Matthew 21:28-32
Jesus said to the chief priests and elders of the people, ‘What is your opinion? A man had two sons. He went and said to the first, “My boy, you go and work in the vineyard today.” He answered, “I will not go,” but afterwards thought better of it and went. The man then went and said the same thing to the second who answered, “Certainly, sir,” but did not go. Which of the two did the father’s will?’ ‘The first’ they said. Jesus said to them, ‘I tell you solemnly, tax collectors and prostitutes are making their way into the kingdom of God before you. For John came to you, a pattern of true righteousness, but you did not believe him, and yet the tax collectors and prostitutes did. Even after seeing that, you refused to think better of it and believe in him.’
zaterdag 30 september 2017
Lezingen H. Mis 26e zondag door het jaar A
Eerste lezing (Ez. 18,25-28)
Uit de profeet Ezechiël.
Dit zegt de Heer:
“Gij beweert: De weg van de Heer is niet recht!
Huis van Israël, luister toch!
Zou het werkelijk míjn weg zijn, die niet recht is?
Zijn niet veeleer uw eigen wegen niet recht?
Als een rechtvaardige zich van zijn rechtvaardigheid afkeert
en kwaad gaat doen,
dan zal hij daaraan sterven,
sterven om het kwaad dat hij gedaan heeft.
En als de boosdoener
zich van zijn boze daden afkeert
en gaat handelen naar rechtschapenheid en deugd,
dan zal hij in leven blijven.
Als hij tot inzicht komt
en zich afkeert van zijn slechte daden,
dan blijft hij zeker leven,
dan zal hij niet sterven.”
Tweede lezing (Fil. 2,1-11)
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Filippi.
Broeders en zuster,
als vermaning in Christus en liefdevolle bemoediging
iets vermogen,
als gemeenschap van Geest,
als hartelijkheid en mededogen u iets zeggen,
maakt dan mijn vreugde volkomen
door uw eenheid van denken,
uw eenheid in de liefde,
uw saamhorigheid en eensgezindheid.
Geeft niet toe aan partijzucht en ijdelheid,
maar acht in ootmoed de ander hoger dan uzelf.
Laat niemand alleen zijn eigen belangen behartigen,
maar liever die van zijn naasten.
Die gezindheid moet onder u heersen
welke Christus Jezus bezielde:
Hij die bestond in goddelijke majesteit
heeft zich niet willen vastklampen
aan de gelijkheid met God.
Hij heeft zichzelf ontledigd
en het bestaan van een slaaf op zich genomen.
Hij is aan de mensen gelijk geworden.
En als mens verschenen
heeft Hij zich vernederd
door gehoorzaam te worden tot de dood,
tot de dood aan een kruis.
Daarom heeft God Hem hoog verheven
en Hem de Naam verleend,
die boven alle namen is.
Opdat bij het noemen van zijn Naam
zich iedere knie zou buigen
in de hemel, op aarde en onder de aarde,
en iedere tong zou belijden
tot eer van God, de Vader:
Jezus Christus is de Heer.
Evangelie (Mt. 21,28-32)
In die tijd zei Jezus
tot de hogepriesters en de oudsten van het volk:
“Wat denkt ge van het volgende?
Een man had twee zonen.
Hij ging naar de eerste toe en zei:
Mijn zoon, ga vandaag werken in mijn wijngaard. Goed vader, antwoordde deze, maar hij deed het niet.
Toen ging hij naar de tweede en zei hetzelfde.
Deze antwoordde: Neen, ik wil niet,
maar later kreeg hij spijt en ging toch.
Wie van de twee heeft nu de wil van zijn vader gedaan?”
Zij antwoordden: “De laatste.”
Toen zei Jezus hun:
“Voorwaar, Ik zeg u:
de tollenaars en de ontuchtige vrouwen gaan eerder dan gij het Rijk Gods binnen.
Johannes kwam tot u en beoefende de gerechtigheid;
toch hebt gij hem geen geloof geschonken,
terwijl de tollenaars en de ontuchtige vrouwen
hem wel geloof schonken.
Maar zelfs, nadat ge dit had gezien,
zijt ge toch niet tot inkeer gekomen
en hebt ge hem geen geloof geschonken.”
Uit de profeet Ezechiël.
Dit zegt de Heer:
“Gij beweert: De weg van de Heer is niet recht!
Huis van Israël, luister toch!
Zou het werkelijk míjn weg zijn, die niet recht is?
