woensdag 19 september 2018

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XXIV per annum feria V St Augustinus Forma esto fidelibus Wees een voorbeeld voor de kudde.


  

  Lectio altera

   Ex Sermóne sancti Augustíni epíscopi De pastóribus
    (Sermo 46, 9: CCL 41, 535-536)

Tweede lezing
Preek over ‘De herders’, van de H. Augustinus, bisschop
   (Sermo 46, 9: CCL 41, 535-536)
Wees een voorbeeld voor de kudde

Toen nu de Heer gezegd had, wat die herders graag hebben, zei Hij ook, wat zij nalieten te doen. De gebreken toch van de schapen zijn openlijk kenbaar. Gezonde en weldoorvoede schapen zijn er maar weinige, dit is, die gesterkt zijn door het voedsel van de waarheid en een goed gebruik maken van de weiden van Gods genade. Maar die slechte herders verzorgen deze niet. Men zegt nog weinig met de bewering, dat zij geen zorg hebben voor kwijnende, zieke dwalende en verdwaalde schapen. Zelfs doden zij sterke en goed gevoede schapen zoveel zij kunnen. Toch blijven deze leven. Ze leven van Gods barmhartigheid. Maar voor zover het aan de slechte herders ligt, worden ze vermoord. ‘En hoe, zeg ik, worden ze vermoord?’ Door het slechte leven van de herders, door hun slechte voorbeeld. Of werd het soms zonder reden tot die dienaar Gods (Titus) gezegd, die uitmuntte onder de medehelpers van de hoogste herder: Stel uzelf bij allen tot een voorbeeld van goed gedrag,  en: Wees een voorbeeld voor de gelovigen.

Want zelfs als een sterk schaap ziet, dat zijn leider meestal slecht leeft en als het zijn ogen afwendt van Gods geboden en naar de mens kijkt, zal het in zijn hart beginnen te zeggen: ‘Als mijn leider zo leeft, wie ben ik dan, dat ik niet zou doen zoals hij?’ De herder heeft hier het sterke schaap gedood. Maar als hij dan het sterke schaap doodt, wat zal hij dan met de andere doen, als hij datgene, wat hij niet zelf had sterk gemaakt maar toevallig als sterk had aangetroffen, door zijn slechte leven vermoordt?

Ik zeg het tot uw liefde en ik herhaal het: ook als de schapen leven en sterk staan in het woord des Heren en onderhouden wat zij van hun leider hebben gehoord: Doet wat zij u zeggen, maar handelt niet naar hun werken,  zal toch degene, die openlijk voor het volk slecht leeft in zover het aan hem ligt, hem doden door wie hij wordt gadegeslagen. De slechte herder vleie zich dus niet met de gedachte, dat die ander niet dood is; deze leeft wel, maar de ander is een moordenaar. Want hoe kan het, dat, wanneer een wellustig man een vrouw beziet om haar te begeren, hij een overspelige is, hoewel de vrouw kuis is gebleven? De Heer heeft het naar waarheid en openlijk gezegd: Alwie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, heeft in zijn hart al echtbreuk met haar gepleegd. Hij kwam niet in haar slaapkamer, maar inwendig pleegde hij echtbreuk in zijn binnenkamer.

Zo zal ieder, die slecht leeft onder de ogen van hen, over wie hij als leider werd aangesteld, zoveel in zijn vermogen is ook de sterken doden. Wie die leider navolgt, zal sterven; wie hem niet volgt, zal leven. Maar voor zover het de leider betreft, heeft hij beiden gedood. Het gemeste dier slacht gij af, maar weiden doet gij de schapen niet!

20 september HH. Andreas Kim Taegŏn, priester, en Paulus Chŏng Hasang, en gezellen, martelaren van Korea

Door de inzet van enige leken is het christelijk geloof eerst in het begin van de zeventiende eeuw doorgedrongen in Korea. Er ontstond een krachtige en vurige gemeenschap zonder herders, die tot aan het jaar 1836 bijna alleen geleid en ondersteund werd door leken. In de loop van dat jaar kwamen de eerste missionarissen, afkomstig uit Frankrijk, heimelijk het land binnen. Uit deze gemeenschap zijn gedurende de vervolgingen in de jaren 1839, 1846 en 1866 honderd en drie heilige martelaren voortgekomen. Onder hen treden op de voorgrond de eerste priester en ijverige herder voor het heil van de mensen, Andreas Kim Taegŏn, en de uitstekende lekenapostel, Paulus Chŏng Hasang. De anderen zijn merendeels leken.

Uit de laatste vermaning van de heilige Andreas Kim Taegon, priester en martelaar († 1846)

Het geloof wordt bekroond door de liefde en de volharding.

