Posts tonen met het label dominica XI per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dominica XI per annum. Alle posts tonen

zaterdag 12 juni 2021

Introitus: Exaudi Domine Dominica XI per annum

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” 11e zondag per annum / door het jaar Wie leest en nadenkt over de H. Mis kan niet anders dan deze vieren met eerbied en aandacht.

 Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie

Laat de steun van deze gaven voor lichaam en geest ons nimmer ontbreken

I n l e i d i n g
Het Gebed over de gaven beschouwt de mens als een door God naar zijn beeld geschapen persoon met een lichamelijke en een geestelijke natuur (“utramque substantiam”), met een lichaam en een ziel. De gaven van brood en wijn heeft God de mens als voedsel en als mysterie toegedacht. Voedsel dient de mens die in het begin door de scheppende hand van God het leven heeft ontvangen tot onderhoud, het Sacrament bewerkt de herschepping zoals  
het gebed na de 1e lezing uit het boek Genesis 1, 1-2, 2) in de Paaswake zo prachtig uitdrukt: “
Almachtige, eeuwige God, Gij zijt wonderbaar in de ordening van al uw werken. Laat allen die door U verlost zijn begrijpen dat de schepping van de wereld in den beginne, overtroffen is op het einde der tijden, toen Christus, ons Paaslam, is geslacht”. Een verwantschap van begrippen vinden we terug in het collectegebed van de Dagmis van Kerstmis: “Deus, qui humanæ substantiæ dignitatem et mirabiliter condidisti et mirabilius reformasti…”- God, die op wonderbare wijze de mens hebt geschapen en op nog wonderlijker wijze in zijn waardigheid hebt hersteld..
De oratie super munera is bij hongersnood samengesteld. Maar er wordt tegenwoordig nog steeds – en juist noodzakelijk  - in dit gebed gevraagd dat aan lichaam en ziel nooit de gaven van spijs en drank mogen ontbreken, die immers niet alleen het onderhoud van het aardse, maar ook het eeuwige leven dienen: het manna in de woestijn in het Oude Verbond alsook het Manna in het Nieuwe Verbond.
In het misformulier van afgelopen donderdag (Sacramentsdag) verwijst de sequens “Lauda Sion salvatorem”, toegeschreven aan de H. Thomas van Aquino (1225-1274), naar het manna als voorafbeelding van de H. Eucharistie: “In figuris præsignatur, cum Isaac immolatur, Agnus Paschæ deputatur, datur manna patribus - Voorbeduid werd het [Sacrament van de H. Eucharistie] in beelden, toen eens Isaac werd geofferd, toen de vaad’ren het Paasmaal vierden, toen het manna voor hen viel”. Naar het voedsel voor de  ‘duplex substantia’, voor de tweevoudige wezenheid van de mens, verwijst dezelfde auteur in de derde strofe van de hymne “Verbum Supernum” van de Lauden op het hoogfeest van het H. Sacrament: “Quibus sub bina specie, carnem dedit et sanguinem; ut duplicis substantiae totum cibaret hominem – Onder tweeërlei gedaante Gaf Hij hun zijn Vlees en zijn Bloed, om, naar zijn dubbele zelfstandigheid, de gehele mens te voeden”.

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Deus, qui humani generis utramque substantiam præsentium munerum et alimento vegetas
et renovas sacramento,
tribue, quæsumus,
ut eorum et corporibus nostris subsidium non desit et mentibus.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
God, Gij schenkt ons deze gaven als voedsel voor ons lichaam
 en als sacrament om ons geestelijk te vernieuwen.
Wij bidden U:
laat hun steun voor lichaam en geest ons nimmer ontbreken

Werkvertaling
God, die elk van beide bestanddelen van de menselijke natuur zowel door het voedsel voedt als door het sacrament van de hier aanwezige gaven vernieuwt,
geef, vragen wij [U],
dat hun hulp noch aan onze lichamen noch aan onze ziel ontbreke.
L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De  brontekst van deze oratio wordt gevonden in het Sacramentarium Leonianum, 908 (Verona, Kapittelbibliotheek LXXXV), tweede helft zesde eeuw. De tekst maakte deel uit van “Orationes et preces ieiunii mensis VII”, IX alia missa <secreta> (Leonianum), “Missa pro conservandis frugibus”, oratio super oblata (Fulda, Codex Theol. 231, ca 975), “Missa de sterilitate terræ” (Cod. Ottonianus, Trente, elfde eeuw) en van de “Missa pro pestilentia et fame” in diverse andere contemporaine en latere codices.
In het Missale Romanum 1962 is dezelfde brontekst het Secretagebed van het misformulier ‘Ten tijde van hongersnood” (Or. div. 14: Tempore famis).
 (Zie: E. Moeller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, II, D, Brepols, Turnhout 1993, nr. 1698, p. 365.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
De Oratio super munera van deze zondag is met veel kunstig gekozen woorden opgebouwd en bestaat uit één enkele doorlopende zin: een openingszin met aan de spits de anaklese Deus in de vocativusvorm, gevolgd door een relatieve bijzin, ingeleid door het betrekkelijk voornaamwoord qui, die een tweevoudige heilsdaad van God vermeldt (regel 1). Vervolgens richt de oratie richt zich in r. 2 rechtstreeks tot God met een imperativusvorm, ook in dit gebed afgezwakt door de losse werkwoordsvorm quæsumus (verbum defectivum (onvolledig), slechts bestaand uit de vormen quæso en quæsumus). Het “object” van het gebed is uitgedrukt  in de finale/doelaanwijzende resp. consecutieve/gevolghebbende bijzin (r. 3) ingeleid door het voegwoord ut dat de coniunctivusvorm van het prædicaat bij zich heeft vanwege het wens-, gebedskarakter (coniunctivus optativus).

