.



Lectio altera

De Epístola sancti Ignátii Antiochéni epíscopi et mártyris ad Magnésios
(N. 10, 1-15: Funk 1, 199-203)

Tweede lezing

Uit de ‘Brief aan de Magnesiërs’, van de H. Ignatius van Antiochië bisschop en martelaar
(N. 10, 1-15: Funk 1, 199-203)

Gij bezit Christus in u

Het zij dus verre van ons, niet bewogen te worden door de welwillendheid van Christus. Want als Hij jegens ons zou doen, zoals wij jegens Hem, waren wij allang omgekomen. Daarom, nu wij zijn leerlingen geworden zijn, laten wij dan ook volgens ons christelijk geloof leven. Want wie zich met een andere naam dan die van christen laat noemen, is niet van God. Werpt dan het bedorven, verouderde en verzuurde zuurdeeg van u weg, en verandert uzelf in een nieuw zuurdeeg, dat is Jezus Christus. Laat u gezouten worden in Hem, opdat niemand van u bedorven worde, want naar uw geur zult ge beoordeeld worden. Het is dwaasheid Christus Jezus in de mond te hebben en te leven als jood; want het christendom heeft niet het joodse geloof aangenomen, maar het joodse geloof het christendom, waarin allen, die in God geloven, verenigd zijn.

Ik schrijf u dit niet, mijn geliefden, omdat ik zou weten, dat sommigen van u zo gestemd zijn, maar als de minste onder u verlang ik te voorkomen, dat gij in de klauwen van de valse leer terecht komt, maar dat ge daarentegen ten volle bevestigd wordt in uw geloof aan de Geboorte, het Lijden en de Verrijzenis, die plaats vond onder de landvoogd Pontius Pilatus. Dat alles waren zonder enige twijfel de daden van Jezus Christus, onze hoop, van Wie niemand uwer zich moge afwenden.

Dat ik toch in alles vreugde aan u moge beleven, als ik dit waardig ben. Want hoewel ik een geboeide ben, toch weeg ik niet op tegen iemand van u, die niet geboeid zijt. Ik weet, dat gij u niet verheft; want gij bezit Jezus Christus in u. Meer nog, ik weet dat gij u zoudt schamen, als ik u prees, zoals er geschreven staat. De rechtvaardige is zijn eigen aanklager.

Streeft er dan naar bevestigd te worden in de leer van de Heer en zijn Apostelen, opdat al wat gij doet, zal gedijen naar het vlees en naar de geest, in geloof en liefde, in de Zoon en de Vader en de Geest, in het begin en in het einde, met uw zeer waardige bisschop en de waardig-gevlochten geestelijke krans van uw priesters, en met de God-welgevallige diakens. Weest onderdanig aan uw bisschop en aan elkaar, zoals Jezus Christus naar het vlees het was aan zijn Vader, en de apostelen het waren aan Christus en de Vader en de Geest, opdat er zo een vleselijke en een geestelijke eenheid zij.

Omdat ik weet dat gij van God zijt vervuld, heb ik u maar kort onderricht. Gedenk mij in uw gebeden, opdat ik God moge bezitten; gedenk ook de Kerk in Syrië (waarnaar ik niet waardig ben genoemd te worden; want ik heb behoefte aan uw in God verenigd gebed en uw liefde), opdat de Kerk in Syrië verdiene door uw Kerk met dauw te worden besproeid.

U groeten de Ephesiërs vanuit Symrna, vanwaar ik u schrijf. Tot Gods meerdere eer zijn zij bij mij zoals gij, die tezamen met Polycarpus, de bisschop van Smyrna, mij in alles hebben verkwikt. Ook de overige Kerken groeten u ter ere van Jezus Christus. Vaarwel, gij die in God verenigd zijt en de onafscheidelijke Geest bezit, die is: Jezus Christus.



Tweede reportage Odiliazondag met dank aan de fotograaf!




















Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica decima sexta per annum Zestiende zondag door het jaar Blijf in Uw goedheid Uw volk nabij

Het Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)

Blijf in Uw goedheid Uw volk nabij

I n l e i d i n g
“Hij is niet ver van ieder van ons”, zo stelt de H. Paulus in de Handelingen van de Apostelen  17, 27. Van onze zonden staat God ver af, maar van de zondaars wendt Hij zich niet af; integendeel, Hij staat als de barmhartige vader uit de parabel van de verloren zoon (Luc 15,11-32) op de uitkijk om zijn berouwvolle zoon thuis te halen en zelfs op een feestmaal te onthalen: “Er moet feest en vrolijkheid zijn, omdat die broer van je dood was en levend is geworden, verloren was en is teruggevonden” (Ibid. 32).
In de postcommunio van deze zondag gaat het ook om elkaar nabij te zijn in de liefde of om van elkaar verwijderd te zijn wanneer deze liefde ontbreekt. Zij die God beminnen, is Hij zeer nabij, op wie Hem niet beminnen wacht Hij.
De postcommunio bidt dat God zijn volk nabij is. Ja, de oratie kan zo bidden omdat zij spreekt van hen die God in zijn Mysterie heeft ingewijd (“imbuisti”)  en met de Spijs van dit Mysterie heeft verzadigd. Kan Hij ons meer nabij zijn dan op deze wijze?
“Wie mijn Vlees eet en mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem” (Jo 6,56). “Uw Naam heb Ik hun geopenbaard en Ik zal dit blijven doen, opdat de liefde waarmee Gij Mij hebt liefgehad, in hen moge zijn en Ik in hen” (Jo 17,26).
Van de andere kant: hoe kan een mens geloven dat zo iets groots reeds werkelijk in hem is? Hij ziet immers zijn vele tekorten en zonden. Hij beseft de oude mens nog steeds met zich mee te dragen, die steeds opnieuw de liefde kwetst. Wat blijft hem daarom over dan te bidden dat God hem met zijn kracht in de nieuwe mens verandert, door het Mysterie van de H. Eucharistie en door een leven van liefde.

T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Populo tuo, quæsumus, Domine, adesto propitius,
et, quem mysteriis cælestibus imbuisti,
fac ad novitatem vitæ de vetustate transire.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Heer, wij vragen U: blijf in uw goedheid uw volk nabij.
Help ons afstand te doen van het oude om een nieuw leven te leiden,
nu Gij ons hebt ingewijd in uw heilige mysteries.

Werkvertaling
Sta/Wees uw volk, vragen wij U, Heer, in uw goedheid (na) bij,
en, maak dat [dit volk], dat U hebt ondergedompeld in de hemelse mysteries (door de Sacramenten),
van het oude naar het nieuwe leven overgaat.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
Ofschoon elementen van deze oratie worden gevonden in het Sacramentarium Gelasianum Vetus, eerste helft achtste eeuw, en in het Sacramentarium Leonianum, tweede helft zesde eeuw, is de postcommunio van deze zondag een nieuwe compositie voor MR 1970.
Dezelfde postcommunio-tekst staat in het misformulier van de 5e zondag van Pasen. Zie ook de uitleg en het commentaar aldaar.

T e x t u e l e  a n a l y s e
1. Populo tuo, quæsumus, Domine, adesto propitius,
2a. et, 3. quem mysteriis cælestibus imbuisti,
2b. fac ad novitatem vitæ de vetustate transire.

De Postcommunio van deze zondag bestaat uit één enkele doorlopende zin, opgebouwd uit twee halfzinnen - met de prædicaten adesto en fac in de imperativusvorm - verbonden door het verbindingspartikel et; de tweede halfzin bevat een relatieve bijzin in de indicativus perfecti activi.