Zijn niet veeleer uw eigen wegen niet recht?
Als een rechtvaardige zich van zijn rechtvaardigheid afkeert
en kwaad gaat doen,
dan zal hij daaraan sterven,
sterven om het kwaad dat hij gedaan heeft.
En als de boosdoener
zich van zijn boze daden afkeert
en gaat handelen naar rechtschapenheid en deugd,
dan zal hij in leven blijven.
Als hij tot inzicht komt
en zich afkeert van zijn slechte daden,
dan blijft hij zeker leven,
dan zal hij niet sterven.”
Tweede lezing (Fil. 2,1-11)
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Filippi.
Broeders en zuster,
als vermaning in Christus en liefdevolle bemoediging
iets vermogen,
als gemeenschap van Geest,
als hartelijkheid en mededogen u iets zeggen,
maakt dan mijn vreugde volkomen
door uw eenheid van denken,
uw eenheid in de liefde,
uw saamhorigheid en eensgezindheid.
Geeft niet toe aan partijzucht en ijdelheid,
maar acht in ootmoed de ander hoger dan uzelf.
Laat niemand alleen zijn eigen belangen behartigen,
maar liever die van zijn naasten.
Die gezindheid moet onder u heersen
welke Christus Jezus bezielde:
Hij die bestond in goddelijke majesteit
heeft zich niet willen vastklampen
aan de gelijkheid met God.
Hij heeft zichzelf ontledigd
en het bestaan van een slaaf op zich genomen.
Hij is aan de mensen gelijk geworden.
En als mens verschenen
heeft Hij zich vernederd
door gehoorzaam te worden tot de dood,
tot de dood aan een kruis.
Daarom heeft God Hem hoog verheven
en Hem de Naam verleend,
die boven alle namen is.
Opdat bij het noemen van zijn Naam
zich iedere knie zou buigen
in de hemel, op aarde en onder de aarde,
en iedere tong zou belijden
tot eer van God, de Vader:
Jezus Christus is de Heer.
Evangelie (Mt. 21,28-32)
In die tijd zei Jezus
tot de hogepriesters en de oudsten van het volk:
“Wat denkt ge van het volgende?
Een man had twee zonen.
Hij ging naar de eerste toe en zei:
Mijn zoon, ga vandaag werken in mijn wijngaard. Goed vader, antwoordde deze, maar hij deed het niet.
Toen ging hij naar de tweede en zei hetzelfde.
Deze antwoordde: Neen, ik wil niet,
maar later kreeg hij spijt en ging toch.
Wie van de twee heeft nu de wil van zijn vader gedaan?”
Zij antwoordden: “De laatste.”
Toen zei Jezus hun:
“Voorwaar, Ik zeg u:
de tollenaars en de ontuchtige vrouwen gaan eerder dan gij het Rijk Gods binnen.
Johannes kwam tot u en beoefende de gerechtigheid;
toch hebt gij hem geen geloof geschonken,
terwijl de tollenaars en de ontuchtige vrouwen
hem wel geloof schonken.
Maar zelfs, nadat ge dit had gezien,
zijt ge toch niet tot inkeer gekomen
en hebt ge hem geen geloof geschonken.”
Responsorie Lectio altera Lezingendienst H. Hieronymus - Qui custódit legem, fílius sápiens est
Responsorium 2 Tim 3, 16-17; Prov 28, 7a
R/. Omnis Scriptúra divínitus inspiráta est et útilis ad docéndum, ad erudiéndum in iustítia, * Ut perféctus sit homo Dei, ad omne opus bonum instrúctus.
V/. Qui custódit legem, fílius sápiens est. * Ut perféctus.
Responsorie Vgl. 2 Tim. 3, 16-17; Spr. 28, 7
Elk door God geïnspireerd geschrift dient om te onderrichten en om de mensen op te voeden tot een rechtschapen leven. Zo wordt men toegerust voor elk goed werk.
Wie de rechte leer bewaakt, is een verstandige mens.
Zo wordt men toegerust voor elk goed werk.
Responsory
℟. All scripture is inspired by God and can profitably be used for instruction and for teaching men to be holy.* This is how the man who is dedicated to God becomes fully equipped and ready for any good work.
℣. A discerning son is he who keeps the law.* This is how the man who is dedicated to God becomes fully equipped and ready for any good work.
R/. Omnis Scriptúra divínitus inspiráta est et útilis ad docéndum, ad erudiéndum in iustítia, * Ut perféctus sit homo Dei, ad omne opus bonum instrúctus.
