dinsdag 21 juli 2020
maandag 20 juli 2020
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XVI per annum feria III Christum habetis in vobis. Gij bezit Christus in u.
Lectio altera
De Epístola
sancti Ignátii Antiochéni epíscopi et mártyris ad Magnésios
(N.
10, 1-15: Funk 1, 199-203)
Tweede lezing
Uit de ‘Brief aan de
Magnesiërs’, van de H. Ignatius van Antiochië bisschop en martelaar
(N. 10, 1-15: Funk 1, 199-203)
Gij bezit Christus in u
Het zij dus verre van ons,
niet bewogen te worden door de welwillendheid van Christus. Want als Hij jegens
ons zou doen, zoals wij jegens Hem, waren wij allang omgekomen. Daarom, nu wij
zijn leerlingen geworden zijn, laten wij dan ook volgens ons christelijk geloof
leven. Want wie zich met een andere naam dan die van christen laat noemen, is
niet van God. Werpt dan het bedorven, verouderde en verzuurde zuurdeeg van u
weg, en verandert uzelf in een nieuw zuurdeeg, dat is Jezus Christus. Laat u
gezouten worden in Hem, opdat niemand van u bedorven worde, want naar uw geur
zult ge beoordeeld worden. Het is dwaasheid Christus Jezus in de mond te hebben
en te leven als jood; want het christendom heeft niet het joodse geloof
aangenomen, maar het joodse geloof het christendom, waarin allen, die in God
geloven, verenigd zijn.
Ik schrijf u dit niet, mijn
geliefden, omdat ik zou weten, dat sommigen van u zo gestemd zijn, maar als de
minste onder u verlang ik te voorkomen, dat gij in de klauwen van de valse leer
terecht komt, maar dat ge daarentegen ten volle bevestigd wordt in uw geloof
aan de Geboorte, het Lijden en de Verrijzenis, die plaats vond onder de
landvoogd Pontius Pilatus. Dat alles waren zonder enige twijfel de daden van
Jezus Christus, onze hoop, van Wie niemand uwer zich moge afwenden.
Dat ik toch in alles vreugde
aan u moge beleven, als ik dit waardig ben. Want hoewel ik een geboeide ben,
toch weeg ik niet op tegen iemand van u, die niet geboeid zijt. Ik weet, dat
gij u niet verheft; want gij bezit Jezus Christus in u. Meer nog, ik weet dat
gij u zoudt schamen, als ik u prees, zoals er geschreven staat. De rechtvaardige is zijn eigen aanklager.
Streeft er dan naar
bevestigd te worden in de leer van de Heer en zijn Apostelen, opdat al wat gij doet, zal gedijen naar het
vlees en naar de geest, in geloof en liefde, in de Zoon en de Vader en de
Geest, in het begin en in het einde, met uw zeer waardige bisschop en de
waardig-gevlochten geestelijke krans van uw priesters, en met de
God-welgevallige diakens. Weest onderdanig aan uw bisschop en aan elkaar, zoals
Jezus Christus naar het vlees het was aan zijn Vader, en de apostelen het waren
aan Christus en de Vader en de Geest, opdat er zo een vleselijke en een
geestelijke eenheid zij.
Omdat ik weet dat gij van
God zijt vervuld, heb ik u maar kort onderricht. Gedenk mij in uw gebeden,
opdat ik God moge bezitten; gedenk ook de Kerk in Syrië (waarnaar ik niet
waardig ben genoemd te worden; want ik heb behoefte aan uw in God verenigd
gebed en uw liefde), opdat de Kerk in Syrië verdiene door uw Kerk met dauw te
worden besproeid.
U groeten de Ephesiërs
vanuit Symrna, vanwaar ik u schrijf. Tot Gods meerdere eer zijn zij bij mij
zoals gij, die tezamen met Polycarpus, de bisschop van Smyrna, mij in alles
hebben verkwikt. Ook de overige Kerken groeten u ter ere van Jezus Christus.
Vaarwel, gij die in God verenigd zijt en de onafscheidelijke Geest bezit, die
is: Jezus Christus.
Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica decima sexta per annum Zestiende zondag door het jaar Blijf in Uw goedheid Uw volk nabij
Het Laatste Avondmaal.
Mozaïek
in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)
Blijf in Uw goedheid Uw volk nabij
I n l e i d i n
g
“Hij is niet ver
van ieder van ons”, zo stelt de H. Paulus in de Handelingen van de
Apostelen 17, 27. Van onze zonden staat
God ver af, maar van de zondaars wendt Hij zich niet af; integendeel, Hij staat
als de barmhartige vader uit de parabel van de verloren zoon (Luc 15,11-32) op
de uitkijk om zijn berouwvolle zoon thuis te halen en zelfs op een feestmaal te
onthalen: “Er moet feest en vrolijkheid zijn, omdat die broer van je dood was
en levend is geworden, verloren was en is teruggevonden” (Ibid. 32).
In de
postcommunio van deze zondag gaat het ook om elkaar nabij te zijn in de liefde
of om van elkaar verwijderd te zijn wanneer deze liefde ontbreekt. Zij die God
beminnen, is Hij zeer nabij, op wie Hem niet beminnen wacht Hij.
De postcommunio
bidt dat God zijn volk nabij is. Ja, de oratie kan zo bidden omdat zij spreekt
van hen die God in zijn Mysterie heeft ingewijd (“imbuisti”) en met de Spijs van dit Mysterie heeft
verzadigd. Kan Hij ons meer nabij zijn dan op deze wijze?
“Wie mijn Vlees
eet en mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem” (Jo 6,56). “Uw Naam heb
Ik hun geopenbaard en Ik zal dit blijven doen, opdat de liefde waarmee Gij Mij
hebt liefgehad, in hen moge zijn en Ik in hen” (Jo 17,26).
Van de andere
kant: hoe kan een mens geloven dat zo iets groots reeds werkelijk in hem is?
Hij ziet immers zijn vele tekorten en zonden. Hij beseft de oude mens nog
steeds met zich mee te dragen, die steeds opnieuw de liefde kwetst. Wat blijft
hem daarom over dan te bidden dat God hem met zijn kracht in de nieuwe mens
verandert, door het Mysterie van de H. Eucharistie en door een leven van
liefde.
T e k s t
Missale
Romanum [MR] 1970
Populo tuo, quæsumus, Domine, adesto propitius,
et, quem mysteriis cælestibus imbuisti,
fac ad novitatem vitæ de vetustate transire.
Altaarmissaal
Nederlandse Kerkprovincie 1979
Heer, wij
vragen U: blijf in uw goedheid uw volk nabij.
Help ons
afstand te doen van het oude om een nieuw leven te leiden,
nu Gij ons
hebt ingewijd in uw heilige mysteries.
Werkvertaling
Sta/Wees uw volk, vragen wij U, Heer, in uw goedheid (na)
bij,
en, maak dat [dit volk], dat U hebt ondergedompeld in
de hemelse mysteries (door de Sacramenten),
van het oude naar het nieuwe leven overgaat.
L i t u r g i s
c h e a n t e c e d e n t e n
Ofschoon
elementen van deze oratie worden gevonden in het Sacramentarium Gelasianum Vetus,
eerste helft achtste eeuw, en in het Sacramentarium
Leonianum, tweede helft zesde eeuw, is de postcommunio van deze zondag een
nieuwe compositie voor MR 1970.
Dezelfde
postcommunio-tekst staat in het misformulier van de 5e zondag van Pasen. Zie
ook de uitleg en het commentaar aldaar.
T e x t u e l
e a n a l y s e
1. Populo tuo, quæsumus,
Domine, adesto propitius,
2a. et, 3. quem
mysteriis cælestibus imbuisti,
2b. fac ad
novitatem vitæ de vetustate transire.
De Postcommunio van deze zondag bestaat uit één enkele
doorlopende zin, opgebouwd uit twee halfzinnen - met de prædicaten adesto en
fac in de imperativusvorm - verbonden door het verbindingspartikel et; de
tweede halfzin bevat een relatieve bijzin in de indicativus perfecti activi.
Ad 1
Adesto, wees nabij/sta bij/help – prædicaat in de
imperativusvorm præsentis van adesse, adfui (compositum van esse), met
betekenissen 1. aanwezig zijn 2. verschijnen, bijstaan helpen, verhoren b.v.
adesto supplicationibus nostris, verhoor onze smeekbeden. Populo tuo, uw volk –
bijwoordelijke bepaling in twee congruerende dativusvormen (dativus commodi,
van voordeel), hier te lezen als ‘object’ van het prædicaat adesto: wees uw
volk nabij, help Uw volk, verhoor uw volk.
Domine, [o] Heer – anaklese in de vocativusvorm van
Dominus.
Quæsumus, wij smeken/bidden [U], tussenzin met een
enkel prædicaaat met de inmiddels bekende functie ter afzwakking van jegens God
gebruikte imperativus adesto of ter ondersteuning van het ritmische verloop van
de oratie.
Propitius, genadig, gunstig, genegen, met goedheid –
bijwoordelijke bepaling bij adesto. De uitdrukking doet denken aan de
aanroeping propitius esto, wees genadig, uit bijvoorbeeld de Litanie op
de Kruisdagen vóór Hemelvaartsdag.
Ad 2a-2b
Fac transire , doe, maak, laat overgaan – prædicaatsgroep
samengesteld uit de imperativusvorm van facere, feci, factum en de infinitivus
transire.