Ad 1
Adesto, wees nabij/sta bij/help – prædicaat in de imperativusvorm præsentis van adesse, adfui (compositum van esse), met betekenissen 1. aanwezig zijn 2. verschijnen, bijstaan helpen, verhoren b.v. adesto supplicationibus nostris, verhoor onze smeekbeden. Populo tuo, uw volk – bijwoordelijke bepaling in twee congruerende dativusvormen (dativus commodi, van voordeel), hier te lezen als ‘object’ van het prædicaat adesto: wees uw volk nabij, help Uw volk, verhoor uw volk.
Domine, [o] Heer – anaklese in de vocativusvorm van Dominus.
Quæsumus, wij smeken/bidden [U], tussenzin met een enkel prædicaaat met de inmiddels bekende functie ter afzwakking van jegens God gebruikte imperativus adesto of ter ondersteuning van het ritmische verloop van de oratie.
Propitius, genadig, gunstig, genegen, met goedheid – bijwoordelijke bepaling bij adesto. De uitdrukking doet denken aan de aanroeping propitius esto, wees genadig, uit bijvoorbeeld de Litanie op de Kruisdagen vóór Hemelvaartsdag.  

Ad 2a-2b
Fac transire , doe, maak, laat overgaan – prædicaatsgroep samengesteld uit de imperativusvorm van facere, feci, factum en de infinitivus transire.
Het object bij deze prædicaatsgroep is eveneens het in regel 1 genoemde ‘populus’. Zo kan de tweede halfzin ook gelezen worden als een a.c.i. (accusativus cum infinitivo) constructie: Maak / bewerk dat uw volk overgaat van…
De vetustate ad novitatem vitæ, - van het oude naar het nieuwe leven, letterlijk: van de oude toestand van leven naar de nieuwheid van leven – bijwoordelijke bepaling die zowel een scheiding, een afstand nemen van (de vetustate vitæ) als een richting, (ad novitatem vitæ) aanduidt. De ablativusvorm vetustate (geregeerd door het præpositum de) en de accusativusvorm novitatem (geregeerd door het præpositum ad) hebben beide de bijvoeglijke bepaling vitæ bij zich die de substantiva novitatem en vetustate nader toelicht.
De positie van vitæ geeft dit ook duidelijk te verstaan.

Ad 3
Relatieve bijzin met het pronomen quem (van qui, quæ, quod) aan de kop, dat verwijst naar populo tuo in regel 1 als antecedent en dat het object is van het prædicaat imbuisti in deze relatieve bijzin: dat Gij hebt ingewijd, verzadigd. Prædicaat in de 2e persoon singularis van het perfectum activi indicativi van imbuere, imbui, imbutus, 3. De indicativus is hier gebruikt omdat de bijzin slechts een nadere bepaling of toelichting van genoemd antecedent geeft.
Mysteriis cælestibus, met/door/in, bijwoordelijke bepaling in twee congruerende ablativusvormen pluralis (ablativus causæ/instrumentalis).

S t i j l f i g u r e n
Regel 1 bevat een aardige “p”- ‘alliteratie’, tweemaal dubbel “p”: populo aan de kop en propitius aan het slot
Regel 2 heeft driemaal de “m” medeklinker in:  quem, mysteriis en imbuisti.
Regel 3 de ‘alliteratie’  “v” in novitatem, vitæ en vetustate tenslotte geeft een pittig en energiek effect.
Novitatem en vetustate: klank-, rep. binnenrijm
Antithese novitatem – vetustate

V o c a b u l a r i u m
Imbuo, -ui, -utum
betekent: ”drenken, natmaken, bevochtigen, indopen, onderdompelen, tinten, doortrekken” en vandaar “(op)vullen, vervullen, verzadigen, kleuren, verven, bevlekken, besmetten, doordrenken, doordringen, bezielen,” en met uitbreiding “inspireren, inblazen, opwekken, aanzetten, vroeg een stempel drukken op, beïnvloeden, gewennen, initiëren, instrueren, onderrichten, inwijden”.

Novitas, - atis, vr.
In het volumineuze woordenboek Lewis & Short Dictionary vinden we dat  novitas  (gerelateerd aan het adiectivum novus, a, um)  naast “nieuwheid, het nieuwe, vernieuwing, hernieuwing, verandering” ook  “de conditie/status van een homo novus”, de nieuwe mens, aanduidt. Paus Leo XIII zou zijn beroemde encycliek van 15 mei 1891 over de situatie van de arbeidersklasse, over een aantal principes van de sociale leer van de Katholieke Kerk en tegen de alarmerende opkomst van atheïstische theorieën in zijn dagen, beginnen met het de roemrijk gebeitelde en welluidende woorden:  “Rerum novarum semel excitata cupidine,… “De eenmaal opgewekte omwentelingszucht, die zolang reeds het politieke leven beroert, moest te eniger tijd wel van het staatkundige naar het aangrenzende sociaal-economische terrein overslaan”.
Lewis & Short geeft ook betekenissen als  “zeldzaamheid, vreemdheid, ongewoonheid, nieuwigheid, onbekendheid, verrassing”: concepten die bij de oude Romeinen een negatieve connotatie hadden. Er is echter niets negatiefs verbonden met christelijke novitas  in de oratie van vandaag, integendeel.  
In de Ritus van de Opname in het Noviciaat in onze priorij ontvangt de candidate het habijt met de woorden: “Induat te Deus novum hominem qui secundum Deum creatus est in sanctitate et iustitia et veritate/ God beklede u met de nieuwe mens die volgens God geschapen is in heiligheid, rechtvaardigheid en waarheid.
Het in het Nederlands reeds lang ingeburgerde begrip novum heeft vele betekenissen; denk ook aan de begrippen innovatie, renovatie.

Vetustas, -atis , vr.,
gerelateerd aan vetus, - eris, betekent 1. ouderdom, oudheid 2. oude of vroegere toestand en vandaar vroegere of oude cultus / tijd, maar ook ‘de oude mens’. 3. lange duur.
In de sequens Lauda Sion van het feest van Christus’Lichaam en Bloed spreekt Thomas van Aquino over de H. Eucharistie: Vetustatem novitas, umbram fugat veritas: een nieuwe cultus/eredienst verjaagt de oude, de waarheid doet de schaduw (de voorafschaduwing, het symbool) verdwijnen.
Het Nederlandse woord ‘veteraan’ heeft zijn oude Latijnse betekenis behouden: beproefd krijgsman, beproefd soldaat, uitgediende of oudgediende soldaat, maar ook man met veel ervaring in de ambtenarij, in de sportwereld, of welk beroep dan ook.
In de Postcommunio van deze zondag is er een scherp contrast tussen het oude en het nieuwe.

Transire, -vi, -itum, 4.
Intransitief, onovergankelijk, betekent het: 1. door…heen gaan 2. overgaan 3. veranderen 4. voorbij gaan, voorbijtrekken en transitief, overgankelijk: 1. over iets gaan, overschrijden 2. klaar komen met 3. overtreffen. In het Nederlands kennen we het begrip transitie met breed betekenisscala. De grondbetekenis is ‘overgang’.
Met het uitnodigende ‘Transeamus’ begint, zoals bekend, het Latijnse kerstlied ‘Transeamus usque ad Bethlehem’ dat in rooms-katholieke kerken tijdens de Nachtmis van Kerstmis wordt gezongen. Het wordt de herders rondom Bethlehem in de mond gelegd (vgl. Luk 2,15) die vooruitijlen naar Betlehem om te zien wat daar is gebeurd.
Lange tijd werden tekst en melodie toegeschreven aan de Duitse domkapelmeester Joseph Schnabel (1767-1831), maar dit bleek uiteindelijk alleen te gelden voor het instrumentale deel.

