maandag 2 mei 2022
2 mei H. Athanasius, bisschop en kerkleraar- De menswording van het Woord.
Athanasius werd in 295 te Alexandrië geboren. Samen met bisschop Alexander van die stad nam hij deel aan het Concilie van Nicea. Nadat hij hem was opgevolgd, kreeg hij veel te verduren van de zijde van de Arianen, met wie hij de strijd had aangebonden. Meermalen werd hij verbannen. Zijn geschriften getuigen van zijn zorg voor het behoud van het ware geloof, dat hij op uitstekende wijze verklaarde en verdedigde. Hij stierf in 373.
Uit een toespraak van de heilige Athanasius, bisschop van Alexandrië († 373)
De menswording van het Woord.
Het woord Gods, onlichamelijk, onvergankelijk en onstoffelijk, komt in ons bestaan, al was Hij tevoren niet ver weg. Want geen enkel deel van de schepping was ooit zonder Hem. Door de eenheid met zijn Vader vervult Hij alles en overal.
Uit menslievendheid jegens ons is Hij gekomen en toonde Hij zich aan ons. Uit medelijden met ons zwakke mensengeslacht en door zijn begrip voor onze bederfelijkheid verdroeg Hij niet dat de dood over ons heerste. Hij wilde niet dat de schepping verloren ging en het werk van zijn Vader voor de mens om niet zou zijn. Daarom nam Hij voor zichzelf een lichaam aan en wel zo, dat het zich niet van het onze onderscheidde. Want Hij wilde niet zo maar een lichaam hebben en ook niet zich alleen maar laten zien. Had Hij zich alleen maar willen laten zien, dan had Hij zich in een ander en volmaakter lichaam kunnen tonen.
In de schoot van de Maagd bouwde Hij voor zichzelf de tempel van zijn lichaam. Hij maakte het tot zijn eigen instrument om daarin te wonen en zich bekend te maken. Zo nam Hij een lichaam aan gelijk aan dat van ons, en omdat wij allen aan het verderf van de dood zijn onderworpen, heeft Hij dat lichaam voor allen aan de dood prijsgegeven, en uit menslievendheid aan zijn Vader aangeboden. Doordat allen zouden sterven in Hem, moest de wet van het verderf, waaraan de mens is onderworpen, worden opgeheven. En als die wet haar krachten had verbruikt op het lichaam van de Heer, zou zij geen macht meer hebben over mensen die aan de Heer gelijk zijn. Zo wilde Hij de mensen, die aan het verderf waren overgeleverd, terugvoeren tot de onvergankelijkheid en ze van de dood terugbrengen naar het leven. Door een lichaam aan te nemen en door de genade van de verrijzenis, liet Hij van hen de dood verdwijnen, als stro verteerd door het vuur.
Daartoe nam Hij voor zich een lichaam aan dat kon sterven en dat, door deel te hebben aan dit boven alles gestelde Woord, kon sterven voor allen. Maar tegelijk zou dit lichaam door het daarin wonende Woord onvergankelijk blijven en tenslotte door de genade van de verrijzenis voor allen aan het bederf een einde stellen.
Door zo als een offergave, vrij van iedere smet, het lichaam dat Hij voor zichzelf had aangenomen aan de dood prijs te geven, deed Hij onmiddellijk van alle mensen, zijn gelijken, de dood verdwijnen door het offer van het lichaam dat Hij met hen deelde.
Het was dus passend dat Gods woord, verheven boven allen, zijn eigen tempel, het instrument van zijn lichaam, als losprijs voor allen heeft geofferd om onze schuld te vereffenen in zijn dood. Terecht heeft zo Gods onsterfelijke Zoon, die met ons allen door een gelijk lichaam verbonden is, ook allen door de belofte van de verrijzenis met onbederfelijkheid bekleed.
Want het bederf van de dood heeft geen macht meer over de mens door toedoen van het Woord, dat door dit ene lichaam in allen woont.
