Posts tonen met het label meimaand. Alle posts tonen
Posts tonen met het label meimaand. Alle posts tonen

dinsdag 25 maart 2025

John Henry Newman [1801-1890] Mei-meditaties 16 – Maria Boodschap: Moeder van de Zaligmaker

John Henry Newman [1801-1890]
Mei-meditaties 16 – Maria Boodschap:
Moeder van de Zaligmaker

Hier zoals in onze overweging van gisteren moeten wij begrijpen wat bedoeld wordt als we de Heer Zaligmaker noemen, om dan te kunnen begrijpen waarom die naam genoemd wordt tot het vormen van een der titels die in de Litanie voor Maria gebruikt worden.
De bijzondere naam waaronder de Heer vóór zijn komst bekend was, zagen wij gisteren, was die van Messias of Christus. Zó was Hij bekend aan de Joden. Maar toen Hij zich werkelijk op aarde vertoonde, werd Hij bekend onder drie nieuwe titels: De Zoon van God, de Mensenzoon, en de Zaligmaker. De eerste drukte zijn goddelijke Natuur uit, de tweede zijn menselijke Natuur, de derde zijn persoonlijke functie. De engel die aan Maria verscheen noemde Hem de Zoon van God; de engel die aan Sint Jozef verscheen noemde Hem Jezus, welke naam in onze taal Zaligmaker betekent; ook de engelen die aan de herders verschenen noemden Hem Zaligmaker (Lc 2,11). Maar Hij zelf noemde zich in het bijzonder de Mensenzoon.
Niet alleen engelen noemen Hem Zaligmaker, maar ook de twee grootsten onder de apostelen, de H.Petrus en de H.Paulus in hun eerste preken. De H.Petrus zegt dat Hij is “Leidsman en Zaligmaker” (Hand 5, 31), en de H.Paulus: “onze Zaligmaker Jezus Christus” (Tit 3, 6). En zowel de apostelen als de engelen geven ons de reden op waarom Hij aldus genoemd wordt – omdat Hij ons namelijk verlost heeft uit de macht van de boze geest en uit de schuld en de ellende van onze zonden. Zo zegt de engel tot Sint Jozef: “Gij zult Hem Jesus noemen, want Hij zal zijn volk verlossen van hun zonden” (Mt 1, 21); en de H.Petrus: “God heeft Hem verheven als Leidsman en Zaligmaker om aan Israël bekering te schenken en vergiffenis van zonden” (Hand 5, 21) En van zichzelf zegt Hij: “De Mensenzoon is komen redden was verloren was” (Mt 18, 11).
Laat ons nu nagaan hoe dit onze gedachten over Maria raakt. Het redden van slaven uit de macht van de vijand beduidt een strijd. Omdat de Heer Verlosser, Zaligmaker was, was Hij strijder. Hij kon de gevangenen niet verlossen zonder strijd, zonder persoonlijk te lijden. Wie zijn het nu die een bijzondere afschuw hebben van oorlogen? Een heidens dichter antwoordt. “Oorlogen”, zegt Hij, “worden verafschuwd door Moeders” (Horatius, Od. 1,1,24). Moeders zijn het die vooral te lijden hebben tijdens een oorlog. Ze mogen trots zijn op de eer die haar kinderen verdienen; maar die trots neemt geen stukje weg van de langdurige pijn, de onrust, de spanning, de verlatenheid en de angst, die de moeder van een soldaat ondervindt. Zo ging het ook met Maria. Dertig jaren was zij gezegend geweest met de voortdurende aanwezigheid van haar Zoon – zij had Hem zelfs aan haar onderdanig. Maar het ogenblik brak aan waarop de strijd waarvoor Hij op aarde was gekomen, Hem opeiste. Hij was immers gekomen, niet slechts om de Zoon van Maria te zijn, maar om de Zaligmaker van de mens te  worden; en daarom ging Hij eindelijk van haar scheiden. Toen ondervond zij wat het zeggen wil de moeder van een soldaat te zijn. Hij ging van haar weg; zij zag Hem niet meer; zij trachtte tevergeefs in zijn nabijheid te komen. Jaren lang had Hij in haar armen geleefd, en daarna minstens in haar woning; - Maar nu, volgens zijn eigen woorden “had de Mensenzoon niets meer om er zijn hoofd op neer te leggen” (Mt 8,20). En toen, na enkele jaren, hoorde zij van zijn gevangenneming, zijn zogenaamd proces, van zijn passie. Eindelijk wist zij toen in zijn nabijheid te komen – Wanneer en waar? – Op weg naar Calvarië, en toen Hij aan het kruis hing. En eindelijk kreeg zij Hem weer in haar ramen; ja, maar slechts toen Hij dood was. Het is waar, dat Hij opstond van de doden; maar daardoor kreeg zij Hem nog niet terug, want Hij steeg op ten hemel, en zij kon Hem daar nog niet terstond volgen. Neen, zij bleef nog vele jaren op aarde, onder de zorg, weliswaar, van zijn dierbaarste apostel, de H. Johannes. Maar wat was zelfs de heiligste man in vergelijking met haar eigen Zoon, die tegelijk de Zoon van God was?

