woensdag 5 augustus 2015

6 augustus Liturgia Horarum – Getijdengebed

6 augustus
Liturgia Horarum – Getijdengebed

Uit een preek over de Gedaanteverandering des Heren, van Anastasius Sinaïta, bisschop

Het is ons goed hier te zijn

Dit mysterie heeft Jezus zijn leerlingen geopenbaard op de berg Thabor. Want nadat Hij, onder hen wandelend, gesproken had over zijn Rijk en over zijn tweede komst in heerlijkheid, om hen, die misschien nog niet voldoende zeker waren van wat Hij over zijn Rijk had voorzegd, tenslotte op de allerzekerste manier tot in het diepst van hun hart daarvan te overtuigen. En opdat zij door wat zij nu meemaken in het toekomstige gebeuren zouden geloven, toonde Hij hun op wonderbare wijze de goddelijke openbaring op de berg Thabor, als een voorafbeelding van het Rijk der hemelen. Alsof Hij kortweg dit wilde zeggen: “Om te voorkomen, dat er onder u een tijd van ongeloof zou ontstaan, daarom nu terstond zeg Ik u: Voorwaar, er zijn er onder de hier aanwezigen, die de dood niet zullen ervaren voordat zij de Mensenzoon zullen zien komen in de glorie van zijn Vader”.

Om aan te tonen, dat de macht van Christus overeenkomt met zijn Wil, voegt de Evangelist eraan toe: Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jacobus en Johannes met Zich mee en bracht hen boven op een hoge berg. Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd, zijn gelaat begon te stralen als de zon en zijn kleed werd glanzend als sneeuw. Opeens verschenen Mozes en Elias, die zich met Hem onderhielden.

Dit zijn de wonderen van het huidige feest, dat is voor ons het heilzame mysterie, dat nu op de berg vervuld is. Want tegelijk brengt zowel de dood van Christus als zijn feest ons nu te samen. Om derhalve tot in het diepst van deze onuitsprekelijke en heilige mysteriën te kunnen doordringen tegelijk met de daartoe uitgekozen door God geïnspireerde leerlingen, moeten wij naar die goddelijke en heilige stem luisteren, die ons vanuit den hoge, vanaf de bergtop zonder ophouden samenroept.

Daarheen moeten wij ons haasten – vol moed zeg ik – zoals Jezus, die hier in de hemel onze Leider en Voorloper is, met Wie wij eens geestelijk zullen schitteren, terwijl onze ziel in zekere zin nieuwe trekken heeft gekregen, wij naar zijn Beeld zijn gevormd, en voor altijd van gedaante veranderd, zoals Hij zelf, deelgenoot geworden aan de goddelijke natuur en tot het hoogste toegankelijke.

Laten wij daarheen snellen, vol vuur en blijdschap, en laten wij tot in het binnenste van de wolk doordringen, geworden als Mozes en Elias, of als Jacobus en Johannes. Wees zoals Petrus, weggevoerd in het goddelijk visioen en in de verschijning, omgevormd door die heerlijke Gedaanteverandering, verheven uit de wereld, ontrukt aan de aarde. Laat het vlees achter u, verlaat de schepping en keer u naar de Schepper, tot wie Petrus in verrukking uitriep: Heer, het is goed voor ons hier te zijn.
Zeker, Petrus, het is voor ons werkelijk goed hier te zijn met Jezus en hier voor altijd te blijven. Wat is er gelukkiger, wat grootser, wat voortreffelijker dan met God te zijn, aan Hem gelijkvormig te worden, in het Licht bevonden te worden? Eenieder van ons, die God in zich heeft en in zijn goddelijk beeld is herschapen, kan zonder twijfel ook met vreugde uitroepen: Het is voor ons goed hier te zijn, waar alles licht is, waar vreugde is en zaligheid en blijdschap, waar alles in het hart rustig is, sereen en heerlijk, waar (Christus) onze God wordt aanschouwd. Daar waar Hij met de Vader zijn verblijf vestigt en daar aankomend zegt: Vandaag is dit huis heil ten deel gevallen; waar met Christus schatten zich ophopen van eeuwige goederen; waar de eerstelingen en de afbeeldingen van de toekomstige eeuwen als in een spiegel worden weergegeven.


(Nn. 6-10 Mélanges d’archéologie et d’histoire 67 [1955], 241-244)

dinsdag 4 augustus 2015

Lezing uit Liturgia Horarum / Getijdenboek 5 augustus Kerkwijding van Maria de Meerdere

Lezing uit Liturgia Horarum / Getijdenboek

5 augustus Kerkwijding van Maria de Meerdere

Uit de volgende passage van de gloedvolle homilie van de H. Cyrillus van Alexandrië, komt duidelijk naar voren hoe de formulering van de trinitaire en Mariale dogma’s in de volle aandacht van de Kerk staan.