V/. Qui custódit legem, fílius sápiens est. * Ut perféctus.
Responsorie Vgl. 2 Tim. 3, 16-17; Spr. 28, 7
Elk door God geïnspireerd geschrift dient om te onderrichten en om de mensen op te voeden tot een rechtschapen leven. Zo wordt men toegerust voor elk goed werk.
Wie de rechte leer bewaakt, is een verstandige mens.
Zo wordt men toegerust voor elk goed werk.
Responsory
℟. All scripture is inspired by God and can profitably be used for instruction and for teaching men to be holy.* This is how the man who is dedicated to God becomes fully equipped and ready for any good work.
℣. A discerning son is he who keeps the law.* This is how the man who is dedicated to God becomes fully equipped and ready for any good work.
vrijdag 29 september 2017
Liturgia Horarum 30 september H. Hieronymus Christus kennen door de H. Schrift
Uit het commentaar van de heilige priester Hiëronymus († 420) op de profeet Jesaja
De heilige Schrift niet kennen, is Christus niet kennen.
Ik geef wat ik schuldig ben, gehoorzaam aan de voorschriften van Christus, die zegt: ‘Onderzoekt de Schriften’ (Joh. 5, 39), en: ‘Zoekt en gij zult vinden’ (Mt. 7, 7) om niet het andere woord te horen: ‘Gij vergist u, omdat gij noch de Schrift noch Gods macht kent’ (Mt. 22, 29). Want als Christus volgens de apostel Paulus ‘Gods kracht en Gods wijsheid’ (1 Kor. 1, 24) is, zal ook hij die de heilige Schrift niet kent, Gods kracht en Gods wijsheid niet kennen. De heilige Schrift niet kennen, is Christus niet kennen.
Daarom zal ik de huisvader navolgen die uit zijn schat nieuw en oud te voorschijn haalt (vgl. Mt. 13, 52); en ook de bruid die in het Hooglied zegt: ‘Jonge vruchten en oude: ik spaarde ze voor u, mijn beminde’ (Hoogl. 7, 14). En zo ga ik Jesaja uitleggen om hem niet alleen als profeet, maar ook als evangelist en apostel voor te stellen. Want hij zegt over zichzelf en de overige evangelisten: ‘Hoe welkom zijn de voeten van de vreugdeboden die de vrede komen melden en het goede nieuws brengen’ (Jes. 52, 7). En tot hem spreekt God als tot een apostel: ‘Wie zal Ik zenden en wie zal gaan in onze Naam?’ En hij antwoordde: ‘Hier ben ik, zend mij’ (Jes. 6, 8).
Men mene niet dat ik de onderwerpen van dit boek kort wil samenvatten, omdat dit gedeelte van de heilige Schrift alle mysteries van de Heer bevat. Hij wordt verkondigd als de Emmanuël, geboren uit de Maagd, als bewerker van schitterende daden en tekenen, als gestorven en begraven en verrezen uit de doden en als de Verlosser van alle volken. Wat zou ik hier gaan spreken over menselijke wetenschappen? Immers, al wat er in de heilige Schrift aan heiligs staat opgetekend, al wat de menselijke taal kan voortbrengen en wat het verstand kan bevatten, ligt in dit boek van de profeet opgesloten. Over de mysteries erin getuigt de schrijver zelf: ‘Elk visioen is voor u als de tekst van een verzegeld boek: geeft men het aan iemand die kan lezen met het verzoek: lees dit eens, dan zal hij zeggen: dat kan ik niet, het is verzegeld. Geeft men het aan iemand die niet kan lezen, met het verzoek: lees dit eens, dan zegt hij: ik kan niet lezen’ (Jes. 29, 11-12).
Als dit iemand niet veel zegt, laat hij dan eens luisteren naar dit andere woord van de apostel Paulus: ‘Wat de profeten betreft: twee of drie mogen het woord voeren en de overigen moeten het beoordelen. Wanneer een ander, die nog gezeten is, een openbaring krijgt, moet de eerste zwijgen’ (1 Kor. 14, 29 -30). Maar hoe kunnen zij zwijgen, daar het in de macht van de Geest ligt, die door de profeten spreekt, om ofwel te zwijgen ofwel te spreken? Want als zij begrepen wat zij zeiden, is alles vol wijsheid en verstand. Er kwam ook geen luchtstroom, door de stem bewogen, tot hun oren. Maar God sprak in de geest van zijn profeten, volgens hetgeen een andere profeet zegt: ‘De engel die in mij sprak’ (Zach. 1, 9), en: ‘Hij heeft de Geest van zijn Zoon in ons hart gezonden die roept: Abba, Vader!’ (Gal. 4, 6), en: ‘Ik zal luisteren naar hetgeen de Heer God in mij spreekt’ (Ps. 85 (84), 9 - LXX).
