DE SCHOONHEID VAN DE TIJD “PER ANNUM” IN DE LITURGIE
`Voor de gelovige een voortdurende zoektocht en nieuwe ontdekking`
Afgelopen zondag, waarop wij het Doopsel van de Heer vierden, begon in de liturgie de Tijd door het Jaar. De schoonheid van deze tijd is gelegen in het feit dat deze tijd ons uitnodigt ons gewone leven te leven als een weg naar heiligheid, dat wil zeggen van geloof en vriendschap met Jezus, die voortdurend moet worden ontdenkt en herontdekt als Leraar en Heer, Weg, Waarheid en Leven van de mens.
Dit is wat het evangelie van Johannes ons suggereert in de liturgie van vandaag door ons de eerste ontmoeting te verhalen van Jezus met enkelen van hen, die zijn apostelen zouden worden. Zij waren leerlingen van Johannes de Doper, en in feite bracht hij hen tot Jezus toen hij Hem, na het Doopsel in de Jordaan, aanwees als het “Lam van God” (Jo 1,36).
Twee van zijn leerlingen gingen toen de Messias achterna, die hen vroeg: “Wat verlangen jullie?” De twee vroegen Hem: “Meester, waar houdt Gij U op?” En Jezus antwoordde: “Gaat mee om het te zien”, dat wil zeggen Hij nodigde hen uit Hem te volgen en enige tijd met Hem door te brengen.
Zij waren in de paar uur, die zij met Jezus doorbrachten, zó onder de indruk, dat een van hen, Andreas, meteeen naar zijn broer Simon ging om hem te zeggen: “Wij hebben de Messias gevonden”. Wij staan hier voor twee bijzonder veelbetekenende woorden: “ zoeken” en “vinden”.
Deze twee werkwoorden uit de Evangeliepassage van vandaag kunnen we losmaken en als fundamentele richtlijn aanhouden voor het nieuwe jaar, een tijd waarin wij onze geestelijke reis met Jezus willen hernieuwen, met de vreugde van Hem voortdurend te zoeken en te vinden. De meest waarachtige vreugde is immers gelegen in de relatie met Hem, na Hem gevonden, gevolgd, herkend en bemind te hebben dankzij een aanhoudend intens verlangen van geest en hart.
Leerling zijn van Christus: dit is voldoende voor een christen. Vriendschap met de Meester verzekert de ziel van een diepe vrede en sereniteit, zelfs in de meest duistere momenten en de zwaarste beproevingen. Wanneer het geloof door donkere nachten gaat, wanneer men Gods aanwezigheid niet langer ”hoort” en “ziet” , dan garandeert vriendschap met Jezus dat er in werkelijkheid niets is, dat ons kan scheiden van zijn liefde (vgl. Rom 8,39).
Christus, onuitputtelijke bron van waarheid en leven, te zoeken en te vinden, dat is waartoe het woord van God ons steeds opnieuw uitnodigt bij het begin van het nieuwe jaar, deze tocht van geloof die nooit eindigt. “Meester, waar houdt Gij U op?” Ook wij vragen dit aan Christus en Hij antwoordt: “Gaat mee om het te zien”.
Voor de gelovige is het een voortdurende zoektocht en nieuwe ontdekking daar Christus Dezelfde is, gisteren, vandaag en altijd, maar wij, de wereld, de geschiedenis, zijn nooit hertzelfde, en Hij komt tot ons om ons uit te nodigen tot gemeenschap met Hem en tot volheid van leven. Laten wij de Maagd Maria vragen ons te helpen Jezus te volgen, en iedere dag de vreugde te mogen ervaren steeds dieper in zijn mysterie door te dringen.
