zondag 11 november 2018
zaterdag 10 november 2018
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada XXXI per annum sabbato
Ad Officium lectionis
Lectio altera
Ex Tractátu sancti Ambrósii epíscopi De bono mortis
(Cap. 3, 9; 4, 15: CSEL 32, 710. 716-717)
Mortificationem Christi circumferamus
Ait Apóstolus: Mihi mundus crucifíxus est, et ego mundo. Dénique ut sciámus quia est mors in hac vita et bona mors, hortátur nos ut mortem Iesu in córpore nostro circumferámus; qui enim habúerit in se mortem Iesu, is et vitam Dómini Iesu in córpore suo habébit.
Operétur ígitur mors in nobis, ut operétur et vita; bona vita post mortem, hoc est bona vita post victóriam, bona vita absolúto certámine, ut iam lex carnis legi mentis repugnáre non nóverit, ut iam nobis nulla sit cum córpore mortis conténtio, sed sit in córpore mortis victória. Atque haud scio ipse an maióris virtútis mors ista quam vita sit. Certe Apóstoli móveor auctoritáte dicéntis: Ergo mors in nobis operátur, vita autem in vobis. Uníus mors quantórum populórum vitam ædificábat! Itaque docet et istam mortem in hac vita pósitis expeténdam, ut mors Christi in córpore nostro elúceat, et illam beátam, qua corrúmpitur extérior ut renovétur intérior homo noster, et terréstris domus nostra dissolvátur ut habitáculum nobis cæléste reserétur.
Imitátur ígitur mortem qui se a communióne carnis huius abdúcit atque illis vínculis solvit, de quibus dicit tibi Dóminus per Isaíam: Sed solve omnem colligatiónem iniustítiæ, dissólve obligatiónes violentárum commutatiónum, dimítte confráctos in remissiónem et omnem circumscriptiónem iníquam disrúmpe.
Passus est ígitur Dóminus subintráre mortem, ut culpa cessáret; sed ne íterum natúræ finis esset in morte, data est resurréctio mortuórum, ut per mortem culpa defíceret, per resurrectiónem autem perpetuarétur natúra.
Ideóque mors hæc tránsitus universórum est. Opus est ut constánter tránseas: tránsitus autem a corruptióne ad incorruptiónem, a mortalitáte ad immortalitátem, a perturbatiónibus ad tranquillitátem. Non ígitur te nomen mortis offéndat, sed boni tránsitus benefícia deléctent. Quid est enim mors nisi sepultúra vitiórum, virtútum suscitátio? Unde et ille ait: Moriátur ánima mea in ánimis iustórum, id est consepeliátur, ut sua vítia depónat, iustórum assúmat grátiam, qui mortificatiónem Christi in córpore suo atque ánima circúmferunt.
Tweede lezing
Uit het Tractaat over ‘de zalige dood’ van de H. Ambrosius, bisschop
(Cap. 3, 9; 4, 15: CSEL 32, 710. 716-717)
Laten we het doodslijden van Christus in ons meedragen
De Apostel zegt: De wereld is voor mij gekruisigden ik voor de wereld. Om tenminste te weten dat in dit leven de dood ook een goede dood is, vermaant hij ons dat wij de dood van Jezus in ons lichaam mee moeten dragen; want wie de dood van Jezus in zich draagt, zal ook het leven van de Heer Jezus in zijn lichaam meedragen.
Moge daarom de dood in ons werken, opdat ook het leven mag werken. Een gelukkig leven na de dood, dat is: een gelukkig leven na de overwinning, een gelukkig leven na de strijd, zodat de wet van het vlees niet meer weet te strijden tegen d wet van de geest, en zodat er voor ons geen strijd meer is met het lichaam tegen de dood, maar er in het lichaam de overwinning is over de dood. En ik weet zelf niet of die dood van groter kracht is dan het leven. Zeker voel ik mij getroffen door het gezag van de Apostel, die zegt: Zo verricht de dood zijn werk in ons, maar het leven in u. Van hoeveel volken bouwde de dood van Eén het leven op! Hij leert derhalve ook, dat die dood begerenswaardig is voor die in dit leven verblijven, opdat de dood van Christus in ons lichaam openbaar wordt, en die dood gelukzalig is, waardoor de uitwendige mens te niet gaat, zodat onze inwendige mens wordt vernieuwd en onze aardse woning wordt neergehaald, opdat het hemels verblijf voor ons wordt ontsloten.
