vrijdag 18 januari 2019

St Augustine Faith, hope and charity. Our first beginning and our last end



He is the truth, the absolute good, and the soul’s goodness comes from that same source which has made it; the soul’s perfecting in goodness comes from the conforming of its will to its nature, when it turns in love towards that good to which it owes its very existence – an existence which cannot be lost even if the will turns away from its creator.

This good is not far from any of us, for ‘in him we live and move and have our being’. But we must cleave in love to it so that we may enjoy the presence of him from whom we have our being.

The apostle says we walk by faith as yet, and not by sight. But unless we already love him, we shall never see him. How can we love what we do not know? To know God is to perceive him with the assured grasp of the mind, and so see and apprehend him is given to the pure in heart. Our hearts however cannot be made pure to see him unless we love him in faith.

Faith, hope and charity are the virtues for whose building the whole scaffolding of Scripture is set up. The soul which believes what it does not yet see, hopes in and loves that which it believes – that is why we can love God if we believe, even before we know him.

On the Trinity. VIII. 5

Mgr. Hans van den Hende, bisschop van Rotterdam, over roepingen - om uiteindelijk te kunnen zeggen: "Heer, hier ben ik".

“We zijn geroepen om de blijde boodschap te verspreiden: de liefde van Christus uit te dragen in woord en daad”, aldus de bisschop. “In en vanuit de Kerk heeft ieder van ons een missionaire taak.”

De korte brief vraagt om het geloof te bewaren en de rijkdom van Jezus’ blijde boodschap moedig door te geven aan andere mensen en aan nieuwe generaties. “Regelmatig is in de Nederlandse media aandacht voor onze Katholieke Kerk. Meerdere keren klinkt dan de vraag: waarom loopt het aantal katholieken zo terug, waarom gaan er minder mensen naar de kerk op zondag? Deze vraag laat mij en ook u niet zomaar los. Maar in 2019 zou ik de vraag willen omdraaien. Als uw bisschop zou ik op een meer positieve manier twee vragen aan u willen stellen: (1) waarom gaat u/ga jij wél naar de kerk op zondag? en (2) waarom is het de moeite waard en belangrijk om naar de kerk te blijven gaan?”

“De eerste vraag doet een beroep op onze eigen geloofsbeleving: waarom gaan we eigenlijk? De tweede vraag roept ons op tot getuigenis: namelijk durven we aan anderen uit te leggen en kunnen we aan anderen laten zien dat het de moeite waard is om te geloven in God en ons in de kerk door de Heer te laten voeden?” aldus de bisschop.

“Graag vraag ik uw gelovige aandacht voor het Jaar van de Roepingen om uiteindelijk samen en persoonlijk van harte te kunnen zeggen: Heer, hier ben ik.”

Volledige brief op website bisdom Rotterdam

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Feria VI Hebdomadæ I per annum Ad Officium lectionis Omnia vere divinum concentum per Verbum componunt. Door het Woord wordt alles samengebracht tot één goddelijke harmonie.



Lectio altera
Ex Oratióne sancti Athanásii epíscopi Contra gentes
(Nn. 42-43: PG 25, 83-87)

Omnia vere divinum concentum per Verbum componunt

Nihil est rerum ómnium quæ sunt et fiunt, quod non in ipso et per ipsum factum sit et consístat, uti étiam vir theólogus his verbis docet: In princípio erat Verbum, et Verbum erat apud Deum, et Deus erat Verbum. Omnia per ipsum facta sunt, et sine ipso factum est nihil.

Quemádmodum enim músicus lyra ad concéntum accommodáta, gravibúsque cum acútis et médiis cum áliis arte temperátis unum éfficit concéntum; ita quoque Dei Sapiéntia univérsum mundum véluti lyram tenens, resque aérias cum terrénis et cæléstes cum aériis coniúngens, omniáque cum síngulis conéctens, et suo nutu ac voluntáte circumdúcens, unum mundum unúmque mundi órdinem pulchre et concínne ádmodum éfficit ipsúmque ínterim Dei Verbum apud Patrem manet immóbile, dum ómnia, prout Patri visum fúerit, suæ natúræ constántia movet. Omnia dénique pro sua natúra illo dante vivunt et consístunt admirabilémque ac vere divínum concéntum per ipsum compónunt.