Uit een toespraak van de heilige Athanasius, bisschop van Alexandrië († 373)
De menswording van het Woord.
Het woord Gods, onlichamelijk, onvergankelijk en onstoffelijk, komt in ons bestaan, al was Hij tevoren niet ver weg. Want geen enkel deel van de schepping was ooit zonder Hem. Door de eenheid met zijn Vader vervult Hij alles en overal.
Uit menslievendheid jegens ons is Hij gekomen en toonde Hij zich aan ons. Uit medelijden met ons zwakke mensengeslacht en door zijn begrip voor onze bederfelijkheid verdroeg Hij niet dat de dood over ons heerste. Hij wilde niet dat de schepping verloren ging en het werk van zijn Vader voor de mens om niet zou zijn. Daarom nam Hij voor zichzelf een lichaam aan en wel zo, dat het zich niet van het onze onderscheidde. Want Hij wilde niet zo maar een lichaam hebben en ook niet zich alleen maar laten zien. Had Hij zich alleen maar willen laten zien, dan had Hij zich in een ander en volmaakter lichaam kunnen tonen.
In de schoot van de Maagd bouwde Hij voor zichzelf de tempel van zijn lichaam. Hij maakte het tot zijn eigen instrument om daarin te wonen en zich bekend te maken. Zo nam Hij een lichaam aan gelijk aan dat van ons, en omdat wij allen aan het verderf van de dood zijn onderworpen, heeft Hij dat lichaam voor allen aan de dood prijsgegeven, en uit menslievendheid aan zijn Vader aangeboden. Doordat allen zouden sterven in Hem, moest de wet van het verderf, waaraan de mens is onderworpen, worden opgeheven. En als die wet haar krachten had verbruikt op het lichaam van de Heer, zou zij geen macht meer hebben over mensen die aan de Heer gelijk zijn. Zo wilde Hij de mensen, die aan het verderf waren overgeleverd, terugvoeren tot de onvergankelijkheid en ze van de dood terugbrengen naar het leven. Door een lichaam aan te nemen en door de genade van de verrijzenis, liet Hij van hen de dood verdwijnen, als stro verteerd door het vuur.
Daartoe nam Hij voor zich een lichaam aan dat kon sterven en dat, door deel te hebben aan dit boven alles gestelde Woord, kon sterven voor allen. Maar tegelijk zou dit lichaam door het daarin wonende Woord onvergankelijk blijven en tenslotte door de genade van de verrijzenis voor allen aan het bederf een einde stellen.
Door zo als een offergave, vrij van iedere smet, het lichaam dat Hij voor zichzelf had aangenomen aan de dood prijs te geven, deed Hij onmiddellijk van alle mensen, zijn gelijken, de dood verdwijnen door het offer van het lichaam dat Hij met hen deelde.
Het was dus passend dat Gods woord, verheven boven allen, zijn eigen tempel, het instrument van zijn lichaam, als losprijs voor allen heeft geofferd om onze schuld te vereffenen in zijn dood. Terecht heeft zo Gods onsterfelijke Zoon, die met ons allen door een gelijk lichaam verbonden is, ook allen door de belofte van de verrijzenis met onbederfelijkheid bekleed.
Want het bederf van de dood heeft geen macht meer over de mens door toedoen van het Woord, dat door dit ene lichaam in allen woont.
Derde concert in reeks van het Consortium Basilicale in de Basiliek Sint Odiliënberg op zondag 5 juni om 16.00 uur met programma en muzikale voorproefjes
Vredige muziek op de zondagmiddag in bewogen tijden
Zondag 5 juni om 16.00 uur
Verstillende muziek in de Basiliek te Sint Odiliënberg
Strijkersensemble: o.l.v. Gerard Sars
In de Basiliek in Sint Odiliënberg vindt U de vrede die de wereld niet geven kan, veelvuldig in de eredienst en nu ook in een concertcyclus op de zondagmiddag voorafgaand aan de vespers.