De heilige Schrift niet kennen, is Christus niet kennen.
Ik geef wat ik schuldig ben, gehoorzaam aan de voorschriften van Christus, die zegt: ‘Onderzoekt de Schriften’ (Joh. 5, 39), en: ‘Zoekt en gij zult vinden’ (Mt. 7, 7) om niet het andere woord te horen: ‘Gij vergist u, omdat gij noch de Schrift noch Gods macht kent’ (Mt. 22, 29). Want als Christus volgens de apostel Paulus ‘Gods kracht en Gods wijsheid’ (1 Kor. 1, 24) is, zal ook hij die de heilige Schrift niet kent, Gods kracht en Gods wijsheid niet kennen. De heilige Schrift niet kennen, is Christus niet kennen.
Daarom zal ik de huisvader navolgen die uit zijn schat nieuw en oud te voorschijn haalt (vgl. Mt. 13, 52); en ook de bruid die in het Hooglied zegt: ‘Jonge vruchten en oude: ik spaarde ze voor u, mijn beminde’ (Hoogl. 7, 14). En zo ga ik Jesaja uitleggen om hem niet alleen als profeet, maar ook als evangelist en apostel voor te stellen. Want hij zegt over zichzelf en de overige evangelisten: ‘Hoe welkom zijn de voeten van de vreugdeboden die de vrede komen melden en het goede nieuws brengen’ (Jes. 52, 7). En tot hem spreekt God als tot een apostel: ‘Wie zal Ik zenden en wie zal gaan in onze Naam?’ En hij antwoordde: ‘Hier ben ik, zend mij’ (Jes. 6, 8).
Men mene niet dat ik de onderwerpen van dit boek kort wil samenvatten, omdat dit gedeelte van de heilige Schrift alle mysteries van de Heer bevat. Hij wordt verkondigd als de Emmanuël, geboren uit de Maagd, als bewerker van schitterende daden en tekenen, als gestorven en begraven en verrezen uit de doden en als de Verlosser van alle volken. Wat zou ik hier gaan spreken over menselijke wetenschappen? Immers, al wat er in de heilige Schrift aan heiligs staat opgetekend, al wat de menselijke taal kan voortbrengen en wat het verstand kan bevatten, ligt in dit boek van de profeet opgesloten. Over de mysteries erin getuigt de schrijver zelf: ‘Elk visioen is voor u als de tekst van een verzegeld boek: geeft men het aan iemand die kan lezen met het verzoek: lees dit eens, dan zal hij zeggen: dat kan ik niet, het is verzegeld. Geeft men het aan iemand die niet kan lezen, met het verzoek: lees dit eens, dan zegt hij: ik kan niet lezen’ (Jes. 29, 11-12).
Als dit iemand niet veel zegt, laat hij dan eens luisteren naar dit andere woord van de apostel Paulus: ‘Wat de profeten betreft: twee of drie mogen het woord voeren en de overigen moeten het beoordelen. Wanneer een ander, die nog gezeten is, een openbaring krijgt, moet de eerste zwijgen’ (1 Kor. 14, 29 -30). Maar hoe kunnen zij zwijgen, daar het in de macht van de Geest ligt, die door de profeten spreekt, om ofwel te zwijgen ofwel te spreken? Want als zij begrepen wat zij zeiden, is alles vol wijsheid en verstand. Er kwam ook geen luchtstroom, door de stem bewogen, tot hun oren. Maar God sprak in de geest van zijn profeten, volgens hetgeen een andere profeet zegt: ‘De engel die in mij sprak’ (Zach. 1, 9), en: ‘Hij heeft de Geest van zijn Zoon in ons hart gezonden die roept: Abba, Vader!’ (Gal. 4, 6), en: ‘Ik zal luisteren naar hetgeen de Heer God in mij spreekt’ (Ps. 85 (84), 9 - LXX).