1. Deus, qui humani generis utramque substantiam præsentium munerum et alimento vegetas et renovas sacramento,
2. tribue, quæsumus,
3. ut eorum et corporibus nostris subsidium non desit et mentibus.

Ad 1
Aan de spits de enkelvoudige anaklese Deus in de vocativusvorm, gevolgd door een relatieve bijzin qui met twee prædicaten vegetas, Gij voedt, en renovas, Gij vernieuwt, in de 2e persoon enkelvoud van de indicativusvorm præsentis activi: de vermelde tweevoudige heilsdaad zet God immers scheppend, dag aan dag en overal waar het H. Misoffer wordt gevierd, voort. De repetitio van de coniunctie et…et benadrukt dit feit. Vegetas en renovas vertonen eind-/klankrijm en alliteratie van de eind –s. Object van beide prædicaten is het zinsdeel humani generis utramque substantiam, de tweevoudige wezenheid van het menselijke geslacht/de menselijke natuur – met utramque substantiam in twee congruerende accusativusvormen met eind-, klankrijm, nader toegelicht door twee congruerende genitivusvormen, hier te beschouwen als genitivus partitivus, de beide bestanddelen van de menselijke natuur,  zoals mooi is vertaald in het Altaarmissaal.
Præsentium munerum et alimento [vegetas] et [renovas] sacramento, en voedt met/door het voedsel en hernieuwt met/door het sacrament van de hier aanwezige offergaven: bijwoordelijke bepaling in de ablativusvormen alimento en sacramento, als ablativus instrumentalis met eind-, klankrijm op –o, vergezeld van twee congruerende genitivusvormen præsentium munerum met eind, klankrijm op –m, die kunnen worden gelezen als genitivus explicativus. Præsentium is de genitivus meervoud van het participium præsentis activi van het verbum esse, bij munerum, genitivus meervoud, als adiectivum gebruikt. De elementen van de zin: alimento vegetas / renovas sacramento onder elkaar geplaatst vormen een chiasme (kruisstelling).
Ad 2
Tribue, quæsumus, geef, bidden/vragen wij - hoofdzin met prædicaat in de imperativusvorm, gevolgd door een tussenzin, bestaande uit de op zichzelf staande werkwoordsvorm quæsumus, die de imperativusvorm afzwakt maar ook mogelijk aan het ritmisch verloop van de zin bijdraagt.
Ad 3 ut eorum et corporibus nostris subsidium non desit et mentibus.
Finale/consecutieve bijzin ingeleid door het voegwoord ut, opdat/zodat met, bijgevolg, het prædicaat [non] desit in de coniunctivusvorm: 3e persoon enkelvoud coniunctivi præsentis activi van het verbum deesse: coniunctivus optavivus, opdat/zodat niet ontbreke, niet moge ontbreken.
Subject van het prædicaat is eorum subsidium, de hulp van hen, waarvan subsidium in de nominativusvorm staat en vergezeld wordt door de bijvoeglijke bepaling eorum, genitivusvorm meervoud van het aanwijzend voornaamwoord id, het. Eorum heeft als antecedent præsentium munerum van r. 1.
Et corporibus nostris […] et mentibus, en voor ons lichaam en voor onze ziel, bijwoordelijke bepaling in de dativusvorm (dativus commodi, van voordeel). Het bezittelijk voornaamwoord nostris, bij corporibus geplaatst, geldt ook duidelijk voor mentibus.
Het versterkende et…et (repetitie van het voorafgaande et…et, legt de nadruk op het feit dat de hulp beide elementen van de menselijke natuur beoogt. 
De begrippen ‘humani generis utramque substantiam’ uit regel 1 zijn inhoudelijk hetzelfde als ‘corporibus nostris et mentibus’ van regel 3.
Corporibus nostris […] et mentibus vormen een hyperbaton.
Het præfix sub van sub-sidium is een repetitio van het sub- van sub-stantiam van regel 1.
Twee composita van het verbum esse zijn in deze oratie gebruikt: præsentium (r. 1) en desit (r. 3).

V o c a b u l a r i u m
Alimentum, -, n. betekent voedsel, spijs. Synoniem hiermee is alimonia, æ, f.
Vegetare, 1, 1. levendig maken 2. gezond bewaren 3. voeden met het substantivum vegetatio, onifs f. klinken helemaal Nederlands, ook vegetatief, plantaardig, en vegetarisch.
Genus humanum, het menselijk geslacht, de menselijke natuur. Dit begrip werd veel gehanteerd in de documenten van Vaticanum II. De oratie van vandaag bevat twee termen voor het begrip “mensen”: genus humanum en nostris corporibus et mentibus: het eerste begrip is een algemene benaming voor een totaliteit, het tweede begrip is een onderdeel van die totaliteit en een specifieke categorie.
Substantia, -æ f. is een begrip dat in tegenstelling tot het begrip ‘forma’ verwijst naar de ‘binnenkant’ van iets of van personen. Dat laten de volgende betekenissen zien:  1. wezen, natuur, aard 2. zelfstandigheid, de zaak zelf 3. vermogen, bezit, goederen 4. vaste grond 5. levensduur, bestaan 6. vast betrouwen, zekerheid. De theologische bagage bij het begrip substantia gaat de context van deze bespreking te boven, maar de nuttige dictionnaire ‘Le vocabulaire Latin des principaux thèmes liturgique’ van A. Blaise & A. Dumas o.s.b. (Brepols 1966) geeft op p. 103 bij dit begrip vooral de vertaalmogelijkheid “natuur” en dat helpt. Het Nederlands kent de leenwoorden: substantie, substantiëel, substantief.
Utramque is de accusativusvorm enkelvoud van het vrouwelijke van het onbepaalde voornaamwoord uterque dat betekent: elk van beiden, beiden.
Subsidium, -i, n. betekent in krijgstaal: 1. hulptroepen, versterking, reserve 2. hulpmiddel en vandaar 3. hulp, steun, bescherming 4. toevlucht(oord). De in het Nederlands afgeleide woorden zijn alle gerelateerd aan de grondbetekenis van subsidium: steun, hulp.
Corporibus et mentibus, een begrippenpaar dat onmiddellijk doet denken aan het Latijnse adagium afkomstig van de Romeinse satirische dichter Juvenalis (ca 60 in Latium geboren en + vóór 140): “Orandum est ut sit mens sana in corpore sano… Voor een gezonde geest in een gezond lichaam moet gebeden worden. Misschien is Juvenalis – het gezegde “brood en spelen” komt overigen eveneens uit zijn pen – wel geïnspireerd door Homerus: “Een perfect lichaam en een onberispelijke geest” (Odyssee III, 138). Dit was een veel voorkomend thema in de antieke wereld. De stoïcijn Lucius Annæus Seneca de Jongere (+65) schreef:  “Houd vast aan deze gezonde en nuttige levensregel: dat je het lichaam slechts zoveel toestaat als nodig is voor een goede gezondheid. Het lichaam moet flink worden aangepakt zodat het niet rebelleert tegen de geest” (Brief 7, 5 aan Lucilius).

