My
Lord and Saviour, in your arms I am safe; keep me and I have nothing to fear;
give me up and I have nothing to hope for. I pray you not to make me rich, I
pray you not to make me very poor; but I leave it all to you, because you know
and I do not. If you bring pain or sorrow on me, give me grace to bear it well.
If you give me health and strength and success in this world, keep me ever on
my guard lest these great gifts carry me away from you. Give me ever to aim at
setting forth your glory; to live to and for you; to set a good example to all
around me; give me to die just at that time and in that way which is most for
your glory, and best for my salvation.
donderdag 30 juli 2015
woensdag 29 juli 2015
Woorden van de Pastoor van Ars, de heilige Jean-Marie Vianney (1786-1859)
Zoals de spijzen met zout, mengen we
alles met trots.
We zien graag als onze goede werken
bekend worden. Het verheugt ons als men onze deugden opmerkt. Bemerkt men onze
gebreken, dan stemt dat ons treurig. De heiligen waren anders. Het bedroefde
hen als hun deugden bekend werden, en zij waren blij gestemd als men hun
onvolmaaktheid waarnam.
Verstand
en wijsheid
Verstand en wijsheid doen ons inzien wat
God het liefste heeft en wat voor ons zielenheil het meest van nut is. We
moeten altijd het volmaakte kiezen.
Heiligheid
Het hart van de heiligen staat vast als
een rots te midden van de branding van de zee.
Het kenmerk van de uitverkorenen is de
liefde, het kenmerk van de verdoemden de haat.
Geen enkele verdoemde zal een andere
verdoemde liefhebben…
De heiligen beminnen iedereen en hun
vijanden in het bijzonder.
We kunnen heiligen worden – is het niet
door onschuld, dan toch minstens door boete en eerherstel.
maandag 27 juli 2015
John Henry Newman [1801-1890] An Offertory Prayer
My God, I know well, you could have
saved us at your word, without yourself suffering; but you did choose to purchase us at the price of your Blood. I
look on you, the Victim lifted up on Calvary, and I know that your death was an expiation for the sins of
the whole world.
My Lord, I offer you myself in turn as a
sacrifice of thanksgiving. You have died for me, and I in turn make myself over
to you. My wish is to be separated from everything of this world; to cleanse
myself simply from sin. Enable me to catty out what I profess.
zaterdag 25 juli 2015
Overweging bij de zeventiende zondag door het jaar (B-cyclus) - Jezus ging met zijn leerlingen een berg op
Overweging
bij de zeventiende zondag door het jaar (B-cyclus)
2 Koningen 4,42-49
Efeziërs 4, 1-6
Johannes 6,1-15
We
bevinden ons liturgisch gezien in het zogenoemde B-jaar, dat wil zeggen het
jaar waarin we van zondag tot zondag gedeelten lezen uit het evangelie van
Marcus. Maar zijn evangelie is zoveel korter dan dat van Matteüs en Lucas, dat het
niet alle zondagen met een eigen tekst kan vullen. Dat is dus de reden waarom
onze Moeder de Kerk vanaf vandaag en de zondagen in augustus aanvult met lezingen
uit het zesde hoofdstuk van Johannes.
Vorige
week hebben we gehoord hoe de leerlingen bij Jezus terugkeerden van hun drukke
rondreis. In opdracht en in navolging van Jezus hadden ze de blijde boodschap
verkondigd en genezing onder de mensen gebracht. Ze hadden nauwelijks de tijd
gehad om een hapje te eten, zo druk was het geweest. “Want het was een
voortdurend komen en gaan van mensen, zodat ze zelfs niet de kans kregen om te
eten” merkt Marcus op (6,31). Jezus had hun een korte vakantie voorgesteld: “Ga
mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en een tijdje uit te rusten”
(Marcus 6,31). Wat een wijsheid en zorgzaamheid van Jezus! Een mens kan
opgebrand raken en onder de drukke werkzaamheden bezwijken. De boog kan niet altijd gespannen blijven. We verliezen
dan onze veerkracht en zijn tot niets meer in staat zoals een slap elastiek
waar de rek uit is. Om weer op adem te komen stelt Jezus hun een boottocht voor
over het Meer van Galilea. Ja, Jezus houdt wel van een dagje uit. U moet zich
dat meer ongeveer zo groot voor stellen als het huidige Markermeer, zo een 20
kilometer lang en ongeveer 12 kilometer breed. Het wordt in de bijbel ook het
Meer van Genesaret of het Meer van Tiberias genoemd zoals bij ons het
IJsselmeer eertijds Zuiderzee heette. Of ze gezeild hebben of misschien ook bij
te weinig wind hebben moeten roeien, we weten het niet. In ieder geval moet het
een ontspannende boottocht zijn geweest, een oversteek van west naar oost,
vergelijkbaar met een overvaart van Monnikendam, Hoorn of Enkhuizen richting
Lelystad. Maar aan de overkant gekomen is het met de rust en het alleen zijn al
snel gedaan. Want het volk heeft Jezus niet zo maar willen laten gaan, Hij is
hun idool door zijn mooie woorden en wonderdaden. Daarom zijn ze om het Meer
heengelopen, wij zouden zeggen over de dijk van Enkhuizen naar Lelystad gegaan.