C o m m e n t a a r
De Brief van de H. Paulus aan de Romeinen levert materiaal voor de Postcommunio van deze zondag. Daar lezen we immers: “U weet toch, dat het Doopsel, waardoor wij met Christus Jezus in gemeenschap zijn getreden, ons heeft doen delen in zijn dood? Door de doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij , zoals Christus, door de macht van zijn Vader uit de doden is opgewekt, een nieuw leven zouden leiden (Vulgaat: novitate vitae ambulemus).  Zijn wij één met Hem geworden door het beeld van zijn dood, dan moeten wij Hem ook volgen in zijn opstanding, in de overtuiging dat onze oude mens (vetus homo) met Hem gekruisigd is; daardoor is aan het bestaan in de zonde een einde gekomen, zodat wij niet langer aan de zonde dienstbaar zijn” (Rom 6, 3-6).
Merk op dat de begrippen transeo (“door … heen gaan, over iets gaan, overtrekken”)  in de oratie en ambulo (“wandelen, een levenswandel leiden)” in de Brief aan de Romeinen beide een beweging uitdrukkken. In dezelfde Brief schrijft Paulus: “Toen het vlees ons bestaan nog bepaalde, worden onze daden beheerst door schuldige begeerten, die de Wet in ons opwekte en die slechts winst afwierpen voor de dood.  Maar nu zijn wij dood voor de Wet en ontslagen van haar boeien, zodat wij niet langer onderworpen zijn aan een verouderde wetten (in vetustate litterae) maar God dienen in het nieuwe leven van de Geest (in novitate spiritus)” (Rom 7, 5-6).
Nog een andere bron voor de Postcommunio van deze zondag vinden we in de Brief van de H. Paulus aan de Efesiërs. In hoofdstuk 4,21-24) schrijft hij: “Gij hebt van Christus gehoord en gij zijt in Hem onderricht in de waarheid die in Christus verschenen is: dat gij de oude mens (veterem hominem) van uw vroegere levenswandel, die te gronde gaat aan zijn bedrieglijke begeerten, moet afleggen  en dat geheel uw denken zich moet vernieuwen. Bekleedt u met de nieuwe mens (induite novum hominem), die naar Gods beeld is geschapen in ware gerechtigheid en heiligheid.
Het merkteken waarmee wij bij ons Doopsel zijn getekend, blijft in ons bewaard, op aarde, in de hemel of in de hel. Het kan nooit worden verwijderd. Door het uitgieten van het doopwater over ons hoofd of door de onderdompeling in de naam van de Drieëne God zijn wij voor altijd andere mensen geworden.  Ons uitwendig gedrag en onze innerlijke gesteldheid moeten, als het goed is, een weerspiegeling zijn van deze diepste realiteit.
Terwijl wij de H. Communie ontvangen, acht de Heer het niet beneden zijn waardigheid dat Hijzelf in de H. Hostie wordt ‘gedoopt’ in wat zou moeten zijn de reine en zuivere kelk van ons aardse lichaam.
Wanneer de Hostie in ons ‘is ondergedompeld’, wordt onze ziel als het ware getint door en doortrokken van de genade die zij is: de Hostie (hostia) is geen symbool van Christus, maar is in zichzelf werkelijk Christus. In de H. Communie komen wij in direct contact met Christus: wij mogen ons laven aan de Bron van het Leven: Hij komt tot ons en verenigt zich met ieder van ons.
Zijn Lichaam en Bloed zijn ons gegeven opdat wij getransformeerd worden naar zijn beeld en gelijkenis. Wij zelf moeten het Lichaam van Christus worden én zijn bloedverwanten.

“Hij is zelf in ons en wij in Hem. Zijn dynamiek doordringt ons en zal van ons uit op de anderen en zelfs op heel de wereld overspringen, dat namelijk zijn liefde werkelijk de bepalende maat voor de wereld wordt”.
(Uit de Preek van paus Benedictus VI op de Wereldjongerendag in Keulen, 21.8.2005)

“God is niet ver van ons, ergens in de uitgestrekte kosmos, waar niemand komen kan. Hij heeft zijn tent bij ons opgeslagen: in Jezus is Hij een van de onzen geworden, met lichaam en bloed, zoals wij. Dat is zijn tent. Bij zijn hemelvaart  is Hij niet ver van ons weggegaan. Zijn tent, Hij Zelf, met zijn Lichaam en Bloed als een van ons, blijft bij ons.ij een van de onzen geworden,

Het mysterie van Bethlehem openbaart ons dat God een God-met-ons is, dicht bij ons, niet eenvoudigweg in een ruimtelijke en tijdelijke zin; Hij is ons nabij omdat Hij – om zo te zeggen - aan ons mens zijn is verknocht: Hij heeft onze kwalen op Zich genomen, gekozen om volkomen aan ons gelijk te zijn, om ons gelijk aan Hem te maken. Aan deze zekerheid ontspringt christelijke vreugde: God is nabij, Hij is met mij, Hij is met ons, in vreugde en lijden, in gezondheid en ziekte, als Herder, Vriend en Bruidegom. En deze vreugde blijft zelfs in beproevingen en in lijden; zij blijft niet aan de oppervlakte, maar veeleer diep in de persoon die zichzelf aan God geeft en zich aan Hem toevertrouwt.
Sommigen vragen zich af: is deze vreugde vandaag nog steeds mogelijk? Het antwoord wordt gegeven door het leven van mannen en vrouwen van elke leeftijd en sociale status, die gelukkig zijn in het toewijden van hun leven aan anderen. Ja, vreugde komt het hart binnen van hen die zichzelf ten dienste stellen van de minsten en misdeelden. In hen die de liefde zo practiseren, vestigt God zijn woonplaats en is de ziel in vreugde”.
(Uit een Overweging tijdens de Vespers in de kathedraal van München, 10.9.2006 en uit de Angelustoespraak van paus Benedictus XVI, 16.12.2007)
We sluiten af met enkele preces uit het Getijdengebed van afgelopen week.
Nobis et omnibus, quibus hodie occurremus, adesto,
gaudium largire et pacem.
Wees ons en allen die wij vandaag zullen ontmoeten, nabij,
Schenk ons en hen rijkelijk vreugde en vrede.
(Uit de Preces van maandag, week III, Lauden, Getijdengebed)

Adesto, Domine, orphanis, viduis et omnibus derelictis,
ut propinquum te sentiant tibique magis adhæreant.
Sta, Heer, de wezen, weduwen en allen die aan hun lot zijn overgelaten, bij,
opdat zij U nabij weten en zich sterker aan U hechten. 
(Uit de Preces van maandag, week III, Vespers, Getijdengebed)

Collectegebed 16e zondag door het jaar - “Maak hen sterk in geloof, hoop en liefde”

Collectegebed 16e zondag door het jaar - “Maak hen sterk in geloof, hoop en liefde”

Missale Romanum – 1970
Propitiare, Domine, famulis tuis, et clementer gratiæ tuæ super eos dona multiplica, ut, spe, fide et caritate ferventes, semper in mandatis tuis vigili custodia perseverent.

Altaarmissaal – 1979
Heer, wees goed voor allen die U toebehoren en schenk hun uw genadegaven in overvloed: maak hen sterk in geloof, hoop en liefde, waakzaam en trouw, uw geboden te onderhouden.

