donderdag 10 juni 2021

Reportage Kloosterfotograaf: Munnichsbos (Monnikkenbos) - eeuwenoud natuurbos

Het Munningsbos of Munnichsbos (Monnikkenbos) is een natuurgebied tussen Montfort en Posterholt.  Het is een eeuwenoud natuurbos. Hier gaat de natuur zijn gang. Een paradijs voor mossen, varens, paddenstoelen, spechten en eekhoorns. Indrukwekkend is ‘de Kathedraal’, een eeuwenoud beukenbos waar de bomen op pilaren van een imposante kerk lijken.

Het is een bosgebied waar langs de Vlootbeek loopt. Het is een voornamelijk droog gebied met zandduinen waarop naaldhout is geplant. Naar de beek toe vindt men achtereenvolgens: droge eikenbossen, elzenbroekbossen en natte graslanden.

In het gebied komen alle in Nederland broedende spechten voor: groene specht, zwarte specht, grote-, middelste- en kleine bonte specht. Van de insecten kan het vliegend hert worden genoemd, dat men hier aantreft.Zo zijn alle in Nederland voorkomende soorten, zoals de kleine en grote bonte specht, de groene en zwarte en de middelste bonte specht, vertegenwoordigd. 

’s Morgens en in de schemering komen reetjes uit hun dekking en ook kunt u er wilde zwijnen tegenkomen evenals kleiner wild zoals vossen, hazen en konijnen, fazanten en hout- en holenduiven. Ook het eekhoorntje kunt u er regelmatig zien. ‘s Avonds en ’s nachts vliegt er naast andere vleermuissoorten ook de zeer zeldzame bosvleermuis rond. 

Over de Vlootbeek scheert regelmatig een ijsvogeltje en qua vlinders komt er naast de algemene soorten zoals dagpauwoog, atalanta, distelvlinder, koolwitje en blauwtjes in een klein gebiedje nog de zeldzame kleine ijsvogelvlinder voor.



























woensdag 9 juni 2021

9 juni H. Ephrem, diaken en kerkleraar De weg van Gods heilsplan vormt een beeld van de geestelijke wereld.

Efrem werd omstreeks 306 uit christelijke ouders te Nisibe geboren. Na zijn diakenwijding oefende hij zijn ambt uit in zijn vaderstad en te Edessa, waar hij een theologische school oprichtte. Hij leidde het leven van een asceet, hetgeen hem niet weerhield van zijn kerkelijke taak. In woord en geschrift verkondigde hij het geloof tegen de dwaalleer van zijn tijd. Hij stierf in 373.

Uit een preek van de heilige diaken Efrem († 373)

De weg van Gods heilsplan vormt een beeld van de geestelijke wereld.


Laat het nachtelijk duister van onze geest naderen tot het daglicht van uw kennis. Dan zal onze geest worden verlicht en U dienen, omdat wij met vernieuwde zuiverheid gaan leven.
Als de zon haar loop begint, zetten de stervelingen zich aan het werk. Bereid, o Heer, in onze geest een woonplaats voor die Dag die geen einde kent.
Geef dat wij in onszelf het leven van de verrijzenis ontdekken en dat niets onze geest mag scheiden van uw vreugde.
Maak ons standvastig in onze gerichtheid op U en grif zo in ons wezen, o Heer, het teken van de Dag die niet begint met de opgang van de zon.
Door uw sacramenten verenigen wij ons elke dag met U en ontvangen wij U in ons lichaam. Keur ons waardig om in onszelf de hoop op de verrijzenis te ervaren.
Door de genade van het doopsel hebben wij in ons lichaam uw schat verborgen die aan uw tafel nog groter wordt. Geef dat wij onze vreugde mogen vinden in uw goedheid.
Uw gedachtenis, o Heer, die wij in ons dragen, hebben wij ontvangen aan uw geestelijke tafel. Laten wij, o Heer, haar daadwerkelijk ervaren tijdens de vernieuwing in de toekomst.
Maak dat wij onze schoonheid ontdekken dank zij de schoonheid die uw onsterfelijke wil voortbrengt te midden van wat sterfelijk is.
Uw kruisdood, o Verlosser, maakte een einde aan het lichamelijk bestaan. Geef dat wij onze geest kruisigen en zo een beeld vormen van het geestelijk bestaan.
Uw verrijzenis, o Jezus, verleent luister aan de geestelijke mens. Laten de tekenen die wij in uw sacramenten aanschouwen, voor ons een spiegel vormen waarin wij hem herkennen.
De weg van uw heilsplan, o Verlosser, vormt een beeld van de geestelijke wereld. Geef ons, o Heer, dat wij daarop mogen voortgaan als geestelijke mensen.
Ontzeg, o Heer, onze geest niet het licht van uw geestelijke zonsopgang en onthoud onze ledematen niet de warmte van uw vreugde.
De sterfelijkheid die in ons lichaam schuilt, zaait bederf in ons uit. Laat de vreugde van uw geestelijke liefde de smaak daarvan uit ons hart wegnemen.
Geef, o Heer, dat wij ons op weg mogen begeven naar die heilige stad en dat wij haar mogen bezitten zoals Mozes haar mocht zien vanaf de top van de berg.