zondag 24 september 2017
Lezingenofficie 25e zondag door het jaar Liturgia Horarum
Sint Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo
Gozzoli (1420-1497)
Eerste lezing
Uit
het Boek van de profeet Ezechiël 24, 15-27
Het
leven van de profeet een teken voor het volk
De Heer richtte zich tot mij: ‘Door een plotselinge
slag zal ik het liefste wat je hebt van je wegnemen. Je mag daar niet om rouwen
of treuren, en je tranen niet laten vloeien. Klaag in stilte, rouw niet om de
dode. Wikkel een tulband om en doe je sandalen aan; bedek je baard niet en eet
niet van het brood dat de mensen je brengen.’ Die ochtend sprak ik nog tegen
het volk, en ’s avonds stierf mijn vrouw. De volgende morgen deed ik wat mij
was opgedragen. Het volk vroeg mij: ‘Wilt u ons uitleggen waarom u zich zo
gedraagt, en wat dat voor ons betekent?’ Ik antwoordde: ‘De Heer heeft zich tot
mij gericht. Hij droeg me op tegen het volk van Israël te zeggen: “Dit zegt
God, de Heer: Ik ga mijn heiligdom ontwijden, de plaats waaraan jullie je trots
en kracht ontlenen, jullie liefste bezit, de plaats waarnaar jullie hart
verlangt. De zonen en dochters die jullie daar achtergelaten hebben, zullen
vallen door het zwaard. Jullie zullen doen wat ik heb moeten doen: Jullie mogen
je baard niet bedekken, en niet eten van het brood dat de mensen jullie
brengen. Wikkel een tulband om en doe je sandalen aan, rouw niet en treur niet.
Jullie schuld wordt jullie ondergang, en jullie zullen bij elkaar je leed
klagen. Zo zal Ezechiël voor jullie een teken zijn: zoals hij heeft gedaan, zo
moeten jullie doen. Als het onheil komt, zullen jullie beseffen dat ik God, de
Heer, ben.” ‘Mensenkind, op de dag dat ik hun vesting – hun stralende vreugde,
hun liefste bezit, hun hartsverlangen – van hen wegneem, en ook hun zonen en
dochters, op die dag zal er een overlevende bij je komen om je dat te
berichten. Op die dag zal je mond geopend worden, je zult weer kunnen spreken
en niet langer stom zijn. Zo zul je voor het volk een teken zijn, en zij zullen
weten dat ik de Heer ben.’
Tweede lezing
Preek over ‘De herders’ van de H.
Augustinus, bisschop 8
(ontleend aan Ezechiël 34)
Over de zwakke
christenen
Wat
zwak is, zegt de Heer, hebt
gij niet gesterkt. Hij spreekt hier tot de slechte herders , de valse
herders, tot de herders, die hun eigen belangen zoeken, niet die van Jezus
Christus, die zich verheugen in het goed van de melk en de wol, maar geen
enkele zorg hebben voor de schapen zelf en die er slecht aan toe zijn niet
sterken. Tussen een zwakke, dit is een niet-sterke – want de zwakke worden ook
zieken genoemd – tussen zwakke en zieke, dit is met wie het slecht gesteld is,
schijnt mij het volgende verschil te bestaan.
Wat
wij nu trachten zo goed mogelijk van elkaar te onderscheiden, kunnen wij
misschien nog beter bereiken door grotere zorg, en ook een ander zou dit kunnen
doen, die meer ervaren is en rijker in de verlichting van de harten. Opdat gij
intussen niet misleid wordt, wat de woorden van de Schrift betreft, zal ik u
mijn mening zeggen. Voor de zwakke is het te vrezen, dat hem een beproeving
overkomt, die hem knakt. Wie kwijnt is al ziek door een of andere begeerte en
wordt daardoor verhinderd de weg naar God in te slaan en het juk van Christus
op te nemen.
Let
maar eens op die mensen, die de wil hebben goed te leven. Zij maken wel het
voornemen goed te leven, maar blijken minder geschikt kwaad te verduren dan zij
bereid waren goed te doen. Het behoort evenwel tot de standvastigheid van de
christen niet alleen goed te doen, maar ook de beproeving te verdragen. Wie dus
vurig schijnen in het doen van het goede, maar het dreigend leed niet kunnen of
willen dragen, zijn zwakkelingen. En wie door een slechte neiging als minnaars
van de wereld van de goede werken zelf worden afgehouden, die liggen kwijnend
en ziek te neer, daar zij juist door die ziekte als het ware zonder enige
kracht niets goeds kunnen verrichten.