Het object bij deze prædicaatsgroep is eveneens het in
regel 1 genoemde ‘populus’. Zo kan de tweede halfzin ook gelezen worden als een
a.c.i. (accusativus cum infinitivo) constructie: Maak / bewerk dat uw volk
overgaat van…
De vetustate ad novitatem vitæ, - van het oude naar
het nieuwe leven, letterlijk: van de oude toestand van leven naar de nieuwheid
van leven – bijwoordelijke bepaling die zowel een scheiding, een afstand nemen
van (de vetustate vitæ) als een richting, (ad novitatem vitæ) aanduidt. De
ablativusvorm vetustate (geregeerd door het præpositum de) en de
accusativusvorm novitatem (geregeerd door het præpositum ad) hebben
beide de bijvoeglijke bepaling vitæ bij zich die de substantiva novitatem en
vetustate nader toelicht.
De positie van vitæ geeft dit ook duidelijk te
verstaan.
Ad 3
Relatieve bijzin met het pronomen quem (van qui, quæ,
quod) aan de kop, dat verwijst naar populo tuo in regel 1 als antecedent en dat
het object is van het prædicaat imbuisti in deze relatieve bijzin: dat Gij hebt
ingewijd, verzadigd. Prædicaat in de 2e persoon singularis van het
perfectum activi indicativi van imbuere, imbui, imbutus, 3. De indicativus is
hier gebruikt omdat de bijzin slechts een nadere bepaling of toelichting van
genoemd antecedent geeft.
Mysteriis
cælestibus, met/door/in, bijwoordelijke bepaling in twee congruerende
ablativusvormen pluralis (ablativus causæ/instrumentalis).
S t i j l f i g
u r e n
Regel 1 bevat
een aardige “p”- ‘alliteratie’, tweemaal dubbel “p”: populo aan de kop en
propitius aan het slot
Regel 2 heeft driemaal
de “m” medeklinker in: quem, mysteriis
en imbuisti.
Regel 3 de ‘alliteratie’ “v” in novitatem, vitæ en vetustate tenslotte
geeft een pittig en energiek effect.
Novitatem en
vetustate: klank-, rep. binnenrijm
Antithese
novitatem – vetustate
V o c a b u l a
r i u m
Imbuo, -ui, -utum
betekent: ”drenken, natmaken,
bevochtigen, indopen, onderdompelen, tinten, doortrekken” en vandaar
“(op)vullen, vervullen, verzadigen, kleuren, verven, bevlekken, besmetten,
doordrenken, doordringen, bezielen,” en met uitbreiding “inspireren, inblazen,
opwekken, aanzetten, vroeg een stempel drukken op, beïnvloeden, gewennen,
initiëren, instrueren, onderrichten, inwijden”.
Novitas, - atis, vr.
In het
volumineuze woordenboek Lewis & Short Dictionary vinden we dat novitas (gerelateerd aan het adiectivum novus,
a, um) naast “nieuwheid, het
nieuwe, vernieuwing, hernieuwing, verandering” ook “de conditie/status van een homo novus”, de
nieuwe mens, aanduidt. Paus Leo XIII zou zijn beroemde encycliek van 15 mei
1891 over de situatie van de arbeidersklasse, over een aantal principes van de
sociale leer van de Katholieke Kerk en tegen de alarmerende opkomst van
atheïstische theorieën in zijn dagen, beginnen met het de roemrijk gebeitelde
en welluidende woorden: “Rerum novarum
semel excitata cupidine,… “De eenmaal opgewekte omwentelingszucht, die zolang
reeds het politieke leven beroert, moest te eniger tijd wel van het
staatkundige naar het aangrenzende sociaal-economische terrein overslaan”.
Lewis &
Short geeft ook betekenissen als
“zeldzaamheid, vreemdheid, ongewoonheid, nieuwigheid, onbekendheid,
verrassing”: concepten die bij de oude Romeinen een negatieve connotatie
hadden. Er is echter niets negatiefs verbonden met christelijke novitas in de oratie van vandaag, integendeel.
In de Ritus van de Opname
in het Noviciaat in onze priorij ontvangt de candidate het habijt met de
woorden: “Induat te Deus novum hominem qui secundum Deum creatus
est in sanctitate et iustitia et veritate/ God beklede u met de nieuwe mens die
volgens God geschapen is in heiligheid, rechtvaardigheid en waarheid.
Het in het Nederlands reeds lang ingeburgerde begrip novum heeft vele betekenissen; denk ook
aan de begrippen innovatie, renovatie.
Vetustas, -atis , vr.,
gerelateerd aan vetus, -
eris, betekent 1. ouderdom, oudheid 2. oude of vroegere toestand en vandaar
vroegere of oude cultus / tijd, maar ook ‘de oude mens’. 3. lange duur.
In de sequens Lauda Sion
van het feest van Christus’Lichaam en Bloed spreekt Thomas van Aquino over de
H. Eucharistie: Vetustatem novitas, umbram fugat veritas: een
nieuwe cultus/eredienst verjaagt de oude, de waarheid doet de schaduw (de
voorafschaduwing, het symbool) verdwijnen.
Het Nederlandse woord
‘veteraan’ heeft zijn oude Latijnse betekenis behouden: beproefd krijgsman, beproefd
soldaat, uitgediende of oudgediende soldaat, maar ook man met veel ervaring in
de ambtenarij, in de sportwereld, of welk beroep dan ook.
In de Postcommunio van deze
zondag is er een scherp contrast tussen het oude en het nieuwe.
Transire, -vi, -itum, 4.
Intransitief,
onovergankelijk, betekent het: 1. door…heen gaan 2. overgaan 3. veranderen 4.
voorbij gaan, voorbijtrekken en transitief,
overgankelijk: 1. over iets gaan, overschrijden 2. klaar komen met 3.
overtreffen. In
het Nederlands kennen we het begrip transitie met breed betekenisscala. De
grondbetekenis is ‘overgang’.
Met het uitnodigende ‘Transeamus’ begint, zoals
bekend, het Latijnse kerstlied ‘Transeamus usque ad Bethlehem’ dat in
rooms-katholieke kerken tijdens de Nachtmis van Kerstmis wordt gezongen. Het
wordt de herders rondom Bethlehem in de mond gelegd (vgl. Luk 2,15) die
vooruitijlen naar Betlehem om te zien wat daar is gebeurd.
Lange tijd werden tekst en melodie toegeschreven aan
de Duitse domkapelmeester Joseph Schnabel (1767-1831), maar dit bleek
uiteindelijk alleen te gelden voor het instrumentale deel.
C o m m e n t a
a r
De Brief van de
H. Paulus aan de Romeinen levert materiaal voor de Postcommunio van deze
zondag. Daar lezen we immers: “U weet toch, dat het Doopsel, waardoor wij met
Christus Jezus in gemeenschap zijn getreden, ons heeft doen delen in zijn dood?
Door de doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij , zoals
Christus, door de macht van zijn Vader uit de doden is opgewekt, een nieuw
leven zouden leiden (Vulgaat: novitate vitae ambulemus). Zijn wij één met
Hem geworden door het beeld van zijn dood, dan moeten wij Hem ook volgen in
zijn opstanding, in de overtuiging dat onze oude mens (vetus homo) met Hem
gekruisigd is; daardoor is aan het bestaan in de zonde een einde gekomen, zodat
wij niet langer aan de zonde dienstbaar zijn” (Rom 6, 3-6).
Merk op dat de
begrippen transeo (“door … heen gaan, over iets gaan,
overtrekken”) in de oratie en ambulo (“wandelen,
een levenswandel leiden)” in de Brief aan de Romeinen beide een beweging
uitdrukkken. In dezelfde Brief schrijft Paulus: “Toen het vlees ons bestaan nog
bepaalde, worden onze daden beheerst door schuldige begeerten, die de Wet in
ons opwekte en die slechts winst afwierpen voor de dood. Maar nu zijn wij dood voor de Wet en
ontslagen van haar boeien, zodat wij niet langer onderworpen zijn aan een
verouderde wetten (in vetustate litterae) maar God dienen in het nieuwe
leven van de Geest (in novitate spiritus)” (Rom 7, 5-6).
Nog een andere bron voor de Postcommunio van deze
zondag vinden we in de Brief van de H. Paulus aan de Efesiërs. In hoofdstuk 4,21-24) schrijft hij: “Gij hebt van Christus gehoord en gij
zijt in Hem onderricht in de waarheid die in Christus verschenen is: dat gij de
oude mens (veterem hominem) van uw vroegere levenswandel, die te gronde gaat aan
zijn bedrieglijke begeerten, moet afleggen
en dat geheel uw denken zich moet vernieuwen. Bekleedt u met de nieuwe
mens (induite novum hominem), die naar Gods
beeld is geschapen in ware gerechtigheid en heiligheid.
Het merkteken waarmee wij bij ons Doopsel zijn getekend, blijft in ons
bewaard, op aarde, in de hemel of in de hel. Het kan nooit worden verwijderd. Door
het uitgieten van het doopwater over ons hoofd of door de onderdompeling in de
naam van de Drieëne God zijn wij voor altijd andere mensen geworden. Ons
uitwendig gedrag en onze innerlijke gesteldheid moeten, als het goed is, een
weerspiegeling zijn van deze diepste realiteit.
Terwijl wij de
H. Communie ontvangen, acht de Heer het niet beneden zijn waardigheid dat
Hijzelf in de H. Hostie wordt ‘gedoopt’ in wat zou moeten zijn de reine en
zuivere kelk van ons aardse lichaam.