O heilige Maria, Moeder van onze Zaligmaker, wij zijn in onze overwegingen nu plotseling overgegaan van de Blijde naar de Droevige Geheimen, van de Boodschap van de Engel Gabriel naar de Zeven Smarten. Daarover zullen dan de volgende overwegingen gaan, die wij over u houden.

woensdag 1 januari 2025

John Henry Newman [1801-1890] Mei-meditaties 14 – Maria Boodschap: Moeder van de Schepper


John Henry Newman [1801-1890]
Mei-meditaties 14 – Maria Boodschap:
Moeder van de Schepper

Dit is een titel die wij meer dan alle andere zouden geacht hebben onmogelijk te zijn voor een schepsel. Op het eerste gezicht zouden we geneigd zijn te zeggen dat al onze hoofdgedachten over de Schepper en het schepsel, over de Eeuwige en het tijdelijke, over de uit-zich-bestaande en de afhankelijke, daardoor in verwarring worden gebracht; maar bij nadere overweging zullen wij inzien dat wij die titel aan Maria niet kunnen weigeren zonder te ontkennen de goddelijke Incarnatie, d.w.z. de grote en fundamentele waarheid van de openbaring dat God is mens geworden.

En dit werd reeds ingezien in de eerste tijden van de Kerk. Van het begin af waren de Christenen gewoon de Heilige Maagd “Moeder van God” te noemen, omdat zij inzagen dat het onmogelijk was haar die titel te weigeren zonder de woorden van Sint Jan te ontkennen “Het Woord (dat is Gods Zoon) is vlees geworden” (Jo 1,14).
En niet lang daarna zag men in dat het nodig was die waarheid door de stem van een Algemeen Concilie af te kondigen. Want tengevolge van de tegenzin die de mens heeft voor een mysterie, kwam de dwaling op dat de Heer niet werkelijk God was doch mens, enkel maar hierin van ons verschillend, dat God in Hem woonde, zoals God in alle goede mensen woont, alleen in hogere mate.
Zoals de heilige Geest woonde in engelen en profeten, als in een soort tempel, of ook zoals de Heer nu nog woont in het tabernakel van onze kerken. Toen zagen de bisschoppen en de gelovigen in dat er geen ander middel was om de verspreiding van deze valse, slechte leer te verhinderen dan door uitdrukkelijk te verklaren en als geloofswaarheid af te kondigen dat Maria de Moeder was niet slechts van de mens, maar van God. En sedertdien is de titel van Maria als Moeder van God in de Kerk wat men noemt een dogma geworden, een geloofsartikel.

Maar dit voert ons tot een meer algemene beschouwing van het onderwerp. Is deze titel aan Maria gegeven meer verwonderlijk dan de leer dat God, zonder op te houden God te zijn, mens werd? Is het een groter mysterie dat Maria Moeder van God was door dat God mens werd? En toch is dit laatste, zoals gezegd, een grondwaarheid van de openbaring, waarvoor, de hele H. Schrift door, Profeten, Evangelisten en Apostelen getuigen. En wat kan er troostender en vreugdevoller zijn dan de wonderbare beloften die volgen uit de waarheid dat Maria Moeder van God is? – het grote wonder, namelijk, dat wij de broeders worden van onze God, dat wij allen, als wij goed leven en sterven in Gods genade, hiernamaals door onze mensgeworden God zullen gebracht worden naar de plaats waar de engelen wonen; dat ons lichaam zal opgewekt worden uit het stof en ten hemel gevoerd; dat wij werkelijk verenigd zullen worden met god; dat wij deelgenoot zullen worden van de goddelijke natuur; dat elk van ons met ziel en lichaam zal gestort worden in die afgrond van glorie om de Almachtige; dat wij Hem zullen zien en zijn gelukzaligheid zullen delen, volgens de tekst: “Wie de wil van mijn Vader volbrengt, die in de hemelen is, hij is mijn broeder en zuster en moeder” (Mt 12, 50).