En
dan vertelt Johannes ons opmerkelijke details. In de eerste plaats dat het kort
voor het Pesachfeest was. De vermelding van het Joodse paasfeest is in het
Johannesevangelie van wezenlijk belang. In hoofdstuk 2 na de bruiloft in Kana
trekt Jezus naar Jeruzalem om er Pesach te vieren (2,13 en 23); en in hoofdstuk
11 wanneer de mensen zich afvragen of Jezus nog wel naar Jeruzalem gaat, komt
Jezus zes dagen voor het Pesachfeest via Betanië toch naar de Vredesstad om er
zijn intocht en uittocht te houden (11,55; 12,1 en 13,1). Pesach het feest van
brood en beker, van het lam dat geslacht wordt, van het bloed dat reinigt, van
de bittere kruiden, van bevrijding uit de verdrukking en benauwenis naar het
nieuwe land van God, naar de ruimte waar het dank zij Gods Geest vrij leven en
ademhalen is.
Het
tweede detail dat Johannes ons mededeelt is dat Jezus de berg opgaat. Wanneer
we over een berg horen, moeten wij als hoorders van de Heilige Schrift meteen
de oren spitsen. Was het niet op de berg Ararat dat de ark van Noach zijn
veilige haven vond (Genesis 8,4); op de berg Moria bond aartsvader Abraham zijn
zoon Isaak op het hout vast (22,2 en 14); op de berg Horeb ontmoette Mozes de
ene en heilige God en ontving hij van Hem de wetstafelen met de geboden,
als handvest van een durend verbond
(Exodus 24,12). Op de berg Sion richt God de HEER voor alle volken een
feestmaal aan (Jesaja 25,6). Op de berg liet Satan aan Jezus alle koninkrijken
der aarde zien (Matteüs 4,8), op de berg sprak Jezus zijn Bergrede uit als
programma van het Koninkrijk van God (5,1 en 8,1), op de berg overschaduwde hem
de heerlijkheid van God, met Mozes en Elia als de twee getuigen van God (17,1).
Wanneer we hier lezen dat Jezus met zijn leerlingen op de berg plaats neemt,
dan is dat altijd het zitten van iemand met gezag, met bevoegdheid om te
onderrichten en te oordelen.
En
het derde detail dat opvalt luidt: Jezus ziet om zich heen en aanschouwt de
mensen die op hem toekomen. Wat ook de motieven zijn van de mensen die tot
Jezus gaan, wat hen ook mag bewegen om bij Hem hun heil te zoeken, Jezus gaat
ze niet uit de weg. Misschien had Hij nog wat langer van zijn vrije dag willen
genieten – als ik dat zo zeggen mag – maar desondanks heeft Hij tijd en
aandacht voor ze. Het staat er heel uitgebreid: Hij laat zijn ogen op hen
rusten en ziet hen aan. Wanneer Jezus iemand aankijkt, dan is het altijd met
liefde en mededogen. Wanneer Hij de schoonmoeder van Petrus ziek op bed ziet
liggen, geneest Hij haar. Heel liefdevol
ziet hij de rijke jongeman aan die hem wil volgen. Wanneer Jezus Martha en
Maria ziet wenen om hun gestorven broer, laat Hij zelf zijn tranen de vrije
loop. En wanneer Petrus Hem verloochend heeft, ziet Jezus hem aan en barst hij
van spijt in tranen uit. Ja, wanneer Jezus ons aankijkt, ziet Hij ons aan met
blikken van liefde en vergeving.