G e t u i g e n i s  v a n  d e  V a d e r s
Jezus zegt van zichzelf: “Ik ben het brood des levens. Uw vaderen die het manna gegeten hebben in de woestijn, zijn niettemin gestorven, maat dit brood daalt uit de hemel neer, opdat wie er van eet niet sterft. Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand eet van dit brood, zal hij leven in eeuwigheid.
Het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag. Want mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed is echte drank” (Jo 6, 48-51.54-55).

H. Irenæus van Lyon
(Adv. Hæreses IV, 18, 5)

“Wij offeren Hem van het zijne, en daarmee verkondigen wij tegelijk de onderlinge gemeenschap en eenheid van vlees en geest en belijden tegelijk der verrijzenis van beide. Want zoals het brood, dat van de aarde is, de aanroeping van God ontvangend, niet langer gewoon brood is, maar de Eucharistie, uit twee elementen bestaande, een aards en een hemels: zó zijn ook onze lichamen die de Eucharistie ontvangen, niet langer meer bederfelijk, maar bezitten de hoop op de verrijzenis”.

Origines
(In Num., Hom. 7,2)

“Oudtijds was het manna een voedsel als in een raadsel, maar nu is het Vlees van Gods Woord in werkelijkheid spijs, zoals Hijzelf het zegt: Mijn Vlees is waarlijk spijs en Mijn Bloed is waarlijk drank”.

H. Ambrosius van Milaan
(De Sacramentis, IV, 4)

“Het was zeker een groot en eerbiedwaardig feit,  dat het manna voor de Joden uit de hemel regende, maar denk na! Wat is groter, het manna uit de hemel of het lichaam van Christus? Vanzelfsprekend het lichaam van Christus, die de Schepper is van de hemel. Daarenboven: wie het manna gegeten heeft, is gestorven; wie dit lichaam gegeten zal hebben, zal de vergeving van zonden verkrijgen en in eeuwigheid niet sterven.”

H. Augustinus
 (Uit Sermo 57, 7, 7)

“De Eucharistie is voor ons brood voor elke dag. Maar dan moeten we het ook zó ontvangen, dat wij daardoor niet alleen lichamelijk weer op krachten komen, maar ook geestelijk. Want de kracht die door de Eucharistie te verstaan wordt gegeven, is de eenheid: dat wil zeggen, nadat we in het lichaam van Christus opgenomen zijn en zijn ledematen zijn geworden, zij wij wat wij ontvangen. Slechts dan zal de Eucharistie werkelijk dagelijks brood voor ons zijn”.

H. Thomas van Aquino
(Opusculum 57, In festo Corporis Christi, lect. 1-4)

“Toen de Eniggeboren Zoon Gods ons deelachtig wilde maken aan zijn Godheid, nam Hij onze natuur aan, opdat Hij, Mens geworden, ons mensen tot goden zou maken.
En bovendien heeft Hij datgene, wat Hij van onze natuur aannam, geheel tot ons heil doen dienen. Want zijn Lichaam droeg Hij op het altaar van het kruis op aan God, zijn Vader, als slachtoffer tot onze verzoening. Zijn Bloed vergoot Hij als losprijs en tegelijk als reinigingsbad, opdat wij, vrijgekocht van een ellendige slavernij, van al onze zonden zouden gereinigd worden.
Maar om te bewerken, dat er van zulk een grote weldaad bij ons altijd een herinnering zou achterblijven, liet Hij de gelovigen zijn Lichaam achter als spijs, onder de gedaante van brood, en zijn Bloed als drank onder de gedaante van wijn.
O kostbare en verrukkelijke maaltijd, heilbrengend en vol heerlijkheid! Want wat kan er kostbaarder zijn dan deze maaltijd; waarin ons niet, als onder de oude Wet, het vlees van kalveren en bokken te eten wordt voorgezet, maar Christus zelf, waarachtig God? Wat is er meer te bewonderen dan dit sacrament?
Geen sacrament ook is heilzamer dat dit, waarin wij gezuiverd worden van onze zonden, waar de deugden worden vermeerderd en de geest wordt gevoed met een overvloed van allerlei geestelijke gaven.
Het wordt in de Kerk opgedragen voor levenden en doden, opdat allen er nut uit zouden trekken, omdat het ook tot nut van allen werd ingesteld.
De heerlijkheid van dit sacrament tenslotte kan door niemand ten volle worden uitgedrukt, waar de geestelijke heerlijkheid in haar bron wordt genoten; en hier wordt de herinnering gevierd aan die uiterste liefde, die Christus ons in zijn lijden heeft getoond.
Om dan ook de onmetelijkheid van die liefde inniger in de harten van de gelovigen te prenten, heeft Hij bij het Laatste Avondmaal, toen Hij na de viering van het Paasmaal vanuit deze wereld naar de Vader zou gaan, dit Sacrament ingesteld als een blijvende gedachtenis aan zijn Lijden, als de vervulling van de oude voorafbeeldingen, als het grootste van de wonderen, door Hem verricht, en liet Hij deze na als een uitzonderlijke troost voor hen, die bedroefd over zijn afwezigheid achterbleven”.