Hij beeldt die dood uit, die zich onttrekt aan de gemeenschap met dit vlees en die boeien verbreekt, waarover de Heer door Jesaja tot u zegt: Maar verbreek alle boeien van ongerechtigheid; ontbind de drukkende banden; laat hen, die gebroken zijn, vrij, en verbreek alle boze bedrog.
De Heer heeft het ondergaan de dood binnen te treden en een eind te maken aan de schuld. Maar om te voorkomen dat in de dood wederom het einde zou liggen van de natuur, werd de verrijzenis der doden geschonken, opdat door de dood de schuld gedelgd zou worden, maar door de verrijzenis de natuur zou blijven behouden.
En zo is de dood een overgang van alles. Er moet bij u steeds een overgang zijn: een van het bederf naar de onbederfelijkheid, van beroeringen naar rust. Laat daarom het oord ‘dood’ u niet schokken, maar laten de weldaden van de goede overgang u verheugen. Want wat is de dood anders dan het begraven van ondeugden en de opstanding van deugden? Vandaar zegt de Schrift: Moge ik de dood der rechtvaardigen sterven, dit is: Moge ik mede begraven worden om mijn ondeugden af te leggen, en de genade ontvangen van de rechtvaardigen, die het doodslijden van Christus in hun lichaam en hun ziel met zich dragen.
Lectio altera
Ex Tractátu sancti Ambrósii epíscopi De bono mortis
(Cap. 3, 9; 4, 15: CSEL 32, 710. 716-717)
Mortificationem Christi circumferamus
Ait Apóstolus: Mihi mundus crucifíxus est, et ego mundo. Dénique ut sciámus quia est mors in hac vita et bona mors, hortátur nos ut mortem Iesu in córpore nostro circumferámus; qui enim habúerit in se mortem Iesu, is et vitam Dómini Iesu in córpore suo habébit.
Operétur ígitur mors in nobis, ut operétur et vita; bona vita post mortem, hoc est bona vita post victóriam, bona vita absolúto certámine, ut iam lex carnis legi mentis repugnáre non nóverit, ut iam nobis nulla sit cum córpore mortis conténtio, sed sit in córpore mortis victória. Atque haud scio ipse an maióris virtútis mors ista quam vita sit. Certe Apóstoli móveor auctoritáte dicéntis: Ergo mors in nobis operátur, vita autem in vobis. Uníus mors quantórum populórum vitam ædificábat! Itaque docet et istam mortem in hac vita pósitis expeténdam, ut mors Christi in córpore nostro elúceat, et illam beátam, qua corrúmpitur extérior ut renovétur intérior homo noster, et terréstris domus nostra dissolvátur ut habitáculum nobis cæléste reserétur.
Imitátur ígitur mortem qui se a communióne carnis huius abdúcit atque illis vínculis solvit, de quibus dicit tibi Dóminus per Isaíam: Sed solve omnem colligatiónem iniustítiæ, dissólve obligatiónes violentárum commutatiónum, dimítte confráctos in remissiónem et omnem circumscriptiónem iníquam disrúmpe.
Passus est ígitur Dóminus subintráre mortem, ut culpa cessáret; sed ne íterum natúræ finis esset in morte, data est resurréctio mortuórum, ut per mortem culpa defíceret, per resurrectiónem autem perpetuarétur natúra.