Harp of the Holy Spirit: The Life of Saint Ephrem the Syrian

Exclusief voor kinderen Story of Saint Ephrem | Stories of Saints

dinsdag 8 juni 2021

De goede gesteltenis bij het gebed

Dingen of bezigheden die we dagelijks verrichten lopen het risico hun waarde te verliezen. “Quotidiana vilescunt” zegt de Latijnse uitdrukking: hetgeen we dagelijks zien of doen, achten we niet. Het is een algemeen bekende ervaring en deze gaat ook niet aan ons voorbij.
Dat het gebed, het koorgebed en het persoonlijk gebed, daardoor gevaar kunnen lopen is evident. De verleiding is aanwezig, bijvoorbeeld bij het Angelus, de tafelgebeden of het Rozenhoedje, de woorden automatisch uit te spreken als hadden ze geen betekenis. Maar ook voor het gebed geldt de aansporing van Christus waakzaam te zijn.
Wil het gebed leven in ons, dan moeten we in gebed leven. Dat wil zeggen voor zover het van ons afhangt, proberen, als we ons tot God wenden, ons bewust te zijn van de woorden die we uitspreken. Dat betekent ons krachtig toeleggen in eenheid met Christus te leven opdat we ons sterker bewust worden onze wil naar zijn Wil te richten. Dat bewerkt vrijheid en vrede. Het refrein van de Preces in de Lauden van gisteren (vrijdag, hebd II): ‘In tua voluntate pax nostra’, in het doen van uw wil ligt onze vrede, bevestigt dit. Het helpt om onze geest en gedachten op het Hart van Jezus te richten, opdat ieder woord dat wij in het gebed uitspreken ook in zijn Waarheid in ons leven gestalte krijgt.
God wil geen lege gebeden, maar verlangt dat wij met het hart bidden en niet tot degenen behoren die mechanisch ‘nabidden’ zonder te weten wat ze zeggen. Christus navolgen is Hem trouw zijn, ons van al het wereldse af wenden, zwijgen, naar zijn woorden luisteren en in daden omzetten. Hoeden wij ons er dus voor te menen dat we Christus volgen maar Hem door onze werken en daden verraden. Lege gebeden leveren niets op, het gaat er om in eenheid met Christus innerlijk en waarachtig alles te doorleven, ook als consequentie wat Hij heeft geleden, en aldus voor de zonden van de wereld en voor de eigen zonden te kunnen offeren.
De Algemene Inleiding op het getijdengebed spreekt weliswaar niet over de voorbereiding op het bidden van de getijden, maar de in 1977 door de Congregatie voor de goddelijke Eredienst goedgekeurde Thesaurus Liturgiæ Horarum Monasticæ wijst wel uitdrukkelijk op de wenselijkheid van een geestelijke voorbereiding op het getijdengebed: De overgang van werk, verschillende bezigheden en uiteenlopende innerlijke gesteltenissen naar de eenheid die de liturgische viering veronderstelt (en ook bewerkt), is slechts mogelijk naarmate de geest zich bewust en resoluut vrijmaakt van deze veelzijdigheid om tot een vooral innerlijke eenheid te komen. Een snelle en energieke inspanning tot innerlijke zuivering is dus nodig, alsook een inspanning om echt tot stilte te komen die alleen maar gebroken mag worden door onze stem die zich bij de stem van Jezus voegt, die als Middellaar tussen God en de mensen voor ons, met ons en in ons bidt.