Vertaling uit het Duits (Zenit.org.) van de Angelustoespraak van paus Benedictus XVI, Vaticaanstad, 15 jan. 2006.
dinsdag 14 januari 2020
zaterdag 11 januari 2020
donderdag 9 januari 2020
Gebed is "herinnering aan God"
Het gebed is het leven van het nieuwe hart. Het moet ons op elk moment bezielen. Maar, we vergeten Hem die ons leven en ons al is. Daarom leggen de geestelijke vaders, in de traditie van het boek Deuteronomium en van de profeten, de nadruk op het gebed als "herinnering aan God", als het herhaaldelijk opwekken van het "geheugen van het hart". "Men moet zich God vaker herinneren dan men ademhaalt". Maar men kan niet "te allen tijde" bidden, als men niet welbewust bidt op vastgestelde ogenblikken: dat zijn de centrale momenten, de sterke tijden van het christelijke gebed, qua intensiteit en tijdsduur (CKK 2697).
De Heer geeft leiding aan elke persoon langs wegen en op de manier die Hem behagen. Het hangt echter ook van de gerichtheid van het hart en van de persoonlijke gebedsvormen af hoe elke gelovige Hem antwoord geeft. Toch heeft de christelijke traditie drie belangrijke uitdrukkingswijzen van het gebedsleven aangehouden: het mondgebed, de overweging (meditatie) en het beschouwende (contemplatieve) gebed. Eén wezenlijke eigenschap hebben zij gemeenschappelijk: de inkeer van het hart. Deze waakzaamheid om het woord van God te bewaren en om in de tegenwoordigheid van God te blijven, maakt deze drie uitdrukkingswijzen tot sterke tijden van het gebedsleven (CKK 2699).
Waarom lezen wij de Catechismus?
"Het catechetisch onderricht zal in deze goede, systematische
presentatie van het geloof en van de Katholieke leer een volledig
verantwoorde weg vinden om de christelijke boodschap in haar
geheel en in haar afzonderlijke delen met hernieuwde gloed aan de
mensen van deze tijd aan te reiken. Deze tekst zal iedere
catechist de beschikking geven over een waarachtige hulp, waarmee
hij de ene, blijvende schat van het geloof in de lokale Kerk kan
verkondigen, terwijl hij, met de hulp van de Heilige Geest, zich
inspant de wonderlijke eenheid van het Christelijke mysterie te
verbinden met de verschillende noden en levensomstandigheden van
hen aan wie deze boodschap gericht is. Alle catechetische
activiteiten zullen kunnen ervaren dat er een nieuwe
wijdverspreide geestdrift is onder het Volk Gods, wanneer zij
gebruik kunnen maken van deze post-conciliaire Catechismus en hem
op een goede manier beoordelen.
Dit schijnt des te belangrijker te zijn in deze tijd van de nadering van het derde millennium. Een toewijding aan de evangelisatie is immers bijzonder noodzakelijk opdat iedereen de boodschap van het Evangelie kan vernemen en ontvangen en daarom kan groeien "tot gehele omvang van de volheid van Christus" (Ef. 4, 13)"
Paus Johannes Paulus II in de Apostolische Brief "Laetemur Magnopera" d.d. 12 augustus 1997
met dank aan rkdocumenten.nl
Dit schijnt des te belangrijker te zijn in deze tijd van de nadering van het derde millennium. Een toewijding aan de evangelisatie is immers bijzonder noodzakelijk opdat iedereen de boodschap van het Evangelie kan vernemen en ontvangen en daarom kan groeien "tot gehele omvang van de volheid van Christus" (Ef. 4, 13)"
Paus Johannes Paulus II in de Apostolische Brief "Laetemur Magnopera" d.d. 12 augustus 1997
met dank aan rkdocumenten.nl
woensdag 8 januari 2020
"O Lord, I place myself in Your hands and dedicate myself to You".
Prayer of St. Benedict
O Lord,
I place myself in Your hands and dedicate myself to You.
I pledge myself to do Your will in all things:
To love the Lord God with all my heart, all my soul, all my strength.
Not to kill, not to steal not to covet, not to bear false witness, to honor all persons.
Not to do to another what I should not want done to myself.
Not to seek after pleasures.
To love fasting.
To relieve the poor.
To clothe the naked.
To visit the sick.
