maandag 11 mei 2026

 

HOMEILIE OP HET HOOGFEEST VAN DE 

HH. WIRO, PLECHELMUS EN OTGERUS

Kerkpatronen van de basiliek in Sint Odiliënberg (8 mei 2026)


Br. Thijs Ketelaars, abt van de Adelbertabdij te Egmond

















Ter voorbereiding van het hoogfeest van vandaag las ik twee bijdragen van professor Linssen over de geschiedenis van de patroonheiligen Wiro, Plechelmus en Otgerus. En ondanks alle geleerdheid en speurzin van de professor is de conclusie na dertig pagina’s dat er historisch eigenlijk niets met zekerheid te zeggen valt.

Om die leegte in te vullen heeft de traditie zwerfstenen uit het verleden opgeraapt en daarmee verhalen gecreëerd. Zo horen wij over bisschop Balderik van Utrecht die in het jaar 966 door een visioen de vindplaats kreeg aangewezen van relieken, waaronder die van Wiro, Plechelmus en Otgerus. Mogelijk zijn ze al kort daarna hier in Berg in het reliekengraf geplaatst. Zo werden ze bewakers van deze plek, en bevestigden met hun aanwezigheid ook de rechten van de bisschop van Utrecht hier.

De traditie verhaalt dat het Schotse peregrini, rondtrekkende monniken waren, zonder vaste woonplaats en dat Wiro en Plechelmus bisschoppen zouden zijn geweest en Otgerus diaken. Misschien waren het tijdgenoten van Willibrord en Adelbert of waren ze zelfs nog voor hen naar deze streken gekomen. Eén ding is zeker, de eeuwen door zij de namen bewaard gebleven van de drie rondtrekkende boden van het evangelie Dat mag op zich al een wonder heten. Dat doet vermoeden dat ze een indruk hebben gemaakt en mensen door hen zijn geraakt. Dat wij over hun persoonlijk leven, hun uiterlijk en hun daden niets of nauwelijks iets weten kan teleurstellen, maar je zou het ook kunnen lezen als een heel evangelisch getuigenis. In onze tijd wordt door artiesten om het hardst geschreeuwd om in de publiciteit te komen, maar dat past niet bij de ware evangelieverkondigers. Die horen immers niet zichzelf op de voorgrond te plaatsen, integendeel, zij dienen in woord en daad getuigen te zijn van de verrezen Heer, die niet eigen eer en aanzien heeft gezocht, maar beeld en gelijkenis is geweest van de Vader, die ons leven wil geven en wel in overvloed. En in dat voetspoor zijn onze patroonheiligen Jezus gevolgd.

Maar wie toch verlegen zit om een duidelijker profiel, wordt door de liturgie van deze feestdag op zijn wenken bediend. De lezingen van deze dag tekenen immers een beeld van de authentieke getuige van het evangelie. Wiro, Plechelmus en Otgerus hebben die teksten zelf vele malen gehoord en gelezen en zij hebben er hun roeping in herkend.

De eerste lezing uit het boek Jezus Sirach spreekt de lof van vrome mannen die met hun leven getuigenis hebben afgelegd van Gods verbond met ons mensen. Hun wijsheid is niet vergeten en wij zijn er nog steeds dankbaar voor en hun namen worden nog steeds met ere vermeld. Zij hebben er zelf niet mee staan pronken, maar door hun zorg voor mensen en hun getuigenis van Gods liefde voor heel de schepping zijn zij geen naamloze en kleurloze figuren geweest, maar mensen met en eigen naam en gezicht, mensen die het evangelie van de vrede handen en voeten hebben gegeven en een uitnodigend gezicht. Zij verkondigden een blijde boodschap.

In de tweede lezing hoorden wij de woorden die Paulus bij zijn afscheid tot de oudsten heeft gesproken. Hij wijst niet alleen de oudsten op hun verantwoordelijkheid in Gods gemeente, maar wij horen er ook de zorg en liefde, de onvermoeide inzet van de apostel in klinken. Boodschapper van het evangelie is geen parttime betrekking, maar een leven dat zich geeft van de vroege morgen tot de late avond. Dat is geen pleidooi voor een burn-out, maar het laat zien dat een apostel geen functionaris is maar een leven dat het gaat om een manier van zíjn. Met heel je wezen, met al je gaven van hoofd en hart de kerk dienen, opdat Christus in ons geboren wordt. Dat is geen mensen werk, maar werk van de Geest, maar het kan niet zonder de beschikbaarheid en de inzet van ons mensen. In de laatste regel van de apostellezing hoorden wij hoe Paulus met hen allen neerknielt en bidt. Een mooier beeld van apostolaat is moeilijker voorstelbaar. Het leven van een apostel begint met bidden en eindigt met bidden voor en met wie aan hem zijn toevertrouwd.

Tot slot het evangelie. Daar ontmoeten wij Jezus zelfs als de goede herder. Allen die geroepen worden om het evangelie te verkondigen, zullen  zich aan deze Herder moeten spiegelen en in Zijn voetstappen moeten treden. Opvallend is dat die tekst begint met te zeggen wat een goede herder niet is. Hij is geen huurling, geen wolf en geen rover. Die hebben allemaal geen hart voor de schapen, maar zijn hoe dan ook, uit op eigen voordeel en gewin. Voordat wij de goede herder kunnen volgen, dienen wij dus korte metten te maken met een houding die eigen voordeel en eigen glorie in het vaandel heeft staan. Dat is een houding die haaks staat op Jezus’ gaan en staan.

Na die negatieve beschrijving volgt dan het positief getekende portret van de goede herder. En daar valt op dat Jezus begint met het opnoemen van een aantal activiteiten, maar, als ik het zo zeggen mag, met een liefdesverklaring: ‘Ik ken de Mijnen en de Mijnen kennen Mij.’ Herder zijn zoals Jezus, dat is allereerst een relatie hebben met alle schapen die je zijn toevertrouwd. Dan kun je een gemeenschap opbouwen waar herder en schapen weten wat ze aan elkaar hebben. Zoals wij de namen kennen van Wiro, Plechelmus en Otgerus, zo kent Jezus al zijn schapen bij name. Ieder met een eigen gezicht en een eigen naam, met een eigen verhaal en vader Benedictus zou zeggen, elk ook met zijn eigen tempo.

Wij vieren vandaag drie herders die door de Heer zijn geroepen om in Zijn voetstappen te treden en wij zijn dankbaar dat zij daar met inzet van heel hun leven ja op hebben gezegd. Laat hun voorbeeld ons er toe aanzetten op de plak waar wij staan eenzelfde herderlijke zorg te tonen voor wie aan ons zijn toevertrouwd.

Amen