Uit de homilie van de H. Bisschop Cyrillus van Alexandrië, gehouden op het Concilie van Efese

Lof op de Moeder Gods Maria

De vergadering van de heiligen, die uitgenodigd door de H. Moeder Gods en Maagd Maria, hier bereidwillig zijn samengekomen, zie ik met vreugde rechtop staan. Daarom, al werd ik door veel droefheid gedrukt, toch baart de aanblik van de concilievaders mij hier vreugde. Thans is dit heerlijke psalmwoord van de dichter David bij ons in vervulling gegaan: “Ziet, hoe goed en aangenaam is het, als broeders samen te wonen” (Ps 132,1).

Wees daarom door ons gegroet, heilige ondoorgrondelijke Drievuldigheid, die ons allen hebt bijeengeroepen in deze kerk van de heilige Godsmoeder.
Wees door ons gegroet, Moeder Gods Maria, eerbiedwaardige schat van de gehele wereld, onuitblusbare lamp, kroon van de maagden, scepter van de ware leer, onverwoestbare tempel, plaats van Hem die door geen plaats bevat kan worden, Moeder en Maagd van Hem die “gezegend” wordt genoemd in de heilige Evangeliën: “Gezegend die komt in de naam des Heren” (Mt 21,9).
Wees gegroet, Gij, die Hem in uw schoot hebt omvat, die onmetelijk is en niet omvat kan worden; van wie het kostbaar Kruis gevierd en over de gehele aarde vereerd wordt; door wie de hemel zich verblijdt; door wie de engelen en aartsengelen zich verheugen; door wie duivels op de vlucht worden geslagen; door wie het gevallen schepsel weer in de hemel wordt opgenomen; door wie de gehele schepping, vastgehouden in de waanzin der afgoderij, tot de erkenning van de waarheid komt; door wie  het H. Doopsel ten deel valt aan de gelovigen; uit wie de olie der blijdschap ontspringt; door wie over heel de aarde de Kerk is gesticht; die wie de volkeren tot inkeer worden gebracht.

En wat moet ik dan nog meer zeggen? Zij was degene, door wie de Eniggeboren Zoon Gods als een licht is gaan stralen “voor hen die in de duisternis en in de schaduw van de doods gezeten waren (Lk 1,79): Hem hebben de profeten voorzegd; Hem de apostelen als heil aan de volkeren verkondigd; door Hem verrijzen de doden; door Hem regeren de koningen.

Wie zou naar waarde deze allerlofwaardigste Maria kunnen prijzen? Zij is zowel Moeder als Maagd; welke een wonder waarover ik verstomd sta! Wie heeft ooit vernomen, dat een architect verhinderd wordt te wonen in zijn eigen tempel, die hij zelf heeft gebouwd; wie zou er geminacht worden omdat Hij zijn eigen dienstmaagd tot zijn moeder koos?
Ziet dus, hoe alles van vreugde vervuld is; moge het ons ten deel vallen de ene en onverbeelde Dreëenheid met huiver te vereren en in aanbidding goddelijke eer te bewijzen door Maria te loven, altijd maagd en heilige tempel van God alsmede haar Zoon én onbevlekte Bruidegom: want aan hem komt de heerlijkheid, de glorie en de eer in de eeuwen der eeuwen. Amen.


(Hom. 4: PG 77, 991. 995-996)

5 augustus OLV ter Sneeuw

H. Pastoor van Ars "De schone plicht van de mens is: bidden en beminnen"

Lezing uit Liturgia Horarum / Getijdengebed
4 augustus, gedachtenis van de H.Johannes Maria Vianney, priester [1786-1859] - Pastoor van Ars

Uit zijn catechetisch onderricht:

De schone plicht van de mens is: bidden en beminnen

Overdenk dit, mijn kinderen: de schat van de christen ligt niet op aarde, maar in de hemel. Daarom moeten onze gedachten daarheen gericht worden, waar onze schat is.

Dat is de schone bediening en plicht van de mens: bidden en beminnen. Als gij bidt en bemint, zie, dat is de gelukzaligheid van de mens op aarde.

Het gebed is niets anders dan de vereniging met God. Wanneer iemand een zuiver hart heeft en met God verenigd is, voelt men in zich een zalving en een zoetheid, die bedwelmt, een licht, dat hem op wonderbare wijze omstraalt. In die innige vereniging zijn God en de ziel als twee vlammende kaarsen, die ineensmelten en door niemand meer te scheiden zijn. Een allerschoonst iets is die vereniging van God met zijn klein schepsel. Het is een geluk, dat niet te begrijpen is.

Wij hadden ons onwaardig gemaakt om nog te bidden; maar God, omdat Hij goed is, stond ons toe met Hem te spreken. Ons gebed is als een wierook, die Hem zeer behaagt.

Mijn kinderen, uw hart is klein, maar het gebed kan het verwijden en het geschikt maken om God te beminnen. Door het gebed krijgen wij een voorsmaak van de hemel, alsof er iets vanuit het paradijs tot ons afdaalde. Nooit laat het gebed ons zonder zoetheid achter; want het is een honing, die in de ziel uitvloeit en die alles zoet maakt. In een goed gebed wordt onze droefheid opgelost, zoals de sneeuw voor de zon.