Wanneer de
Hostie in ons ‘is ondergedompeld’, wordt onze ziel als het ware getint door en
doortrokken van de genade die zij is: de Hostie (hostia) is geen symbool van Christus, maar is in zichzelf werkelijk
Christus. In de H. Communie komen wij in direct contact met Christus: wij mogen
ons laven aan de Bron van het Leven: Hij komt tot ons en verenigt zich met
ieder van ons.
Zijn Lichaam en
Bloed zijn ons gegeven opdat wij getransformeerd worden naar zijn beeld en
gelijkenis. Wij zelf moeten het Lichaam van Christus worden én zijn
bloedverwanten.
“Hij is zelf in
ons en wij in Hem. Zijn dynamiek doordringt ons en zal van ons uit op de
anderen en zelfs op heel de wereld overspringen, dat namelijk zijn liefde
werkelijk de bepalende maat voor de wereld wordt”.
(Uit de Preek
van paus Benedictus VI op de Wereldjongerendag in Keulen, 21.8.2005)
“God is niet ver
van ons, ergens in de uitgestrekte kosmos, waar niemand komen kan. Hij heeft
zijn tent bij ons opgeslagen: in Jezus is Hij een van de onzen geworden, met
lichaam en bloed, zoals wij. Dat is zijn tent. Bij zijn hemelvaart is Hij niet ver van ons weggegaan. Zijn tent,
Hij Zelf, met zijn Lichaam en Bloed als een van ons, blijft bij ons.ij een van de onzen geworden,
Het mysterie van Bethlehem
openbaart ons dat God een God-met-ons is, dicht bij ons, niet eenvoudigweg in
een ruimtelijke en tijdelijke zin; Hij is ons nabij omdat Hij – om zo te zeggen
- aan ons mens zijn is verknocht: Hij heeft onze kwalen op Zich genomen,
gekozen om volkomen aan ons gelijk te zijn, om ons gelijk aan Hem te maken. Aan
deze zekerheid ontspringt christelijke vreugde: God is nabij, Hij is met mij,
Hij is met ons, in vreugde en lijden, in gezondheid en ziekte, als Herder,
Vriend en Bruidegom. En deze vreugde blijft zelfs in beproevingen en in lijden;
zij blijft niet aan de oppervlakte, maar veeleer diep in de persoon die
zichzelf aan God geeft en zich aan Hem toevertrouwt.
Sommigen
vragen zich af: is deze vreugde vandaag nog steeds mogelijk? Het antwoord wordt
gegeven door het leven van mannen en vrouwen van elke leeftijd en sociale
status, die gelukkig zijn in het toewijden van hun leven aan anderen. Ja,
vreugde komt het hart binnen van hen die zichzelf ten dienste stellen van de
minsten en misdeelden. In hen die de liefde zo practiseren, vestigt God zijn
woonplaats en is de ziel in vreugde”.
(Uit een Overweging tijdens de
Vespers in de kathedraal van München, 10.9.2006 en uit de Angelustoespraak van
paus Benedictus XVI, 16.12.2007)
We
sluiten af met enkele preces uit het Getijdengebed van afgelopen week.
Nobis et omnibus,
quibus hodie occurremus, adesto,
gaudium largire et
pacem.
Wees ons en allen
die wij vandaag zullen ontmoeten, nabij,
Schenk ons en hen
rijkelijk vreugde en vrede.
(Uit de Preces van
maandag, week III, Lauden, Getijdengebed)
Adesto, Domine,
orphanis, viduis et omnibus derelictis,
ut propinquum te
sentiant tibique magis adhæreant.
Sta, Heer, de
wezen, weduwen en allen die aan hun lot zijn overgelaten, bij,
opdat zij U nabij
weten en zich sterker aan U hechten.
(Uit de Preces van
maandag, week III, Vespers, Getijdengebed)
Collectegebed 16e zondag door het jaar - “Maak hen sterk in geloof, hoop en liefde”
Collectegebed 16e zondag door het jaar - “Maak hen sterk in geloof, hoop en liefde”
Missale Romanum – 1970
Propitiare, Domine, famulis tuis, et clementer gratiæ tuæ super eos dona multiplica, ut, spe, fide et caritate ferventes, semper in mandatis tuis vigili custodia perseverent.
Altaarmissaal – 1979
Heer, wees goed voor allen die U toebehoren en schenk hun uw genadegaven in overvloed: maak hen sterk in geloof, hoop en liefde, waakzaam en trouw, uw geboden te onderhouden.
Meer letterlijke vertaling
Wees uw dienaren genadig Heer, en vermeerder in hen uw genadegaven, opdat zij, brandend van geloof, hoop en liefde, altijd waakzaam uw geboden hoeden en daarin volharden.
L i t u r g i s c h e a n t e c e d e n t e n
Het collectegebed van vandaag is nieuw en komt niet voor in de preconciliaire edities van het Romeinse Missaal. Het heeft een historisch antecedent in het Sacramentarium Bergomense (Bibliotheek in Bergamo, Italië), een 9e-10e eeuws manuscript van de niet-Romeinse, maar wel Latijnse ritus die als de Ambrosiaanse ritus in Milaan locaal in zwang was. De oratie heeft een prachtige, onverwachte en frisse klank wanneer ze wordt uitgesproken of, zelfs beter, wordt gezongen. De laatste zin heeft een mooie clausula (ritmisch slot).
Voor mensen aan wie lange tijd het beleven van de schoonheid van het Latijn ontzegd gebleven is, kan het moeilijk zijn de subtiele vreugde te begrijpen die het zingen van de oude Latijnse collectes teweegbrengt, met dat kunstig geweven patroon van prachtige ritmiek, zijn heldere uitdrukkingskracht van ideeën en zijn krachtige, zuivere stijl. Deze Latijnse oraties brengen niet alleen de brede vorming van hun samenstellers aan het licht maar ook de kracht deze vorming te kunnen continueren bij degenen die vele eeuwen later deze oraties bidden.
Dit pleit absoluut voor het actief behoud van deze Latijnse oraties in de Rooms Katholieke Kerk in het Latijn alsook voor mooie en zorgvuldige vertalingen van de originele Latijnse versies, om te gebruiken in de volkstaal in de Latijnse ritus van het Westen.
K l e i n v o c a b u l a r i u m
Het werkwoord propitio betekent “gunstig stemmen, zich genegen maken, verzoenen”, “genade verwerven”. De vorm aan het begin van het collectegebed heeft duidelijk imperatieve kracht en lijkt een infinitief. In latere Latijn worden Latijnse infinitieven soms als imperatieven gebruikt, maar dit is niet het geval in de oratie van vandaag. De ongeëvenaarde Lewis & Short Dictionary geeft dat in het bijbelse Latijn van de Vulgaat de passieve vorm van propitio “genadig zijn, vergeven” betekent (vg. Lev 23,2 – propitietur vobis Dominus … moge de Heer u genadig zijn). Dus, propitiare lijkt op een infinitief maar is in feite de imperatief (2e persoon enkelvoud van het præsens van het passivum).
Het welluidende clementer is een adverbium (bijwoord) van het adiectief (bijvoeglijk naamwoord) dat de L&S weergeeft met “zacht, mild, rustig, stil, aangename gesteldheid van de lucht, de wind of het water, kalm, vriendelijk”. Clemens heeft ook een morele kwaliteit in de zin van “een kalm, emotieloos gemoed“, “gelaten, rustig, mild, vriendelijk” en meer uitgebreid: “mild ten opzichte van de fouten en tekorten van anderen: verdraagzaam, geduldig, indulgent, medelijdend, genadig”. Er zijn veertien pausen geweest die de naam “Clemens” droegen, de laatste was Clemens XIV (+1774) en enkele middeleeuwse tegenpausen.
Het werkwoord multiplico betekent 1. vermeerderen, vergroten en 2. vermenigvuldigen.
Famulus, en de vrouwelijke vorm famula vragen enige attentie, sinds deze begrippen met een zekere frequentie in de collectegebeden voorkomen. Deze woorden zijn klaarblijkelijk afkomstig van de oude aan het Latijn verwante Italische taal het Oskisch, van de Sabellische tak van de Italische taalfamilie. Deze taal werd gesproken in de zuidelijke centrale regio van het Apennijnse schiereiland (1).
In het Oskisch betekent faama “huis”. Het concept famulus betekent dus “mensen die in het huis zijn, tot het huis behoren, deel uitmaken van het huis”. De oude huizen van de aristocratische kringen konden zeer ruim zijn met vele bedienden. Een famulus of famula was een bediende, werkzaam in het huishouden, een dienstmeid, een slaaf of een vrijgemaakte persoon. In bepaalde opzichten werden zij beschouwd als leden van de uitgebreide familia = het “geheel van huisgenoten (inclusief de slaven dus)”. Bij de Romeinen werden dus alle gezinsleden én het personeel hiermee aangeduid. Dit verklaart deels hoe hele families, inclusief slaven en bedienden, in de vroege Kerk zich bekeerden tot het Christendom.
Een fundamentele dimensie van het woord custodia is het concept: verhindering / belemmering van vrije beweging. Vandaar: “wacht, bescherming, bewaking, hoede, opzicht”. Het betekent ook “bewaking, kerker, opsluiting”. In militaire taal: “personen die de wacht houden of op wacht staan, schildwacht, lijfwacht, post, bezetting” en dus ook het wachthuis: de “plaats waar wacht wordt gehouden”, “wachtpost”. Liturgische woordenboeken geven nog: een bepaald soort reliquarium, of pyxis (b.v. hostiedoosje).