Dan
wendt Jezus zich tot Filippus, en wellicht zou je verwachten dat Hij hem de
opdracht zou geven om de mensen weg te sturen. Aan de overzijde van het Meer is
het immers een onbevolkt gebied met weinig mogelijkheden tot onderdak en
proviand. Maar in plaats daarvan is er slechts één vraag die Jezus bezig houdt:
waarvandaan kunnen we al die mensen te eten geven? Het is misschien niet zonder
reden dat Jezus die vraag juist aan Filippus stelt, een Joodse man uit Betsaïda
met een Griekse naam, de Griekse taal machtig en als intellectueel kritisch van
aard. Die kan alleen maar aan geld als oplossing denken, en moet nuchter
vaststellen dat zelfs een fors geldbedrag niet voldoende is om al die monden te
voeden. Het zal een flinke aanslag worden op de gezamenlijke kas die door Judas
wordt beheerd. Dan komt Andreas, de eerst geroepene (Johannes 1, 40), aanzetten
met een jongen die over vijf gerstebroden en twee vissen beschikt, maar het zijn
maar druppels op een gloeiende plaat. Het is een illustratie van onze
dagelijkse machteloosheid, van de ontoereikendheid van onze menselijke
middelen. Maar juist dat weinige is goud in de handen van Jezus. Wat volgt, is
een grootse eucharistieviering in de open lucht. Jezus die de broden neemt, Jezus
die de dankzegging uitspreekt, – eucharistèsas in het Grieks – Jezus die ze laat uitdelen. Van enige reactie
is noch bij de leerlingen sprake noch bij de vijfduizend koppige menigte. De
evangelist laat ons hierover in het ongewisse. Hij is niet geïnteresseerd in
menselijke gevoelens van bewondering en adoratie. Wat hij van belang vindt is:
wordt er gedaan wat er gedaan moet worden. Zoals de leerlingen op Jezus’ bevel de
mensen in het gras hebben laten aanliggen, zo voeren ze ook zijn opdracht uit
om de brokken te verzamelen en niets verloren te laten gaan. In het land waar
Jezus vandaan komt en dat Hij hier en nu present stelt, wordt brood uitgedeeld
en als in een feestmaaltijd weggegeven. Het is er in overvloed aanwezig en gaat
niet verloren. Zoals de som van de twee vissen en de vijf gerstebroden het
symbolische getal zeven van de volheid is, zo is twaalf de aanduiding van de
eschatologische gemeenschap van de weer verenigde twaalf stammen, van het vernieuwde
Israël.
Hierna
komt het volk op een negatieve manier in beeld. In het begin zijn de mensen uit
sensatiezucht Jezus achternagelopen, in de hoop op een wonderteken! Maar het
teken van het gebroken en uitgedeelde brood verstaan ze niet. Ze zijn er blind
en doof voor. Hun misvatting blijkt nu overduidelijk: ze noemen Jezus een
profeet en willen Hem tot koning maken. Ze willen Jezus meetronen, Hem
inpalmen, Hem voor hun aardse karretje spannen, maar Jezus staat dat niet toe, Hij
trekt zich terug, alleen op de berg. Wat een prachtig thema: in het begin van
het verhaal zit Jezus met de leerlingen op de berg omringd door een grote
menigte; aan het slot is Jezus op de berg geheel alleen. Mensen die het
uitdelen van het brood zien als de daad van een koningspretendent met zucht
naar de macht, miskennen de oorsprong van het handelen van Jezus: het geheim van
het waarvandaan, van de bron waar het voedsel vandaan komt, het geheim van de
Gever van het ware voedsel. Op de berg is Hij alleen, alleen met God, zijn hemelse
Vader, de Vader van wie Hij is uitgegaan.
Ik wil eindigen
met de tekst uit gezang 354:
Zijn heilig Lichaam,
in de dood gegeven,
is het brood
waardoor wij leven.
Geen groter gave
kon Hij ons schenken,
laat ons daarom
Hem gedenken. Amen.
Dr. Alphons Jaakke, pr.
vrijdag 24 juli 2015
Uit Thomas a Kempis - Navolging van Christus
EERSTE HOOFDSTUK.