Ook dit nog bewerkt het gebed, dat de tijd snel voorbijgaat en wel met zoveel genoegen voor de mens, dat zijn duur niet opvalt. Luistert eens. Toen ik nog pastoor was in Bresse en daar eens bijna al mijn collega’s ziek waren, moest ik lange afstanden gaan en bad dan onderweg tot de goede God en – weest er zeker van – de tijd scheen mij niet lang toe.

Er zijn er ook, die zich geheel in het gebed onderdompelen zoals een visje in de golven, zodat zij geheel in de goede God opgaan. Er is geen verdeeldheid in hun hart. O hoe bemin ik die edelmoedige zielen! De heilige Franciscus van Assisië en de heilige Coleta zagen onze Heer en spraken met Hem zoals wij met elkaar spreken.

Wij daarentegen, zo dikwijls wij in de kerk komen, weten niet wat wij er moeten doen of vragen! Maar zo gauw we bij een mens binnenkomen, weten we heel goed waarvoor we komen. Ja, er zijn er zelfs, die tot de goede God schijnen te zeggen: ‘Ik zal maar een paar woorden tot U spreken in de hoop, dat U mij gauw laat heengaan…’ Toch overdenk ik dikwijls deze waarheid: Als wij tot de Heer naderen om Hem te aanbidden, kunnen wij alles verkrijgen wat wij vragen, als wij maar vragen met een levendig geloof en een zeer zuiver hart.


(Catéchisme sur la prière: A. Monnin, Esprit du Curé d’Ars, Paris 1899, pp. 87-89)

zondag 2 augustus 2015

John Henri Newman [1801-1890] A Holy Communion Prayer


My God, teach me so to live, as one who does believe the great dignity, the great sanctity of that material frame in which you have lodged me. And therefore, O my dear Saviour! do I come so often and so earnestly to be partaker of your Body and Blood, that by means of your own ineffable holiness I may be made holy. Crucify my soul and body in all that is sinful in them, and make me pure as you are pure.

zaterdag 1 augustus 2015

Uit het getijdengebed over de H. Alphonsus Maria de Liguori

Liturgia Horarum – Getijdengebed

Lezing op de Gedachtenis van de H. Alfonsus Maria de Liguori, bisschop en kerkleraar

Uit de werken van de H. Alfonsus Maria de Liguori, bisschop

Over de liefde tot Christus

Heel de heiligheid en volmaaktheid van de ziel is gelegen in de liefde tot Jezus Christus, onze God, ons hoogste Goed en onze Verlosser. Het is de liefde eigen alle deugden te vergaren en te beschermen, die de mens tot de volmaaktheid voeren.

Of verdient God soms niet heel onze liefde? Van eeuwigheid heeft Hij ons bemind. ‘Bedenk, o mens – zo spreekt Hij tot ons – dat Ik de eerste was om u te beminnen. Gij waart nog niet in het licht verschenen noch bestond de wereld, en Ik beminde u al. Zolang Ik besta, bemin Ik u’.

Omdat God wist, dat de mens door weldaden wordt aangelokt, wilde Hij hem door zijn gaven aan de liefde tot Hem binden: ‘Door dezelfde banden, waarmee de mensen zich laten binden, wil Ik hen winnen, om Mij lief te hebben door de banden van de liefde’. Tot dat doel dienden alle gaven, die Hij de mens schonk: toen Hij hem een ziel schonk, als herinnering aan zijn Beeld, begiftigd met verstand en wil; toen Hij hem een lichaam schonk met zintuigen. Voor dat doel schiep Hij ook de hemel en de aarde met een overvloed van gaven gesierd. Uit liefde tot de mens schiep Hij dit alles, opdat al die schepselen de mens zouden dienen, maar ook: opdat de mens, om zoveel weldaden, Hem zou beminnen.

Ook heeft Hij ons niet alleen die schone schepselen willen geven; maar om onze liefde te winnen is Hij zelfs zover gegaan, dat Hij Zichzelf geheel en al aan ons geschonken heeft. De eeuwige Vader ging zover, dat Hij ons zijn Enige Zoon schonk. En toen Hij zag, dat allen dood waren door de zonde en van zijn genade waren beroofd, wat deed Hij toen? Door zijn onmetelijke, ja zoals de Apostel zegt, door zijn al te grote liefde tot ons gedrongen, zond Hij zijn beminde Zoon, die voor ons voldoening gaf en ons, na van de zonde verlost te hebben, tot het leven riep.

Door ons nu zijn Zoon te schenken, die Hij niet ontzag om ons te kunnen vergeven, schonk Hij ons tegelijk ook alle goed: genade, liefde en het paradijs. Want dit alles is zeker minder dan zijn Zoon: Die zelfs zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar Hem voor ons allen heeft overgeleverd; en zou Hij ons na zulk een gave ook niet al het andere schenken!

(Tract. de praxi amandi Iesum Christum edit. latina, Romæ, 1909, pp. 9-14)