De gemeente Roerdalen en het kerkbestuur van de basiliek hebben samen met de zusters van Priorij Thabor de handen ineengeslagen om op deze wijze regelmatig het klein geluk van inspirerende muziek ten gehore te laten brengen.
Wil je meedoen? Voor informatie over deelname en / of inhoud kun je contact opnemen met Gerard Sars 0475-537765 of gerard.sars@gmail.com
Programma:
Muziek van onder anderen W.A. Mozart (kerksonates), Vivaldi (psalmen) en andere verstillende muziek, op weg naar de vrede des harten die de wereld niet geven kan.
Wat gaat U zo al horen?
voorbeeld 1:
zondag 1 mei 2022
John Henry Newman [1801-1890] - Mei-Meditaties 2 - Maand van vreugde
John Henry Newman [1801-1890] - Meditaties voor de Meimaand 2
2 Mei De maand van vreugde
Waarom wordt de Mei de maand van
Maria genoemd en is deze op bijzondere wijze aan haar toegewijd? Onder andere om
deze reden dat van heel de jaarkring van de Kerk, van het kerkelijk jaar, dit
niet slechts het heiligste maar tevens het feestelijkste en vreugdevolste gedeelte
is. Wie zou februari, maart of april willen hebben als de maand van Maria,
terwijl dat de tijd is van de veertigdaagse Vasten en van boetdoening? En wie
zou er december voor kiezen, de tijd van de Advent, als er wel hoop is omdat
Kerstmis op komst is, maar als er toch ook nog gevast wordt? Kerstmis zelf duurt
geen maand; en januari heeft wel een vreugdevol Driekoningenfeest met
verschillende zondagen daarna; maar deze worden in de meeste jaren afgebroken
door de spoedige komst van de Vasten.
De Meimaand daarentegen is vol
van de Paastijd, die vijftig dagen duurt, en gewoonlijk valt de hele Meimaand
daarin, en de eerste helft zonder uitzondering. Het grote feest van ’s Heren
Hemelvaart valt altijd in Mei, behalve een- of tweemaal in de veertig jaar.
Pinksteren, het feest van de H. Geest valt gewoonlijk in Mei, en de feesten van
de H. Drievuldigheid en van Sacramentsdag ook niet zelden. Daarom is Mei de
tijd van aanhoudende Alleluia’s, omdat Christus is opgestaan uit het graf,
omdat Christus ten hemel is gestegen, en omdat God de H. Geest is neergedaald
om zijn plaats in te nemen.
Hier ligt dus werkelijk een reden
waarom de Meimaand is toegewijd aan de Heilige Maagd. Zij is de eerste van alle
schepselen, het welgevalligste kind van God, dat Hem het naast en het
dierbaarst is. Daarom is het gepast die maand als de hare te vieren, waarin wij
ons op bijzondere wijze verheugen en verblijden over de grote werken van zijn
voorzienigheid voor ons, over onze verlossing en heiligmaking in God de Vader,
God de Zoon, en God de Heilige Geest.
Maar Maria is niet slechts de welgevallige Dienstmaagd des Heren. Zij
is ook de Moeder van zijn Zoon, en zij is de Koningin van alle Heiligen; en het
is juist in deze maand sommige van de grootste Heiligen laat vieren. Voorop
gaat dan het Feest van het H. Kruis op de 3e Mei (1), waanneer wij
dat Kostbaar Bloed vereren dat het Kruis besproeide tijdens Christus’ lijden.
De aartsengel Michaël en drie Apostelen hebben hun feest in deze maand: Sint
Jan, de geliefde leerling, en de H. Philippus en Jacobus [de Mindere]. En niet
minder dan zeven Pausen van wie er twee nog zeer beroemd zijn, de H. Gregorius
VII en de H. Pius V; verder twee van de grootste Kerkleraren, de H. Athanasius
en de H. Gregorius van Nazianze; twee heilige Maagden, de H. Catharina van
Siena (althans in Engeland en bij de Dominicanen) en de H. Maria Magdalena de
Pazzis, alsmede één heilige vrouw bij uitstek gedenkwaardig in de annalen van
de Kerk, de H. Monica, de moeder van de H. Augustinus. En bovenal denken wij
hier in deze kerk aan onze patroonheilige en Vader, de H. Philippus Neri (2), die
met zijn noveen en met zijn octaaf vijftien dagen van deze maand in beslag
neemt.