Het is een goed kloosterlijk gebruik dat de liturgische vieringen van H.Mis en koorgebed worden voorbereid door een bepaald tussenstadium te creëren tussen het gebed en de uiteenlopende bezigheden van de dag. Dat kan door enkele minuten stilte vóór het begin van het officie, door in de ‘statio’ bijeen te komen enkele minuten voordat men kerk of kapel binnengaat. Het is duidelijk dat we ons onthouden elkaar in de statio onnodig aan te spreken om elkaar de gelegenheid te geven tot serieuze voorbereiding.
Zowel in het Breviarium Romanum volgens Trente, alsook in Liturgia Horarum volgens Vaticanum II wordt een facultatief gebed aanbevolen dat voorafgaand aan het Officie gezegd kan worden, met name wanneer het Officie alleen wordt gebeden. “Aperi, Domine, os meum ad benedicendum Nomen sanctum tuum; munda quoque cor meum ab omnibus vanis, perversis et alienis cogitationibus; intellectum illumina, affectum inflamma, ut digne, attente ac devote hoc Officium recitare valeam, et exaudiri merear ante conspectum divinae Maiestatis tuae. Per Christum Dominum nostrum. Amen”.
Heer, open mijn mond om uw heilige Naam te loven; zuiver ook mijn hart van alle ijdele, verkeerde en vreemde gedachten; verlicht mijn verstand, ontvlam mijn gemoed, opdat ik waardig, oplettend en godvruchtig dit Officie kan bidden, en verhoord mag worden voor het aanschijn van uw goddelijke Majesteit. Door Christus onze Heer.
De tekst als voorschrift voor de priesters gaat terug tot de 12e eeuw en werd sinds Trente voorgeschreven voor allen die verplicht waren het brevier te bidden.
Vóór het begin van het Officie raadt de Kerk aan, dit gebed “waardig, met aandacht en met godsvrucht” te bidden, aldus paus Pius XII in zijn encycliek Mediator Dei et hominum (20 nov. 1947), de magna charta van de liturgievernieuwing in de vorige eeuw, voorafgaand aan Vaticanum II.
Het voorbereidend gebed “Aperi..” werd op uitdrukkelijke wens van paus Paulus VI gehandhaafd bij het begin van het privé reciteren van het getijdengebed. (vgl. Bugnini, Die Liturgiereform, 555, voetnoot 11)
De tekst werd in de uitgave van Liturgia Horarum afgedrukt op een apart los inlegblad onder de titel: Textus Communes I). De Nederlandse uitgave van het Getijdenboek heeft dit gebed echter niet opgenomen.
Het is een goede gewoonte het gebed “Aperi…” privé vóór het begin van het morgenofficie te bidden als een voornemen voor heel de dag. Vóór de afzonderlijke canonieke uren bidt men in de statio of terwijl men het koor betreedt: “Domine, in unione illius divinæ intentionis, qua ipse in terris laudes Deo persolvisti, has tibi Horas (vel hanc tibi Horam) persolvo”.
Heer, in vereniging met die goddelijke mening, waarmee Gij zelf God op aarde lof hebt gebracht, breng ik U de lof van deze Uren (of van dit Uur). '