Beminde broeders en zusters, bedenkt telkens weer dat God vanaf het begin hemel en aarde en alles heeft geordend. Denkt erover na waarom en volgens welk raadsbesluit Hij met name de mens geschapen heeft volgens zijn beeld en gelijkenis.
Als wij dan in deze wereld, vol gevaren en ellende, God niet als onze Schepper erkennen, heeft het voor ons ook geen enkele zin dat wij geboren zijn of dat wij in leven blijven. Wij zijn door Gods genade in de wereld gekomen, eveneens door Gods genade zijn wij gedoopt en lid van de kerk geworden. Zo dragen wij als leerlingen van de Heer zijn kostbare Naam. Maar wat baat zulk een grote Naam, als er niets aan beantwoordt? In dat geval zijn wij vergeefs ter wereld gekomen en in de kerk opgenomen; in dat geval plegen wij zelfs verraad aan de Heer en zijn genade. Het ware beter voor ons om niet geboren te zijn dan de genade van de Heer te ontvangen en ertegen te zondigen.
Kijk naar de landbouwer die zijn veld bezaait: in de gunstige tijd ploegt hij de grond, hij bemest hem en, zonder zich om de brandende zon te bekommeren, verzorgt hij het kostbare zaad. Als de oogsttijd daar is, als de halmen volgroeid zijn, vergeet hij moeite en zweet en in vreugde danst hij van geluk. Maar als de halmen leeg blijven en er alleen maar kaf en vliesjes zijn, dan denkt de boer wél terug aan zijn zwaar zwoegen en zweet. En hoezeer hij zijn veld vroeger ook gekoesterd heeft, nu laat hij het des te meer verwaarloosd achter.
Zo ook maakt de Heer de wereld tot zijn veld, met ons, mensen, als rijstkorrels en met de genade als bevloeiing. Door zijn menswording en verlossing besprenkelt Hij ons met zijn bloed, opdat wij kunnen groeien en tot wasdom komen. Als dan op de dag van het oordeel het ogenblik is aangebroken om te oogsten, dan zal de mens die rijp door de genade is geworden, vreugde vinden in het rijk der hemelen als aangenomen kind van God. Maar de mens die niet gerijpt is, zal een vijand worden, ook al was hij tevoren een aangenomen kind van God; hij zal overeenkomstig zijn verdiensten de eeuwige straf ondergaan.
Dierbare broeders en zusters, beseft dit nu: onze Heer Jezus is in de wereld gekomen en Hij heeft talloze smarten op zich genomen en door zijn lijden de heilige kerk gesticht. Door het lijden van de gelovigen laat Hij deze kerk nog groeien. Want hoe de machten van deze wereld haar ook onderdrukken en bestrijden, toch kunnen zij haar niet overwinnen. Na de hemelvaart van Jezus, vanaf de tijd van de apostelen tot vandaag, is de heilige kerk overal gegroeid te midden van verdrukkingen.
Sinds de vijftig of zestig jaar dat de heilige kerk bij ons in Korea gevestigd is, zijn haar gelovigen telkens opnieuw vervolgd. Ook nu woedt er een vervolging, zodat vele vrienden in hetzelfde geloof, onder wie ook ik, in de gevangenis zijn geworpen, en ook gij vele kwellingen verduurt. Maar als wij op die manier één lichaam vormen, zijn wij dan ook niet innerlijk verdrietig? Lijden wij niet - menselijk gesproken - onder onze scheiding?
Toch draagt God volgens de Schrift zorg ervoor dat geen haar op ons hoofd gekrenkt zal worden (vgl. Mt. 10, 30); daarvoor zorgt Hij in zijn alwetendheid. Moeten wij dan zulk een vervolging niet beschouwen als Gods opdracht, ofwel als zijn beloning ofwel als zijn straf?
Streeft dan de wil van God na en strijdt met heel uw hart voor de hemelse veldheer Jezus en overwint de boze geest van deze wereld die reeds door Christus overwonnen is.
Ik bezweer u, verwaarloost niet de onderlinge liefde maar helpt elkaar en weest standvastig, totdat de Heer zich over ons ontfermt en deze onderdrukking van ons wegneemt.
Wij zijn hier met twintig en verkeren, God zij dank, in goede gezondheid. Als iemand onder ons gedood wordt, vraag ik u dringend zijn familie niet in de steek te laten. Ik heb u nog veel te zeggen, maar hoe zou ik dat alles met pen en papier kunnen doen? Ik beëindig mijn brief. In deze strijd staan wij al schouder aan schouder. Ik smeek u dan ook trouw te blijven, opdat we uiteindelijk in de hemel elkaar mogen gelukwensen. Weest hartelijk gegroet!