To bury the dead.
To help those in trouble.
To console the sorrowing.
To hold myself aloof from worldly ways.
To prefer nothing to the love of Christ.
Not to give way to anger.
Not to foster a desire for revenge.
Not to entertain deceit in the heart.
Not to make a false peace.
Not to forsake charity.
Not to swear, lest I swear falsely.
To speak the truth with heart and tongue.
Not to return evil for evil
To do no injury, indeed, even to bear patiently any injury done to me.
To love my enemies.
Not to curse those who curse me but rather to bless them.
To bear persecution for justice's sake.
Not to be proud.
Not to be given to intoxicating drink.
Not to be an overeater.
Not to be lazy.
Not to be slothful
Not to be a detractor.
To put my trust in God.
To refer the good I see in myself to God.
To refer any evil I see in myself to myself
To fear the day of judgment.
To be in dread of hell.
To desire eternal life with spiritual longing.
To keep death before my eyes daily.
To keep constant watch over my actions.
To remember that God sees me everywhere.
To call upon Christ for defense against evil thoughts that arise in my heart.
To guard my tongue against wicked speech.
To avoid much speaking.
To avoid idle talk.
Not to seek to appear clever.
To read only what is good to read.
To pray often.
To ask forgiveness daily for my sins, and to seek ways to amend my life.
To obey my superiors in all things rightful.
Not to desire to be thought holy, but to seek holiness.
To fulfill the commandments of God by good works.
To love chastity.
To hate no one.
Not be jealous or envious of anyone.
Not to love strife.
Not to love pride.
To honor the aged.
To pray for my enemies.
To make peace after a quarrel, before the setting of the sun.
Never to despair of your mercy, O God of mercy.
O Lord,
I place myself in Your hands and dedicate myself to You.
I pledge myself to do Your will in all things:
To love the Lord God with all my heart, all my soul, all my strength.
Not to kill, not to steal not to covet, not to bear false witness, to honor all persons.
Not to do to another what I should not want done to myself.
Not to seek after pleasures.
To love fasting.
To relieve the poor.
To clothe the naked.
To visit the sick.
To bury the dead.
To help those in trouble.
To console the sorrowing.
To hold myself aloof from worldly ways.
To prefer nothing to the love of Christ.
Not to give way to anger.
Not to foster a desire for revenge.
Not to entertain deceit in the heart.
Not to make a false peace.
Not to forsake charity.
Not to swear, lest I swear falsely.
To speak the truth with heart and tongue.
Not to return evil for evil
To do no injury, indeed, even to bear patiently any injury done to me.
To love my enemies.
Not to curse those who curse me but rather to bless them.
To bear persecution for justice's sake.
Not to be proud.
Not to be given to intoxicating drink.
Not to be an overeater.
Not to be lazy.
Not to be slothful
Not to be a detractor.
To put my trust in God.
To refer the good I see in myself to God.
To refer any evil I see in myself to myself
To fear the day of judgment.
To be in dread of hell.
To desire eternal life with spiritual longing.
To keep death before my eyes daily.
To keep constant watch over my actions.
To remember that God sees me everywhere.
To call upon Christ for defense against evil thoughts that arise in my heart.
To guard my tongue against wicked speech.
To avoid much speaking.
To avoid idle talk.
Not to seek to appear clever.
To read only what is good to read.
To pray often.
To ask forgiveness daily for my sins, and to seek ways to amend my life.
To obey my superiors in all things rightful.
Not to desire to be thought holy, but to seek holiness.
To fulfill the commandments of God by good works.
To love chastity.
To hate no one.
Not be jealous or envious of anyone.
Not to love strife.
Not to love pride.
To honor the aged.
To pray for my enemies.
To make peace after a quarrel, before the setting of the sun.
Never to despair of your mercy, O God of mercy.
Geschiedenis van ons klooster - vogelvlucht Blijven bidden - in uitvoering!