maandag 16 mei 2022

John Henry Newman [1801-1890] Mei-meditaties 17 – Smarten van Maria: De Koningin der Martelaren

John Henry Newman [1801-1890]
Mei-meditaties 16 – Smarten van Maria:
De Koningin der Martelaren

Waarom wordt zij aldus genoemd? – zij die nooit enige wonde of kwetsing in haar geheiligd lichaam had ondergaan. Hoe kan zij verheven zijn boven al de velen wier lichaam de meest meedogenloze gewelddadigheden en de pijnlijkste folteringen terwille van de Heer hebben verduurd? Natuurlijk is zijn de Koningin van alle Heiligen, van die velen die “met Christus wandelen in het wit gekleed, omdat ze daartoe waardig zijn” (Apoc 7,13-14); maar kan zij dat ook zijn van hen “die waren geslacht om Gods woord en ook het getuigenis dat ze hadden beleden?”(Apoc 3,4; 6,9).

Om deze vraag te beantwoorden moet men bedenken dat de pijnen van de ziel even hevig kunnen zijn als die van het lichaam. De slechte mensen die nu in de hel zijn, en Gods uitverkorenen die nu in het vagevuur zijn, lijden alleen in de ziel, want hun lichamen liggen nog in het stof;  en toch, hoe zwaar is hun lijden! En misschien kunnen de meeste mensen die lang geleefd hebben uit eigen ervaring getuigen voor de scherpte van een nood, die was als een zwaard dat hen doorsneed, voor de zwaarte en de kracht van een smart, die hen omver scheen te werpen, ofschoon er geen enkele lichaamspijn bijkwam.

Wat moet dan het aanschouwen van de Passie en de kruisiging van haar Zoon een vreselijke ontzetting geweest zijn voor de heilige Maagd! Haar smart was, zoals de heilige Simeon haar bij de Opdracht van de Heer in de tempel gezegd had, een zwaard dat haar ziel doorboorde (Lc 2,35). Als de Heer zelf het vooruitzicht van wat hem te wachten stond niet meer kon dragen, als bij de gedachte daaraan zijn zweet als bloeddruppels op de grond viel, (Lc 22,44)   omdat zijn ziel aldus inwerkte op zijn lichaam, zien we daaruit dan niet, hoe groot zielenpijn kan zijn? En zou het dan verwonderlijk zijn geweest als Maria’s hoofd en hart bezweken waren toen zij onder zijn Kruis stond?

Aldus is zij waarlijk de Koningin der Martelaren.

dinsdag 10 mei 2022

John Henry Newman [1801-1890] Mei-meditaties 10 – Maria Boodschap: Koningin der Engelen.

John Henry Newman [1801-1890]
Mei-meditaties 10 – Maria Boodschap:
Koningin der Engelen.

Dat is de grote titel die aan Maria toekomt door haar moederschap, dat wil zeggen, door de nederdaling van de heilige Geest op haar na de boodschap van de engel Gabriël te Nazareth, en door de daaropvolgende geboorte van de Heer te Bethlehem. Als Moeder van de Heer komt zij dichter bij Hem dan welke engel dan ook; dichter zelfs dan de serafijnen die Hem omringen en Hem zonder ophouden Heilig, Heilig, Heilig prijzen.

Er zijn twee aartsengelen die in het Evangelie een bijzondere taak hebben, de H. Michael en de H. Gabriël; en zij zijn beiden in de geschiedenis van de menswording met Maria verbonden; de H. Gabriël toen de heilige Geest op haar neerdaalde; en de H. Michael toen het goddelijk Kind geboren werd. De H. Gabriël begroette haar als “vol van genade”, en kondigde haar aan dat de heilige Geest op haar zou neerdalen, en dat zij een zoon zou baren die de Zoon van de Allerhoogste zou zijn.
Wat de H. Michael voor haar deed bij de geboorte van die goddelijke Zoon vernemen we in het Boek der Openbaring, geschreven door de Apostel Sint Johannes. Wij weten dat de Heer kwam om het rijk des Hemels onder de mensen te stichten; en nauwelijks was Hij geboren of Hij werd aangevallen door de machten van de wereld die Hem wilden doden. Herodes stond Hem naar het leven, maar miste zijn doel doordat Sint Jozef Hem en zijn Moeder naar Egypte voerde. Maar de H. Johannes in het Boek der Openbaring zegt ons dat Michael en zijn engelen de werkelijke behoeders waren van Moeder en Kind, toen en nog bij andere gelegenheden.