Over de navolging van Christus en de verachting van de ijdelheden der wereld.
1. WIE MIJ VOLGT‚ ZAL IN DE DUISTERNIS NIET WANDELEN‚ zegt de Heer. Dit zijn de woorden van Christus‚ waarmede hij ons opwekt zijn leven en wandel na te volgen‚ voor zoveel wij waarlijk verlicht en van alle blindheid der ziel willen genezen worden. Daarom moet het onze voornaamste bezigheid zijn‚ het leven van Jezus Christus te bepeinzen.
De leer van Christus overtreft al wat ooit door de heiligen geleerd is‚ en wie zijn’ Geest bezat‚ zou er het verborgen manna in vinden. Men ziet wel dat velen‚ die het Woord dagelijks horen‚ er nochtans weinig smaak in vinden; maar dat komt dat zij den Geest van Christus niet hebben. Wie de woorden van Christus goed wil verstaan en smaken‚ moet in zijn gehele leven zoeken hem gelijkvormig te worden.
2. Wat baat het u‚ of gij met hoge wijsheid over de Drieëenheid kunt redekavelen‚ terwijl gij intussen de nederigheid mist‚ zonder welke men aan de Drieëenheid niet behagen kan? Waarlijk‚ het zijn niet de geleerde woorden‚ die den heiligen of rechtvaardigen man maken: een deugdzaam leven is het‚ dat ons Gode welbehagelijk maakt. Het is beter wezenlijk berouw te gevoelen‚ dan er de juiste beschrijving van te kunnen geven. Al kent gij den gehele Bijbel en al de lessen der wijsgeren van buiten‚ wat zou het alles u baten zonder de liefde en genade van God? IJdelheid der ijdelheden‚ het is alles ijdelheid‚ dit alleen uitgezonderd: God te vrezen en zijne geboden te onderhouden. De hoogste wijsheid is‚ met verachting der wereld‚ naar het koninkrijk der hemelen te streven.
Zo is het dan ijdelheid‚ vergankelijke schatten te zoeken‚ en daarop zijne hope te stellen; ijdelheid ook‚ naar ere-ambten en een hoge stand in de wereld te staan. IJdelheid‚ de begeerlijkheden des vlezes te dienen en te haken naar hetgeen hiernamaals zwaar zal worden’. gestraft. IJdelheid‚ naar een lang leven te wensen‚ zonder naar een deugdzaam leven te vragen. IJdelheid‚ alleen om het tegenwoordige leven te denken‚ zonder voor het toekomende te zorgen. IJdelheid‚ zijn hart te hechten aan hetgeen ras voorbijgaat‚ en zich niet liever zelf derwaarts te. spoeden‚ waar de vreugde eeuwig blijft.
Denk dikwijls aan deze spreuk: het oog wordt niet verzadigd van zien‚ en het oor wordt niet vervuld van horen; zoek dus uw hart van de zienlijke dingen af ’te trekken‚ om het over te brengen op hetgeen onzienlijk is: want zij‚ die zich aan hunne zinnelijkheid overgeven‚ bevlekken hun geweten en verliezen de genade Gods.
Over de navolging van Christus en de verachting van de ijdelheden der wereld.
1. WIE MIJ VOLGT‚ ZAL IN DE DUISTERNIS NIET WANDELEN‚ zegt de Heer. Dit zijn de woorden van Christus‚ waarmede hij ons opwekt zijn leven en wandel na te volgen‚ voor zoveel wij waarlijk verlicht en van alle blindheid der ziel willen genezen worden. Daarom moet het onze voornaamste bezigheid zijn‚ het leven van Jezus Christus te bepeinzen.
De leer van Christus overtreft al wat ooit door de heiligen geleerd is‚ en wie zijn’ Geest bezat‚ zou er het verborgen manna in vinden. Men ziet wel dat velen‚ die het Woord dagelijks horen‚ er nochtans weinig smaak in vinden; maar dat komt dat zij den Geest van Christus niet hebben. Wie de woorden van Christus goed wil verstaan en smaken‚ moet in zijn gehele leven zoeken hem gelijkvormig te worden.