Sint-Odilienberg - toen Mons Sancti Petri geheten - werd in de 8e eeuw door een van de Frankische Pippijnen, het voorgeslacht van Karel de Grote (768-814) geschonken aan drie Angelsaksische monniken, de HH. Wiro, Plechelmus en Otger als thuisbasis voor hun missioneringswerk in de streken tussen Maas en Rijn.
Hier vond ook in de 9e eeuw de bisschop van Utrecht met zijn kanunnikenkapittel een veilig oord op de vlucht voor de Noormannen.
Tussen 1058 en 1131 moet het klooster zijn omgezet in een collegiaal kapittel. De proost van dit kapittel, die er overigens niet resideerde, werd door de bisschop van Utrecht benoemd uit de kanunniken van de Utrechtse Dom. De omzetting maakte om liturgische redenen verbouwing van de kerk noodzakelijk. Vanaf de 11e eeuw werd de huidige romaanse kerk gebouwd. Het nieuwe veelhoekige priesterkoor, dat thans nog bestaat, dateert van omstreeks 1200.
- In 1360 of 1361 verzochten de kanunniken aan de bisschop van Luik toestemming het kapittel naar Roermond te verplaatsen. Het bestuur van de stad had de H. Geestkapel als vestigingsplaats aangeboden. Achtergrond van het verzoek waren de woelingen waar het Gelderse Over-kwartier zeer van te lijden had. Men verkreeg de vereiste toestemming, ook van de bisschop van Utrecht, die het recht behield de proost te benoemen. In 1361 werd het kapittel in Roermond gevestigd.
In de 15e eeuw werd deze Berg aan de Kanonikale Orde van het H. Graf geschonken “om er een regulier vrouwen-klooster op te richten”.
In 1436-1437 kwam de proosdij Denkendorf in Württemberg, die behoorde tot de Orde van het Heilig Graf, in bezit van de Petruskerk. Het H. Geestkapittel van Roermond schonk de kerk aan de proosdij op voorwaarde dat er een klooster van reguliere sepulcrinessen zou worden gesticht.
Een eerste poging tot stichting van een kanunnikessen-klooster van het Heilig Graf in de Nederlanden op de kerkberg in Sint Odilienberg in 1443 bleek onvoldoende levensvatbaar en hield desondanks ca 20 jaar stand.
In 1465 kreeg de uit Beek bij Bree (B) afkomstige sepulcrijn (sepulcrum = graf) Jan van Abroek toestemming van het H. Geestkapittel op de heuvel een klooster van kanunniken van het Heilig Graf op te richten. Twee jaar later werd hij priester gewijd en in 1471 werd hij prior van de nieuwe stichting. Pas in 1478 werd de priorij definitief opgenomen in de Orde van het Heilig Graf. In de jaren daarna vond een restauratie van de sterk vervallen kerk en kloostergebouwen plaats.
Jan van Abroek ondernam een tweede poging om een zelfstandig Kanunnikessen-klooster te stichten dat wel wel levensvatbaar bleek. In Sint Odiliënberg legde de priester-kanunnik Jan van Abroek, die zich wars van alle comfort en wereldse praal met hart en ziel inzette voor de idealen van de Orde van het H. Graf, de basis voor de vrouwen-kloosters van het H. Graf die zich in de komende eeuwen over West-Europa zouden verspreiden. Zijn leuze was: Gods wil en eer.
Het vicariaat van de parochie Sint Odiliënberg werd in 1482 door het kapittel van de H. Geest aan het klooster overgedragen. Sedertdien bedienden de kanunniken ook de parochiekerk.
- In 1485 werd Jan van Abroek benoemd tot provinciaal van het Orde van het Heilig Graf in Neder-Germanië. Een jaar later werd deze benoeming door de paus bekrachtigd. Sint Odiliënberg werd daardoor het centrum van deze provincie. Sedertdien kwam hier jaarlijks het provinciaal kapittel van de orde bijeen. Verschillende vrouwen- en mannenkloosters zijn in de jaren daarna van hieruit gesticht. Jan van Abroek overleed in 1510 en werd als prior en provinciaal opgevolgd door Hiëronymus van Brogel (1510-1540).