Eerst zag Sint Jan in een visioen “een groot teken aan de hemel (waar met de “hemel” de Kerk wordt bedoeld of het Rijk Gods), een vrouw bekleed met de zon, de maan aan haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren”; en toen zij op het punt stond haar Kind te baren, verscheen “een grote rossige draak”,  dat is: de boze geest, gereed “om haar Zoon te verslinden”,  zodra Hij zou geboren worden. De Zoon bleef behouden door zijn eigen goddelijke macht, maar toen achtervolgde de boze geest de moeder; maar de H. Michael en zijn engelen kwamen haar te hulp en overwonnen hem. “Er barstte een grote strijd los”, zegt de gewijde schrijver: “Michael met zijn engelen streed tegen de draak; ook vochten de draak en zijn engelen, maar de grote draak werd neergesmakt, de oude slang die duivel en satan heet” (Openb 12, 1.3.4.7.9.).
Nu nog, evenals toen, heeft de Heilige Moeder Gods scharen van engelen tot haar dienst, en zij is hun Koningin.

woensdag 4 mei 2022

John Henry Newman [1801-1890] -Mei-meditaties 4: Onbevlekte Ontvangenis: Lofwaardige Maagd

John Henry Newman [1801-1890]
Meditaties voor de Meimaand 4

4 mei
Onbevlekte Ontvangenis: Lofwaardige Maagd

Maria is de Virgo prædicanda, de Maagd die geloofd en geprezen en begroet moet worden, die, letterlijk, behoort gepredikt en verkondigd te worden.
Wij zijn gewoon al wat wonderbaar, vreemd, nieuw en belangrijk is luid te verkondigen. Toen de Heer op komst was, predikte en verkondigde Sint Jan de Doper Hem; en toen de Apostelen de wijde wereld in trokken, predikten en verkondigden zij Christus. Welk is het hoogste, het zeldzaamste, het verhevenste prerogatief van Maria? Niets anders dan dat zij zonder zonde was. Toen een vrouw uit de menigte tot Christus riep: “Zalig de schoot die U heeft gedragen”, antwoordde Hij: “Zalig veeleer, die luisteren naar het woord van God en het beleven”. Die woorden werden bewaarheid in Maria. Zij was vervuld van genade omdat zij Moeder van God zou zijn. Maar een hoger voorrecht dan het goddelijk moederschap was het voor haar aldus geheiligd te worden en zuiver te zijn. Christus zou wel nooit haar Zoon geworden zijn tenzij Hij haar eerst geheiligd had; maar de grootste van die twee zegeningen was die volkomen heiligmaking. Daarom is zij dus de Virgo prædicanda; zij verdient luid gepredikt en verkondigd te worden, omdat zij nooit enige zonde heeft bedreven, zelfs niet de geringste; omdat de zonde nooit enig deel in haar had; omdat zij wegens die volheid van Gods genade nooit een gedachte heeft gehad, nooit een woord heeft gesproken, nooit een handeling heeft gesteld, die onaangenaam, die niet in de hoogste mate aangenaam was aan de Almachtige God, omdat in haar de hoogste triomf werd gezien over de vijand van de zielen. Om dus, toen alles verloren scheen, te tonen wat Hij voor ons allen kon doen: om te tonen wat de menselijke natuur, zijn werk, zou kunnen worden; om te tonen hoe Hij de listigste pogingen, die meest geconcentreerde kwaadaardigheid van de vijand volkomen kon doen mislukken, en al de gevolgen van Adams val in het tegendeel kon veranderen, begon Christus reeds vóór zijn komst dat boven alles wonderbare werk van verlossing in de persoon van haar, die zijn Moeder zou zijn.  Door de verdiensten van dat bloed dat vergoten zou worden kwam Hij tussenbeide, en verhinderde Hij dat zij getroffen zou worden door de zonde van Adam, nog voordat hij er op het kruis genoegdoening voor had gegeven. En dat is de reden waarom wij haar, die zulk een wonderbare genade heeft ontvangen, prediken en haar lof verkondigen.