2. Wat baat het u‚ of gij met hoge wijsheid over de Drieëenheid kunt redekavelen‚ terwijl gij intussen de nederigheid mist‚ zonder welke men aan de Drieëenheid niet behagen kan? Waarlijk‚ het zijn niet de geleerde woorden‚ die den heiligen of rechtvaardigen man maken: een deugdzaam leven is het‚ dat ons Gode welbehagelijk maakt. Het is beter wezenlijk berouw te gevoelen‚ dan er de juiste beschrijving van te kunnen geven. Al kent gij den gehele Bijbel en al de lessen der wijsgeren van buiten‚ wat zou het alles u baten zonder de liefde en genade van God? IJdelheid der ijdelheden‚ het is alles ijdelheid‚ dit alleen uitgezonderd: God te vrezen en zijne geboden te onderhouden. De hoogste wijsheid is‚ met verachting der wereld‚ naar het koninkrijk der hemelen te streven.
Zo is het dan ijdelheid‚ vergankelijke schatten te zoeken‚ en daarop zijne hope te stellen; ijdelheid ook‚ naar ere-ambten en een hoge stand in de wereld te staan. IJdelheid‚ de begeerlijkheden des vlezes te dienen en te haken naar hetgeen hiernamaals zwaar zal worden’. gestraft. IJdelheid‚ naar een lang leven te wensen‚ zonder naar een deugdzaam leven te vragen. IJdelheid‚ alleen om het tegenwoordige leven te denken‚ zonder voor het toekomende te zorgen. IJdelheid‚ zijn hart te hechten aan hetgeen ras voorbijgaat‚ en zich niet liever zelf derwaarts te. spoeden‚ waar de vreugde eeuwig blijft.
Denk dikwijls aan deze spreuk: het oog wordt niet verzadigd van zien‚ en het oor wordt niet vervuld van horen; zoek dus uw hart van de zienlijke dingen af ’te trekken‚ om het over te brengen op hetgeen onzienlijk is: want zij‚ die zich aan hunne zinnelijkheid overgeven‚ bevlekken hun geweten en verliezen de genade Gods.
Volledige versie on line in doc en pdf, zie deze link
Cardinal Newman on the great power of the Rosary
"It seems so simple and easy, but you know God chooses the small things of the world to humble the great (I Cor. 1,27-28).
Of course it was first of all for the poor and simple, but not for them only, for everyone who has practised the devotion knows that there is in it a soothing sweetness that there is in nothing else. It is difficult to know God by your own power, because He is incomprehensible. He is invisible to begin with, and therefore incomprehensible. We can in some way know Him, for even among the heathens there were some who had learned many truths about Him; but even they found it hard to conform their lives to their knowledge of Him. And so in His mercy He has given us a revelation of Himself by coming amongst us, to be one of ourselves, with all the relations and qualities of humanity, to gain us over. He came down from Heaven and dwelt amongst us, and died for us. All these things are in the Creed, which contains the chief things that He has revealed to us about Himself.
Now the great power of the Rosary lies in this, that it makes the Creed into a prayer; of course, the Creed is in some sense a prayer and a great act of homage to God; but the Rosary gives us the great truths of His life and death to meditate upon, and brings them nearer to our hearts. And so we contemplate all the great mysteries of His life and His birth in the manger; and so too the mysteries of His suffering and His glorified life. But even Christians, with all their knowledge of God, have usually more awe than love of Him, and the special virtue of the Rosary lies in the special way in which it looks at these mysteries; for with all our thoughts of Him are mingled thoughts of His Mother, and in the relations between Mother and Son we have set before us the Holy Family, the home in which God lived. Now the family is, even humanly considered, a sacred thing; how much more the family bound together by supernatural ties, and, above all, that in which God dwelt with His Blessed Mother".
Vindplaats: EWTN.com
Of course it was first of all for the poor and simple, but not for them only, for everyone who has practised the devotion knows that there is in it a soothing sweetness that there is in nothing else. It is difficult to know God by your own power, because He is incomprehensible. He is invisible to begin with, and therefore incomprehensible. We can in some way know Him, for even among the heathens there were some who had learned many truths about Him; but even they found it hard to conform their lives to their knowledge of Him. And so in His mercy He has given us a revelation of Himself by coming amongst us, to be one of ourselves, with all the relations and qualities of humanity, to gain us over. He came down from Heaven and dwelt amongst us, and died for us. All these things are in the Creed, which contains the chief things that He has revealed to us about Himself.