Meer letterlijke vertaling
Wees uw dienaren genadig Heer, en vermeerder in hen uw genadegaven, opdat zij, brandend van geloof, hoop en liefde, altijd waakzaam uw geboden hoeden en daarin volharden.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n

Het collectegebed van vandaag is nieuw en komt niet voor in de preconciliaire edities van het Romeinse Missaal. Het heeft een historisch antecedent in het Sacramentarium Bergomense (Bibliotheek in Bergamo, Italië), een 9e-10e eeuws manuscript van de niet-Romeinse, maar wel Latijnse ritus die als de Ambrosiaanse ritus in Milaan locaal in zwang was. De oratie heeft een prachtige, onverwachte en frisse klank wanneer ze wordt uitgesproken of, zelfs beter, wordt gezongen. De laatste zin heeft een mooie clausula (ritmisch slot).

Voor mensen aan wie lange tijd het beleven van de schoonheid van het Latijn ontzegd gebleven is, kan het moeilijk zijn de subtiele vreugde te begrijpen die het zingen van de oude Latijnse collectes teweegbrengt, met dat kunstig geweven patroon van prachtige ritmiek, zijn heldere uitdrukkingskracht van ideeën en zijn krachtige, zuivere stijl. Deze Latijnse oraties brengen niet alleen de brede vorming van hun samenstellers aan het licht maar ook de kracht deze vorming te kunnen continueren bij degenen die vele eeuwen later deze oraties bidden.

Dit pleit absoluut voor het actief behoud van deze Latijnse oraties in de Rooms Katholieke Kerk in het Latijn alsook voor mooie en zorgvuldige vertalingen van de originele Latijnse versies, om te gebruiken in de volkstaal in de Latijnse ritus van het Westen.

K l e i n  v o c a b  u l a r i u m

Het werkwoord propitio betekent “gunstig stemmen, zich genegen maken, verzoenen”, “genade verwerven”. De vorm aan het begin van het collectegebed heeft duidelijk imperatieve kracht en lijkt een infinitief. In latere Latijn worden Latijnse infinitieven soms als imperatieven gebruikt, maar dit is niet het geval in de oratie van vandaag. De ongeëvenaarde Lewis & Short Dictionary geeft dat in het bijbelse Latijn van de Vulgaat de passieve vorm van propitio “genadig zijn, vergeven” betekent (vg. Lev 23,2 – propitietur vobis Dominus … moge de Heer u genadig zijn). Dus,  propitiare lijkt op een infinitief maar is in feite de imperatief (2e persoon enkelvoud van het præsens van het passivum).

Het welluidende clementer is een adverbium (bijwoord) van het adiectief (bijvoeglijk naamwoord) dat de L&S weergeeft met “zacht, mild, rustig, stil, aangename gesteldheid van de lucht, de wind of het water, kalm, vriendelijk”. Clemens heeft ook een morele kwaliteit in  de zin van “een kalm, emotieloos gemoed“, “gelaten, rustig, mild, vriendelijk” en meer uitgebreid: “mild ten opzichte van de fouten en tekorten van anderen: verdraagzaam, geduldig, indulgent, medelijdend, genadig”. Er zijn veertien pausen geweest die de naam “Clemens” droegen, de laatste was Clemens XIV (+1774) en enkele middeleeuwse tegenpausen.

Het werkwoord multiplico betekent 1. vermeerderen, vergroten en 2. vermenigvuldigen.

Famulus, en de vrouwelijke vorm famula vragen enige attentie, sinds deze begrippen met een zekere frequentie in de collectegebeden voorkomen. Deze woorden zijn klaarblijkelijk afkomstig van de oude aan het Latijn verwante Italische taal het Oskisch, van de Sabellische tak van de Italische taalfamilie. Deze taal werd gesproken in de zuidelijke centrale regio van het Apennijnse schiereiland (1).

In het Oskisch betekent faama “huis”. Het concept famulus betekent dus “mensen die in het huis zijn, tot het huis behoren, deel uitmaken van het huis”. De oude huizen van de aristocratische kringen konden zeer ruim zijn met vele bedienden. Een famulus of famula was een bediende, werkzaam in het huishouden, een dienstmeid, een slaaf of een vrijgemaakte persoon. In bepaalde opzichten werden zij beschouwd als leden van de uitgebreide familia = het “geheel van huisgenoten (inclusief de slaven dus)”. Bij de Romeinen werden dus alle gezinsleden én het personeel hiermee aangeduid. Dit verklaart deels hoe hele families, inclusief slaven en bedienden, in de vroege Kerk zich bekeerden tot het Christendom.

Een fundamentele dimensie van het woord custodia is het concept: verhindering / belemmering van vrije beweging. Vandaar: “wacht, bescherming, bewaking, hoede, opzicht”. Het betekent ook “bewaking, kerker, opsluiting”. In militaire taal: “personen die de wacht houden of op wacht staan, schildwacht, lijfwacht, post, bezetting” en dus ook het wachthuis: de “plaats waar wacht wordt gehouden”, “wachtpost”. Liturgische woordenboeken geven nog: een bepaald soort reliquarium, of pyxis (b.v. hostiedoosje).

Vigil, ilis (van het werkwoord vigeo) kan een adiectief zijn: wakker, waakzaam, op zijn hoede, alert”. Iemand die vigil  is, is “wakend”, “op zijn qui vive” (2), “oplettend”.  Vigil kan ook een substantief zijn met de betekenis van “bewaker”, “schildwacht”. In Italië worden vandaag de dag  zelfs nog bepaalde politieagenten “vigili” genoemd.  Het Nederlands heeft de afleidingen “vigilant”: wakker, waakzaam, flink en “vigilantie”: waakzaamheid, wakkerheid, naarstigheid.
In liturgisch opzicht is een vigilie de avond of nacht voor een grote kerkelijke feestdag. In vroeger tijden waren dat momenten van vasten en boete. Mannen die tot ridder werden geslagen hielden een vigilie en brachten deze nacht door met vasten, bidden en gewetensonderzoek om zo zuiver mogelijk te zijn voor de rite die volgde. De achterliggende idee is dat men zich moest voorbereiden middels zelfverloochening, beheersing van eetlust en andere driften, in waken en alertheid op aanvallen van de kant van de duivel, die een leugenaar en verleider is. In de H. Schrift zijn verschillende vormen van nachtwaken beschreven.

We horen bijvoorbeeld in het Lukasevangelie bij de geboorte van de Heer: ”In de omgeving bevonden zich herders die in het open veld gedurende de nacht hun kudde bewaakten” (vigilantes et custodientes vigilias noctis) (Luk 2,8).
“Waakt (vigilate) dus, want gij weet niet op welke dag uw Heer komt.  Begrijpt dit wel: als de eigenaar van het huis wist op welk uur de dief zou komen, zou hij blijven waken (vigilaret) en in zijn huis niet laten inbreken. Weest ook gij dus bereid, omdat de Mensenzoon komt op het uur waarop gij het niet verwacht” (Mt 24,42-44).

Herinner u ook hoe Jezus het beeld gebruikt van de dienaars die wachten op de terugkomst van hun heer om, als hij midden in de nacht aankomt en klopt,  hem aanstonds open te doen. Gelukkig de dienaars, die de heer bij zijn komst wakende zal vinden (vgl. Luk 12,35-37).
En de Apostel Paulus dringt er bij de christenen voortdurend op aan “waakzaam” en “wakker” te zijn.
In de Eerste Brief van Petrus  (5,8) lezen wij zijn tot ernst stemmende  aansporing: “Wees nuchter en waakzaam. Uw tegenstander, de duivel, gaat rond als een briesende leeuw, zoekend wie hij zal verslinden“. Het was de dagelijkse tekst van de kapittellezing in de Completen van het preconciliaire brevier, na Vaticanum II vastgelegd op de woensdag. Het is maar al te zeer een realiteit dat de Vijand ons zoekt, waakzaamheid  is dus geboden.