Ziedaar enige van de rijkste
vruchten van Gods veelvuldige genade, en zij vormen de hofhouding van hun
glorieuze Koningin.
(2) Na zijn priesterwijding trad Henri Newman toe tot de gemeenschap van de Oratorianen, een gemeenschap van apostolisch leven binnen de Kerk, in 1574 gesticht door de H. Philippus Neri (1515-1595).
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Feria II Hebdomada III Temporis Paschalis Genus electum, regale sacerdotium. Een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap.
Lectio altera
Ex Commentário sancti Bedæ Venerábilis presbýteri in primam Epístolam Petri (Cap. 2: PL 93, 50-51)
Genus electum, regale sacerdotium
Vos autem genus eléctum, regále sacerdótium. Hoc laudis testimónium quondam antíquo Dei pópulo per Móysen datum est, quod nunc recte géntibus dat apóstolus Petrus, quia vidélicet in Christum credidérunt, qui velut lapis anguláris in eam, quam in se Israel habúerat, salútem gentes adunávit.
Quas genus eléctum vocat propter fidem, ut distínguat ab eis, qui, lápidem vivum reprobándo, facti sunt ipsi réprobi.
Regále autem sacerdótium, quia illíus córpori sunt uníti, qui rex summus et sacérdos est verus, regnum suis tríbuens ut rex, et ut póntifex eórum peccáta sui sánguinis hóstia mundans. Regále sacerdótium eos nóminat, ut et regnum speráre perpétuum, et hóstias immaculátæ conversatiónis Deo semper offérre memínerint.
Gens quoque sancta et pópulus acquisitiónis vocantur, iuxta id quod apóstolus Paulus, prophétæ senténtiam expónens, dicit: Iustus autem meus ex fide vivit; quod si subtráxerit se, non placébit ánimæ meæ; nos autem, inquit, non sumus subtractiónis in perditiónem, sed fídei in acquisitiónem ánimæ. Et in Actibus Apostolórum, Vos Spíritus Sanctus pósuit epíscopos régere Ecclésiam Dómini, quam acquisívit sánguine suo.
Pópulus ergo acquisitiónis facti sumus in sánguine nostri Redemptóris, quod erat quondam pópulus Israel redémptus sánguine agni de Ægýpto.
Unde et in sequénti quoque versículo mýstice véteris recordátus históriæ, et hanc étiam novo Dei pópulo spiritáliter docet impléndam dicens: Ut virtútes annuntiétis eius. Sicut enim hi, qui de Ægýptia servitúte liberáti sunt per Móysen, carmen triumphále post tránsitum maris Rubri et demérsum Pharaónis exércitum Dómino decantárunt, ita et nos opórtet post accéptam in baptísmo remissiónem peccatórum dignas benefíciis cæléstibus repéndere grátias.
Namque Ægýptii, qui pópulum Dei affligébant, qui étiam ténebræ vel tribulatiónes interpretántur, apte per sequéntia nos peccáta, sed in baptísmate deléta, signíficant.
Liberátio quoque filiórum Israel, et ad promíssam olim pátriam perdúctio, cóngruit mystério nostræ redemptiónis, per quam ad lucem supérnæ mansiónis, illustránte nos ac ducénte Christi grátia, téndimus; cuius lucem grátiæ étiam illa nubis et ignis colúmna monstrávit; quæ eos et in toto itínere illo a ténebris deféndit nóctium, et ad promíssas pátriæ sedes inenarrábili calle perdúxit.
Uit het commentaar van de heilige priester Beda de Eerbiedwaardige († 735) op de eerste brief van de apostel Petrus
Een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap.