Maar nog om een andere reden was zij de Virgo prædicanda. Wanneer en waarom en wat prediken wij? Wij prediken en verkondigen wat niet bekend is, opdat het bekend moge worden. Daarom hebben de Apostelen volgens de H. Schrift Christus gepredikt. Aan wie? Aan degenen die Hem niet kenden – aan de heidense wereld. Niet aan degenen die Hem kenden, maar aan degenen die Hem niet kenden. Het prediken en verkondigen van een nieuwe waarheid geschiedt geleidelijk: eerst de ene les en daarna de andere. De heidenen werden zo geleidelijk in de Kerk gebracht. En op dergelijke wijze is ook het prediken van Maria aan de kinderen van de Kerk en hun verering voor haar persoon, geleidelijk gegaan. Het is gegroeid, geleidelijk gegroeid, in de opeenvolging der eeuwen. In de eerste tijden werd niet zo veel over haar gepredikt als in latere tijden. Eerst werd zijn gepredikt als de Maagd der Maagden, - dan als de Moeder van God, - dan als glorieus in haar Tenhemelopneming – dan als de Voorspreekster van de zondaren – dan als Onbevlekt in haar Ontvangenis. En deze laatste prediking is voorbehouden geweest aan de negentiende eeuw; en zo is datgene wat het allereerste was in haar persoonlijke geschiedenis, tenslotte ook door de Kerk erkend.

(Vertaling in het Nederlands: prof. dr. Aurelius Pompe o.f.m.)

zaterdag 30 april 2022

Meimaand - Mariamaand Onze Lieve Vrouw van de Kerkberg - wees onze voorspraak!

Ook in ons klooster vieren wij de meimaand als Mariamaand. Dat is geen nieuws.

Nieuw is wel dat wij dat deze maand voor het eerst doen mede met de gedachtenis en de bede om voorspraak van onze Lieve Vrouw van de Kerkberg.


Dit beeldje stond zeker meer dan 100 jaar bij de familie van een van onze zusters. Het is gerestaureerd en het staat nu weer bij ons - hopelijk voor opnieuw minstens 100 jaar.

Onze Lieve Vrouw van de Kerkberg - wees onze voorspraak!



donderdag 10 februari 2022

John Henry Newman [1801-1890] - Mei-meditaties 3- Onbevlekte Ontvangenis: Allerzuiverste Maagd

John Henry Newman [1801-1890]

Mei-meditaties  3 Onbevlekte Ontvangenis: Allerzuiverste Maagd

Met de Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd bedoelt men de grote geopenbaarde waarheid, dat zij zonder erfzonde ontvangen is in de schoot van haar moeder, de H. Anna.
Sedert de val van Adam worden alle mensen, zijn afstammelingen, ontvangen en geboren in zonde. “In ongerechtigheid”, zegt de geïnspireerde schrijver in de psalm Miserere, “ben ik ontvangen en mijn moeder ontving mij in zonde”. De zonde die ieder van ons aankleeft en die in ons is vanaf het eerste ogenblik van ons bestaan, is de zonde van ongeloof en ongehoorzaamheid, waardoor Adam het Paradijs verloor. Als kinderen van Adam erven wij de gevolgen van zijn zonde, en in hem hebben wij dat geestelijk kleed van genade en heiligheid verbeurd, dat hij van zijn Schepper had ontvangen op het ogenblik van zijn ontstaan. In die toestand van verbeuring en onterving worden wij allen ontvangen en geboren; en de gewone wijze om aan die toestand te ontkomen is het sacrament van het Doopsel.
Maar Maria is nooit in die toestand geweest; door een eeuwig raadsbesluit van God was zij daarvan vrijgesteld. Van eeuwigheid heeft God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest besloten het mensdom te scheppen, en de val van Adam voorziende tevens besloten  dat hele mensdom te verlossen door de menswording en de kruisdood van de Zoon. Op datzelfde onbegrijpelijke, eeuwige moment waarop de Zoon Gods geboren werd uit de Vader viel ook dat besluit om de mens te verlossen door Hem. Hij die van eeuwigheid geboren was, was door een eeuwig raadsbesluit geboren om het gehele mensdom te verlossen; en de verlossing van Maria werd op die bijzondere wijze bepaald die wij de Onbevlekte Ontvangenis nomen. Het besluit van God was, niet om haar te zuiveren van de zonde, maar om haar vanaf het eerste ogenblik van haar bestaan al te behoeden voor de zonde; zodat de Boze nooit enig deel aan haar zou hebben. Zij was dus een kind van Adam en Eva, alsof die nooit gevallen waren; zij had geen aandeel in hun schuld; zij erfde al de gaven en genaden die Adam en Eva hadden genoten in het Paradijs, en nog veel meer. Dat is haar prerogatief en de grondslag van al die heilrijke waarheden die ons omtrent haar zijn geopenbaard.