Dagelijks zingt de Kerk in de Completen de antifoon Salva nos, Domine, vigilantes, custodi nos dormientes, ut vigilemus cum Christo et requiescamus in pace”  wanneer het werk van de dag overgaat naar de rust van de avond of nacht, of zelfs de rust van de levensavond. Lichamelijk en geestelijk waken en slapen vloeien in elkaar:  “Bescherm ons, terwijl wij waken (overdag), behoed ons terwijl wij slapen (’s nachts), opdat wij met Christus mogen waken (in het leven door de genade) en rusten in vrede (in een gelukzalige dood).

Het collectegebed van deze zondag spreekt ofwel van “waakzaam op zijn hoede zijn” of van “waakzame bescherming”. Het eerste beklemtoont meer het gebruik van de wil om de dingen in de juiste maat te doen, hetgeen de kern raakt van deugdzaam gedrag (de drie deugden geloof, hoop en liefde worden  in de oratie genoemd) of ook die omzichtige aandacht die we moeten geven aan de grote en kostbare gaven die we van God ontvangen.

Bij het beschouwen van dit collectegebed, met name in het licht van de beelden van 'kijken/waken/de wacht houden in de nacht’ zoals gebruikt in de H. Schrift, kan men denken aan een groot huishouden in de oudheid, een domus of een Romeinse latifundium. Een latifundium was een landgoed met veel verschillende gebouwen en kwartieren, voor familie, huishoudelijk dienstpersoneel en de vele werknemers.

De landgoederen waren zelfs versterkt met muren tegen aanvallen door bandieten. Een huis of domus in een stad kon zelfs een wachttoren hebben. In deze woningen, die vaak geheel zelfvoorzienend waren, leefden allen samen, mogelijkerwijs hun hele leven lang. De huiseigenaar of de heer van het landgoed was het hoofd van de grotere "familia" en kwam tegemoet aan de behoeften van al de mensen die hij onder zijn hoede had. Hij was verzorger, verstrekker, rechter, leraar en beschermer tegelijk.

Wanneer men door Italië reist kan men overblijfselen van de moderne(re) versies van de latifundia, "fattorie" genaamd, zien. Zij hebben kapellen en inwonende priesters om aan de geestelijke behoeften van de bewoners tegemoet te komen. In sommige opzichten (nederzetting, bestuur, omvang, verdediging) is deze “fattorie” te vergelijken met ons begrip “factorij”, dat wil zeggen een nederzetting vaak in een ander land die fungeerde als steunpunt voor handel.
In de oratie is de heer van het landgoed en de pater familias barmhartig en vriendelijk, zeer geduldig met ons, zijn werkers, ook al zijn we soms slecht. Wij smeken Hem mild te zijn en voort te gaan met het geven van gaven. Dit zijn niet zomaar gaven: ze zijn noodzakelijk voor onze overleving. Net als de werkers in het huis of op het land goede vruchten moeten produceren als zij willen kunnen blijven en genieten van een goede kwaliteit van leven, hebben wij, dienaren van de Vader, famuli, die "Christen" worden genoemd naar zijn Zoon en die zelfs getekend zijn met het familieteken door het Doopsel en het Vormsel, de theologische deugden van geloof, hoop en liefde nodig om onze plicht te doen voor het aanschijn van de Heer.

We zijn voor alles volledig afhankelijk van Hem. Niet alleen moeten we waakzaam zijn, we moeten alert zijn voor alles wat we nodig hebben om onze roeping in het leven te vervullen. We moeten de giften en de hulpmiddelen verwerven die nuttig zijn voor onze zaligheid. Anders zullen wij, als de rekening komt, zijn als de dwaze maagden die niet genoeg olie voor hun lampen hadden toen zij tijdens de nacht de komst van de bruidegom afwachtten (cf. Matt. 25). Ze werden buitengesloten van het feest, achtergelaten in het donker om doelloos te dwalen, zonder een doel te bereiken. Ze hadden geen plaats om te gaan, geen productief werk te doen, geen ondersteuning of hulp, geen plaats om te behoren.

Wanneer wij de priester dit collectegebed horen uitspreken – laten wij dan de Heer – zo genadig en geduldig met ons als wij lui en zondig jegens Hem – vragen in ons de gaven van geloof, hoop en liefde  die we nodig hebben voor het ware overleven van onze ziel, te blijven vermeerderen
Als mensen zich voorbereiden op slechte tijden en rampen die hen in materieel opzicht kunnen overkomen, is het des te belangrijker dat zij zich ook geestelijk voorbereiden op lijden, tegenspoed of zelfs op dat allerlaatste moment waarbij verantwoording moet worden afgelegd en waarvoor wij –zoals de wijze maagden- maar beter kunnen zorgen dat wij onze lamp brandend hebben gehouden.
(Vertaling en bewerking van F. Zuhlsdorf, WDTPRS)

(1) Het Oskisch was een Italische taal met als kerngebied Samnium en Campanië, het gebied der Bruttii en een deel van Sicilië. Samen met onder meer het Umbrisch vormt het Oskisch de tak der Sabellische talen. Het Oskisch is bekend uit inscripties vanaf 400 v.Chr. Van het totale corpus, dat uit ongeveer 250 inscripties bestaat, zijn de Tabula Bantina en de Cippus Abellanus de belangrijkste. De taal is al sinds de oudheid uitgestorven. Dialecten van het Oskisch zijn: het Samnitisch, het Marrucinisch, het Paelignaans, het Vestiniaans, het Sabijns, het Volscisch en het Marsisch. Het Oskisch maakte gebruik van het Latijnse, het Griekse en een eigen, Oskisch alfabet. (Ontleend aan Wikipedia)
(2) “op zijn qui vive” vanuit het Frans “être sur le qui vive”. Ontleend aan de Franse schildwachten, die, als zij onraad meenden te bespeuren, riepen: qui vive! - wie daar! 

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” 16e zondag per annum / door het jaar

Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie

Laat de offergaven die ieder heeft gebracht om U te eren, voor allen heilzaam zijn

I n l e i d i n g

Het Gebed over de gaven legt een relatie tussen het offer van het Nieuwe Verbond en de offers van het Oude Verbond (‘legales hostiæ’). De tekst verbaast enigszins: het nieuwe Offer heeft de oude offers bevestigd. Krachtens het offer van Christus en in Zijn dienst hadden ook die offers heilsbetekenis. Het einde van deze offers wil niet zeggen dat zij niets waren en niet werkten, maar zij werden voltooid door het ene Offer, om wille waarvan zij door God waren ingesteld. In het ene Offer hebben alle voorafgaande offers hun vervulling gevonden en zij ze als het ware nog steeds werkelijk. Daarom spelen de beroemde oude offers zoals die van Abraham en Melchisedech, en  hier genoemd dat van Abel, in het religieuze denken, bidden en vieren van de Kerk nog steeds een grote rol. Zo bidden we in de oratie van deze zondag niet alleen om de aanvaarding van de offergaven  - waarbij we de Consecratie zien vervat -  maar we beroepen ons ten overstaan van de Vader op het voorbeeld van Abel, wiens offer Jahweh met welgevallen heeft bezien en derhalve heeft gezegend en geheiligd.
God heeft de vele offers die de Wet voorschreef door de volmaaktheid van het ene Offer van Christus tot voltooiing gebracht. Ofschoon dit Offer uniek is en een enkele maal is opgedragen, is er toch de mogelijkheid dat velen door hun gaven in de H. Eucharistie bijdragen tot de eer van God. Wat velen aanbieden, wordt in de Consecratie het ene Offer dat geactualiseerd wordt. Zo stroomt het met eeuwige genade op allen terug, bij uitstek in de H. Communie.