Now the great power of the Rosary lies in this, that it makes the Creed into a prayer; of course, the Creed is in some sense a prayer and a great act of homage to God; but the Rosary gives us the great truths of His life and death to meditate upon, and brings them nearer to our hearts. And so we contemplate all the great mysteries of His life and His birth in the manger; and so too the mysteries of His suffering and His glorified life. But even Christians, with all their knowledge of God, have usually more awe than love of Him, and the special virtue of the Rosary lies in the special way in which it looks at these mysteries; for with all our thoughts of Him are mingled thoughts of His Mother, and in the relations between Mother and Son we have set before us the Holy Family, the home in which God lived. Now the family is, even humanly considered, a sacred thing; how much more the family bound together by supernatural ties, and, above all, that in which God dwelt with His Blessed Mother".
Vindplaats: EWTN.com
H. Augustinus "Christus is voor allen gestorven"
Tweede lezing van vandaag uit Liturgia Horarum / Getijdengebed
Uit de ‘Belijdenissen’, van de H. Augustinus, bisschop
Christus is voor allen gestorven
De ware Middelaar, - die
Gij in uw verborgen barmhartigheid aan de mensen getoond hebt, en die Gij
gezonden hebt om op zijn voorbeeld ook zelf de ootmoed te leren, - díe Middelaar tussen God en de mensen, de Mens
Jezus Christus, verscheen tussen de sterfelijke zondaars en de
onsterfelijke Gerechtige. Sterfelijk met de mensen, maar gerechtig met God,
opdat Hij, daar het loon voor de gerechtigheid nu eenmaal het leven en de vrede
is, door zijn met zijn Godheid verbonden gerechtigheid de dood zou teniet doen
van de gerechtvaardigde zondaars, die Hij met hen gemeen wilde hebben. In welke
mate hebt Gij ons bemind, goede Vader, die uw
Enige Zoon niet hebt gespaard, maar
Hem heeft overgeleverd voor ons goddelozen! Hoe hebt Gij ons bemind, voor
ons heeft Hij zich niet willen
vastklampen aan zijn gelijkheid met U, en is gehoorzaam geworden tot de dood
aan het kruis; Hij die alleen vrij is
onder de doden, en die de macht heeft
zijn leven te geven en macht om het terug te nemen; voor ons ten opzichte
van U overwinnaar en slachtoffer, en daarom overwinnaar, omdat Hij slachtoffer
is; voor ons ten opzichte van U Priester en Offerande, en daarom priester,
omdat Hij offerande is. Hij maakte ons van knechten tot uw kinderen, doordat
Hij, Uw Zoon, onze knecht werd.
Terecht is mijn vaste hoop
op Hem gericht, dat Gij al mijn kwalen zult genezen, door Hem, die aan uw Rechterhand
is gezeten en voor ons ten beste spreekt;
anders zou ik wanhopig zijn. Want veel in aantal en groot zijn mijn kwalen,
veel in aantal en groot; maar krachtiger is uw geneesmiddel. Wij zouden gemeend
kunnen hebben, dat uw Woord veraf stond van enige band met de mens, en wij
zouden wel moeten vertwijfelen, als dat Woord niet vlees was geworden en onder
ons had gewoond. Ontsteld door mijn zonden en door de last van mijn ellende had
ik in mijn hart overwogen en bedacht om naar de eenzaamheid te vluchten. Maar
Gij hebt mij tegengehouden en mij gesterkt met de woorden: Daarom is Christus voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet meer
voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem, die ter wille van hen is gestorven.
Zie Heer, ik werp mijn
zorg op U, om te kunnen leven en de
wonderen van uw wet te aanschouwen. Gij kent mijn onervarenheid en
zwakheid; onderricht mij en genees mij. Hij is uw Eniggeborene, in Wie alle schatten van wijsheid en kennis
verborgen aanwezig zijn, en die mij heeft vrijgekocht met zijn Bloed. Laten geen hoogmoedigen mij kwellen,
want ik overdenk mijn losprijs, eet en drink ervan en deel ervan uit, en in
mijn armoede verlang ik erdoor verzadigd te worden te midden van hen, die eten
en verzadigd worden; en zij, die de Heer
zoeken zullen Hem loven.
(Lib. 10, 43, 68-70: CCL 27, 192-193)
Abonneren op:
Posts (Atom)