Laat ons daarom met alle heilige zielen bidden: Allerzuiverste Maagd, zonder erfzonde ontvangen, bid voor ons.

John Henry Newman [1801-1890] Mei-meditaties 9 – Onbevlekte Ontvangenis Heilige Maria



John Henry Newman [1801-1890]
Mei-meditaties  9 – Onbevlekte Ontvangenis
Heilige Maria

Aan God alleen komt de hoedanigheid van heiligheid toe. Daarom zeggen wij in het Gloria: “Tu solus sanctus, Gij allen zijt heilig”. Met heiligheid bedoelen wij de afwezigheid van alles wat een redelijk wezen besmet, verduistert en onteert, alles wat recht tegenover zonde en schuld staat.

We zeggen dat alleen God Heilig is, al bezit Hij ook in waarheid al zijn hoge hoedanigheden in zulk een volheid dat men inderdaad zeggen moet dat Hij alleen ze bezit. Van de goedheid, bijvoorbeeld, zei Christus tot de jonge man: “Niemand is goed dan God alleen” (Luc 18,19). Hij ook alleen is de Macht, Hij alleen is Wijsheid, Hij alleen is Voorzichtigheid, Liefde, Barmhartigheid, Rechtvaardigheid, Waarheid. Daaraan valt niet te twijfelen; maar Heiligheid wordt zeer bijzonder zijn eigenlijke hoedanigheid genoemd, omdat door de heiligheid meer dan door al zijn andere hoedanigheden niet alleen zijn verhevenheid boven al zijn schepselen maar zijn volstrekte afscheiding van die schepselen te kennen wordt gegeven. Daarvandaan lezen we in het Boek Job: “Is een mens ooit rechtvaardig voor God? Hoe kan rein zijn die uit een vrouw is geboren? Zie, zelfs de maan is niet helder, de sterren zijn niet rein in zijn ogen. Zie, zelfs op zijn heiligen kan Hij niet bouwen, en de hemel is niet rein in zijn oog” (Job 4,17; 25,5; 15,15).

Dit moeten we dus op de eerste plaats aannemen en begrijpen; maar op de tweede plaats weten wij toch ook, dat Hij in zijn barmhartigheid zijn grote hoedanigheden in verschillende mate heeft medegedeeld aan zijn redelijke schepselen, en daaronder vooral de heiligheid, omdat deze hoedanigheid de noodzakelijkste is van alle. Adam was van het ogenblik dat hij geschapen werd af begiftigd niet alleen met zijn menselijke natuur maar daarenboven ook met de genade van God, om hem te verenigen met God en heilig te maken. Daarom spreekt men van de heiligmakende genade; en omdat de genade heilig is, is zij het verenigingsbeginsel tussen God en de mens. Adam in het Paradijs mocht kennis bezitten en vaardigheid en vele deugden; maar deze gaven verenigen hem niet met zijn Schepper. De heiligheid was het die hem verenigde; want de H. Paulus spreekt van de heiligheid “zonder welke niemand de Heer zal zien” (Hebr 12,14).

En toen later de mens viel en deze heilige genade verloor, behield hij nog verschillende gaven; hij kon nog tot op zekere hoogte trouw zijn en barmhartig en liefhebbend en rechtvaardig; maar deze deugden verenigden hem niet met God. Wat hij nodig had was heiligheid; en daarom is de eerste handeling van Gods goedheid voor ons in het Evangelie, ons te ontheffen uit onze onheilige staat door middel van het sacrament van het Doopsel, en door de genade die ons daarbij gegeven wordt de zo lang verbroken verbindingen tussen de ziel en de hemel te heropenen.

