woensdag 25 mei 2016

25 mei H. Gregorius VII, paus Liturgia Horarum


Hildebrand, die in 1073 het pausschap aanvaardde onder de naam Gregorius VII, werd rond het jaar 1028 in Toscane geboren. Te Rome opgevoed, werd hij vervolgens monnik en was hij de pausen van zijn tijd behulpzaam. Vele opdrachten met betrekking tot de hervorming van de kerk vervulde hij voor hen. Als paus bevorderde hij krachtig de verbetering van de kerkelijke toestanden. Hij stierf in 1085 te Salerno, waarheen hij was gevlucht voor de bedreiging van zijn tegenstander, keizer Hendrik IV.

Uit een brief van de heilige paus Gregorius VII († 1085) aan alle gelovigen

De kerk is vrij, zuiver en katholiek


Wij vragen en smeken u in de Heer Jezus, die ons door zijn dood heeft verlost: probeer door een nauwgezet onderzoek te begrijpen, waarom en hoe wij de kwellingen en angsten moeten verdragen die ons door de vijanden van de christelijke godsdienst worden aangedaan.
Door Gods beschikking heeft onze moeder, de heilige Kerk, mij op de Apostolische Stoel geplaatst, al ben ik daartoe niet geschikt, en - God is mijn getuige - dit was tegen mijn zin. Maar sindsdien heb ik mij er tot het uiterste voor ingezet, dat de kerk, Gods bruid en onze meesteres en moeder, tot haar eigen schoonheid zou terugkeren en dat zij daardoor vrij, zuiver en katholiek zou blijven.
Maar onze oude vijand, aan wie dit in het geheel niet zint, heeft zijn trawanten tegen ons te wapen geroepen om alles in het tegendeel te doen verkeren.
Daarom heeft hij tegen ons, of liever tegen de Apostolische Stoel, zo’n activiteit ontplooid als hij sinds de tijd van keizer Constantijn de Grote niet heeft gekund. Maar dat is niet te verwonderen. Want naarmate de eindtijd nadert, spant hij zich des te meer in om de christelijke godsdienst uit te roeien.
Maar, mijn geliefde broeders en zusters, luistert nu nauwgezet naar wat ik u zeg. Allen die over de gehele aardschijf christen genoemd worden en het christelijk geloof werkelijk kennen, weten en geloven dat de heilige Petrus, als eerste van de apostelen, de vader is van alle christenen en de eerste herder na Christus, en dat de heilige kerk van Rome de moeder en lerares van alle kerken is.
Als gij dit gelooft en hieraan zonder te twijfelen vasthoudt, vraag ik u en draag ik u op, als uw broeder - hoe dan ook - en uw onwaardige leermeester: omwille van God almachtig, kom deze vader en deze moeder van u te hulp, als gij van hen de vergeving van uw zonden wilt verkrijgen, en de zegen en de genade in deze wereld en in de toekomstige wilt ontvangen.
De almachtige God, uit wie al het goede voortkomt, moge altijd uw geest verlichten en met de liefde tot Hem en tot de medemens bevruchten. Dan zult gij die vader en die moeder door waarachtige toewijding tot uw schuldenaren maken, en zo zonder schande tot de gemeenschap met Hem komen.

Heer, wij gedenken vandaag de heilige Gregorius, die als paus geijverd heeft om onrecht te herstellen en de naastenliefde te doen beleven. Wij vragen U: geef aan uw kerk de moed om op te komen voor vrede en rechtvaardigheid.
 

H. Petrus Canisius [1521-1597]: Vijftien voorrechten van de H. Maagd


Het is de eer van den almachtige God zelf, die ons aanspoort en opwekt de H. Maagd Maria te loven en te verheerlijken.
God immers wil en vraagt, dat wij Hem loven en eren in alle schepselen omdat Hij ze alle tot zijn lof geschapen heeft.
Maar bijzonder in zijn redelijke schepselen wil Hij worden geëerd, en bovenal in zijn zaligen en heiligen, in wie Hij immers zijn macht, zijn wijsheid en zijn goedheid bijzonder doet uitstralen. En daarom wil Hij boven allen geprezen worden in Maria, die zowel in waardigheid als in genade, in heiligheid en in glorie, onder al de met verstand begaafde schepselen op aarde en in de hemel de hoogste is.
Beschouwen wij daarom haar voorrechten, één voor één.