Ideóque mors hæc tránsitus universórum est. Opus est ut constánter tránseas: tránsitus autem a corruptióne ad incorruptiónem, a mortalitáte ad immortalitátem, a perturbatiónibus ad tranquillitátem. Non ígitur te nomen mortis offéndat, sed boni tránsitus benefícia deléctent. Quid est enim mors nisi sepultúra vitiórum, virtútum suscitátio? Unde et ille ait: Moriátur ánima mea in ánimis iustórum, id est consepeliátur, ut sua vítia depónat, iustórum assúmat grátiam, qui mortificatiónem Christi in córpore suo atque ánima circúmferunt.
Tweede lezing
Uit het Tractaat over ‘de zalige dood’ van de H. Ambrosius, bisschop
(Cap. 3, 9; 4, 15: CSEL 32, 710. 716-717)
Laten we het doodslijden van Christus in ons meedragen
De Apostel zegt: De wereld is voor mij gekruisigden ik voor de wereld. Om tenminste te weten dat in dit leven de dood ook een goede dood is, vermaant hij ons dat wij de dood van Jezus in ons lichaam mee moeten dragen; want wie de dood van Jezus in zich draagt, zal ook het leven van de Heer Jezus in zijn lichaam meedragen.
Moge daarom de dood in ons werken, opdat ook het leven mag werken. Een gelukkig leven na de dood, dat is: een gelukkig leven na de overwinning, een gelukkig leven na de strijd, zodat de wet van het vlees niet meer weet te strijden tegen d wet van de geest, en zodat er voor ons geen strijd meer is met het lichaam tegen de dood, maar er in het lichaam de overwinning is over de dood. En ik weet zelf niet of die dood van groter kracht is dan het leven. Zeker voel ik mij getroffen door het gezag van de Apostel, die zegt: Zo verricht de dood zijn werk in ons, maar het leven in u. Van hoeveel volken bouwde de dood van Eén het leven op! Hij leert derhalve ook, dat die dood begerenswaardig is voor die in dit leven verblijven, opdat de dood van Christus in ons lichaam openbaar wordt, en die dood gelukzalig is, waardoor de uitwendige mens te niet gaat, zodat onze inwendige mens wordt vernieuwd en onze aardse woning wordt neergehaald, opdat het hemels verblijf voor ons wordt ontsloten.
Hij beeldt die dood uit, die zich onttrekt aan de gemeenschap met dit vlees en die boeien verbreekt, waarover de Heer door Jesaja tot u zegt: Maar verbreek alle boeien van ongerechtigheid; ontbind de drukkende banden; laat hen, die gebroken zijn, vrij, en verbreek alle boze bedrog.
De Heer heeft het ondergaan de dood binnen te treden en een eind te maken aan de schuld. Maar om te voorkomen dat in de dood wederom het einde zou liggen van de natuur, werd de verrijzenis der doden geschonken, opdat door de dood de schuld gedelgd zou worden, maar door de verrijzenis de natuur zou blijven behouden.
En zo is de dood een overgang van alles. Er moet bij u steeds een overgang zijn: een van het bederf naar de onbederfelijkheid, van beroeringen naar rust. Laat daarom het oord ‘dood’ u niet schokken, maar laten de weldaden van de goede overgang u verheugen. Want wat is de dood anders dan het begraven van ondeugden en de opstanding van deugden? Vandaar zegt de Schrift: Moge ik de dood der rechtvaardigen sterven, dit is: Moge ik mede begraven worden om mijn ondeugden af te leggen, en de genade ontvangen van de rechtvaardigen, die het doodslijden van Christus in hun lichaam en hun ziel met zich dragen.
vrijdag 9 november 2018
Prayer for Vocations
![]() |
| The Vocation of the Apostles Domenico Ghirlandaio, painted 1481-1482. |
Amen.
Vindplaats: EWTN
Credo "Ik geloof - Wij geloven"
Wanneer wij ons geloof belijden, beginnen wij met: "Ik geloof" of "Wij geloven". Vooraleer wij het geloof van de kerk uiteenzetten zoals wij dat in de Twaalf artikelen van het geloof belijden, in de liturgie vieren en in de toepassing van de Tien Geboden en in het gebed beleven, willen wij' ons afvragen wat "geloven" betekent. Het geloof is het antwoord van de mens aan God die zich aan hem openbaart en geeft. Bij dit antwoord verlicht Hij de mens, op zoek naar de uiteindelijke zin van het leven overvloedig. Daarom richten wij eerst onze aandacht op het zoeken van de mens (hoofdstuk 1), vervolgens op de goddelijke openbaring, waardoor God de mens tegemoet komt (hoofdstuk 2), en tenslotte op het antwoord van het geloof (hoofdstuk 3).