C o m m e n t a a r
De H. Mis is een offer, omdat zij de gedachtenis is van het paasmysterie van Christus. Het offerkarakter van de Eucharistie komt in de instellingswoorden zelf tot uiting: "Dit is mijn lichaam dat voor u gegeven wordt" en "Deze beker is het Nieuwe Verbond in mijn bloed, dat voor u wordt vergoten" (Lc 22, 19-20). In de Eucharistie geeft Christus hetzelfde lichaam dat Hij voor ons op het kruis gegeven heeft, hetzelfde bloed dat "voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden" (Mt 26, 28) - CKK 1365.
De H. Mis is dus een offer, “omdat zij het kruisoffer tegenwoordig stelt, omdat zij er de gedachtenis van is en er de vruchten van toepast”, leerde samengevat ook het Concilie van Trente, in de bijeenkomst van 17 september 1562.
De H. Pastoor van Ars schreef: “Alle goede werken samen bereiken niet de waarde van één enkel Misoffer, want het zijn de werken van de mensen; de H.Mis echter is het werk van God”. Vergeleken met de H. Mis betekent zelfs het offer van de martelaren niets. Hier legt de mens zijn leven in de handen van God; in de H.Mis is het God die zijn Lichaam en Bloed voor de mens offert.
Op het woord van de priester daalt de Heer uit de hemel neer en sluit zich in de kleine hostie op. De blik van God wendt zich naar het altaar. “Hier is mijn geliefde Zoon, in Wie Ik mijn welbehagen heb”. Aan de verdiensten van dit Offer kan God niets ontzeggen”.
De Algemene Inleiding bij het Missaal van 1970 vat kernachtig de betekenis van de H. Mis samen: “De viering van de mis, als handeling van Christus en van het hiërarchisch geordende volk van God, is het middelpunt van heel het christelijk leven, zowel voor de universele als voor de plaatselijke Kerk, alsook de gelovigen afzonderlijk.  In de Mis ligt immers het hoogtepunt én van de handeling waardoor God in Christus de wereld heiligt én ook van de eredienst die de mensen aan de Vader brengen door Hem te aanbidden door Christus, de Zoon van God in de Heilige Geest. Bovendien worden in de Mis de mysteries van de verlossing zó gevierd in de loop van een jaar dat zij op een of andere wijze tegenwoordig worden gesteld. Alle andere gewijde handelingen en alle werken van het christelijk leven hangen ermee samen, komen eruit voort en zijn erop gericht”.

Wie nadenkt over al hetgeen in deze bijdrage is geschreven over de H. Mis, kan niet anders dan vervolgens de H. Mis vieren met de benodigde aandacht en eerbied.

Collectegebed 11e zondag door het jaar “Beantwoorden aan uw wil in gedachten en daden”


Collectegebed 11e zondag door het jaar
“Beantwoorden aan uw wil in gedachten en daden”

Missale Romanum – 1970
Deus, in te sperantium fortitudo, invocationibus nostris adesto propitius, et, quia sine te nihil potest mortalis infirmitas, gratiæ tuæ præsta semper auxilium, ut, in exsequendis mandatis tuis, et voluntate tibi et actione placeamus.

Altaarmissaal – 1979
God, steun voor allen die op U hopen, wees ons nabij en luister naar ons gebed. In onze menselijke zwakheid kunnen wij niets zonder U. Schenk ons altijd de bijstand van uw genade om door het naleven van uw geboden, in gedachten en daden aan uw wil te beantwoorden.