Ut vero res tanta, imágine áliqua intéllegi possit, age: numerósi alicúius chori exémplum adducámus. Itaque quemádmodum in choro ex váriis homínibus, púeris, muliéribus, sénibus et adulescéntibus compósito, uno præside moderánte, sínguli pro sua natúra et facultáte cantant, vir ut vir, puer ut puer, senex ut senex, aduléscens ut aduléscens, omnes tamen unum concéntum effíciunt, vel quemádmodum nostra ánima eódem témpore nostros sensus pro cuiúsque efficacitáte movet, ádeo ut præsénte re áliqua omnes simul moveántur oculúsque vídeat, auris áudiat, manus tangat, odorátus olfáciat, gustet gustátus aliáque córporis membra sæpe étiam agant, verbi grátia, pedes ámbulent; ita profécto rem quoque se habére in univérsa rerum natúra, licet ténue ádmodum sit exémplum, altióre tamen intellegéntia est percipiéndum.

Nimírum uno ictu Dei Verbi nutus, ómnia simul administrántur, ádeo ut, quæ rerum singulárum própria sunt, ea a síngulis fiant et ab ómnibus simul unus ordo perficiátur.

Second Reading
From a Discourse Against the Pagans by Saint Athanasius, bishop
The Word creates a divine harmony in creation
In the beginning was the Word, and the Word was with God, and the Word was God. All things were made through him, and without him nothing was made. In these words John the theologian teaches that nothing exists or remains in being except in and through the Word.
  Think of a musician tuning his lyre. By his skill he adjusts high notes to low and intermediate notes to the rest, and produces a series of harmonies. So too the wisdom of God holds the world like a lyre and joins things in the air to those on earth, and things in heaven to those in the air, and brings each part into harmony with the whole. By his decree and will he regulates them all to produce the beauty and harmony of a single, well-ordered universe. While remaining unchanged with his Father, he moves all creation by his unchanging nature, according to the Father’s will. To everything he gives existence and life in accordance with its nature, and so creates a wonderful and truly divine harmony.
  To illustrate this profound mystery, let us take the example of a choir of many singers. A choir is composed of a variety of men, women and children, of both old and young. Under the direction of one conductor, each sings in the way that is natural for him: men with men’s voices, boys with boys’ voices, old people with old voices, young people with young voices. Yet all of them produce a single harmony. Or consider the example of our soul. It moves our senses according to their several functions so that in the presence of a single object they all act simultaneously: the eye sees, the ear hears, the hand touches, the nose smells, the tongue tastes, and often the other parts of the body act as well as, for example, the feet may walk.
  Although this is only a poor comparison, it gives some idea of how the whole universe is governed. The Word of God has but to give a gesture of command and everything falls into place; each creature performs its own proper function, and all together constitute one single harmonious order.
Tweede lezing
Uit de Verhandelingen ‘Tegen de heidenen’, van de H. Athanasius bisschop