Hieruit zien we dus de volle kracht van die titel van Onze Lieve Vrouw, als wij haar noemen: “Heilige Maria”. Toen God een menselijke moeder voor zijn Zoon ging voorbereiden, begon hij daarom met haar een onbevlekte ontvangenis te geven. Hij begon niet met haar de gave van liefde of van getrouwheid of van vriendelijkheid of van godsvrucht te verlenen, hoewel zij die alle bezat als de gelegenheid zich voordeed. Maar Hij begon zijn grote werk voordat zij geboren werd, voordat zij kon denken, spreken of handelen, met haar heilig te maken en zo haar op aarde het burgerrecht van de hemel te geven. Tota pulchra es, Maria! Volkomen schoon zijt Gij, Maria! Nooit had zij iets van de wanstaltigheid der zonde. Daarin verschilt zij van alle heiligen. Er zijn grote missionarissen geweest, grote belijders, bisschoppen, leraren, herders. Ze hebben grote dingen gedaan, en ze hebben talloze bekeerlingen of boetelingen meegenomen naar de hemel. Ze hebben veel geleden, ze hebben een overvloed van verdiensten verworven. Maar Maria gelijkt op haar Goddelijke Zoon in dit bijzondere: evenals Hij, God zijnde, afgezonderd is van alle schepselen door de heiligheid, zo is zij afgezonderd van alle Heiligen en Engelen, als zijnde “vol van genade”.

vrijdag 14 mei 2021

John Henry Newman [1801-1890] Mei-meditaties 15 – Maria Boodschap: Moeder van Christus


John Henry Newman [1801-1890]
Mei-meditaties 15 – Maria Boodschap:
Moeder van Christus

Elke titel van Maria heeft zijn eigen bijzondere betekenis en strekking en kan men tot onderwerp maken van een afzonderlijke meditatie. Wij roepen haar aan als Moeder van Christus. Wat is de strekking van deze aanroeping? Met deze aanroeping stellen wij ons voor de geest dat het Maria is die van het begin af werd voorspeld, die verbonden was met de hoop en de gebeden van alle heiligen van allen die “de verlossing verwachten van Israël” (Lc 2,38) in alle tijden die aan de verlossing voorafgaan.

De Heer werd door de Joodse profeten en het Joodse volk de Christus of de Messias genoemd.  De beide woorden Christus en Messias betekenen hetzelfde. Ze betekenen in onze taal de Gezalfde. In die oude tijd waren er drie grote bedieningen of ambten, door welke God tot zijn uitverkoren volk, de Israëlieten of zoals ze later werden genoemd de Joden, sprak, - het ambt van Priester, dat van Koning en dat van Profeet. Degenen die voor een van deze drie ambten door God werden uitgekozen, ontvingen de plechtige zalving met olie; - olie  duidde de Godsgenade aan die hun gegeven werd om hun hoge plichten goed te volbrengen. Maar de Heer was alle drie tegelijk: Hij was Priester en Profeet en Koning – Priester omdat Hij zichzelf aanbood als slachtoffer voor onze zonden; Profeet omdat hij ons de heilige wet van God openbaarde en Koning omdat Hij over ons heerst.  Aldus is Hij de enige ware Christus.

Het was in de verwachting van deze grote Messias dat het uitverkoren volk, de Joden of Israëlieten of Hebreeën (want dit zijn de verschillende namen voor eenzelfde volk), uitzagen van eeuw tot eeuw. Hij zou komen om alle dingen recht te zetten. En op de grote vraag die hun geest bezig hield, wanneer Hij komen zou, volgde onmiddellijk die andere vraag, wie zijn Moeder zou zijn. Van het begin af was hun gezegd, niet dat hij uit de hemel zou komen, maar dat Hij zou geboren worden van een Vrouw. Na de val van Adam had God gezegd dat het zaad van de Vrouw  de kop van de Slang zou verpletteren. Wie zou dan wel die Vrouw zijn die met zoveel nadruk aan het gevallen geslacht van Adam werd aangewezen? Vele eeuwen daarna werd aan de Joden verder geopenbaard dat de grote Messias of Christus, het zaad van de Vrouw, zou geboren worden uit hun volk, en wel uit één bijzondere stam van de twaalf stammen waarin dat volk was verdeeld. Van die tijd af hoopte iedere vrouw van die stam dat zij het grote voorrecht zou hebben zelf de Moeder van de Messias of de Christus te worden.; want het sprak vanzelf dat de Moeder van Een die zo groot was, ook groot en goed en gezegend zou zijn. Om deze reden onder andere was het dat ze zoveel waarde hechtten aan de gehuwde staat; immers, omdat ze geen besef hadden van het geheim van de wonderbare ontvangenis van Christus wanneer Hij werkelijk komen zou, meenden zij dat de huwelijksplechtigheid de noodzakelijke weg was voor zijn komst.