T e k s t

Missale Romanum – 1970
Deus, qui legalium differentiam hostiarum unius sacrificii perfectione sanxisti,
accipe sacrificium a devotis tibi famulis,
et pari benedictione, sicut munera Abel, sanctifica,
ut, quod singuli obtulerunt ad maiestatis tuæ honorem, cunctis proficiat ad salutem.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
God, Gij hebt de vele offers van het Oude Verbond tot voltooiing gebracht in het ene en volmaakte Offer.
Aanvaard dit offer uit de handen van uw gelovigen en heilig het, zoals de gaven van Abel, met uw zegen:

Werkvertaling
God, die de verscheidenheid van de wettelijke offers hebt bekrachtigd door de voltooiing van het ene Offer,
aanvaard het offer van de U toegewijde dienaren,
en heilig het met Uw overeenkomstige zegen, zoals Gij gedaan hebt net de offergaven van Abel,
opdat wat ieder afzonderlijk/enkelen tot eer van uw Majesteit heeft/hebben opgedragen, velen tot heil mag strekken.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De brontekst van deze lange oratie, welke de Secreta is van de 7e zondag na Pinksteren in het Missale Romanum 1962, 383, wordt gevonden in het Sacramentarium Gelasianum Vetus (Vat. Reg. lat. 316, 1e helft van de 8e eeuw), 1188, met exacte dezelfde tekst als die van vandaag met dit verschil dat de oude versie de genitivus adiectivus “iusti” bij Abel bevat (welke vorm, zijnde een Hebreeuwse eigennaam, niet wordt verbogen).

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n

1. Deus, qui legalium differentiam hostiarum unius sacrificii perfectione sanxisti,
2. accipe sacrificium a devotis tibi famulis,
3. et pari benedictione, sicut munera Abel, sanctifica,
4. ut, 5. quod singuli obtulerunt ad maiestatis tuæ honorem, cunctis proficiat ad salutem.
Het Gebed over de gaven bestaat uit één enkele zin, opgebouwd door een aanhef met relatieve bijzin, gevolgd door twee zelfstandige deelzinnen die elk een bede bevatten, verbonden door de coniunctie et (regel 2 en 3). Regel 3 wordt onderbroken door een vergelijkende bijzin terwijl de regels 4 en 5 een verbijzondering behelzen van de tweede bede (sanctifica). Regel 5 is een afhankelijke bijzin die het object beschrijft van de finale / consecutieve bijzin beginnend met ut.
De oratie van vandaag bevat begrippen voor hostia (r. 1), sacrificium (r. 1, 2) en munera  (r. 3).
Ad 1
Deus, [o] God, anaklese in de vocativusvorm, veelvuldig gebruikte aanhef aan de spits van de oratie. Het adres wordt gevolgd door een betrekkelijke bijzin, ingeleid door het reflexivum qui, die actief aangeeft wat God deed in het Oude Testament en voltooid heeft in het Nieuwe Testament.
Sanxisti, Gij hebt bekrachtigd, prædicaat, 2e pers. van de indicativus perfecti activi van het verbum sancire, sanxi, sanctum. Zie het Vocabularium.
Legalium differentiam hostiarum, de verscheidenheid van de wettelijke offers: object van het prædicaat, opgebouwd uit de accusativusvorm differentiam omringend vergezeld door twee congruerende genitivusvormen legalium hostiarum. De uiteenplaatsing van de genitivusvormen legalium [differentiam] hostiarum  vormt een hyperbaton.
Unius sacrificii perfectione, door de volmaaktheid van het ene Offer, - bijwoordelijke bepaling, opgebouwd uit de ablativusvorm perfectione, zijnde een ablativus causæ resp. modi, gecombineerd met twee congruerende genitivusvormen unius sacrificii: genitivus explicativus.

Ad 2
Accipe, aanvaard, ontvang, - prædicaat in de imperativus indicativi, veelvuldig gebruikt in de oratietaal.
Sacrificium, - object van het prædicaat accipe in de accusativusvorm van sacrificium, - i, n. , offer, offergave enz.
A devotis tibi famulis, door de U toegewijde dienaren, bijwoordelijke bepaling in de ablativus, bepaald door de præpositie a, die altijd de ablativus regeert. Devotis en famulis vormen vanwege hun uiteenplaatsing een hyperbaton.
Tibi, [aan, voor] U – bijwoordelijke bepaling, behorende bij devotis, in de dativusvorm (dativus commodi, van voordeel).      
Ad 3
Tweede deelzin met de tweede bede uitgedrukt in het prædicaat sanctifica, heilig: imperativusvorm indicativi præsentis.
Et pari benedictione, en met een overeenkomende zegening, - bijwoordelijke bepaling bij het prædicaat sanctifica in twee congruerende ablativusvormen, ablativus instrumentalis of modi.
In deze deelzin ontbreekt het object van sanctifica, maar dit kan in gedachten aangevuld worden met sacrificium (r. 2) of munera uit de comparatieve bijzin welke regel 3 onderbreekt.
In de vergelijkende bijzin sicut munera Abel ontbreekt het prædicaat; de bedoeling is echter duidelijk: zoals Gij de offergaven van Abel sanctificasti of sanctificavisti, hebt geheiligd. Munera Abel: object van het verzwegen prædicaat in de accusativusvorm van munus, - eris, n. vergezeld van de genitivus possessivus (van bezit) Abel. Eigennamen van niet Latijnse oorsprong zoals bij Abel het geval is (Hebreeuws), behouden in de genitivus dezelfde vorm als in de nominativus.
Ad 4
Ut [r. 5] cunctis…salutem, finale/doelaanwijzende respectievelijk consecutieve/ gevolgaanduidende bijzin met het prædicaat proficiat in de coniunctivusvormvanwege het wenskarakter uitgedrukt in ut: opdat/zodat allen tot heil moge strekken. Het subject bij het prædicaat ontbreekt, maar kan weer in gedachten aangevuld worden met het substantivum sacrificium, zoals inhoudelijk blijkt uit r. 5, een afhankelijke verklarende bijzin ingeleid met het reflexivum quod.
Cunctis, bijwoordelijke bepaling in de dativusvorm meervoud van het adiectivum cunctus –a, -um, hier zelfstandig gebruikt.
Ad salutem, tot heil, - voorzetselbepaling in de accusativusvorm geregeerd door de præpositie ad.

Ad 5 quod singuli obtulerunt ad maiestatis tuæ honorem
Obtulerunt, zij hebben aangeboden/geofferd, prædicaat, 3e pers. meerv. perfecti activi van offerre, obtuli, oblatum.
Singuli, telkens één, ieder afzonderlijk, - subject bij het prædicaat in de nominativusvorm meervoud. Inhoudelijk verwijzen de begrippen singuli en cunctis  naar een collectief van personen (de gelovigen die tesamen de Kerk, zijnde het Mystieke Lichaam van Christus, vormen). Bij singuli moet worden gedacht aan de afzonderlijke gelovige die hier en nu in vereniging met Christus het Offer opdraagt, met cunctis wordt gedoeld op het collectief van de gelovige gemeenschap van alle tijden en plaatsen die in vereniging met Christus de H. Mis vieren. Het gebruik van singuli versus cunctis vormt een antithese.