Meer letterlijke vertaling
God, kracht voor allen die op U hopen, verhoor genadig onze smeekbeden en omdat onze aardse zwakheid zonder U niets vermag, verleen ons altijd de bijstand van uw genade, opdat wij, door het naleven van uw geboden, in ons willen en in ons doen U behagen.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
Het collectegebed van deze zondag is in feite integraal terug te voeren op het Oude Gelasiaans Sacramentarium, 566 - 8e eeuw-, en staat vermeld in het Missale Romanum van 1962 op de 1e zondag na Pinksteren en in de week die daarop volgt. Sinds de 8e eeuw en wellicht nog vroeger was deze oratie, getuige niet minder dan 32 manuscripten, in gebruik in de kathedralen, dom- en kloosterkerken van het vasteland van Europa en overzee (Corpus Orationum, II, D, pars 1, reeks Corpus Christianorum, series Latina, CL A, Turnhout 1993, p. 180).
Vanwege de woordparen “fortitudo” – kracht - en “infirmitas” – zwakheid - , “voluntas” – wil - en “actio” – handeling - , zou een mogelijke bron voor dit collectegebed ook in de anti-pelagiaanse (1) geschriften van de H. Augustinus van Hippo  (+ 430) gevonden kunnen worden.
W o o r d e n l i j s t
In het klassieke Latijn  betekent  “fortitudo” maar zelden fysieke kracht, maar wel volharding, “standvastigheid, vastberadenheid, manhaftigheid bij het verduren of op zich nemen van moeilijkheden, lasten, ongemak, tegenspoed; ook beslistheid, vastbeslotenheid, dapperheid, moed, onverschrokkenheid,  onversaagdheid.  In de Latijnse Vulgaatvertaling van het oude Testament wordt de Heer dikwijls aangeduid als “fortitudo mea” – “mijn sterkte…”.  Zo  vertalen de Latijnse en Griekse versies van het Oude Testament het Hebreeuwse  maw’oz en ‘oz, begrippen die een “plaats” of “middel van veiligheid”, een “toevluchtsoord, schuilplaats”  of “burcht”, “bolwerk, fort”, “bastion”of “vesting” aanduiden.
Het begrip “burcht” klinkt ook in het grote “strijdlied” van de 16e eeuwse protestanten in Duitsland “Ein feste Burg ist unser Gott”  - Een vaste burcht is onze God’. Dit is de vertaling van psalm 46 door Maarten Luther (+1546) die voor het protestantisme de betekenis kreeg die de Internationale later voor het socialisme zou krijgen. Van oudsher en ver voordat Luther op het idee kwam, werden hymnen en liederen ook ingezet in de strijd van het orthodoxe katholicisme tegen ketterijen en schismatieke bewegingen. Deze vormden ook een geheugensteun voor de mensen de relevante rechtzinnige ideeën te leren en te onthouden.  De H. Augustinus van Hippo (+430) stelde een gedicht samen ter bestrijding van de donatisten (2) die hun schismatieke altaren hadden opgezet tegenover die van de katholieken. In reactie op “Ein feste Burg” zongen Rooms Katholieken  “Großer Gott, wir loben dich” “Grote God, wij loven U – in 1774 getoonzet door de priester-dichter Ignaz Franz, als een parafrase op het “Te Deum” , een lofzang, in feite het aloude lof- en danklied van de H. Kerk, dat terugreikt tot eind 4e, begin 5e eeuw en dat mogelijk – minstens in enkele onderdelen – naar het auteurschap van de H. Ambrosius (+ 397) verwijst. De protestanten adopteerden vervolgens op hun beurt enthousiast het priesterlied “Großer Gott, wir loben dich” en zingen dat tot op de dag van vandaag. Daardoor is in dit geval het Ajax-Feyenoord-karakter op de achtergrond geraakt maar dat is misschien wel heel oecumenisch.
Adesto is de imperatief van de toekomende tijd van het werkwoord adesse: aanwezig zijn, nabij zijn, helpen, bijstaan. In de verbinding: adesto precibus , adesto supplicationibus  of adesto invocationibus  krijgt het de betekenis van “verhoren, luisteren naar”.
Auxilium is “hulp, assistentie, bijstand, steun”.
Voluntas betekent voornamelijk “wil, vrije wil, wens, keuze, verlangen, neiging, geneigdheid”. Het is de kracht van onze vrije wil die in samenwerking met ons intellect ons onderscheidt van wilde dieren. Voluntas  kan ook eenvoudig een “intentie” betekenen of iets wat we inwendig willen.
Mortalis: sterfelijk, dodelijk, aards, vergankelijk; peccatum mortale: doodzonde.
Propitius (van pro en peto): genegen, genadig, gunstig
Infirmitas heeft betekenissen als “zwakheid, zwakte”, ook “het zwakke geslacht”, verder “onzelfstandigheid”, “wankelbaarheid”.
Exsequor heeft een scala aan betekenissen: 1. volgen, begeleiden, nalopen, aanhangen 2. doorzetten, uitvoeren, voltrekken 3. vervolgen, straffen, wreken 4. uitvoerig behandelen, beschrijven 5. voortzetten, voleinden 6. uitvorsen, te weten komen 7. dragen, dulden, ondergaan, verduren. Exsequor mandata : opdrachten, bevelen, geboden uitvoeren / volgen / naleven.
Als het collectegebed zegt dat de sterfelijke mens te zwak is, om zonder God tot iets in staat te zijn, dan geldt dat in het algemeen voor het natuurlijke leven. Maar hier is evenwel en vooral het bovennatuurlijke domein bedoeld: “Zonder Mij kunt gij niets doen” (Jo 15,5). De zondeval van de eerste mens verwondde en verzwakte immers de geest en wil van de gehele mensheid tot op de dag van vandaag. Daardoor is het moeilijk voor ons om scherp te onderscheiden wat goed en waar is. Na afweging met ons verstand of op gezag van anderen  blijft het vanwege onze passies en voorkeuren nog steeds moeilijk de juiste keuze te maken. Onze juiste geest- en wilsbesluiten moeten worden gedisciplineerd door herhaling van keuzes en handelingen op de juiste tijd en wijze, zodat we goede gewoonten en deugden ontwikkelen.
In ons gebed van deze zondag staat voluntas (de vrije wil) in tegenstelling tot de actio “actie” (handeling) geplaatst. Wij hebben “neigingen” tot dit of dat. In de acties (handelingen) worden onze neigingen concreet. Sommige acties zijn geheel geestelijk of spiritueel, en zijn in die hoedanigheid acties van de geest. Wij hebben een eerste idee of neiging en vervolgens gebruiken wij onze vrije wil om dat idee te aanvaarden of af te wijzen. Wij kunnen een neiging tot een diepere gedachte brengen en haar beschouwen. Er zijn verstandelijke daden (goed of slecht). Er zijn ook fysieke daden. We krijgen een idee en dan zoeken we met behulp van ons  intellect en wil uit hoe het te doen en een keuze te maken om te handelen (goed of slecht).
Gelet op de moeilijkheid de juiste keuzes te maken als gevolg van de erfzonde is God de enige hoop, die de kracht verlenen kan iets te bewerken wat God welgevallig is. Vervuld van deze overtuiging, smeekt de Kerk in het collectegebed van deze zondag God, haar de hulp van Zijn genade te verlenen, opdat wij daardoor Gods geboden in willen en handelen vervullen.
Het welbehagen van de Vader rustte op zijn eniggeboren, geliefde Zoon. Ook op ons die door water en de Heilige Geest opnieuw geboren en kind van God zijn geworden, rust Gods welbehagen. Wij zijn immers ranken aan de wijnstok van het mystieke Lichaam van Christus en God helpt hen, met zijn genade, vruchten voort te brengen door willen en handelen. Het welbehagen van God is voor de mensen een  levenskwestie, om welke reden het collectegebed van deze zondag een bijzonder aandringend karakter heeft. Dit aandringen blijkt uit de dubbele vraag om Gods bijstand: “invocationibus nostris adesto propitius”- “verhoor genadig onze smeekbeden” en, nog duidelijker: “gratiæ tuæ præsta semper auxilium” – “verleen ons altijd de hulp van uw genade”.