Vigil, ilis (van het werkwoord vigeo) kan een adiectief zijn: wakker, waakzaam, op zijn hoede, alert”. Iemand die vigil is, is “wakend”, “op zijn qui vive” (2), “oplettend”. Vigil kan ook een substantief zijn met de betekenis van “bewaker”, “schildwacht”. In Italië worden vandaag de dag zelfs nog bepaalde politieagenten “vigili” genoemd. Het Nederlands heeft de afleidingen “vigilant”: wakker, waakzaam, flink en “vigilantie”: waakzaamheid, wakkerheid, naarstigheid.
In liturgisch opzicht is een vigilie de avond of nacht voor een grote kerkelijke feestdag. In vroeger tijden waren dat momenten van vasten en boete. Mannen die tot ridder werden geslagen hielden een vigilie en brachten deze nacht door met vasten, bidden en gewetensonderzoek om zo zuiver mogelijk te zijn voor de rite die volgde. De achterliggende idee is dat men zich moest voorbereiden middels zelfverloochening, beheersing van eetlust en andere driften, in waken en alertheid op aanvallen van de kant van de duivel, die een leugenaar en verleider is. In de H. Schrift zijn verschillende vormen van nachtwaken beschreven.
We horen bijvoorbeeld in het Lukasevangelie bij de geboorte van de Heer: ”In de omgeving bevonden zich herders die in het open veld gedurende de nacht hun kudde bewaakten” (vigilantes et custodientes vigilias noctis) (Luk 2,8).
“Waakt (vigilate) dus, want gij weet niet op welke dag uw Heer komt. Begrijpt dit wel: als de eigenaar van het huis wist op welk uur de dief zou komen, zou hij blijven waken (vigilaret) en in zijn huis niet laten inbreken. Weest ook gij dus bereid, omdat de Mensenzoon komt op het uur waarop gij het niet verwacht” (Mt 24,42-44).
Herinner u ook hoe Jezus het beeld gebruikt van de dienaars die wachten op de terugkomst van hun heer om, als hij midden in de nacht aankomt en klopt, hem aanstonds open te doen. Gelukkig de dienaars, die de heer bij zijn komst wakende zal vinden (vgl. Luk 12,35-37).
En de Apostel Paulus dringt er bij de christenen voortdurend op aan “waakzaam” en “wakker” te zijn.
In de Eerste Brief van Petrus (5,8) lezen wij zijn tot ernst stemmende aansporing: “Wees nuchter en waakzaam. Uw tegenstander, de duivel, gaat rond als een briesende leeuw, zoekend wie hij zal verslinden“. Het was de dagelijkse tekst van de kapittellezing in de Completen van het preconciliaire brevier, na Vaticanum II vastgelegd op de woensdag. Het is maar al te zeer een realiteit dat de Vijand ons zoekt, waakzaamheid is dus geboden.
Dagelijks zingt de Kerk in de Completen de antifoon Salva nos, Domine, vigilantes, custodi nos dormientes, ut vigilemus cum Christo et requiescamus in pace” wanneer het werk van de dag overgaat naar de rust van de avond of nacht, of zelfs de rust van de levensavond. Lichamelijk en geestelijk waken en slapen vloeien in elkaar: “Bescherm ons, terwijl wij waken (overdag), behoed ons terwijl wij slapen (’s nachts), opdat wij met Christus mogen waken (in het leven door de genade) en rusten in vrede (in een gelukzalige dood).
Het collectegebed van deze zondag spreekt ofwel van “waakzaam op zijn hoede zijn” of van “waakzame bescherming”. Het eerste beklemtoont meer het gebruik van de wil om de dingen in de juiste maat te doen, hetgeen de kern raakt van deugdzaam gedrag (de drie deugden geloof, hoop en liefde worden in de oratie genoemd) of ook die omzichtige aandacht die we moeten geven aan de grote en kostbare gaven die we van God ontvangen.
Bij het beschouwen van dit collectegebed, met name in het licht van de beelden van 'kijken/waken/de wacht houden in de nacht’ zoals gebruikt in de H. Schrift, kan men denken aan een groot huishouden in de oudheid, een domus of een Romeinse latifundium. Een latifundium was een landgoed met veel verschillende gebouwen en kwartieren, voor familie, huishoudelijk dienstpersoneel en de vele werknemers.
De landgoederen waren zelfs versterkt met muren tegen aanvallen door bandieten. Een huis of domus in een stad kon zelfs een wachttoren hebben. In deze woningen, die vaak geheel zelfvoorzienend waren, leefden allen samen, mogelijkerwijs hun hele leven lang. De huiseigenaar of de heer van het landgoed was het hoofd van de grotere "familia" en kwam tegemoet aan de behoeften van al de mensen die hij onder zijn hoede had. Hij was verzorger, verstrekker, rechter, leraar en beschermer tegelijk.
Wanneer men door Italië reist kan men overblijfselen van de moderne(re) versies van de latifundia, "fattorie" genaamd, zien. Zij hebben kapellen en inwonende priesters om aan de geestelijke behoeften van de bewoners tegemoet te komen. In sommige opzichten (nederzetting, bestuur, omvang, verdediging) is deze “fattorie” te vergelijken met ons begrip “factorij”, dat wil zeggen een nederzetting vaak in een ander land die fungeerde als steunpunt voor handel.
In de oratie is de heer van het landgoed en de pater familias barmhartig en vriendelijk, zeer geduldig met ons, zijn werkers, ook al zijn we soms slecht. Wij smeken Hem mild te zijn en voort te gaan met het geven van gaven. Dit zijn niet zomaar gaven: ze zijn noodzakelijk voor onze overleving. Net als de werkers in het huis of op het land goede vruchten moeten produceren als zij willen kunnen blijven en genieten van een goede kwaliteit van leven, hebben wij, dienaren van de Vader, famuli, die "Christen" worden genoemd naar zijn Zoon en die zelfs getekend zijn met het familieteken door het Doopsel en het Vormsel, de theologische deugden van geloof, hoop en liefde nodig om onze plicht te doen voor het aanschijn van de Heer.
We zijn voor alles volledig afhankelijk van Hem. Niet alleen moeten we waakzaam zijn, we moeten alert zijn voor alles wat we nodig hebben om onze roeping in het leven te vervullen. We moeten de giften en de hulpmiddelen verwerven die nuttig zijn voor onze zaligheid. Anders zullen wij, als de rekening komt, zijn als de dwaze maagden die niet genoeg olie voor hun lampen hadden toen zij tijdens de nacht de komst van de bruidegom afwachtten (cf. Matt. 25). Ze werden buitengesloten van het feest, achtergelaten in het donker om doelloos te dwalen, zonder een doel te bereiken. Ze hadden geen plaats om te gaan, geen productief werk te doen, geen ondersteuning of hulp, geen plaats om te behoren.
Wanneer wij de priester dit collectegebed horen uitspreken – laten wij dan de Heer – zo genadig en geduldig met ons als wij lui en zondig jegens Hem – vragen in ons de gaven van geloof, hoop en liefde die we nodig hebben voor het ware overleven van onze ziel, te blijven vermeerderen
Als mensen zich voorbereiden op slechte tijden en rampen die hen in materieel opzicht kunnen overkomen, is het des te belangrijker dat zij zich ook geestelijk voorbereiden op lijden, tegenspoed of zelfs op dat allerlaatste moment waarbij verantwoording moet worden afgelegd en waarvoor wij –zoals de wijze maagden- maar beter kunnen zorgen dat wij onze lamp brandend hebben gehouden.
(Vertaling en bewerking van F. Zuhlsdorf, WDTPRS)
(1) Het Oskisch was een Italische taal met als kerngebied Samnium en Campanië, het gebied der Bruttii en een deel van Sicilië. Samen met onder meer het Umbrisch vormt het Oskisch de tak der Sabellische talen. Het Oskisch is bekend uit inscripties vanaf 400 v.Chr. Van het totale corpus, dat uit ongeveer 250 inscripties bestaat, zijn de Tabula Bantina en de Cippus Abellanus de belangrijkste. De taal is al sinds de oudheid uitgestorven. Dialecten van het Oskisch zijn: het Samnitisch, het Marrucinisch, het Paelignaans, het Vestiniaans, het Sabijns, het Volscisch en het Marsisch. Het Oskisch maakte gebruik van het Latijnse, het Griekse en een eigen, Oskisch alfabet. (Ontleend aan Wikipedia)
(2) “op zijn qui vive” vanuit het Frans “être sur le qui vive”. Ontleend aan de Franse schildwachten, die, als zij onraad meenden te bespeuren, riepen: qui vive! - wie daar!
Missale Romanum – 1970
Propitiare, Domine, famulis tuis, et clementer gratiæ tuæ super eos dona multiplica, ut, spe, fide et caritate ferventes, semper in mandatis tuis vigili custodia perseverent.
Altaarmissaal – 1979
Heer, wees goed voor allen die U toebehoren en schenk hun uw genadegaven in overvloed: maak hen sterk in geloof, hoop en liefde, waakzaam en trouw, uw geboden te onderhouden.
Meer letterlijke vertaling
Wees uw dienaren genadig Heer, en vermeerder in hen uw genadegaven, opdat zij, brandend van geloof, hoop en liefde, altijd waakzaam uw geboden hoeden en daarin volharden.
L i t u r g i s c h e a n t e c e d e n t e n
Het collectegebed van vandaag is nieuw en komt niet voor in de preconciliaire edities van het Romeinse Missaal. Het heeft een historisch antecedent in het Sacramentarium Bergomense (Bibliotheek in Bergamo, Italië), een 9e-10e eeuws manuscript van de niet-Romeinse, maar wel Latijnse ritus die als de Ambrosiaanse ritus in Milaan locaal in zwang was. De oratie heeft een prachtige, onverwachte en frisse klank wanneer ze wordt uitgesproken of, zelfs beter, wordt gezongen. De laatste zin heeft een mooie clausula (ritmisch slot).