Ad maiestatis tuæ honorem, ter ere van / tot eer van Uwe majesteit, - voorzetselbepaling samengesteld uit de accusativusvorm honorem bepaald door de præpositie ad en vergezeld van de twee congruerende genitivusvormen maiestatis tuæ, genitivus explicativus resp.
De zinsdelen ad honorem en ad salutem vormen een ritmische repetitio en vertonen eindrijm resp. alliteratie aan het slot.

B i j b e l s e  r e f e r e n t i e

De Brief aan de Hebreeën bespreekt met name in hoofdstuk 9-10, 18 de verhevenheid van het Offer van het Nieuwe Verbond, dat is het Offer van de Hogepriester Christus, boven de offers van het Oude Verbond.
Wat wordt bedoeld met de perfectio unius sacrificii, de volmaaktheid van het ene Offer?
Het Offer van Christus bestond in het opdragen van Zichzelf (Hebr 7, 27) en overtreft daarmee de offers van het Oude Verbond. De oude offerdienst was slechts voorbereiding en voorafbeelding (9, 1-10), Christus is de volmaakte Hogepriester, omdat Hij dienst doet in het volmaakte heiligdom en het volmaakte Offer opdraagt (9, 11-14): “hoeveel te meer zal dan het bloed van Christus, die door een eeuwige geest zichzelf als onberispelijk [offer] opdroeg aan God, ons geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen?” (vers 14) Als reeds door de oud-testamentische ceremoniën een heiliging bewerkt werd, wat moet dan niet de uitwerking van Christus’ Offer zijn? Scherp wordt met de termen van vers 14 de verhevenheid van het nieuw-testamentische Offer in het licht gesteld. Tegenover het bloed van bokken en stieren en het reinigingswater van de as van de koe staat het Bloed van Christus.  Voor degene die in Christus gelooft en Hem erkent als de eeuwige Zoon van God,  is de waarde en de kracht van zijn Bloed duidelijk. In hoeveel liturgische gebeden en gezangen wordt dit niet onderstreept? Vergelijk deze strofe uit het Adoro Te devote:
Pie Pelicane, Jesu Domine,
Me immundum munda tuo sanguine:
Cujus una stilla salvum facere
Totum mundum quit ab omni scelere
Stierven de offerdieren gedwongen, Christus offert Zichzelf uit vrije wil. Hij is Priester, Offer en altaar tegelijk. Hij offert zich immers door een eeuwige geest, een geest die eeuwig en onvergankelijk is en niet door de dood wordt aangetast. Zijn goddelijke natuur wordt door de dood van Zijn mensheid niet gedeerd. Dit voortleven van zijn geest werd bekroond door de verrijzenis van Zijn lichaam op de derde dag.
Een volgende voortreffelijkheid van Christus’ Offer ligt in het feit dat Hij zich onberispelijk opdroeg, d.w.z. als  een onberispelijk, volmaakt Offer. Het was een voorschrift van de Wet dat het offerdier zonder gebrek moest zijn (vgl. Lev 1, 3. 10; 3, 1. 6). Christus, die zichzelf offerde, was eveneens als Offer onberispelijk, maar gelet op zijn goddelijke natuur was zijn onberispelijkheid van oneindig hogere aard. Hij was niet alleen zonder zonde (vgl. 4, 15), maar bezat ook als Zoon van God de heiligheid in de hoogste mate (vgl. 1 Pe 1, 19). Tenslotte droeg Christus zich op aan God – dat was ook de bedoeling van de oude offers – maar de kracht van zijn daad ligt juist in het feit dat Hij zich als Zoon van God geeft aan de Vader, in liefde, met volle vrije wil en als een onberispelijk offer.
Hoe zou God aan een dergelijk Offer weerstand kunnen bieden?

G e t u i g e n i s  v a n  d e  V a d e r s

H. Leo de Grote, paus [390-461]
“Nu is er een eind gekomen aan de verscheidenheid van vleselijke offers en worden al die verschillende offers vervangen door het ene Offer van uw Lichaam en Bloed, omdat Gij waarlijk zijt “het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt”, en aldus in U alle mysteries voltrekt, zoals er nu één offer plaats heeft in de plaats van alle slachtoffers, er zo ook één heerschappij zij over alle volken. (…) en ofschoon de natuur van de Godheid niet geraakt kan worden door de angel van de dood, heeft Hij toch datgene aangenomen – door uit ons geboren te worden – waardoor Hij voor ons het offer kon brengen”.
(Uit Preek 8, De passione Domini, 7-8)

H. Fulgentius van Ruspe [460-533]
“Bij de opoffering van de vleselijke slachtoffers, die op bevel van de heilige Drieëenheid, de ene God van het Oude en Nieuwe Testament, aan Haar door onze vaderen gebracht moesten worden, werd de meest welgevallige gave van die Offerande voorafgebeeld, waarbij de Enige Zoon Gods zichzelf, naar het vlees, op barmhartige wijze voor ons zou opdragen.
Want naar de apostolische leer heeft Hij zich voor ons overgeleverd als offergave en slachtoffer, God tot een lieflijke geur. Hij is onze ware God en ware Hogepriester, die voor ons, niet met het bloed van bokken en stieren maar met zijn eigen Bloed voor eenmaal het heilgdom is binnengegaan. Dat voorafbeeldde toen de Hogepriester, die ieder jaar met bloed het Heilige der heiligen binnenging.
Deze is het, die in zich alleen alles uitvoerde, wat Hij wist dat nodig was voor de voltooiing van onze verlossing; Hij was namelijk tegelijk Priester en Offer, God en Tempel: Priester, door wie wij zijn verzoend; Offer, waardoor wij zijn verzoend; Tempel, waarin wij zijn verzoend, en God met Wie wij zijn verzoend. Hij alleen was: de Priester, het Offer en de Tempel: dit alles was God in de gestalte van een dienstknecht; maar God was Hij niet alleen, want God was Hij met de Vader en de Heilige Geest.
Dus moet u met de grootste zekerheid voor waar houden, dat de Eniggeboren God, het Woord, mens geworden, zichzelf voor ons als offer en offergave aan God heeft aangeboden tot aangename geur. Aan Wie met de Vader en de Heilige Geest in de tijd van het Oude Testament door patriarchen, priesters en profeten dieren werden geofferd. En aan Wie nu, dit is in de tijd van het Nieuwe Testament, met de Vader en e Heilige Geest, met Wie Hij één Godheid is, de heilige katholieke Kerk het Offer van brood en wijn in liefde en geloof over heel de wereld zonder ophouden aanbiedt”.
(…)
In die oude offers werd figuurlijk afgebeeld, wat Hij ons zou geven; in dit Offer van nu echter toont Hij ons duidelijk, wat ons reeds gegeven is.
In die oude offers werd de Zoon Gods tevoren aangekondigd, die voor goddelozen gedood zou moten worden; in dit Offer van nu wordt Hij verkondigd als Degene, die voor goddelozen is gedood, omdat, volgens het getuigenis van de Apostel: toen wij zelf nog geheel hulpeloos waren, Christus op de gestelde tijd voor goddelozen is gestorven, en omdat, toen wij zijn vijanden waren, wij met God zijn verzoend dood de dood van zijn Zoon.
(Uit het Tractaat Over het geloof aan Petrus (diaken), cap. 22. 62: CCL 91A, 750)

(KKK, nrs. 613-614)
‘Dit offer van Christus is uniek, het is de voltooiing van alle offers en overtreft die nog (Vgl. Hebr 10, 10). Het is allereerst een gave van God de Vader zelf: het is de Vader die zijn Zoon overlevert om ons met Hem te verzoenen ( vgl. 1 Joh 4, 10). Tegelijkertijd is het een offerande van de mensgeworden Zoon van God die uit vrije wil en uit liefde (Vgl. Joh 15, 13) zijn leven aanbiedt (Vgl. Joh 10, 17-18) aan zijn Vader door de heilige Geest (Vgl. Hebr 9, 14) om onze ongehoorzaamheid weer goed te maken”.