Het gaat niet om het afwenden van de straf, die wij moeten verwachten, als wij de geboden niet onderhouden, en niet om het loon, dat ons de trouw aan de geboden in het vooruitzicht stelt. Het gaat erom, dat wij de Vader, die wij zo liefhebben, behagen. Zo is het collectegebed een gebed van liefde voor God. God begint en voltooit in ons alle verdienstelijke dingen die wij doen. Hij geeft ons de kracht om alle goede daden tot stand te brengen.

Noten”bij de tekst:
(1)   Pelagianen: volgelingen van Pelagius (354-420/440)  (eind 4e eeuw), een asceet, die stelde dat de zondeval de menselijke natuur niet heeft aangetast en dat de sterfelijke wil in staat is te kiezen tussen het goede en kwade, met andere woorden dat de mens alle capaciteiten bezit om door een deugdzaam leven zichzelf waardig te maken voor het eeuwig leven zonder dat hiervoor bijstand van de kant van God nodig is. In zijn anti-pelagiaanse geschriften werkt de H.Augustinus zijn genadeleer uit: de gedachte dat het als gevolg van de erfzonde onmogelijk is om goed te leven zonder Gods voortdurende hulp, een genade-gave die de zondige mensheid eigenlijk niet verdient.
(2)  Van de vele ketterijen waarmee Augustinus als bisschop van Hippo te maken kreeg vormden de donatisten, volgelingen van de afgescheiden bisschop Donatus (4e eeuw) wel een van zijn meest hardnekkige tegenstanders. Deze christelijke fundamentalisten uit Noord-Afrika bepleitten een volledig zuivere Kerk zonder compromissen. Zij wilden geen banden met de Kerk van Rome en de Romeinse overheid.
Augustinus vatte de strijd tegen hen op. Daarbij ging hij ongebruikelijke middelen niet uit de weg. In 393 schilderde hij het conflict met de donatisten in een lang gedicht, de “Psalm tegen de donatisten”. Het is geschreven in heel eenvoudig Latijn, dat bewust is ontdaan van alle klassieke franje: iedereen moest de boodschap kunnen begrijpen. Dit unieke gedicht krijgt ten onrechte meestal weinig aandacht. Klassiek geschoolde geleerden vinden de volkse tekst de erudiete kerkvader haast onwaardig. Augustinus blijkt echter ook hier al zijn talenten als redenaar en schrijver in te zetten voor 'de goede zaak', zoals hij dat ook doet in zijn preken.
De “Psalmus” is van groot belang als historisch, pastoraal en theologisch document. Maar bovenal neemt het gedicht een bijzondere plaats in binnen de geschiedenis van de Europese poëzie. Het is namelijk een uniek getuigenis van de ontwikkeling naar de ritmische Latijnse poëzie van de middeleeuwen

Lezingenofficie 11e zondag door het jaar Het gebed moge uit een nederig hart voortkomen.

11e zondag door het jaar  Liturgia Horarum

Lezingen van het lezingenofficie

Eerste lezing   Re 2,6-3,4
Toen Jozua de volksvergadering had ontbonden, waren de Israëlieten eropuit getrokken om het land in bezit te nemen, elke stam het gebied dat hun was toegewezen. Zolang Jozua leefde, had het volk de HEER gediend. Ook na zijn dood waren ze de HEER blijven dienen zolang de stammen werden aangevoerd door Jozua’s leeftijdsgenoten, die getuige waren geweest van de grootse daden die de HEER voor Israël had verricht. Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van de HEER, was gestorven toen hij honderdtien jaar oud was. Hij was begraven in het gebied dat hem was toegewezen: in Timnat-Cheres in het bergland van Efraïm, ten noorden van de Gaäs. Toen ook zijn leeftijdsgenoten met hun voorouders waren verenigd, kwam er een volgende generatie, die niet vertrouwd was met de HEER en wat hij voor Israël had gedaan.
De Israëlieten begonnen te doen wat slecht is in de ogen van de HEER: ze gingen de Baäls dienen. Ze keerden de HEER de rug toe, de God van hun voorouders, die hen uit Egypte had geleid, en begonnen achter andere goden aan te lopen die werden vereerd door de volken waartussen ze woonden. Door voor die vreemde goden te buigen krenkten ze de HEER. Ze keerden hem de rug toe om Baäl en de Astartes te dienen. 14Toen ontstak de HEER in woede tegen de Israëlieten. Hij leverde hen uit aan roversbenden en aan de hen omringende vijanden, zodat ze daartegen geen stand meer hielden. Telkens als ze iets tegen hun vijanden ondernamen, werkte de HEER hen tegen, zoals hij hun gezegd en gezworen had. Steeds weer kregen de Israëlieten het zwaar te verduren. Dan liet de HEER een rechter optreden om het volk te leiden en het te bevrijden van de roversbenden. Maar ook naar hun rechters luisterden ze niet; ze gaven zich af met andere goden en bogen zich voor hen neer. Binnen de kortste keren dwaalden ze weer af van de weg die hun voorouders waren gegaan: die hadden de geboden van de HEER gehoorzaamd, maar zij niet. Steeds wanneer de HEER een rechter liet optreden, stond hij die bij. Want wanneer het volk zuchtte onder het juk van onderdrukkers, kreeg de HEER medelijden en verloste hij hen van hun vijanden zolang die rechter leefde. Maar wanneer de rechter dan stierf, verviel het volk van kwaad tot erger. Meer nog dan hun voorouders liepen ze achter andere goden aan om die te dienen en bogen ze zich voor hen neer. Ze weigerden hardnekkig hun kwalijke praktijken op te geven.
De HEER ontstak in woede tegen Israël en zei: ‘Dit volk overtreedt de regels van het verbond die ik hun voorouders heb opgelegd en het luistert niet naar mij. k zal daarom geen enkel volk meer verdrijven dat nog in het land woonde toen Jozua stierf.’ De HEER had die volken namelijk in het land laten blijven en ze niet onmiddellijk verdreven omdat hij de Israëlieten op de proef wilde stellen. Hij had ze niet aan Jozua uitgeleverd, omdat hij wilde zien of de Israëlieten zich net als hun voorouders zouden houden aan de weg die hij hun had gewezen of niet.
Om de Israëlieten die de strijd tegen de Kanaänieten niet hadden meegemaakt te leren hoe het er in de oorlog aan toe gaat (dus alleen om de nieuwe generaties die nog geen ervaring met de strijd hadden opgedaan daarmee vertrouwd te maken), had de HEER de volgende volken in het land laten blijven: de Filistijnen in hun vijf vorstendommen en verder de Kanaänieten, de Sidoniërs en de Chiwwieten die in het Libanongebergte leefden, vanaf de Baäl-Hermon tot aan Lebo-Hamat. Deze volken waren overgebleven om de Israëlieten op de proef te stellen, opdat de HEER te weten zou komen of zij de geboden zouden gehoorzamen die hij hun voorouders bij monde van Mozes had opgelegd.