Voor mensen aan wie lange tijd het beleven van de schoonheid van het Latijn ontzegd gebleven is, kan het moeilijk zijn de subtiele vreugde te begrijpen die het zingen van de oude Latijnse collectes teweegbrengt, met dat kunstig geweven patroon van prachtige ritmiek, zijn heldere uitdrukkingskracht van ideeën en zijn krachtige, zuivere stijl. Deze Latijnse oraties brengen niet alleen de brede vorming van hun samenstellers aan het licht maar ook de kracht deze vorming te kunnen continueren bij degenen die vele eeuwen later deze oraties bidden.
Dit pleit absoluut voor het actief behoud van deze Latijnse oraties in de Rooms Katholieke Kerk in het Latijn alsook voor mooie en zorgvuldige vertalingen van de originele Latijnse versies, om te gebruiken in de volkstaal in de Latijnse ritus van het Westen.
K l e i n v o c a b u l a r i u m
Het werkwoord propitio betekent “gunstig stemmen, zich genegen maken, verzoenen”, “genade verwerven”. De vorm aan het begin van het collectegebed heeft duidelijk imperatieve kracht en lijkt een infinitief. In latere Latijn worden Latijnse infinitieven soms als imperatieven gebruikt, maar dit is niet het geval in de oratie van vandaag. De ongeëvenaarde Lewis & Short Dictionary geeft dat in het bijbelse Latijn van de Vulgaat de passieve vorm van propitio “genadig zijn, vergeven” betekent (vg. Lev 23,2 – propitietur vobis Dominus … moge de Heer u genadig zijn). Dus, propitiare lijkt op een infinitief maar is in feite de imperatief (2e persoon enkelvoud van het præsens van het passivum).
Het welluidende clementer is een adverbium (bijwoord) van het adiectief (bijvoeglijk naamwoord) dat de L&S weergeeft met “zacht, mild, rustig, stil, aangename gesteldheid van de lucht, de wind of het water, kalm, vriendelijk”. Clemens heeft ook een morele kwaliteit in de zin van “een kalm, emotieloos gemoed“, “gelaten, rustig, mild, vriendelijk” en meer uitgebreid: “mild ten opzichte van de fouten en tekorten van anderen: verdraagzaam, geduldig, indulgent, medelijdend, genadig”. Er zijn veertien pausen geweest die de naam “Clemens” droegen, de laatste was Clemens XIV (+1774) en enkele middeleeuwse tegenpausen.
Het werkwoord multiplico betekent 1. vermeerderen, vergroten en 2. vermenigvuldigen.
Famulus, en de vrouwelijke vorm famula vragen enige attentie, sinds deze begrippen met een zekere frequentie in de collectegebeden voorkomen. Deze woorden zijn klaarblijkelijk afkomstig van de oude aan het Latijn verwante Italische taal het Oskisch, van de Sabellische tak van de Italische taalfamilie. Deze taal werd gesproken in de zuidelijke centrale regio van het Apennijnse schiereiland (1).
In het Oskisch betekent faama “huis”. Het concept famulus betekent dus “mensen die in het huis zijn, tot het huis behoren, deel uitmaken van het huis”. De oude huizen van de aristocratische kringen konden zeer ruim zijn met vele bedienden. Een famulus of famula was een bediende, werkzaam in het huishouden, een dienstmeid, een slaaf of een vrijgemaakte persoon. In bepaalde opzichten werden zij beschouwd als leden van de uitgebreide familia = het “geheel van huisgenoten (inclusief de slaven dus)”. Bij de Romeinen werden dus alle gezinsleden én het personeel hiermee aangeduid. Dit verklaart deels hoe hele families, inclusief slaven en bedienden, in de vroege Kerk zich bekeerden tot het Christendom.
Een fundamentele dimensie van het woord custodia is het concept: verhindering / belemmering van vrije beweging. Vandaar: “wacht, bescherming, bewaking, hoede, opzicht”. Het betekent ook “bewaking, kerker, opsluiting”. In militaire taal: “personen die de wacht houden of op wacht staan, schildwacht, lijfwacht, post, bezetting” en dus ook het wachthuis: de “plaats waar wacht wordt gehouden”, “wachtpost”. Liturgische woordenboeken geven nog: een bepaald soort reliquarium, of pyxis (b.v. hostiedoosje).
Vigil, ilis (van het werkwoord vigeo) kan een adiectief zijn: wakker, waakzaam, op zijn hoede, alert”. Iemand die vigil is, is “wakend”, “op zijn qui vive” (2), “oplettend”. Vigil kan ook een substantief zijn met de betekenis van “bewaker”, “schildwacht”. In Italië worden vandaag de dag zelfs nog bepaalde politieagenten “vigili” genoemd. Het Nederlands heeft de afleidingen “vigilant”: wakker, waakzaam, flink en “vigilantie”: waakzaamheid, wakkerheid, naarstigheid.
In liturgisch opzicht is een vigilie de avond of nacht voor een grote kerkelijke feestdag. In vroeger tijden waren dat momenten van vasten en boete. Mannen die tot ridder werden geslagen hielden een vigilie en brachten deze nacht door met vasten, bidden en gewetensonderzoek om zo zuiver mogelijk te zijn voor de rite die volgde. De achterliggende idee is dat men zich moest voorbereiden middels zelfverloochening, beheersing van eetlust en andere driften, in waken en alertheid op aanvallen van de kant van de duivel, die een leugenaar en verleider is. In de H. Schrift zijn verschillende vormen van nachtwaken beschreven.
We horen bijvoorbeeld in het Lukasevangelie bij de geboorte van de Heer: ”In de omgeving bevonden zich herders die in het open veld gedurende de nacht hun kudde bewaakten” (vigilantes et custodientes vigilias noctis) (Luk 2,8).
“Waakt (vigilate) dus, want gij weet niet op welke dag uw Heer komt. Begrijpt dit wel: als de eigenaar van het huis wist op welk uur de dief zou komen, zou hij blijven waken (vigilaret) en in zijn huis niet laten inbreken. Weest ook gij dus bereid, omdat de Mensenzoon komt op het uur waarop gij het niet verwacht” (Mt 24,42-44).
Herinner u ook hoe Jezus het beeld gebruikt van de dienaars die wachten op de terugkomst van hun heer om, als hij midden in de nacht aankomt en klopt, hem aanstonds open te doen. Gelukkig de dienaars, die de heer bij zijn komst wakende zal vinden (vgl. Luk 12,35-37).
En de Apostel Paulus dringt er bij de christenen voortdurend op aan “waakzaam” en “wakker” te zijn.
In de Eerste Brief van Petrus (5,8) lezen wij zijn tot ernst stemmende aansporing: “Wees nuchter en waakzaam. Uw tegenstander, de duivel, gaat rond als een briesende leeuw, zoekend wie hij zal verslinden“. Het was de dagelijkse tekst van de kapittellezing in de Completen van het preconciliaire brevier, na Vaticanum II vastgelegd op de woensdag. Het is maar al te zeer een realiteit dat de Vijand ons zoekt, waakzaamheid is dus geboden.
Dagelijks zingt de Kerk in de Completen de antifoon Salva nos, Domine, vigilantes, custodi nos dormientes, ut vigilemus cum Christo et requiescamus in pace” wanneer het werk van de dag overgaat naar de rust van de avond of nacht, of zelfs de rust van de levensavond. Lichamelijk en geestelijk waken en slapen vloeien in elkaar: “Bescherm ons, terwijl wij waken (overdag), behoed ons terwijl wij slapen (’s nachts), opdat wij met Christus mogen waken (in het leven door de genade) en rusten in vrede (in een gelukzalige dood).
Het collectegebed van deze zondag spreekt ofwel van “waakzaam op zijn hoede zijn” of van “waakzame bescherming”. Het eerste beklemtoont meer het gebruik van de wil om de dingen in de juiste maat te doen, hetgeen de kern raakt van deugdzaam gedrag (de drie deugden geloof, hoop en liefde worden in de oratie genoemd) of ook die omzichtige aandacht die we moeten geven aan de grote en kostbare gaven die we van God ontvangen.
Bij het beschouwen van dit collectegebed, met name in het licht van de beelden van 'kijken/waken/de wacht houden in de nacht’ zoals gebruikt in de H. Schrift, kan men denken aan een groot huishouden in de oudheid, een domus of een Romeinse latifundium. Een latifundium was een landgoed met veel verschillende gebouwen en kwartieren, voor familie, huishoudelijk dienstpersoneel en de vele werknemers.
De landgoederen waren zelfs versterkt met muren tegen aanvallen door bandieten. Een huis of domus in een stad kon zelfs een wachttoren hebben. In deze woningen, die vaak geheel zelfvoorzienend waren, leefden allen samen, mogelijkerwijs hun hele leven lang. De huiseigenaar of de heer van het landgoed was het hoofd van de grotere "familia" en kwam tegemoet aan de behoeften van al de mensen die hij onder zijn hoede had. Hij was verzorger, verstrekker, rechter, leraar en beschermer tegelijk.
Wanneer men door Italië reist kan men overblijfselen van de moderne(re) versies van de latifundia, "fattorie" genaamd, zien. Zij hebben kapellen en inwonende priesters om aan de geestelijke behoeften van de bewoners tegemoet te komen. In sommige opzichten (nederzetting, bestuur, omvang, verdediging) is deze “fattorie” te vergelijken met ons begrip “factorij”, dat wil zeggen een nederzetting vaak in een ander land die fungeerde als steunpunt voor handel.