B e k n o p t  v o c a b u l a r i u m
Differentia, -æ, vr.  betekent ‘verschil, verscheidenheid, onderscheid, diversiteit’. En mochten degenen die het Goddelijk Officie zingen het vergeten zijn: differentia betekent ook de manier waarop de psalmodieformule eindigt, het zogenaamde ‘eindje’.

Sancio: voor degenen die hun Latijn willen opfrissen of pas met de studie Latijn beginnen (en dat zijn een toenemend aantal belangstellenden, niet alleen op onze eigen cursus Kerklatijn) komt het verbum sanxisti van sancio met betekenissen als 1. heiligen (door godsdienstige plechtigheden); heiligen (onschendbaar maken) 2. bevestigen, bekrachtigen, voltooien 3. onder strafdreiging verbieden (vgl. de begrippen sanctioneren, sanctie) en 4. meestal van wettelijke verordeningen of andere publieke maatregelen: onveranderlijk vastleggen, verordenen, vaststellen, decreteren, tot wet verheffen, dus onherroepelijk maken;  bepalen, vaststellen, beschikken, ratificeren. We vinden in het Latijn woordenparen als lex en sancire,  zoals in sancire legem (“een wet bekrachtigen/ ratificeren”), sancire lege (“ratificeren op grond van de wet”), en lex sancit  (“de wet bepaalt of verordent”). De wettelijke terminologie van deze oratie, binnen de context van “sacrificium”, samen met het begrip differentia , geplaatst naast unum laat ons het contrast zien tussen de offers van de Mozaïsche Wet van het Oude Testament en het eens-voor-altijd opgedragen Offer van Christus als fundament voor het Nieuwe Testament. Het New Book of Word Histories uitgeverij Merriam-Webster geeft aan dat het woord sancire  gerelateerd is aan “sacerdos” – priester, degene die heilig c.q. onschendbaar maakt.

Legalis, - e, wettelijk, krachtens/volgens de wet, wettelijk erkend, wettelijk toegestaan, wettelijk verplicht. Als theologisch begrip: wettisch (m.b.t. de Mozaïsche Wet).
C o m m e n t a a r

In het Oude Testament werd het volk van God verzoend en gezuiverd voor God’s aangezicht door het rituele offer van dieren. Deze offers moesten steeds opnieuw worden gebracht omdat een dergelijk offer niet kon leiden tot overbrugging van de kloof tussen God en mens. Het volledige en overvloedige offer van voldoening werd gebracht in het Offer van Christus aan het Kruis.
De Kruisdood van Christus maakte, eens en voor al, dat er nooit meer bloedige offers behoefden te worden gebracht. De vruchten van de Kruisdood werken vooruit tot in eeuwigheid maar ook terug naar het verleden tot en met de zonden der vaderen en de zondeval in het Paradijs van Eva en Adam (“Gelukkige schuld waaraan wij de Velosser danken”, klinkt het in de Paasjubelzang). Het bloedige Kruisoffer van Christus omvat alle bloedige offers onder de Wetten van Mozes. De werkdadigheid van die voorafgaande offers, door God bevolen aan Zijn Volk, vond zijn betekenis alleen in anticipatie op het unieke Offer van Christus aan het Kruis. Daarom staat in dit gebed super munera dat  de vele offers van het Oude Verbond tot voltooiing werd gebracht in het ene en volmaakte Offer van Christus aan het Kruis.
Er wordt wel gezegd dat Katholieken in de Heilige Mis steeds opnieuw de Kruisdood pogen te herhalen. Dat is een ernstige misvatting. De Heilige Mis is hetzelfde Offer, geen toevoeging. Dit Offer was uniek en daaraan kan niet worden toegevoegd. De H. Mis is de onbloedige hernieuwing, de tegenwoordigstelling (re-presentatie) van het Offer van Christus.
In het Heilig Misoffer offeren wij op onbloedige wijze het Offer terug aan de Vader, dat op bloedige wijze door  Christus aan het Kruis werd gebracht voor onze Verlossing. Christus is tegelijk het Offer en de Offerende (hogepriester). Hij geeft zichzelf aan de Vader op sacramentele wijze. De sacramentele werkelijkheid is even reëel  als de historische werkelijkheid. In de H. Mis worden de vruchten van het onherhaalbare Kruisoffer voor de degenen die daarbij aanwezigen en degenen voor wie de H. Mis wordt opgedragen, de levenden en de doden (misintenties). Het Kruisoffer van Christus vond plaats op een bepaald moment in de tijd. Herhaling is onmogelijk en daaraan kan en behoeft nies te worden toegevoegd. We hernieuwen het Offer op onbloedige en sacramentele wijze, zoals Christus ons dat bij het Laatste Avondmaal heeft opgedragen. De Heilige Mis is  — Een offer waarin het Kruisoffer wordt bestendigd; — Een gedachtenisviering van de dood en de verrijzenis van de Heer, die zei: ’Doet dit tot een gedachtenis aan Mij’ (Lukas 22:19); — Een heilig feestmaal waarin het Volk van God, door de nuttiging van het Lichaam en Bloed van de Heer, in de voordelen van het Paasoffer deelt, het Nieuwe Verbond hernieuwt dat God door het Bloed van Christus eens voor altijd met de mens heeft gesloten, en in geloof en hoop het eschatologische feestmaal in het koninkrijk van de Vader voorspelt en verwacht en de dood van de Heer verkondigt ’totdat Hij komt’” (Eucharisticum Mysterium, 25 mei 1967).
De H. Mis, het ware Offer van Christus, mag het allerbeste van ons vragen in alle opzichten. In de Latijnse tekst heeft de Kerk naar beste vermogen dit Offer verwoord en tot uitdrukking gebracht. Deze teksten zijn gewijd door millennialang gebruik in de liturgie. Vertalen is noodzakelijk voor wie het Latijn niet direct begrijpt. De vertaling van liturgische teksten dient van de hoogste kwaliteit te zijn. Iedere Rooms Katholiek die vertrouwd is met de teksten van de H. Mis zal als hij het Latijn maar vaak genoeg heeft gehoord on-middellijk dat wil zeggen zonder vertaling in en vanuit het Latijn direct begrijpen, wat er gebeurt. “Daarom geeft de Kerk zich alle zorg en moeite, dat de christengelovigen dit geheim van het geloof niet als buitenstaanders of als zwijgende toeschouwers bijwonen, maar dat zij het door de riten en gebeden goed leren begrijpen en daardoor bewust, godvruchtig en actief deelnemen aan de heilige handeling, dat zij door Gods woord onderwezen worden, zich voeden aan de tafel van 's Heren Lichaam en God dank brengen, dat zij het onbevlekt Offer opdragen niet alleen door de handen van de priester, maar ook tezamen met hem, en zo zich zelf leren offeren, dat zij eindelijk steeds meer door Christus de Middelaar uitgroeien tot een volmaakte eenheid met God en met elkaar, opdat tenslotte Gods alles in allen moge zijn”. (Apostolische Constitutie over de H. Liturgie Vaticanum II Sacrosanctum Concilium nr. 48). Dat wensen wij iedere lezer van ganser harte toe iedere keer als hij deel-neemt aan de Heilige Mis. Veel devotie!