Zo iemand is in
mijn ziel als die lamme (in het Evangelie). Toen anderen hem niet naar de Heer
konden binnendragen, opende zij het dak en lieten hem zo naar beneden. Dit is
alsof gij in uw ziel het dak wilt openen en uw verlamde ziel voor de Heer wilt
neerleggen, in al haar vermogens verlamd en niet in staat tot enig goed werk,
bezwaard namelijk door haar zonden en kwijnend door de ziekte van haar begeerten.
Als dan al die vermogens zijn verlamd en de verlamming inwendig is, moet
gij naar de geneesheer komen – misschien is die geneesheer verborgen en is hij
inwendig aanwezig: dat ware verstaan licht in de Schrift verdekt opgesteld – en
open het dak en leg de lamme neer om het verborgene bloot te leggen.
Gij
hebt gehoord, wat ook zij moesten horen, die dit niet doen en verwaarlozen: Wat
er slecht aan toe is, hebt gij niet gesterkt; en wat neergeslagen was, hebt gij
niet verbonden: hierover hebben wij al gesproken. Hij was immers gebroken
door de schrik voor de beproevingen. Maar daar komt iets bij, waardoor wat
gebroken was wordt verbonden, namelijk deze troost: God is getrouw: Hij zal
niet toelaten, dat gij boven uw krachten beproefd wordt, maar met de beproeving
bepaalt Hij al het einde, zodat gij ze kunt doorstaan.
(Sermo 46. 13: CCL 41, 539-540)
vrijdag 22 september 2017
Lezingen H. Mis 25e zondag door het jaar A
Eerste lezing (Jes. 55,6-9)
Uit de Profeet Jesaja.
Zoekt de Heer nu Hij zich laat vinden,
roept Hem aan nu Hij nabij is.
De ongerechtige moet zijn weg verlaten,
de zondaar zijn gedachten;
hij moet naar de Heer terugkeren
- de Heer zal zich erbarmen -
terug naar onze God, die altijd wil vergeven.
Uw gedachten zijn nu eenmaal niet mijn gedachten,
mijn wegen niet uw wegen
- is de godsspraak van de Heer -
maar zoals de hemel hoog boven de aarde is,
zo hoog gaan mijn wegen uw wegen te boven
en mijn gedachten uw gedachten.
Tweede lezing (Fil. 1,20c-24.27a)
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Filippi.
Broeders en zusters,
of ik leven moet of sterven, Christus zal in mij verheerlijkt worden.
Voor mij toch is het leven Christus
en het sterven een winst.
Maar blijf ik leven, dan wacht mij vruchtbare arbeid.
Daarom weet ik niet wat ik moet kiezen.
Ik word naar twee kanten getrokken:
ik verlang heen te gaan om met Christus te zijn,
want dat is verreweg het beste.
Maar voor u is het nuttiger dat ik nog hier blijf.
Alleen, gij moet een leven leiden
dat het evangelie van Christus waardig is.
Evangelie (Mt. 20,1-16a)
In die tijd vertelde Jezus aan zijn leerlingen de volgende gelijkenis:
“Met het Rijk der hemelen is het als met een landeigenaar,
die vroeg in de morgen uitging
om arbeiders te huren voor zijn wijngaard.
Hij werd het met de arbeiders eens voor een denarie per dag
en stuurde ze naar de wijngaard.
Rond het derde uur ging hij er weer op uit
en zag nog anderen werkeloos op de markt staan.
En hij zei tot hen:
Gaat ook naar mijn wijngaard
en ik zal u geven wat billijk is.
En zij gingen.
Rond het zesde en negende uur ging hij nog eens uit en deed hetzelfde.
Rond het elfde uur ging hij opnieuw uit
en vond er weer anderen staan.
Hij zei tot hen:
Wat staat ge hier de hele dag werkeloos?
Zij antwoordden hem:
niemand heeft ons gehuurd.
Daarop zei hij tot hen:
Gaat ook gij naar mijn wijngaard.
Bij het vallen van de avond
sprak de eigenaar van de wijngaard tot zijn rentmeester:
Roep de arbeiders en betaal hen uit,
te beginnen bij de laatsten en zo tot de eersten.
Toen de arbeiders van het elfde uur kwamen,
kregen zij elk een denarie;
toen nu ook de eersten kwamen,
meenden dezen dat zij meer zouden krijgen,
maar ook zij kregen ieder de overeengekomen denarie.