In de oratie is de heer van het landgoed en de pater familias barmhartig en vriendelijk, zeer geduldig met ons, zijn werkers, ook al zijn we soms slecht. Wij smeken Hem mild te zijn en voort te gaan met het geven van gaven. Dit zijn niet zomaar gaven: ze zijn noodzakelijk voor onze overleving. Net als de werkers in het huis of op het land goede vruchten moeten produceren als zij willen kunnen blijven en genieten van een goede kwaliteit van leven, hebben wij, dienaren van de Vader, famuli, die "Christen" worden genoemd naar zijn Zoon en die zelfs getekend zijn met het familieteken door het Doopsel en het Vormsel, de theologische deugden van geloof, hoop en liefde nodig om onze plicht te doen voor het aanschijn van de Heer.
We zijn voor alles volledig afhankelijk van Hem. Niet alleen moeten we waakzaam zijn, we moeten alert zijn voor alles wat we nodig hebben om onze roeping in het leven te vervullen. We moeten de giften en de hulpmiddelen verwerven die nuttig zijn voor onze zaligheid. Anders zullen wij, als de rekening komt, zijn als de dwaze maagden die niet genoeg olie voor hun lampen hadden toen zij tijdens de nacht de komst van de bruidegom afwachtten (cf. Matt. 25). Ze werden buitengesloten van het feest, achtergelaten in het donker om doelloos te dwalen, zonder een doel te bereiken. Ze hadden geen plaats om te gaan, geen productief werk te doen, geen ondersteuning of hulp, geen plaats om te behoren.
Wanneer wij de priester dit collectegebed horen uitspreken – laten wij dan de Heer – zo genadig en geduldig met ons als wij lui en zondig jegens Hem – vragen in ons de gaven van geloof, hoop en liefde die we nodig hebben voor het ware overleven van onze ziel, te blijven vermeerderen
Als mensen zich voorbereiden op slechte tijden en rampen die hen in materieel opzicht kunnen overkomen, is het des te belangrijker dat zij zich ook geestelijk voorbereiden op lijden, tegenspoed of zelfs op dat allerlaatste moment waarbij verantwoording moet worden afgelegd en waarvoor wij –zoals de wijze maagden- maar beter kunnen zorgen dat wij onze lamp brandend hebben gehouden.
(Vertaling en bewerking van F. Zuhlsdorf, WDTPRS)
(1) Het Oskisch was een Italische taal met als kerngebied Samnium en Campanië, het gebied der Bruttii en een deel van Sicilië. Samen met onder meer het Umbrisch vormt het Oskisch de tak der Sabellische talen. Het Oskisch is bekend uit inscripties vanaf 400 v.Chr. Van het totale corpus, dat uit ongeveer 250 inscripties bestaat, zijn de Tabula Bantina en de Cippus Abellanus de belangrijkste. De taal is al sinds de oudheid uitgestorven. Dialecten van het Oskisch zijn: het Samnitisch, het Marrucinisch, het Paelignaans, het Vestiniaans, het Sabijns, het Volscisch en het Marsisch. Het Oskisch maakte gebruik van het Latijnse, het Griekse en een eigen, Oskisch alfabet. (Ontleend aan Wikipedia)
(2) “op zijn qui vive” vanuit het Frans “être sur le qui vive”. Ontleend aan de Franse schildwachten, die, als zij onraad meenden te bespeuren, riepen: qui vive! - wie daar!
Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” 16e zondag per annum / door het jaar
Christus ontvangt brood en
wijn voor de H. Eucharistie
Laat
de offergaven die ieder heeft gebracht om U te eren, voor allen heilzaam zijn
I
n l e i d i n g
Het Gebed over de gaven legt een relatie
tussen het offer van het Nieuwe Verbond en de offers van het Oude Verbond
(‘legales hostiæ’). De tekst verbaast enigszins: het nieuwe Offer heeft de oude
offers bevestigd. Krachtens het offer van Christus en in Zijn dienst hadden ook
die offers heilsbetekenis. Het einde van deze offers wil niet zeggen dat zij
niets waren en niet werkten, maar zij werden voltooid door het ene Offer, om
wille waarvan zij door God waren ingesteld. In het ene Offer hebben alle
voorafgaande offers hun vervulling gevonden en zij ze als het ware nog steeds
werkelijk. Daarom spelen de beroemde oude offers zoals die van Abraham en
Melchisedech, en hier genoemd dat
van Abel, in het religieuze denken, bidden en
vieren van de Kerk nog steeds een grote rol. Zo bidden we in de oratie van deze
zondag niet alleen om de aanvaarding van de offergaven - waarbij we de Consecratie zien vervat - maar we beroepen ons ten overstaan van de
Vader op het voorbeeld van Abel, wiens offer Jahweh met welgevallen heeft
bezien en derhalve heeft gezegend en geheiligd.
God
heeft de vele offers die de Wet voorschreef door de volmaaktheid van het ene
Offer van Christus tot voltooiing gebracht. Ofschoon dit Offer uniek is en een
enkele maal is opgedragen, is er toch de mogelijkheid dat velen door hun gaven
in de H. Eucharistie bijdragen tot de eer van God. Wat velen aanbieden, wordt
in de Consecratie het ene Offer dat geactualiseerd wordt. Zo stroomt het met
eeuwige genade op allen terug, bij uitstek in de H. Communie.
T e k s t
Missale Romanum – 1970
Deus,
qui legalium differentiam hostiarum unius sacrificii perfectione sanxisti,
accipe
sacrificium a devotis tibi famulis,
et pari
benedictione, sicut munera Abel, sanctifica,
ut, quod
singuli obtulerunt ad maiestatis tuæ honorem, cunctis proficiat ad salutem.
Altaarmissaal
Nederlandse Kerkprovincie – 1979
God, Gij hebt de vele offers van het Oude
Verbond tot voltooiing gebracht in het ene en volmaakte Offer.
Aanvaard dit offer uit de handen van uw
gelovigen en heilig het, zoals de gaven van Abel, met uw zegen:
Werkvertaling
God, die de verscheidenheid van de
wettelijke offers hebt bekrachtigd door de voltooiing van het ene Offer,
aanvaard het offer van de U
toegewijde dienaren,
en heilig het met Uw
overeenkomstige zegen, zoals Gij gedaan hebt net de offergaven van Abel,
opdat wat ieder afzonderlijk/enkelen
tot eer van uw Majesteit heeft/hebben opgedragen, velen tot heil mag strekken.
L i t u r g i s c h e a n t e c e d e n t e n
De brontekst
van deze lange oratie, welke de Secreta is van de 7e zondag na
Pinksteren in het Missale
Romanum 1962, 383, wordt
gevonden in het Sacramentarium Gelasianum Vetus (Vat. Reg. lat. 316, 1e helft
van de 8e eeuw), 1188, met exacte dezelfde tekst als die van vandaag met dit
verschil dat de oude versie de genitivus adiectivus “iusti” bij Abel bevat (welke
vorm, zijnde een Hebreeuwse eigennaam, niet wordt verbogen).
S t r u c t u u r a n a l y s e e n s
t i j l f i g u r e n
1. Deus, qui legalium differentiam
hostiarum unius sacrificii perfectione sanxisti,
2. accipe
sacrificium a devotis tibi famulis,
3. et pari
benedictione, sicut munera Abel, sanctifica,
4. ut, 5.
quod singuli obtulerunt ad maiestatis tuæ honorem, cunctis proficiat ad
salutem.
Het
Gebed over de gaven bestaat uit één enkele zin, opgebouwd door een aanhef met
relatieve bijzin, gevolgd door twee zelfstandige deelzinnen die elk een bede
bevatten, verbonden door de coniunctie et (regel 2 en 3). Regel 3 wordt
onderbroken door een vergelijkende bijzin terwijl de regels 4 en 5 een
verbijzondering behelzen van de tweede bede (sanctifica). Regel 5 is een
afhankelijke bijzin die het object beschrijft van de finale / consecutieve
bijzin beginnend met ut.
De oratie van vandaag bevat begrippen voor
hostia (r. 1), sacrificium (r. 1, 2) en munera
(r. 3).
Ad
1
Deus, [o] God, anaklese in de
vocativusvorm, veelvuldig gebruikte aanhef aan de spits van de oratie. Het
adres wordt gevolgd door een betrekkelijke bijzin, ingeleid door het reflexivum
qui, die actief aangeeft wat God deed in het Oude Testament en voltooid heeft
in het Nieuwe Testament.
Sanxisti, Gij hebt bekrachtigd, prædicaat, 2e
pers. van de indicativus perfecti activi van het verbum sancire, sanxi, sanctum.
Zie het Vocabularium.
Legalium differentiam hostiarum, de
verscheidenheid van de wettelijke offers: object van het prædicaat,
opgebouwd uit de accusativusvorm differentiam omringend vergezeld door twee
congruerende genitivusvormen legalium hostiarum. De uiteenplaatsing van de
genitivusvormen legalium [differentiam] hostiarum vormt een hyperbaton.
Unius sacrificii perfectione, door de
volmaaktheid van het ene Offer, - bijwoordelijke bepaling, opgebouwd uit de
ablativusvorm perfectione, zijnde een ablativus causæ resp. modi,
gecombineerd met twee congruerende genitivusvormen unius sacrificii: genitivus
explicativus.
Ad 2
Accipe, aanvaard, ontvang, - prædicaat in de
imperativus indicativi, veelvuldig gebruikt in de oratietaal.