Tengevolge van de Tachtigjarige oorlog (1568-1648) en alle daarmee samenhangende implicaties hield de priorij te Sint-Odiliënberg in 1639 definitief op te bestaan. Het Bisdom Roermond nam hetgeen restte van de gebouwen inclusief schulden en lasten over en benoemde voortaan diocesane priesters tot pastoor van de kerk.
Ten tijde van de contrareformatie bloeiden kerk en parochie op en werd het oude Petruspatrocinium bij de restauratie van de kerk in 1686 vervangen door dat van de HH. Wiro, Plechelmus en Otgerus.
In 1888 werd de oude monastieke traditie op de Berg tot nieuw leven gebracht door de inspanning van de plaatselijke pastoor Michael Willemsen (1831-1904), die zijn pastorie boven op de kerkberg ter beschikking stelde van een kleine communiteit afkomstig uit het H.Grafklooster van het Belgische Bilzen.
In 1903 verkreeg het kleine klooster autonomie welke echter in 1911/12 niet houdbaar bleek. Van 1911/12 tot 1965/1966 was het H. Grafklooster van Sint Odilienberg filiaal van het H. Grafklooster van Turnhout. Onder Moeder M. Matthea Raeymakers verwierf het klooster in 1966 opnieuw autonomie, die tot op heden voortduurt.
Als naam voor de nieuwe zelfstandige priorij werd gekozen voor Priorij Thabor, verwijzend naar en geïdentificeerd met de berg waar Christus vóór zijn lijden voor de ogen van zijn Apostelen van Gedaante veranderde.
De naam wortelt sterk in de plaatselijke traditie: 12e eeuwse zandstenen reliefs van de Thabor-apostelen op de kerkberg in 1879 opgegraven getuigen van de vroege associatie van de solitair gelegen kerkberg langs de Roer met de Berg van de Gedaanteverandering in het Heilige Land.
Tot op heden woont en leeft een kleine communiteit van kanunnikessen van de Orde van het H. Graf op de kerkberg
Hier vond ook in de 9e eeuw de bisschop van Utrecht met zijn kanunnikenkapittel een veilig oord op de vlucht voor de Noormannen.
Tussen 1058 en 1131 moet het klooster zijn omgezet in een collegiaal kapittel. De proost van dit kapittel, die er overigens niet resideerde, werd door de bisschop van Utrecht benoemd uit de kanunniken van de Utrechtse Dom. De omzetting maakte om liturgische redenen verbouwing van de kerk noodzakelijk. Vanaf de 11e eeuw werd de huidige romaanse kerk gebouwd. Het nieuwe veelhoekige priesterkoor, dat thans nog bestaat, dateert van omstreeks 1200.
- In 1360 of 1361 verzochten de kanunniken aan de bisschop van Luik toestemming het kapittel naar Roermond te verplaatsen. Het bestuur van de stad had de H. Geestkapel als vestigingsplaats aangeboden. Achtergrond van het verzoek waren de woelingen waar het Gelderse Over-kwartier zeer van te lijden had. Men verkreeg de vereiste toestemming, ook van de bisschop van Utrecht, die het recht behield de proost te benoemen. In 1361 werd het kapittel in Roermond gevestigd.
In de 15e eeuw werd deze Berg aan de Kanonikale Orde van het H. Graf geschonken “om er een regulier vrouwen-klooster op te richten”.
In 1436-1437 kwam de proosdij Denkendorf in Württemberg, die behoorde tot de Orde van het Heilig Graf, in bezit van de Petruskerk. Het H. Geestkapittel van Roermond schonk de kerk aan de proosdij op voorwaarde dat er een klooster van reguliere sepulcrinessen zou worden gesticht.
Een eerste poging tot stichting van een kanunnikessen-klooster van het Heilig Graf in de Nederlanden op de kerkberg in Sint Odilienberg in 1443 bleek onvoldoende levensvatbaar en hield desondanks ca 20 jaar stand.