Zie Catechismus Katholieke Kerk
Zie Catechismus Katholieke Kerk
donderdag 8 november 2018
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada XXXI per annum feria V De fidei symbolo. De geloofsbelijdenis
Ad
Officium lectionis
Lectio altera
Ex Catechésibus
sancti Cyrílli Hierosolymitáni epíscopi
(Cat. 5, De fide et
symbolo, 12-13: PG 33, 519-523)
Tweede lezing
Uit de Catechesen van de H.
Cyrillus van Jeruzalem, bisschop
(Cat. 5, De fide et
symbolo, 12-13: PG 33, 519-523)
De geloofsbelijdenis
Bij
het aanleren en belijden moet ge die geloofsbelijdenis alleen vasthouden en
bewaren, welke u nu door de Kerk wordt overgeleverd en die versterkt is door
allerlei schriftuurplaatsen. Want omdat niet allen de Schrift kunnen lezen –
sommigen worden door onvermogen, anderen worden door deze of gene bezigheid
verhinderd de kennis van hun geloof uit te breiden – hebben wij, opdat de ziel
niet door onkunde verloren gaat, het geheel van onze geloofsbelijdenis in
enkele regels samengevat.
Ik
wil, dat ge dat geloof als een teerspijze
in elke tijd van uw leven bij u draagt en buiten dat niets anders
aanneemt; ook dan niet, als wij zelf
daarvan zouden afwijken en in tegenspraak met onze huidige leer geraken, en
zelfs niet als een verderfengel in de gedaante van een engel des lichts u ervan
zou willen afbrengen. Want ook al zouden wijzelf of een engel uit de
hemel u een Evangelie verkondigen, dat afwijkt van wat gij nu ontvangen hebt,
hij zij vervloekt.
En
hoewel gij nu maar alleen naar woorden luistert, moet ge toch de geloofsbelijdenis
in uw geheugen vasthouden, en put dan de bevestiging van elk onderdeel te
zijner tijd uit de heilige Schriften. Want die korte inhoud van het geloof werd
niet opgesteld door menselijke willekeur, maar de voornaamste leerstellingen
uit geheel de H. Schrift zijn in die belijdenis bij elkaar gezet tot één enige
geloofsbelijdenis. En zoals het mosterdzaadje in één kleine korrel vele takken
in zich sluit, zo omsluit deze geloofsbelijdenis kennis, die zowel in het oude
als in het nieuwe Testament ligt vervat.
Daarom,
broeders, ziet hier de overleveringen, die ge nu ontvangt; houdt ze vast en
grift ze in de grootheid van uw hart.
Let
er angstvallig op, dat de vijand niet ergens trage en nalatige zielen rooft, en
dat geen ketter iets bederft van hetgeen u is overgeleverd. Want geloven is
geld op een bank zetten, dat hebben we nu gedaan. Maar God eist van u
rekenschap over dat deposito. Ik bezweer
u, zoals de Apostel zegt, voor het
Aanschijn van God, die allen ten leven wekt, en van Christus Jezus die onder
Pontius Pilatus zijn heerlijke belijdenis heeft afgelegd, dat ge dit u
overgeleverde geloof onbesmet bewaart
tot aan de verschijning van Onze Heer Jezus Christus.
Een
schat voor het leven is u nu toevertrouwd, en de Heer zal zijn deposito opeisen
in d tijd van zijn verschijning, Hem zal
te zijner tijdde zalige en enige Heerser openbaren, de Koning der koningen en
de Heer der heren, Hij, die alleen de onsterfelijkheid bezit en het
ontoegankelijke licht bewoont. Geen mens heeft Hem gezien of is in staat Hem te
zien. Hem zij glorie en eer en de heerschappij in de eeuwen der eeuwen.