Sacrificium, - object van het prædicaat accipe in
de accusativusvorm van sacrificium, - i, n. , offer, offergave enz.
A devotis tibi famulis, door de U
toegewijde dienaren, bijwoordelijke bepaling in de ablativus, bepaald door de
præpositie
a, die altijd de ablativus regeert. Devotis en famulis vormen vanwege hun
uiteenplaatsing een hyperbaton.
Tibi, [aan, voor] U – bijwoordelijke
bepaling, behorende bij devotis, in de dativusvorm (dativus commodi, van
voordeel).
Ad
3
Tweede deelzin met de tweede bede
uitgedrukt in het prædicaat sanctifica, heilig: imperativusvorm indicativi præsentis.
Et pari benedictione, en met een
overeenkomende zegening, - bijwoordelijke bepaling bij het prædicaat
sanctifica in twee congruerende ablativusvormen, ablativus instrumentalis of
modi.
In deze deelzin ontbreekt het object van
sanctifica, maar dit kan in gedachten aangevuld worden met sacrificium (r. 2)
of munera uit de comparatieve bijzin welke regel 3 onderbreekt.
In de vergelijkende bijzin sicut munera Abel ontbreekt het prædicaat;
de bedoeling is echter duidelijk: zoals Gij de offergaven van Abel
sanctificasti of sanctificavisti, hebt geheiligd. Munera Abel: object van het
verzwegen prædicaat in
de accusativusvorm van munus, - eris, n. vergezeld van de genitivus possessivus
(van bezit) Abel. Eigennamen van niet Latijnse oorsprong zoals bij
Abel het geval is (Hebreeuws), behouden in de genitivus dezelfde vorm als in de
nominativus.
Ad 4
Ut [r. 5] cunctis…salutem,
finale/doelaanwijzende respectievelijk consecutieve/ gevolgaanduidende bijzin
met het prædicaat proficiat in de coniunctivusvorm vanwege het wenskarakter uitgedrukt in ut:
opdat/zodat allen tot heil moge strekken. Het subject bij het prædicaat
ontbreekt, maar kan weer in gedachten aangevuld worden met het substantivum
sacrificium, zoals inhoudelijk blijkt uit r. 5, een afhankelijke verklarende
bijzin ingeleid met het reflexivum quod.
Cunctis, bijwoordelijke bepaling in de
dativusvorm meervoud van het adiectivum cunctus –a, -um, hier zelfstandig gebruikt.
Ad salutem, tot heil, - voorzetselbepaling
in de accusativusvorm geregeerd door de præpositie ad.
Ad 5
quod singuli obtulerunt ad maiestatis tuæ honorem
Obtulerunt, zij hebben aangeboden/geofferd,
prædicaat, 3e pers. meerv. perfecti activi van offerre, obtuli,
oblatum.
Singuli, telkens één, ieder afzonderlijk, - subject bij het
prædicaat in de nominativusvorm meervoud. Inhoudelijk verwijzen de begrippen singuli
en cunctis naar een collectief van
personen (de gelovigen die tesamen de Kerk, zijnde het Mystieke Lichaam van
Christus, vormen). Bij singuli moet worden gedacht aan de afzonderlijke
gelovige die hier en nu in vereniging met Christus het Offer opdraagt, met
cunctis wordt gedoeld op het collectief van de gelovige gemeenschap van alle
tijden en plaatsen die in vereniging met Christus de H. Mis vieren. Het gebruik van singuli versus cunctis vormt een antithese.
Ad maiestatis tuæ honorem, ter ere van /
tot eer van Uwe majesteit, - voorzetselbepaling samengesteld uit de
accusativusvorm honorem bepaald door de præpositie ad en vergezeld van de twee
congruerende genitivusvormen maiestatis tuæ, genitivus explicativus resp.
De zinsdelen ad honorem en ad salutem
vormen een ritmische repetitio en vertonen eindrijm resp. alliteratie aan het
slot.
B i j b e l s e
r e f e r e n t i e
De
Brief aan de Hebreeën bespreekt met name in hoofdstuk 9-10, 18 de verhevenheid
van het Offer van het Nieuwe Verbond, dat is het Offer van de Hogepriester
Christus, boven de offers van het Oude Verbond.
Wat wordt bedoeld met de perfectio unius
sacrificii, de volmaaktheid van het ene Offer?
Het
Offer van Christus bestond in het opdragen van Zichzelf (Hebr 7, 27) en overtreft
daarmee de offers van het Oude Verbond. De oude offerdienst was slechts
voorbereiding en voorafbeelding (9, 1-10), Christus is de volmaakte
Hogepriester, omdat Hij dienst doet in het volmaakte heiligdom en het volmaakte
Offer opdraagt (9, 11-14): “hoeveel te meer zal dan het bloed van Christus, die
door een eeuwige geest zichzelf als onberispelijk [offer] opdroeg aan God, ons
geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen?” (vers 14) Als
reeds door de oud-testamentische ceremoniën een heiliging bewerkt werd, wat
moet dan niet de uitwerking van Christus’ Offer zijn? Scherp wordt met de
termen van vers 14 de verhevenheid van het nieuw-testamentische Offer in het
licht gesteld. Tegenover het bloed van bokken en stieren en het reinigingswater
van de as van de koe staat het Bloed van Christus. Voor degene die in Christus gelooft en Hem
erkent als de eeuwige Zoon van God, is
de waarde en de kracht van zijn Bloed duidelijk. In hoeveel liturgische gebeden
en gezangen wordt dit niet onderstreept? Vergelijk deze strofe uit het Adoro Te
devote:
Pie Pelicane, Jesu Domine,
Me immundum
munda tuo sanguine:
Cujus una stilla
salvum facere
Totum mundum
quit ab omni scelere
Stierven
de offerdieren gedwongen, Christus offert Zichzelf uit vrije wil. Hij is
Priester, Offer en altaar tegelijk. Hij offert zich immers door een eeuwige
geest, een geest die eeuwig en onvergankelijk is en niet door de dood wordt
aangetast. Zijn goddelijke natuur wordt door de dood van Zijn mensheid niet
gedeerd. Dit voortleven van zijn geest werd bekroond door de verrijzenis van
Zijn lichaam op de derde dag.
Een
volgende voortreffelijkheid van Christus’ Offer ligt in het feit dat Hij zich onberispelijk
opdroeg, d.w.z. als een onberispelijk,
volmaakt Offer. Het was een voorschrift van de Wet dat het offerdier zonder
gebrek moest zijn (vgl. Lev 1, 3. 10; 3, 1. 6). Christus, die zichzelf offerde,
was eveneens als Offer onberispelijk, maar gelet op zijn goddelijke natuur was
zijn onberispelijkheid van oneindig hogere aard. Hij was niet alleen zonder
zonde (vgl. 4, 15), maar bezat ook als Zoon van God de heiligheid in de hoogste
mate (vgl. 1 Pe 1, 19). Tenslotte droeg Christus zich op aan God – dat was ook
de bedoeling van de oude offers – maar de kracht van zijn daad ligt juist in
het feit dat Hij zich als Zoon van God geeft aan de Vader, in liefde, met volle
vrije wil en als een onberispelijk offer.
Hoe
zou God aan een dergelijk Offer weerstand kunnen bieden?
G e t u i g e n i s
v a n d e V a d e r s
H.
Leo de Grote, paus [390-461]
“Nu
is er een eind gekomen aan de verscheidenheid van vleselijke offers en worden
al die verschillende offers vervangen door het ene Offer van uw Lichaam en
Bloed, omdat Gij waarlijk zijt “het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt”,
en aldus in U alle mysteries voltrekt, zoals er nu één offer plaats heeft in de
plaats van alle slachtoffers, er zo ook één heerschappij zij over alle volken.
(…) en ofschoon de natuur van de Godheid niet geraakt kan worden door de angel
van de dood, heeft Hij toch datgene aangenomen – door uit ons geboren te worden
– waardoor Hij voor ons het offer kon brengen”.
(Uit Preek 8, De passione Domini, 7-8)
H.
Fulgentius van Ruspe [460-533]
“Bij
de opoffering van de vleselijke slachtoffers, die op bevel van de heilige
Drieëenheid, de ene God van het Oude en Nieuwe Testament, aan Haar door onze
vaderen gebracht moesten worden, werd de meest welgevallige gave van die
Offerande voorafgebeeld, waarbij de Enige Zoon Gods zichzelf, naar het vlees,
op barmhartige wijze voor ons zou opdragen.
Want
naar de apostolische leer heeft Hij zich
voor ons overgeleverd als offergave en slachtoffer, God tot een lieflijke geur.
Hij is onze ware God en ware Hogepriester, die voor ons, niet met het bloed
van bokken en stieren maar met zijn eigen Bloed voor eenmaal het heilgdom is
binnengegaan. Dat voorafbeeldde toen de Hogepriester, die ieder jaar met bloed
het Heilige der heiligen binnenging.
Deze
is het, die in zich alleen alles uitvoerde, wat Hij wist dat nodig was voor de
voltooiing van onze verlossing; Hij was namelijk tegelijk Priester en Offer,
God en Tempel: Priester, door wie wij zijn verzoend; Offer, waardoor wij zijn
verzoend; Tempel, waarin wij zijn verzoend, en God met Wie wij zijn verzoend.
Hij alleen was: de Priester, het Offer en de Tempel: dit alles was God in de
gestalte van een dienstknecht; maar God was Hij niet alleen, want God was Hij
met de Vader en de Heilige Geest.