Haar eerste voorrecht is hierin gelegen: dat God de Vader haar van eeuwigheid heeft liefgehad, en haar boven alle andere schepselen heeft bevoorrecht en verkoren. Hij heeft haar voorbestemd, om Moeder van zijn Zoon te worden: de hoogste waardigheid, het verhevenste ambt, ooit aan een schepsel toevertrouwd.
De Zoon van de eeuwige Vader heeft zich deze maagd alleen verkoren om in haar en uit haar van God te worden tot mens, en de mens aldus te verheffen tot de hoogte der Godheid.
De H. Geest heeft haar uitverkoren tot zijn Bruid, en haar met alle genade getooid en vervuld opdat zij de zuivere, waardige, gezegende Moeder van God zou zijn, en na Christus, haar Zoon, boven allen verheven.

Haar tweede voorrecht is dat zij reeds aan onze eerste ouders in het paradijs werd beloofd als de vrouw, die door haar Kind Satans kop verpletteren en de wereld uit Satans macht bevrijden zou.
Ook werd zij verder voorafgebeeld door talrijke figuren in het Oude Verbond:
Zij immers is de Ark van Noë; de Verbondsark gesierd met goud, waarin het ware manna rustte. Zij is de priesterstaf van Aäron, die zonder wortel bloeide; de vacht van Gedeon; de Oosterpoort, steeds gesloten en waardoor alléén de Koning binnentrad. Zij is de eerzame Sara, de schone Rebecca, de geliefde Rachel; Esther, de koningin; de overwinnende Judith, de moeder van Salomon, zozeer door deze verheven.
Háár heeft Isaïas voorspeld als de Maagd die baren zou: “Zie, de maagd zal ontvangen en een Zoon baren, en zijn naam zal genoemd worden Emmanuël.”
Zij is de twijg uit de wortel van Jesse, waaraan een bloem zou ontluiken: “Een twijg zal ontspruiten aan de wortel van Jesse, en een bloem zal aan zijn wortel ontluiken.”
Van háár sprak Salomon: “Gij zijt geheel schoon, mijn vriendin, en in u is er geen vlek”. En zo vele eeuwen zag Israël uit naar deze Messiasmoeder, uit het zaad van Abraham, de stam van Juda en Davids geslacht.

Johannes Ruusbroec, mysticus De kloosterling draagt Christus’ kleed 1


Johannes Ruusbroec, mysticus
*1293 Ruisbroek - + 1381 Klooster Groenendaal

De kloosterling draagt Christus’ kleed 1

1. Het uitwendig kleed van Christus

“Christus gaf aan zijn apostelen geen ander ‘abijt van buten in cleederen’, dan alleen zijn eigen levenswijze: onschuldig, ootmoedig leven, eerzame omgang, zacht en goedertieren zijn, de wereld versmaden, arbeid en lijden liefhebben, trouw zijn tegenover alle mensen, dienen, sterven, onderrichten, leven voor allen zonder onderscheid en gehoorzaam zijn aan zijn hemelse Vader tot de dood toe” (XII Beghinen, IV, 138). Dat was het habijt, waarmede Jezus uiterlijk in Palestina verscheen. Ruusbroec kan zich niet weerhouden even zijn afkeuring te laten blijken voor die monniken uit zijn tijd, die deze christusgelijkende levenswandel niet in praktijk brachten. Voor hen in ’t bijzonder zal de haren pij de heilige monnik niet maken, maar hun eerder tot beschaming strekken: “Dit was dan het habijt waarmede Christus zijn discipelen uitwendig gekleed heeft. Maar die thans in de kloosters het geestelijk kleed dragen en tegenovergesteld aan de opgenoemde punten leven, zullen daardoor alleen schande en beschaming oplopen, zowel hier als hiernamaals” (ib.).
Het is wel duidelijk dat Ruusbroec met het uitwendig habijt van de kloosterling het optreden van Jezus te midden van zijn apostelen bedoelde: “Hi en gaf hen gheen abijt van buten in cleederen, dan alsoe als Hi gheleeft hadde” (ib.).
Van de andere kant ligt hier nog een diepere betekenis: de opgesomde eigenschappen van Jezus’ leven betreffen niet louter de uiterlijke levensvorm. Als men ze vergelijkt met die eigenaardigheden, die hij bij het ‘inwendig’ kleed naar voren brengt, blijkt het wel, dat wij in dit uitwendig habijt het werkende leven mogen zien, dat immers steeds blijft voortbestaan in of naast verdere en hogere stadia van het geestelijk leven.

(Uit L.Moereels SJ, Ruusbroec en het religieuze leven)