Amen.
woensdag 7 november 2018
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada XXXI per annum feria IV De kracht van het geloof overtreft de menselijke krachten. Fidei virtus super humanas vires operatur.
Ad
Officium lectionis
Lectio altera
Ex Catechésibus sancti Cyrílli
Hierosolymitáni epíscopi
(Cat. 5, De fide et symbolo, 10-11: PG 33,
518-519)
Tweede lezing
Uit de Catechesen van de H.
Cyrillus van Jeruzalem, bisschop
(Cat. 5, De fide et symbolo, 10-11: PG 33,
518-519)
De kracht van
het geloof overtreft de menselijke krachten
“Geloof”
is slechts één woord, maar heeft twee aspecten. Er is namelijk een dogmatisch
geloof, en dat is de instemming van de ziel met het een of ander. Dat geloof
betreft het nut van de ziel, zoals de Heer zegt: Wie luistert naar mijn
woord en gelooft in Hem, die Mij zond, heeft het eeuwige leven en is aan geen
oordeel onderworpen; en elders: Wie in de Zoon gelooft, wordt niet
geoordeeld, maar is overgegaan van de dood naar het leven.
O
grote goedheid van God jegens de mensen! De rechtvaardigen (van het Oude
Verbond) toch hebben God behaagd door hun vele jaren van arbeid. Welnu, wat
dezen ontvingen door zeel veel jaren vurige dienst van God, dat schenkt Jezus u
voor een dienst, die tot één uur is bekort. Want als gij gelooft, dat Jezus
Christus de Heer is, en dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult ge zalig
worden en wordt ge door Hem, die de goede moordenaar daar binnenliet naar het
paradijs overgebracht. En twijfel er nu niet aan of dit kan, want Hij, die de
goede moordenaar na één uur van geloof op dat heilige Golgotha zalig heeft
gemaakt, zal ook u, als ge geloofd hebt, zalig maken.
Maar
er bestaat nog een ander soort geloof, dat als een bijzondere gave door
Christus wordt geschonken. Want aan de een wordt door de Geest het woord der
wijsheid gegeven, aan een ander het woord der kennis krachtens dezelfde Geest,
aan een ander het geloof door dezelfde Geest, een ander de gaven der genezing.
Dit
geloof dan, dat als een bijzondere genadegave door de Geest wordt geschonken,
is niet slechts dogmatisch, maar bewerkt ook dingen, die de menselijke krachten
t boven gaan. Want wie dit soort van geloof bezit, zal tot deze berg zeggen: Ga
vanhier daarheen, en hij zal gaan. Want wanneer iemand door zijn geloof
ditzelfde zou zeggen, overtuigd dat het zo gebeuren zou, en hij niet aarzelt in
zijn hart, ontvangt hij ook deze gave.
Over
dat geloof wordt gezegd: Als gij een geloof hebt als een mosterdzaadje. Want
zoals een mosterdzaadje, dat wel klein is van omvang maar begiftigd met een
brandende werkzaamheid en op een kleine plaats gezaaid grote takken om zich
heen verspreidt, en dat, nadat het is uitgegroeid, zelfs de vogelen des hemels
kan beschaduwen. Zo kan ook het geloof in een zeer kort moment in de ziel
de grootste vruchten voortbrengen. Want, onder het licht van het geloof maakt de
ziel zich van God een voorstelling en beschouwt Hem; voor zover zij Hem
bevatten kan. Zij gaat de grensgebieden van de aarde rond, en voor het einde
van deze tijd ziet zij reeds het oordeel en de uitreiking van het beloofde
loon.
Moogt
ge daarom dat geloof bezitten, dat van u afhangt en tot Hem voert; om ook van
Hem het geloof te ontvangen, dat boven de menselijke krachten werkzaam is.
Abonneren op:
Posts (Atom)