Dus
moet u met de grootste zekerheid voor waar houden, dat de Eniggeboren God, het
Woord, mens geworden, zichzelf voor ons als offer en offergave aan God heeft
aangeboden tot aangename geur. Aan Wie met de Vader en de Heilige Geest in de
tijd van het Oude Testament door patriarchen, priesters en profeten dieren
werden geofferd. En aan Wie nu, dit is in de tijd van het Nieuwe Testament, met
de Vader en e Heilige Geest, met Wie Hij één Godheid is, de heilige katholieke
Kerk het Offer van brood en wijn in liefde en geloof over heel de wereld zonder
ophouden aanbiedt”.
(…)
In
die oude offers werd figuurlijk afgebeeld, wat Hij ons zou geven; in dit Offer
van nu echter toont Hij ons duidelijk, wat ons reeds gegeven is.
In
die oude offers werd de Zoon Gods tevoren aangekondigd, die voor goddelozen
gedood zou moten worden; in dit Offer van nu wordt Hij verkondigd als Degene,
die voor goddelozen is gedood, omdat, volgens het getuigenis van de Apostel: toen wij zelf nog geheel hulpeloos waren,
Christus op de gestelde tijd voor goddelozen is gestorven, en omdat, toen wij zijn vijanden waren, wij met God
zijn verzoend dood de dood van zijn Zoon.
(Uit het Tractaat Over het geloof aan Petrus (diaken), cap. 22. 62: CCL 91A, 750)
(KKK, nrs. 613-614)
‘Dit
offer van Christus is uniek, het is de voltooiing van alle offers en overtreft
die nog (Vgl. Hebr 10, 10). Het is allereerst een gave van God de Vader zelf:
het is de Vader die zijn Zoon overlevert om ons met Hem te verzoenen ( vgl. 1
Joh 4, 10). Tegelijkertijd is het een offerande van de mensgeworden Zoon van
God die uit vrije wil en uit liefde (Vgl. Joh 15, 13) zijn leven aanbiedt (Vgl.
Joh 10, 17-18) aan zijn Vader door de heilige Geest (Vgl. Hebr 9, 14) om onze
ongehoorzaamheid weer goed te maken”.
B e k n o p t v o c a b u l a r i u m
Differentia, -æ, vr. betekent ‘verschil, verscheidenheid,
onderscheid, diversiteit’. En mochten degenen die het Goddelijk Officie zingen
het vergeten zijn: differentia betekent ook de manier waarop de
psalmodieformule eindigt, het zogenaamde ‘eindje’.
Sancio: voor degenen die hun Latijn
willen opfrissen of pas met de studie Latijn beginnen (en dat zijn een
toenemend aantal belangstellenden, niet alleen op onze eigen cursus Kerklatijn)
komt het verbum sanxisti van sancio met betekenissen als 1. heiligen (door godsdienstige
plechtigheden); heiligen (onschendbaar maken) 2. bevestigen, bekrachtigen,
voltooien 3. onder strafdreiging verbieden (vgl. de begrippen sanctioneren,
sanctie) en 4. meestal van wettelijke verordeningen of andere publieke
maatregelen: onveranderlijk vastleggen, verordenen, vaststellen, decreteren,
tot wet verheffen, dus onherroepelijk maken; bepalen, vaststellen, beschikken, ratificeren.
We vinden in het Latijn woordenparen als
lex en sancire, zoals in sancire legem (“een wet bekrachtigen/
ratificeren”), sancire lege (“ratificeren op grond van de wet”), en lex sancit (“de wet bepaalt of verordent”). De wettelijke terminologie van deze oratie, binnen de
context van “sacrificium”, samen met het begrip differentia , geplaatst naast unum
laat ons het contrast zien tussen de offers van de Mozaïsche Wet van het Oude
Testament en het eens-voor-altijd opgedragen Offer van Christus als fundament
voor het Nieuwe Testament. Het New Book of Word Histories uitgeverij Merriam-Webster
geeft aan dat het woord sancire gerelateerd is aan “sacerdos” – priester, degene
die heilig c.q. onschendbaar maakt.
Legalis, - e, wettelijk,
krachtens/volgens de wet, wettelijk erkend, wettelijk toegestaan, wettelijk
verplicht. Als theologisch begrip: wettisch (m.b.t. de Mozaïsche Wet).
C o m m e n t a a
r
In het Oude Testament werd het volk van God verzoend en gezuiverd voor
God’s aangezicht door het rituele offer van dieren. Deze offers moesten steeds
opnieuw worden gebracht omdat een dergelijk offer niet kon leiden tot
overbrugging van de kloof tussen God en mens. Het volledige en overvloedige
offer van voldoening werd gebracht in het Offer van Christus aan het Kruis.
De Kruisdood van
Christus maakte, eens en voor al, dat er nooit meer bloedige offers behoefden
te worden gebracht. De vruchten van de Kruisdood werken vooruit tot in
eeuwigheid maar ook terug naar het verleden tot en met de zonden der vaderen en
de zondeval in het Paradijs van Eva en Adam (“Gelukkige schuld waaraan wij de
Velosser danken”, klinkt het in de Paasjubelzang). Het bloedige Kruisoffer van
Christus omvat alle bloedige offers onder de Wetten van Mozes. De werkdadigheid
van die voorafgaande offers, door God bevolen aan Zijn Volk, vond zijn
betekenis alleen in anticipatie op het unieke Offer van Christus aan het Kruis. Daarom staat in
dit gebed super munera dat de vele
offers van het Oude Verbond tot voltooiing werd gebracht in het ene en
volmaakte Offer van Christus aan het Kruis.
Er wordt wel
gezegd dat Katholieken in de Heilige Mis steeds opnieuw de Kruisdood pogen te
herhalen. Dat is een ernstige misvatting. De Heilige Mis is hetzelfde Offer,
geen toevoeging. Dit Offer was uniek en daaraan kan niet worden toegevoegd. De
H. Mis is de onbloedige hernieuwing, de tegenwoordigstelling (re-presentatie)
van het Offer van Christus.
In het Heilig
Misoffer offeren wij op onbloedige wijze het Offer terug aan de Vader, dat op
bloedige wijze door Christus aan het
Kruis werd gebracht voor onze Verlossing. Christus is tegelijk het Offer en de
Offerende (hogepriester). Hij geeft zichzelf aan de Vader op sacramentele
wijze. De sacramentele werkelijkheid is even reëel als de historische werkelijkheid. In de H.
Mis worden de vruchten van het onherhaalbare Kruisoffer voor de degenen die
daarbij aanwezigen en degenen voor wie de H. Mis wordt opgedragen, de levenden
en de doden (misintenties). Het Kruisoffer van Christus vond plaats op een
bepaald moment in de tijd. Herhaling is onmogelijk en daaraan kan en behoeft
nies te worden toegevoegd. We hernieuwen het Offer op onbloedige en
sacramentele wijze, zoals Christus ons dat bij het Laatste Avondmaal heeft
opgedragen. De Heilige Mis is — Een
offer waarin het Kruisoffer wordt bestendigd; — Een gedachtenisviering van de
dood en de verrijzenis van de Heer, die zei: ’Doet dit tot een gedachtenis aan
Mij’ (Lukas 22:19); — Een heilig feestmaal waarin het Volk van God, door de
nuttiging van het Lichaam en Bloed van de Heer, in de voordelen van het
Paasoffer deelt, het Nieuwe Verbond hernieuwt dat God door het Bloed van
Christus eens voor altijd met de mens heeft gesloten, en in geloof en hoop het
eschatologische feestmaal in het koninkrijk van de Vader voorspelt en verwacht
en de dood van de Heer verkondigt ’totdat Hij komt’” (Eucharisticum Mysterium,
25 mei 1967).
De H. Mis, het
ware Offer van Christus, mag het allerbeste van ons vragen in alle opzichten.
In de Latijnse tekst heeft de Kerk naar beste vermogen dit Offer verwoord en
tot uitdrukking gebracht. Deze teksten zijn gewijd door millennialang gebruik
in de liturgie. Vertalen is noodzakelijk voor wie het Latijn niet direct
begrijpt. De vertaling van liturgische teksten dient van de hoogste kwaliteit
te zijn. Iedere Rooms Katholiek die vertrouwd is met de teksten van de H. Mis
zal als hij het Latijn maar vaak genoeg heeft gehoord on-middellijk dat wil
zeggen zonder vertaling in en vanuit het Latijn direct begrijpen, wat er
gebeurt. “Daarom geeft de Kerk zich alle zorg en moeite, dat de
christengelovigen dit geheim van het geloof niet als buitenstaanders of als
zwijgende toeschouwers bijwonen, maar dat zij het door de riten en gebeden goed
leren begrijpen en daardoor bewust, godvruchtig en actief deelnemen aan de
heilige handeling, dat zij door Gods woord onderwezen worden, zich voeden aan
de tafel van 's Heren Lichaam en God dank brengen, dat zij het onbevlekt Offer
opdragen niet alleen door de handen van de priester, maar ook tezamen met hem,
en zo zich zelf leren offeren, dat zij eindelijk steeds meer door Christus de Middelaar
uitgroeien tot een volmaakte eenheid met God en met elkaar, opdat tenslotte
Gods alles in allen moge zijn”. (Apostolische Constitutie over de H. Liturgie
Vaticanum II Sacrosanctum Concilium nr. 48). Dat wensen wij
iedere lezer van ganser harte toe iedere keer als hij deel-neemt aan de Heilige
Mis. Veel devotie!
Abonneren op:
Posts (Atom)

