Tweede lezing

Uit de verhandeling van de heilige martelaar Cyprianus, bisschop van Carthago (†258), over het gebed des Heren

Het gebed moge uit een nederig hart voortkomen.

Wanneer wij bidden, staan we voor Gods aangezicht. Daarom moeten we proberen rustig en eerbiedig te spreken en ook in onze houding God te behagen. Wie het aan ontzag ontbreekt, bidt druk en luid; wie eerbied heeft, kalm en bescheiden.
De Heer heeft ons geleerd te bidden op afgezonderde en verborgen plaatsen, in onze binnenkamers. Wij geloven dat God overal is, allen hoort en ziet, en in zijn volle majesteit zelfs op afgelegen en verborgen plaatsen komt. Er staat immers geschreven: ‘Ik ben geen God op één plaats, overal ben ik God. Nergens kan een mens zich verbergen zonder dat Ik hem zie. Hemel en aarde zijn vol van Mij’ (Jer  23, 23-24), en elders: ‘Overal geven Gods ogen acht op kwaden en goeden’ (Spr 15, 3).
Ook wanneer wij als broeders en zusters samenkomen om met Gods priester het goddelijk offer te vieren, behoren wij ons eerbiedig en bescheiden te gedragen en niet te bidden met een ordeloze of galmende woordenstroom.
God luistert niet naar onze woorden maar naar ons hart. Men behoeft Hem niet luid toe te spreken, want Hij ziet en doorgrondt onze gedachten. Daarom kon de Heer zeggen: ‘Waarom denkt gij kwaad bij uzelf?’ (Mt 9, 4), en: ‘Alle Kerken zullen weten dat Ik het ben die nieren en harten doorgrondt’ (Apok 2, 23a).
Wij zien in het eerste boek Koningen dat Hanna die een beeld van de Kerk is, dit alles in acht neemt. Zij brengt haar verlangen niet met luide woorden bij God, maar bidt in het geheim van haar hart, stil en zonder woorden. Wat zij bad, bleef verborgen, maar haar geloof was duidelijk. Zij sprak niet met haar stem maar met haar hart, wetend dat God haar hoorde, en verkreeg wat zij wenste omdat zij het in geloof had gevraagd. De heilige Schrift vertelt het met deze woorden: ‘Zij sprak in haar binnenste, haar lippen bewogen, maar haar stem was niet hoorbaar en toch heeft God haar verhoord’ (1 Sam 1, 13). In een van de psalmen staat: spreekt in uw hart en zwijgt (vgl. Ps 4, 5b). De heilige Geest leert hetzelfde ook door bemiddeling van de profeet: in de geest moet men U aanbidden, Heer (vgl. Bar 6, 5b).

Wie bidden wil, geliefde broeders en zusters, moet bedenken hoe de tollenaar bad, toen hij tegelijk met een Farizeeër in de tempel was (vgl. Lc. 18, 9-14). Terwijl deze met zichzelf ingenomen was, hief de tollenaar zijn ogen en handen beschroomd ten hemel en klopte zich op de borst, beleed de daar verborgen zonden en smeekte Gods barmhartigheid af. Hij hoopte niet zijn heil te verkrijgen, omdat hij onschuldig zou zijn - niemand is immers onschuldig - maar beleed nederig zijn zonden, en Hij die de nederigen genade schenkt, verhoorde zijn gebed.

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Dominica XI per annum / 11e zondag door het jaar Oratio ex humili corde procedat. Het gebed moge uit een nederig hart voortkomen.