In 1465 kreeg de uit Beek bij Bree (B) afkomstige sepulcrijn (sepulcrum = graf) Jan van Abroek toestemming van het H. Geestkapittel op de heuvel een klooster van kanunniken van het Heilig Graf op te richten. Twee jaar later werd hij priester gewijd en in 1471 werd hij prior van de nieuwe stichting. Pas in 1478 werd de priorij definitief opgenomen in de Orde van het Heilig Graf. In de jaren daarna vond een restauratie van de sterk vervallen kerk en kloostergebouwen plaats.
Jan van Abroek ondernam een tweede poging om een zelfstandig Kanunnikessen-klooster te stichten dat wel wel levensvatbaar bleek. In Sint Odiliënberg legde de priester-kanunnik Jan van Abroek, die zich wars van alle comfort en wereldse praal met hart en ziel inzette voor de idealen van de Orde van het H. Graf, de basis voor de vrouwen-kloosters van het H. Graf die zich in de komende eeuwen over West-Europa zouden verspreiden. Zijn leuze was: Gods wil en eer.
Het vicariaat van de parochie Sint Odiliënberg werd in 1482 door het kapittel van de H. Geest aan het klooster overgedragen. Sedertdien bedienden de kanunniken ook de parochiekerk.
- In 1485 werd Jan van Abroek benoemd tot provinciaal van het Orde van het Heilig Graf in Neder-Germanië. Een jaar later werd deze benoeming door de paus bekrachtigd. Sint Odiliënberg werd daardoor het centrum van deze provincie. Sedertdien kwam hier jaarlijks het provinciaal kapittel van de orde bijeen. Verschillende vrouwen- en mannenkloosters zijn in de jaren daarna van hieruit gesticht. Jan van Abroek overleed in 1510 en werd als prior en provinciaal opgevolgd door Hiëronymus van Brogel (1510-1540).
Tengevolge van de Tachtigjarige oorlog (1568-1648) en alle daarmee samenhangende implicaties hield de priorij te Sint-Odiliënberg in 1639 definitief op te bestaan. Het Bisdom Roermond nam hetgeen restte van de gebouwen inclusief schulden en lasten over en benoemde voortaan diocesane priesters tot pastoor van de kerk.
Ten tijde van de contrareformatie bloeiden kerk en parochie op en werd het oude Petruspatrocinium bij de restauratie van de kerk in 1686 vervangen door dat van de HH. Wiro, Plechelmus en Otgerus.
In 1888 werd de oude monastieke traditie op de Berg tot nieuw leven gebracht door de inspanning van de plaatselijke pastoor Michael Willemsen (1831-1904), die zijn pastorie boven op de kerkberg ter beschikking stelde van een kleine communiteit afkomstig uit het H.Grafklooster van het Belgische Bilzen.
In 1903 verkreeg het kleine klooster autonomie welke echter in 1911/12 niet houdbaar bleek. Van 1911/12 tot 1965/1966 was het H. Grafklooster van Sint Odilienberg filiaal van het H. Grafklooster van Turnhout. Onder Moeder M. Matthea Raeymakers verwierf het klooster in 1966 opnieuw autonomie, die tot op heden voortduurt.
Als naam voor de nieuwe zelfstandige priorij werd gekozen voor Priorij Thabor, verwijzend naar en geïdentificeerd met de berg waar Christus vóór zijn lijden voor de ogen van zijn Apostelen van Gedaante veranderde.
De naam wortelt sterk in de plaatselijke traditie: 12e eeuwse zandstenen reliefs van de Thabor-apostelen op de kerkberg in 1879 opgegraven getuigen van de vroege associatie van de solitair gelegen kerkberg langs de Roer met de Berg van de Gedaanteverandering in het Heilige Land.
Tot op heden woont en leeft een kleine communiteit van kanunnikessen van de Orde van het H. Graf op de kerkberg
Abonneren op:
Posts (Atom)