Die 20 Septembris SS. ANDREÆ KIM TAEGÕN, PRESBYTERI ET PAULI CHÕNG HASANG, ET SOCIORUM, MARTYRUM

Ineunte sæculo XVII, quorundam laicorum industria, primum fides christiana ingressa est in Coream. Fortis ac fervens communitas absque pastoribus, fere tantum a laicis ducta fotaque fuit usque ad annum 1836, quo vertente primi missionarii ex Gallia venientes furtim in regionem intraverunt. Ex hac communitate, in persecutionibus annorum 1839, 1846 et 1866, exorti sunt 103 sancti martyres, inter quos eminent primus presbyter et ardens pastor animarum Andreas Kim Taegõn et insignis apostolus laicus Paulus Chõng Hasang; ceteri vero sunt prævalenter laici, viri ac mulieres, matrimonio iuncti vel non, senes, iuvenes et pueri, qui supplicio affecti pretioso martyrum sanguine copiosa Coreanæ Ecclesiæ primordia consecrarunt.

Ex última Exhortatióne sancti Andréæ Kim Taegõn, presbýteri et mártyris (Pro Corea. Documenta., ed. Mission Catholique Séoul, Séoul-Paris 1938, Vol. I, 74-75)

Fides amore et perseverantia coronatur

Fratres et amíci dilectíssimi, cogitáte et recogitáte: Deus ab inítio témporum cælum et terram et ómnia dispósuit; meditámini dénique quare et quo consílio nominátim hóminem ad imáginem ac similitúdinem suam creáverit.

Si ergo in hoc mundo periculórum miseriæque reférto Dóminum creatórem non agnoscerémus, nihil prodésset nos natos esse nihílque in vita permanére. Quamquam Dei grátia in hunc mundum vénimus paritérque Dei grátia baptísmum recépimus et in Ecclésiam ingréssi sumus itémque Dómini discípuli effécti nomen pretiósum férimus, ad quid tamen próderit tantum nomen absque vera re? Secus vanum esset nos in mundum venísse et in Ecclésiam ingréssos esse; quinímmo, Dóminum eiúsque grátiam pródere hoc esset. Mélius fuísset non nasci quam Dómini grátiam recípere et contra eum peccáre.

Agrícolam consideráte qui seméntem facit in agro: témpore opportúno terram arat, deínde eam stércorat et nil consíderans labórem sub sole, pretiósum semen colit. Cum tempus meténdi advénerit, si spicæ túrgidæ exstant, cor eius labórem sudorémque oblivíscens lætátur et saltat felicitáte refértum. Si vero spicæ evádunt vácuæ ac nihil áliud adstat quam pálea et gluma, agrícola duri labóris sudorísque méminit et agrum illum eo magis negléctum déseret quo magis colúerat.

Simíliter Dóminus terram facit agrum suum, nos hómines orýzam, grátiam fimum, atque per Incarnatiónem et Redemptiónem nos irrígat sánguine suo ut créscere et ad maturitátem perveníre valeámus. Cum die iudícii tempus colligéndi vénerit, qui grátia erit matúrus, regno cælórum gaudébit tamquam fílius adoptívus Dei; qui vero matúrus non fúerit, inimícus fiet, etsi et ipse fílius adoptívus Dei iam fúerat, atque iuxta méritum in ætérnum puniétur.

Fratres caríssimi, scitóte: Dóminus noster Iesus in mundum descéndens innúmeros dolóres ipse pértulit ac suápte Passióne sanctam Ecclésiam cóndidit eámque passióne fidélium auget. Quantúmvis vero mundi potestátes eam premant et oppúgnent, numquam tamen prævalére póterunt. Post Ascensiónem Iesu ab Apostolórum tempóribus usque ad hodiérnos dies Ecclésia sancta ubíque in médiis tribulatiónibus crevit.

Nunc autem, adhuc per quinquagínta vel sexagínta annos, ex quo sancta Ecclésia in nostram Coréam ingréssa est, fidéles iterúmque persecutiónes sustulérunt, etiámque hódie persecútio furit, ut numerósi amíci in eádem fide, inter quos et ego, in cárcerem sint coniécti, quemádmodum vos étiam in média tribulatióne permanétis. Cum ergo unum corpus ita efficiámus, quómodo córdibus íntimis non tristémur? Quómodo iuxta humánum sensum dolórem separatiónis non experiámur?

Attamen, ut dicit Scriptúra, Deus curam habet de mínimo capíllo cápitis, et quidem sua omnisciéntia curat; quómodo ergo tanta persecútio consideránda erit áliter ac Dómini iussum aut eius præmium aut demum eius pœna?

Sectámini ergo voluntátem Dei ac toto corde pro duce cælésti Iesu certáte et huius mundi dæmónium iam a Christo devíctum devíncite.