Door het Woord wordt alles samengebracht tot één goddelijke harmonie

Er is niets van alles, wat is of wordt, dat niet in Hem en door Hem geschapen is en bestaat, zoals ook de Theoloog [H. Johannes, Apostel] het met deze woorden leert: In het begin was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Alles is door Hem geworden en zonder Hem is er niets geworden.
Want zoals een musicus die zijn lier gestemd heeft, de lage met de hoge tonen kunstig met middentonen vermengt en zo een harmonie van klanken voortbrengt, zo ook houdt de wijsheid Gods het heelal als een lier in zijn hand, verbindt wat in de lucht is met het aardse en het hemelse met wat in de lucht is, en maakt van alle zaken samen één geheel, terwijl Hij alles regelt naar zijn wenk en wil. Aldus schept Hij één wereld en één schone en harmonieuze wereldorde, terwijl toch het Woord Gods onbeweeglijk bij de Vader blijft, en alles naar het plan van de Vader, door de onveranderlijkheid van Zijn natuur beweegt. Door zijn gave tenslotte leeft en bestaat alles naar ieders natuur en vormt samen dóór Hem een bewonderenswaardige en waarlijk goddelijke harmonie.
Om nu iets van zo groot belang enigszins door een beeld te begrijpen, welaan, laten wij dan eens het voorbeeld nemen van een talrijk koor. Zoals dan bij een koor, dat uit allerlei mensen, kinderen, vrouwen, ouden en jongeren bestaat, altijd één dirigent is, en een ieder zingt naar zijn natuur en talent, een man als een man, een jongen als een jongen, een oude als een oude, een jong mens als een jong mens, vormen zij toch alleen één harmonie. Ofwel, zoals een ziel tegelijkertijd onze zintuigen beweegt naar ieders werkdadigheid, zodat in de tegenwoordigheid van een bepaald iets alle zintuigen tegelijk in werking worden gezet, en het oog ziet, het oor hoort, de hand tast, het reukorgaan ruikt, de smaak proeft, en dikwijls nog andere lichaamsdelen in werking zijn, zoals bijvoorbeeld de voeten, die lopen. Zo staat het inderdaad ook in het geheel van de natuur der dingen; al is hier dan het voorbeeld zeer zwak, toch kan iemand met een goed verstand het begrijpen.
Door ook maar een enkele wenk van het goddelijk Woord wordt alles tegelijk bestuurd, en wel zó dat wat aan elke zaak eigen is, dat ook door ieder apart wordt uitgeoefend en door alle samen één ordelijk geheel tot stand komt.

Week van de eenheid der christenen

Paus Benedictus XVI besprak op 19 januari 2011 de zuilen voor het leven van elke christengemeenschap die dus ook het enige stevige fundament zijn  voor het zoeken naar de zichtbare eenheid van de Kerk, zie rkdocumenten.

1. Luisteren naar het onderricht van de Apostelen

Vooreerst hebben wij het onderricht van de Apostelen beluisterd, wij hebben namelijk geluisterd naar het getuigenis dat zij van de zending, het leven, de dood en de verrijzenis van de Heer geven. Dat is wat Paulus gewoonweg het “Evangelie” noemt. De eerste christenen ontvingen het Evangelie uit de mond van de Apostelen, zij waren verenigd door het luisteren en door de verkondiging, want zoals de heilige Paulus zegt, het Evangelie “is een goddelijke kracht tot heil van ieder die erin gelooft” (Rom. 1, 16). Ook vandaag erkent de gemeenschap van de gelovigen in het onderricht van de apostelen, de norm van haar geloof: iedere inspanning voor de opbouw van de eenheid onder de Christenen gaat dus langs het verdiepen van de trouw aan het “depositum fidei” dat ons door de Apostelen werd overgeleverd. Standvastigheid in het geloof is het fundament van onze gemeenschap, het fundament van de christelijke eenheid.