‘Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap’ (1 Petr. 2, 9). Deze lofbetuiging werd eertijds door Mozes tot het oude godsvolk gesproken (vgl. Ex. 19, 6). Maar nu richt de apostel Petrus diezelfde woorden tot de heidenvolken, en terecht. Zij hebben immers in Christus geloofd, die als een hoeksteen alle volken heeft verenigd voor het heil dat ooit voor Israël alleen bestemd was.
Die volken noemt Petrus ‘een uitverkoren geslacht’ omwille van hun geloof, om hen aldus te onderscheiden van degenen die de hoeksteen verworpen hebben en daardoor zelf verworpen zijn. Hij noemt hen ‘een koninklijke priesterschap’, omdat ze verenigd zijn met het lichaam van Hem die de hoogste koning en de ware priester is. Als koning neemt Hij de zijnen op in zijn rijk. Als hogepriester reinigt Hij hen van hun zonden door het offer van zijn bloed. Petrus noemt hen ook ‘een koninklijke priesterschap’, opdat ze blijvend voor ogen houden dat hun hoop gericht moet zijn op het eeuwige koninkrijk, en dat ze God zonder ophouden het offer moeten brengen van een smetteloos leven.
Daarna worden ze ‘een heilige natie, Gods eigen volk’ (1 Petr. 2, 9) genoemd. Dit stemt overeen met de verklaring die de apostel Paulus geeft aan een uitspraak van de profeet Habakuk: mijn rechtvaardige zal door trouw geloof zijn leven redden, maar wie terugdeinst, kan Mij niet behagen (vgl. Hab. 2, 4). ‘Maar wij behoren niet tot hen die terugdeinzen en verloren gaan; wij hebben geloof en winnen door geloof het leven’ (Heb. 10, 39). In de Handelingen van de Apostelen zegt diezelfde Paulus: ‘De heilige Geest heeft u tot leiders aangesteld om Gods kerk te hoeden, die Hij zich verwierf door het bloed van zijn eigen Zoon’ (Hand. 20, 28). Wij zijn dus ‘Gods eigen volk’ geworden, ‘de kerk die Hij zich verwierf’ door het bloed van onze Verlosser, zoals eertijds het volk van Israël door het bloed van lammeren verlost werd uit Egypte.
Daarom herinnert Petrus aan de geestelijke betekenis van het oudtestamentische verhaal. Hij toont aan dat dit zijn voltooiing moet vinden in het nieuwe volk van God, waar hij zegt: ‘Gij zijt bestemd om de roemruchte daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht’ (1 Petr. 2, 9). Het volk dat door Mozes uit de slavernij van Egypte gered werd, hief na de doortocht door de Rode Zee en de ondergang van Farao’s leger een zegelied aan voor de Heer. Zo moeten ook wij die door ons doopsel vergeving van zonden gekregen hebben, de gepaste dank betonen voor Gods weldaden. Want de naam van de Egyptenaren die het volk van God verdrukten, betekent ook: duisternis en kwelling. Zij stellen namelijk de zonden voor die ons achtervolgen, maar in de doop zijn verdelgd.
De bevrijding van de kinderen van Israël en hun tocht naar het sinds lang beloofde land verwijzen naar het geheim van onze verlossing. Door die verlossing zijn wij op tocht naar de luister van het hemelse verblijf, waarbij de genade van Christus ons verlicht en ons de weg toont. Het licht van de genade wordt verbeeld door de wolk- en vuurzuil, die de kinderen van Israël tijdens heel hun tocht beschermde tegen de duisternis van de nacht en hen langs wonderbare paden leidde naar hun woonplaats in het beloofde land.
Ex Commentário sancti Bedæ Venerábilis presbýteri in primam Epístolam Petri (Cap. 2: PL 93, 50-51)
Genus electum, regale sacerdotium
Vos autem genus eléctum, regále sacerdótium. Hoc laudis testimónium quondam antíquo Dei pópulo per Móysen datum est, quod nunc recte géntibus dat apóstolus Petrus, quia vidélicet in Christum credidérunt, qui velut lapis anguláris in eam, quam in se Israel habúerat, salútem gentes adunávit.