Ze namen hem wel aan,
maar begonnen tegen de landeigenaar te morren
en zeiden:
Dezen hier, die het laatst gekomen zijn,
hebben maar één uur gewerkt
en gij stelt ze gelijk met ons,
die de last van de dag en de brandende hitte hebben gedragen.
Maar hij antwoordde één van hen:
Vriend, ik doe u toch geen onrecht?
Zijt gij niet met mij overeengekomen voor een denarie?
Neemt wat u toekomt en ga heen.
Ik wil aan degene die het laatst gekomen is,
evenveel geven als aan u.
Mag ik soms met het mijne niet doen wat ik verkies
of zijt gij kwaad, omdat ik goed ben?
Zo zullen de laatsten de eersten
en de eersten de laatsten zijn.”
Uit de Profeet Jesaja.
Zoekt de Heer nu Hij zich laat vinden,
roept Hem aan nu Hij nabij is.
De ongerechtige moet zijn weg verlaten,
de zondaar zijn gedachten;
hij moet naar de Heer terugkeren
- de Heer zal zich erbarmen -
terug naar onze God, die altijd wil vergeven.
Uw gedachten zijn nu eenmaal niet mijn gedachten,
mijn wegen niet uw wegen
- is de godsspraak van de Heer -
maar zoals de hemel hoog boven de aarde is,
zo hoog gaan mijn wegen uw wegen te boven
en mijn gedachten uw gedachten.
Tweede lezing (Fil. 1,20c-24.27a)
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Filippi.
Broeders en zusters,
of ik leven moet of sterven, Christus zal in mij verheerlijkt worden.
Voor mij toch is het leven Christus
en het sterven een winst.
Maar blijf ik leven, dan wacht mij vruchtbare arbeid.
Daarom weet ik niet wat ik moet kiezen.
Ik word naar twee kanten getrokken:
ik verlang heen te gaan om met Christus te zijn,
want dat is verreweg het beste.
Maar voor u is het nuttiger dat ik nog hier blijf.
Alleen, gij moet een leven leiden
dat het evangelie van Christus waardig is.
Evangelie (Mt. 20,1-16a)
In die tijd vertelde Jezus aan zijn leerlingen de volgende gelijkenis:
“Met het Rijk der hemelen is het als met een landeigenaar,
die vroeg in de morgen uitging
om arbeiders te huren voor zijn wijngaard.
Hij werd het met de arbeiders eens voor een denarie per dag
en stuurde ze naar de wijngaard.
Rond het derde uur ging hij er weer op uit
en zag nog anderen werkeloos op de markt staan.
En hij zei tot hen:
Gaat ook naar mijn wijngaard
en ik zal u geven wat billijk is.
En zij gingen.
Rond het zesde en negende uur ging hij nog eens uit en deed hetzelfde.
Rond het elfde uur ging hij opnieuw uit
en vond er weer anderen staan.
Hij zei tot hen:
Wat staat ge hier de hele dag werkeloos?
Zij antwoordden hem:
niemand heeft ons gehuurd.
Daarop zei hij tot hen:
Gaat ook gij naar mijn wijngaard.
Bij het vallen van de avond
sprak de eigenaar van de wijngaard tot zijn rentmeester:
Roep de arbeiders en betaal hen uit,
te beginnen bij de laatsten en zo tot de eersten.
Toen de arbeiders van het elfde uur kwamen,
kregen zij elk een denarie;
toen nu ook de eersten kwamen,
meenden dezen dat zij meer zouden krijgen,
maar ook zij kregen ieder de overeengekomen denarie.
Ze namen hem wel aan,
maar begonnen tegen de landeigenaar te morren
en zeiden:
Dezen hier, die het laatst gekomen zijn,
hebben maar één uur gewerkt
en gij stelt ze gelijk met ons,
die de last van de dag en de brandende hitte hebben gedragen.
Maar hij antwoordde één van hen:
Vriend, ik doe u toch geen onrecht?
Zijt gij niet met mij overeengekomen voor een denarie?
Neemt wat u toekomt en ga heen.
Ik wil aan degene die het laatst gekomen is,
evenveel geven als aan u.
Mag ik soms met het mijne niet doen wat ik verkies
of zijt gij kwaad, omdat ik goed ben?
Zo zullen de laatsten de eersten
en de eersten de laatsten zijn.”
Abonneren op:
Posts (Atom)