Lectio altera

Ex Tractátu sancti Cypriáni epíscopi et mártyris De domínica oratióne
(Nn. 4-6: CSEL 3, 268-270)


Tweede lezing

Uit de verhandeling van de heilige martelaar Cyprianus, bisschop van Carthago (†258), over het gebed des Heren
(Nn. 4-6: CSEL 3, 268-270)
Het gebed moge uit een nederig hart voortkomen.
Wanneer wij bidden, staan we voor Gods aangezicht. Daarom moeten we proberen rustig en eerbiedig te spreken en ook in onze houding God te behagen. Wie het aan ontzag ontbreekt, bidt druk en luid; wie eerbied heeft, kalm en bescheiden.
De Heer heeft ons geleerd te bidden op afgezonderde en verborgen plaatsen, in onze binnenkamers. Wij geloven dat God overal is, allen hoort en ziet, en in zijn volle majesteit zelfs op afgelegen en verborgen plaatsen komt. Er staat immers geschreven: ‘Ik ben geen God op één plaats, overal ben ik God. Nergens kan een mens zich verbergen zonder dat Ik hem zie. Hemel en aarde zijn vol van Mij’ (Jer  23, 23-24), en elders: ‘Overal geven Gods ogen acht op kwaden en goeden’ (Spr 15, 3).
Ook wanneer wij als broeders en zusters samenkomen om met Gods priester het goddelijk offer te vieren, behoren wij ons eerbiedig en bescheiden te gedragen en niet te bidden met een ordeloze of galmende woordenstroom.
God luistert niet naar onze woorden maar naar ons hart. Men behoeft Hem niet luid toe te spreken, want Hij ziet en doorgrondt onze gedachten. Daarom kon de Heer zeggen: ‘Waarom denkt gij kwaad bij uzelf?’ (Mt 9, 4), en: ‘Alle Kerken zullen weten dat Ik het ben die nieren en harten doorgrondt’ (Apok 2, 23a).
Wij zien in het eerste boek Koningen dat Hanna die een beeld van de Kerk is, dit alles in acht neemt. Zij brengt haar verlangen niet met luide woorden bij God, maar bidt in het geheim van haar hart, stil en zonder woorden. Wat zij bad, bleef verborgen, maar haar geloof was duidelijk. Zij sprak niet met haar stem maar met haar hart, wetend dat God haar hoorde, en verkreeg wat zij wenste omdat zij het in geloof had gevraagd. De heilige Schrift vertelt het met deze woorden: ‘Zij sprak in haar binnenste, haar lippen bewogen, maar haar stem was niet hoorbaar en toch heeft God haar verhoord’ (1 Sam 1, 13). In een van de psalmen staat: spreekt in uw hart en zwijgt (vgl. Ps 4, 5b). De heilige Geest leert hetzelfde ook door bemiddeling van de profeet: in de geest moet men U aanbidden, Heer (vgl. Bar 6, 5b).
Wie bidden wil, geliefde broeders en zusters, moet bedenken hoe de tollenaar bad, toen hij tegelijk met een Farizeeër in de tempel was (vgl. Lc. 18, 9-14). Terwijl deze met zichzelf ingenomen was, hief de tollenaar zijn ogen en handen beschroomd ten hemel en klopte zich op de borst, beleed de daar verborgen zonden en smeekte Gods barmhartigheid af. Hij hoopte niet zijn heil te verkrijgen, omdat hij onschuldig zou zijn - niemand is immers onschuldig - maar beleed nederig zijn zonden, en Hij die de nederigen genade schenkt, verhoorde zijn gebed.


Lezingen H. Mis 11e zondag door het jaar B "het allerkleinste zaadje op aarde; maar eenmaal gezaaid schiet het op en het wordt groter dan alle tuingewassen"

Eerste lezing (Ez. 17, 22-24)
Uit de profeet Ezechiël.
Dit zegt de Heer God:
“Dan zal Ik zelf van de top van de hoge ceder
een twijgje nemen en dat in de grond zetten;
van de bovenste van de jonge takken zal Ik
een twijgje plukken
en Ik zelf zal het planten op een hoge en verheven berg,
op het gebergte van Israëls hoogland zal Ik het planten.
Het zal takken dragen,
vrucht vormen en een prachtige ceder worden.
Daaronder zullen alle vogels van allerlei gevederte nestelen;
in de schaduw van zijn takken zullen ze nestelen.
En alle bomen van het open veld zullen erkennen
dat Ik, de Heer, een sappige boom heb doen verdorren
en een dorre boom tot bloei gebracht heb.
Ik, de Heer, heb het gezegd en Ik zal het doen.”

Tweede lezing (2 Kor. 5, 6-10)
Uit de tweede brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte.
Broeders en zusters,
daarom houden wij altijd goede moed.
 Wij zijn ons bewust dat wij,
zolang wij thuis zijn in het lichaam,
ver zijn van de Heer.
Wij leven in geloof, wij zien Hem niet.
Maar wij houden moed
en zouden liever uit het lichaam verhuizen
om onze intrek te nemen bij de Heer.
Daarom is onze enige eerzucht,
hetzij thuis, hetzij in den vreemde,
Hem te behagen.
Want allen moeten wij voor Christus’ rechterstoel verschijnen,
opdat ieder het loon ontvangt
voor wat hij in dit leven heeft gedaan,
goed of kwaad.

Evangelie (Mc. 4, 26-34)
In die tijd zei Jezus tot de menigte:
“Het gaat met het Rijk Gods
als met een man, die zijn land bezaait;
hij slaapt en staat op, ‘s nachts en overdag,
en onderwijl kiemt het zaad en schiet op,
maar hij weet niet hoe.
Uit eigen kracht brengt de aarde vruchten voort,
eerst de groene halm, dan de aar,
dan het volgroeide graan in de aar.
Zodra de vrucht
het toelaat slaat hij er de sikkel in,
want het is tijd voor de oogst.”
En verder:
welke vergelijking kunnen wij vinden voor het Rijk Gods
en in welke gelijkenis zullen we het voorstellen?
Het lijkt op een mosterdzaadje.
Wanneer het gezaaid wordt in de grond,
is het wel het allerkleinste zaadje op aarde;
maar eenmaal gezaaid schiet het op
en het wordt groter dan alle tuingewassen,
en het krijgt grote takken,
zodat de vogels in zijn schaduw kunnen nestelen
In vele dergelijke gelijkenissen verkondigde Hij hun zijn leer
op de wijze, die zij konden verstaan.
Anders dan in gelijkenissen sprak Hij niet tot hen,
maar eenmaal met zijn leerlingen alleen,
gaf Hij van alles uitleg.