Obsecro vos: ne amórem fratérnum neglexéritis sed ínvicem adiuváte, atque úsquedum Dóminus misereátur nostri et tribulatiónem amóveat, perseveráte.

Vigínti hic sumus, et grátia Dei omnes adhuc bene se habent. Si quis occísus erit, óbsecro vos ne famíliam eius neglegátis. Multa étiam dicénda hábeo, at quómodo penicíllo et charta exprímere possum? Epístulæ finem fácio. Cum iam próximi simus ad certámen, vos déprecor ut fidéliter deambulétis, ita ut tandem in cælum ingréssi illic ínvicem gratulémur. Osculum amóris mei relínquo vobis.

Vertaling

dinsdag 18 september 2018

Liturgia Horarum St. Januarius- H. Augustinus Bisschop ben ik voor u, christen ben ik samen met u.

De dood van Sint Januarius in Pozzuoli
Uit een preek van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430)

Bisschop ben ik voor u, christen ben ik samen met u.

Vanaf het moment dat de last van het episcopaat op mijn schouders werd gelegd - een gevaarlijke last waarvan men rekenschap moet afleggen - bekommert mij ook steeds de zorg van mijn ambt. Wat ons afschrikt in deze taak is het volgende: zoeken wij er niet eerder een uitdaging in om onze persoonlijke eer te vergroten dan de zorg voor uw heil?
Bisschop-zijn voor u, schrikt mij af. Christen-zijn met u troost mij. Want bisschop ben ik voor u, christen ben ik samen met u. De eerste titel slaat op een taak die ik op mij nam, de tweede titel kreeg ik door genade. De eerste betekent gevaar, de tweede heil.
Door de stormkracht van het werk als bisschop word ik als het ware in volle zee heen en weer geslingerd. Maar als wij dan op zulk moment terugdenken aan Hem die ons door zijn bloed verlost heeft, dan vinden wij in die rustgevende gedachte een veilige haven. Als wij persoonlijk gebukt gaan onder die bisschoppelijke functie, dan vinden wij toch ook rust in de weldaad van onze gemeenschap met u. Het schenkt mij meer genoegen samen met u vrijgekocht te zijn dan over u aangesteld te zijn. Volgens het voorschrift van de Heer zal ik daarom met nog grotere inzet uw dienaar zijn.
Op die wijze zal ik dankbaar zijn voor de prijs die betaald is om met u mededienaar van de Heer te mogen zijn. Zeker, ik moet mijn Verlosser liefhebben en ik weet wat Hij tot Petrus zei: ‘Petrus, hebt gij Mij lief? Weid mijn schapen’ (Joh. 21, 15). Deze vraag stelde Hij eenmaal, tweemaal, driemaal. Telkens werd Petrus naar zijn liefde gevraagd en telkens werd hem een last opgelegd. De last is nu eenmaal lichter wanneer de liefde sterker is.
‘Hoe kan ik mijn dank betuigen voor al wat de Heer mij gaf?’ (Ps. 116B (115), 12). Als ik beweer dat ik Hem vergoed door zijn kudde te hoeden, dan volbreng ik deze taak, nee, niet ik, maar de genade Gods met mij (vgl. 1 Kor. 15, 10).
Maar hoe kan ik vergoeding schenken als God mij steeds voor is met zijn gaven? En toch zoeken wij die onbaatzuchtig liefhebben en zonder loon de schapen hoeden, een beloning. Hoe kan dat? Hoe rijmt men dit te zamen? ‘Ik bemin onbaatzuchtig door herder te willen zijn en omdat ik herder ben, vraag ik een beloning.’ Dat zou absoluut niet kunnen; op generlei wijze zou men een beloning mogen vragen aan Hem die onbaatzuchtig bemind wordt, tenzij de Beminde zelf onze beloning is. Want als wij Hem vergoeden omdat Hij ons verlost heeft, door zijn schapen te hoeden, hoe zullen wij Hem dan vergoeden voor het feit dat Hij ons tot herder heeft gemaakt? Want als wij slechte herders zijn - wat God verhoede - dan is dat door onze kwaadaardigheid. Maar als wij goede herders zijn - wat Hij ons moge verlenen - dan kunnen wij dat alleen maar zijn door zijn genade.
Daarom, broeders en zusters, ‘vragen wij u vermanend de genade Gods niet vergeefs te ontvangen’ (2 Kor. 6, 1). Maak ons dienstwerk vruchtbaar. ‘Gij zijt Gods akker. Ontvang van buiten hem die plant en hem die besproeit, maar van binnen Hem die wasdom geeft (vgl. 1 Kor. 3, 6-8). Help ons door uw gebed en uw gehoorzaamheid, dat wij vreugde mogen vinden niet zozeer in ons leiderschap dan wel in onze zorg u tot voordeel te zijn.

Saint Januarius, bishop - filmpje