2. Broederlijke gemeenschap

Het tweede element is de broederlijke gemeenschap. Ten tijde van de eerste christengemeenschap is dat, evenals vandaag, en vooral ten overstaan van de buitenwereld, de meest tastbare uitdrukking van de eenheid tussen de volgelingen van de Heer. Wij lezen in de Handelingen van de Apostelen dat de eerste christenen al deze dingen gemeenschappelijk onderhielden en wie eigendom en bezittingen had, verkocht ze ten bate van degenen die het nodig hadden. Dit delen van eigen bezit heeft in de Kerkgeschiedenis steeds nieuwe uitdrukkingsvormen gevonden. Eén ervan en in het bijzonder, is de band van broederlijkheid en vriendschap tussen christenen van verschillende belijdenissen. De geschiedenis van de oecumenische beweging is getekend door moeilijkheden en onzekerheden, maar het is ook een geschiedenis van broederlijkheid, samenwerking, menselijke en spirituele mededeelzaamheid, die de relaties tussen de gelovigen in de Heer Jezus duidelijk heeft veranderd: wij zijn allemaal geëngageerd om op deze weg voort te gaan. Het tweede element is dus de gemeenschap, die vooreerst gemeenschap met God is door middel van het geloof: maar de gemeenschap met God schept gemeenschap tussen ons en drukt zich noodzakelijk uit in deze concrete gemeenschap waarover de handelingen van de Apostelen spreken, namelijk het delen. Niemand mag in de schoot van de christengemeenschap honger hebben, arm zijn: het is een fundamentele verplichting. Gemeenschap met God, gerealiseerd als broederlijke gemeenschap, drukt zich concreet uit in sociaal engagement, in christelijke naastenliefde, in rechtvaardigheid.

3. Het breken van het Brood
Derde element: in het leven van de eerste gemeenschap van Jeruzalem was het ogenblik van het breken van het brood essentieel: de Heer brengt zichzelf aanwezig door het ene offer van het Kruis waarbij Hij zich totaal geeft voor het leven van Zijn vrienden: “Dit is Mijn Lichaam dat voor u gegeven wordt … dit is Mijn Bloed dat voor u vergoten wordt”. “De Kerk leeft van de Eucharistie. Deze waarheid drukt niet alleen een dagelijkse geloofservaring uit, maar bevat de kern van het mysterie van de Kerk”  Gemeenschap met het offer van Christus is het hoogtepunt van onze vereniging met God en vertegenwoordigt dus ook de volle eenheid tussen de leerlingen van Christus, totale gemeenschap. Tijdens deze Gebedsweek voor de Eenheid is spijt dat wij dezelfde Eucharistische tafel niet kunnen delen - een teken dat wij nog veraf staan van de verwezenlijking van de eenheid waarvoor Christus gebeden heeft - bijzonder voelbaar. Deze pijnlijke ervaring die ons gebed ook een boetedimensie geeft, moet het motief worden voor een nog edelmoediger engagement van iedereen opdat, eens de hindernissen voor de volledige gemeenschap weggenomen zijn, de dag komt dat het mogelijk is zich rond de tafel van de Heer te verenigen, samen het Eucharistisch brood te breken en aan dezelfde kelk te drinken.

4. Het gebed
Het gebed is het kenmerk van de oorspronkelijke Kerk van Jeruzalem, beschreven in het boek van de Handelingen van de Apostelen. Het gebed is sindsdien altijd de constante houding van de volgelingen van Christus, het vergezelt hun dagelijks leven in gehoorzaamheid aan Gods wil, waarvan ook de woorden van de apostel Paulus getuigen die in zijn eerste brief aan de Tessalonicenzen schrijft: “Weest altijd blij. Bidt zonder ophouden” (1 Tess. 5, 16-17) 5 . Het christelijk gebed, deelname aan het gebed van Jezus, is bij uitstek een kinderlijke ervaring, zoals de woorden van het Onze Vader getuigen, het familiegebed – het “wij” van de kinderen van God, van de broeders en zusters – dat tot de gemeenschappelijke Vader spreekt. Een houding van gebed aannemen betekent dus ook voor broederlijkheid open staan. Alleen met het “wij” kunnen wij het Onze Vader opzeggen. Openen wij ons dus voor de broederlijkheid die volgt uit het feit kinderen te zijn van de ene hemelse Vader en uit de bereidheid tot vergeving en verzoening.

donderdag 17 januari 2019

Wil jij ook praten met de zusters voor je spreekbeurt, je werkstuk of gewoon zomaar?

schrijf naar inlichtingen@priorijthabor.nl 
of bel 0475 53 20 74


17 januari: H. Antonius Abt: U altijd boven alles te beminnen

17 januari –Gedachtenis van de heilige Antonius, abt ( ca 250-356)
“Abnegantes nosmetipsos, te super omnia diligamus”