Quas genus eléctum vocat propter fidem, ut distínguat ab eis, qui, lápidem vivum reprobándo, facti sunt ipsi réprobi.
Regále autem sacerdótium, quia illíus córpori sunt uníti, qui rex summus et sacérdos est verus, regnum suis tríbuens ut rex, et ut póntifex eórum peccáta sui sánguinis hóstia mundans. Regále sacerdótium eos nóminat, ut et regnum speráre perpétuum, et hóstias immaculátæ conversatiónis Deo semper offérre memínerint.
Gens quoque sancta et pópulus acquisitiónis vocantur, iuxta id quod apóstolus Paulus, prophétæ senténtiam expónens, dicit: Iustus autem meus ex fide vivit; quod si subtráxerit se, non placébit ánimæ meæ; nos autem, inquit, non sumus subtractiónis in perditiónem, sed fídei in acquisitiónem ánimæ. Et in Actibus Apostolórum, Vos Spíritus Sanctus pósuit epíscopos régere Ecclésiam Dómini, quam acquisívit sánguine suo.
Pópulus ergo acquisitiónis facti sumus in sánguine nostri Redemptóris, quod erat quondam pópulus Israel redémptus sánguine agni de Ægýpto.
Unde et in sequénti quoque versículo mýstice véteris recordátus históriæ, et hanc étiam novo Dei pópulo spiritáliter docet impléndam dicens: Ut virtútes annuntiétis eius. Sicut enim hi, qui de Ægýptia servitúte liberáti sunt per Móysen, carmen triumphále post tránsitum maris Rubri et demérsum Pharaónis exércitum Dómino decantárunt, ita et nos opórtet post accéptam in baptísmo remissiónem peccatórum dignas benefíciis cæléstibus repéndere grátias.
Namque Ægýptii, qui pópulum Dei affligébant, qui étiam ténebræ vel tribulatiónes interpretántur, apte per sequéntia nos peccáta, sed in baptísmate deléta, signíficant.
Liberátio quoque filiórum Israel, et ad promíssam olim pátriam perdúctio, cóngruit mystério nostræ redemptiónis, per quam ad lucem supérnæ mansiónis, illustránte nos ac ducénte Christi grátia, téndimus; cuius lucem grátiæ étiam illa nubis et ignis colúmna monstrávit; quæ eos et in toto itínere illo a ténebris deféndit nóctium, et ad promíssas pátriæ sedes inenarrábili calle perdúxit.
Uit het commentaar van de heilige priester Beda de Eerbiedwaardige († 735) op de eerste brief van de apostel Petrus
Een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap.
‘Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap’ (1 Petr. 2, 9). Deze lofbetuiging werd eertijds door Mozes tot het oude godsvolk gesproken (vgl. Ex. 19, 6). Maar nu richt de apostel Petrus diezelfde woorden tot de heidenvolken, en terecht. Zij hebben immers in Christus geloofd, die als een hoeksteen alle volken heeft verenigd voor het heil dat ooit voor Israël alleen bestemd was.
Die volken noemt Petrus ‘een uitverkoren geslacht’ omwille van hun geloof, om hen aldus te onderscheiden van degenen die de hoeksteen verworpen hebben en daardoor zelf verworpen zijn. Hij noemt hen ‘een koninklijke priesterschap’, omdat ze verenigd zijn met het lichaam van Hem die de hoogste koning en de ware priester is. Als koning neemt Hij de zijnen op in zijn rijk. Als hogepriester reinigt Hij hen van hun zonden door het offer van zijn bloed. Petrus noemt hen ook ‘een koninklijke priesterschap’, opdat ze blijvend voor ogen houden dat hun hoop gericht moet zijn op het eeuwige koninkrijk, en dat ze God zonder ophouden het offer moeten brengen van een smetteloos leven.