Kerkvaders, geestelijke schrijvers, heiligen en predikanten hebben veel geschreven en gezegd over het gebed alsmede over de juiste gesteltenis daarbij. Zo geeft de H. Cyprianus in zijn tractaat over het Onze Vader ons morgen in de lectio altera enkele behartenswaardige aanwijzingen:
“Wanneer wij bidden, staan we voor Gods aangezicht. Daarom moeten we proberen rustig en eerbiedig te spreken en ook in onze houding God te behagen. Wie het aan ontzag ontbreekt, bidt druk, luid en snel; wie eerbied heeft, kalm en bescheiden. (…)
Ook wanneer wij als broeders en zusters samenkomen om met Gods priester het goddelijk offer te vieren, behoren wij ons eerbiedig en bescheiden te gedragen en niet te bidden met een ordeloze of galmende woordenstroom. (…)
God luistert niet naar onze woorden maar naar ons hart. Men behoeft Hem niet luid toe te spreken, want Hij ziet en doorgrondt onze gedachten”.
Rondkijken mag al helemaal niet voorkomen.
Zoveel mogelijk geconcentreerd en bewust van de betekenis van de gewijde teksten deze uitspreken…
We kunnen niet alle liturgische teksten onmiddellijk begrijpen en verstaan. Dat hoeft ook niet, maar we moeten er wel op blijven studeren, buiten het Officie. Stap voor stap, nu eens een antifoon, een hymne, een oratie, de korte lezingen, verzen, psalmen, de inleidingen bij de heiligenfeesten.
Zorgen we er ook voor onze stem te voegen naar die van de anderen en ook het tempo van zingen en reciteren, zodat ons gebed één stem kan zijn met die van Christus.

Cardinal Sarah - Silent prayer is the last treasure of those who have nothing left.

God does not will evil. Nevertheless, He remains astonishingly silent in the face of our trials. In spite of everything, suffering does not call God’s almighty power into question—far from it; rather, it reveals it to us. I still hear the voice of the child who through his tears asked me, “Why did God not keep my father from being killed?” In His mysterious silence, God manifests Himself in the tear shed by the child and not in the order of the world that would justify that tear. God has His mysterious way of being close to us in our trials. He is intensely present in our trials and sufferings. His strength makes itself silence because it reveals his infinite tact, His loving tenderness for those who suffer. External manifestations are not necessarily the best proofs of closeness. Silence reveals God’s compassion, the fact that He takes part in our sufferings. God does not will evil. And the more monstrous the evil, the clearer it becomes that God in us is the first victim. 
Christ’s victory over death and sin is consummated in the grand silence of the cross. God manifests all His power in this silence that no barbarity will ever be able to sully. 
When I traveled to countries that were going through violent, profound crises, sufferings and tragic miseries, such as Syria, Libya, Haiti, the Philippines after the devastating typhoon, I observed that silent prayer is the last treasure of those who have nothing left. Silence is the last trench where no one can enter, the one room in which to remain at peace, the place where suffering for a moment lays down its weapons. In suffering, let us hide ourselves in the fortress of prayer. 
Then the power of the jailers is no longer important; criminals can destroy everything furiously, but it is impossible for them to break in and enter into the silence, the heart, the conscience of a human being who prays and nestles in God. The beating of a silent heart, hope, faith and trust in God remain unsinkable. Outside, the world may become a field of ruins, but inside our soul, in the deepest silence, God keeps watch. War and the processions of horrors will never get the better of God present in us. When faced with evil and God’s silence, we must always persevere in prayer and cry out silently, saying with faith and love: 
“I looked for you, Jesus! 
I heard you weeping for joy 
at the birth of a child. 
I saw you seeking freedom 
through the bars of a prison. 
I walked close by you 
while you were begging for a piece of bread. 
I heard you howling with sorrow 
when your children were laid low by the bombs. 
I discovered you in the rooms of a hospital, 
subjected to treatments without love.  
Now that I have found you, 
I do not want to lose you again. 
I ask you, please, teach me to love you.”
With Jesus we bear our sufferings and trials better.