Uit het Martyrologium Romanum:
De gedachtenis van de heilige Antonius, abt, die wees geworden al zijn goederen onder de armen verdeelde overeenkomstig de evangelische geboden en zich terugtrok in de eenzaamheid bij Thebaïs in Egypte, waar hij een ascetisch leven begon te leiden. Hij beijverde zich voor de versterking van de Kerk, stond de belijders van het geloof bij tijdens de vervolging onder keizer Diocletianus en ondersteunde de heilige Athanasius in diens strijd tegen de Arianen. Hij had zoveel leerlingen dat hij de vader van de monniken werd genoemd.

Oratie van vandaag:
God, Gij hebt de heilige abt Antonius de genade geschonken U te dienen door zijn leven in de woestijn, op een wijze die bewondering wekt. Wij vragen U op zijn voorspraak: onszelf te verloochenen om U altijd boven alles te beminnen.

“Onszelf te verloochenen en God altijd boven alles te beminnen” – dat is de grondslag van elke vorm van religieus leven waarop de bloem van de “mira conversatio”, de wonderlijke omgang met God, in volle geur kan ontbloeien.

Wij wensen degenen die de naam van Antonius, de “inclitus pater monachorum”, de roemrijke vader van de monniken, dragen, vandaag proficiat!

H. Antonius Abt over de hoofddeugden van de monnik I

17 januari
Abt Antonius over de hoofddeugden van de monnik I: 
Abt Antonius zei: Ik zag alle strikken van de vijand uitgespannen
over de aarde en zuchtend sprak ik: “Wie komt daar nog langs?”
En ik hoorde een stem tot me zeggen: “De nederige”.

Op zekere dag heeft Antonius een pessimistisch visioen over het
lot van de mensen: over de hele aarde zijn netten gespannen die
in het geniep zijn opgesteld. Ongetwijfeld zijn het hinderlagen van
de duivel, maar het is ook een kluwen van aardse beslommeringen
die ons gevangen houden en overheersen tengevolge van onze
eindigheid.

Het antwoord op Antonius’ zuchten komt van de hemel, lichtend,
versterkend. Alleen de nederigheid (humilitas) maakt het mogelijk
aan deze hinderlagen te ontsnappen omdat zij ons lager doet
neerdalen dan de strikken die op de grond zijn uitgezet, zij doet ons
wegzinken in de ‘humus’ van schepsel- en zondaar-zijn. “Evenmin
als de aardboden ooit omlaag valt, valt hij die zichzelf vernedert” (1).

Het beeld van de netten waarmee de vogelaar vogels vangt als symbool
voor de listen van de vijand, komt regelmatig terug in de Psalmen.
Maar om de nederigheid te beschrijven komt er bij de psalmist nog een
ander beeld op, namelijk dat van de vredige overgave van de kleintjes:
“Heer, mijn hart is niet trots, niet hoovaardig mijn ogen. Ik begeef mij
niet in wat te groot, te wonderbaarlijk is voor mij. Neen, bedaren liet ik,
verstillen mijn ziel als een kind bij zijn moeder geborgen, als dat kind
 zo voel ik mijn ziel” (Ps 131).
Die zo nederig zijn voelen de levende God aan en schenken Hem  hun
vertrouwen. Onverschillig en als het ware vreemd aan zichzelf laten ze
Hem zijn heerlijkheid openbaren.

In onze tijd zijn pogingen waar te nemen om het individuele “ik” te
overstijgen. Als men de nederigheid zoekt langs uitwendige manieren,
gaat men helaas voorbij aan de kern van het mysterie, de “kenosis”
van de Zoon van God, zijn neerdalen tot op het kruis,
zijn totale ontlediging.

(1) Spreuken van hen die vergrijsd zijn in de deugd, 28.
Uitgave Vaderspreuken III (Bonheiden) nr. 108, blz. 66

Met dank en toestemming ontleend aan Monastieke Cahiers nr. 10,

uitgegeven door de Benedictinessen van Bonheiden 1981