Daarna worden ze ‘een heilige natie, Gods eigen volk’ (1 Petr. 2, 9) genoemd. Dit stemt overeen met de verklaring die de apostel Paulus geeft aan een uitspraak van de profeet Habakuk: mijn rechtvaardige zal door trouw geloof zijn leven redden, maar wie terugdeinst, kan Mij niet behagen (vgl. Hab. 2, 4). ‘Maar wij behoren niet tot hen die terugdeinzen en verloren gaan; wij hebben geloof en winnen door geloof het leven’ (Heb. 10, 39). In de Handelingen van de Apostelen zegt diezelfde Paulus: ‘De heilige Geest heeft u tot leiders aangesteld om Gods kerk te hoeden, die Hij zich verwierf door het bloed van zijn eigen Zoon’ (Hand. 20, 28). Wij zijn dus ‘Gods eigen volk’ geworden, ‘de kerk die Hij zich verwierf’ door het bloed van onze Verlosser, zoals eertijds het volk van Israël door het bloed van lammeren verlost werd uit Egypte.
Daarom herinnert Petrus aan de geestelijke betekenis van het oudtestamentische verhaal. Hij toont aan dat dit zijn voltooiing moet vinden in het nieuwe volk van God, waar hij zegt: ‘Gij zijt bestemd om de roemruchte daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht’ (1 Petr. 2, 9). Het volk dat door Mozes uit de slavernij van Egypte gered werd, hief na de doortocht door de Rode Zee en de ondergang van Farao’s leger een zegelied aan voor de Heer. Zo moeten ook wij die door ons doopsel vergeving van zonden gekregen hebben, de gepaste dank betonen voor Gods weldaden. Want de naam van de Egyptenaren die het volk van God verdrukten, betekent ook: duisternis en kwelling. Zij stellen namelijk de zonden voor die ons achtervolgen, maar in de doop zijn verdelgd.
De bevrijding van de kinderen van Israël en hun tocht naar het sinds lang beloofde land verwijzen naar het geheim van onze verlossing. Door die verlossing zijn wij op tocht naar de luister van het hemelse verblijf, waarbij de genade van Christus ons verlicht en ons de weg toont. Het licht van de genade wordt verbeeld door de wolk- en vuurzuil, die de kinderen van Israël tijdens heel hun tocht beschermde tegen de duisternis van de nacht en hen langs wonderbare paden leidde naar hun woonplaats in het beloofde land.
Vrijwilligers gezocht! BASILIEK ZET DEUREN WEER WIJD OPEN OOK VOOR BEZOEKERS OP WEEKDAGEN!
Na de beperkingen van de coronapandemie gaan de deuren van de basiliek voor bezoekers buiten de liturgische vieringen ook weer open op woensdag- en zaterdagmiddag van 13.30u-15.00u. Zondag is de Basiliek open van 13.30 - 17.00u
Dat zijn de spitsuren waarop toeristen, passanten en andere bezoekers de kerkberg beklimmen en ook graag de gebouwen van binnen willen zien. De levende geschiedenis bruist je tegemoet! Uit deze contacten komen dikwijls nieuwe ideeën en waardevolle historische informatie voort.
Wie helpt ons van mei tot oktober belangstellenden te ontvangen en tegelijk op de Kerkberg, de Basiliek en de Mariakapel te passen? Bij vragen is er een informatiemap voor de Basiliekwacht beschikbaar en op de achtergrond zijn altijd ook de zusters paraat. U staat er dus niet alleen voor.
Op maandbasis zijn er gemiddeld 8 personen nodig. De eerste vrijwilligers hebben zich reeds aangemeld; wilt ook U eenmaal per maand anderhalf uur helpen? Dat stellen we zeer op prijs!
Informatie en opgave:
Marlou Roeleveld - de Ligt, 06 339 29 470 of famroeleveld@gmail.com
Zuster Pauline, Priorij Thabor (0475) 532074 of m.pauline@priorijthabor.nl
Abonneren op:
Posts (Atom)