Daarvandaan dat Maria, was zij geweest als de andere vrouwen, naar het huwelijk zou verlangd hebben, omdat daardoor voor haar het uitzicht zou geopend worden de grote koning ter wereld te brengen. Maar voor zulke gedachten was zij te nederig en te zuiver.  Het was haar ingegeven die betere weg te kiezen om God te dienen, die aan de Joden nog niet bekend was gemaakt, de maagdelijke staat. Liever dan zijn Moeder te zijn verkoos zij zijn Bruid te worden. Toen de Engel Gabriël haar dan ook de hoge waardigheid aankondigde waarvoor zij bestemd was,  schrok zij ervoor terug, totdat zij de verzekering kreeg dat zij niet zou verplicht zijn afstand te doen van haar bedoeling God uitsluitend te dienen in de maagdelijke staat.


Zo is zij dan de Moeder van Christus geworden,  niet op de wijze waarop vrome vrouwen Hem zoveel eeuwen lang verwacht hadden, maar terwijl zij zich aan de genade van dat moederschap onttrok, heeft zij het verworven, door middel van een hogere genade. En dit is de volle betekenis van die woorden van de H. Elizabeth toen de Gezegende Maagd haar kwam bezoeken, die wij gebruiken in het Weesgegroet: “Gij zijt de gezegende onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot” (Lc 1,42) en deze begroeting wordt dagelijks als lof en dank aan God vele malen herhaald.

zaterdag 1 mei 2021

Gekomen is Uw lieve Mei, Maria



Gekomen is Uw lieve Mei, Maria
En op het veld de bloemensprei, Maria.
Bloemen, die wij plukken gaan,
Nu zij rijk te bloeien staan.
Ave, ave Maria,
Voor U, de Vrouwe van den Mei, Maria!

Wij knielen 's avonds voor Uw beeld, Maria;
U wijden wij ons onverdeeld, Maria.
Met de bloemen en de zang
En wij bidden, zingen lang:
Ave, ave Maria,

Tot Gij Uw gunsten aan ons deelt, Maria!
Zo helder schijnt het witte licht, Maria,
Der kaarsen op Uw lief gezicht, Maria.
Goedig ziet Gij op ons neer
Als een Moeder goed en teer.
Ave, ave Maria;
Uw ogen steeds op ons gericht, Maria!

Meimaand H. Petrus Canisius over de smarten van Maria

Meimaand - Mariamaand - Geestelijke schrijvers en dichters over H. Maagd Maria

De H. Petrus Canisius over de smarten van Maria

Had Maria geen andere oorzaak van smart dan dat zij de uiterste ziele- en lichaamspijnen van haar Zoon met eigen ogen moest aanschouwen? Reikt de betekenis van het mystieke zwaard, dat haar allertederste hart doorboorde, voor ons niet verder dan wat geschiedde onder het Kruis?
Verder, voorwaar, heeft de profeet Simeon geschouwd! en zeker heeft hij in dat korte woord samengevat en ons ter overweging overgeleverd: méér jammer, hartzeer en leed door de Moeder tijdens haar leven vol smarten geleden omwille van haar Zoon!
Neen, wie zich het Evangelieverhaal godvruchtig en met aandacht voor de geest haalt, zal zonder moeite talrijke en zwaarwegende redenen ontdekken: op grond waarvan Maria’s ziel door angst was beklemd en met droefheid vervuld, - waarom de scherpste prikkels van smart haar zo gevoelig hart doorboorden, haar deden wenen en stenen.
Want wat Christus ons van alle uitverkorenen verzekert: “In de wereld zult gij druk ondervinden,” is óók in Maria bewaarheid.”
Geheel haar leven was zij onderhevig aan moeilijkheden, ellende, gevaren en kwellingen, opdat daardoor haar uitstekende deugd voor God en de mensen des te heerlijker zou uitschitteren, en haar in den hemel groter geluk zou wachten, naarmate zij hier met en om haar Zoon een zwaarder en langduriger kruis had gedragen.
Beiden voorzeker hebben “gedronken uit den stroom langs de weg; daarom hun hoofd (onder de hemelingen) opgeheven,” en het droevige en aan smarten zo rijke levenslot met de kroon van de meest zalige en rijkste zaligheid verwisseld.
Zo moesten en Zoon en Moeder door het kruis tot de glorie komen: opdat de Moeder, naarmate zij heviger medeleed met de Gekruisigde, later in de hemel ook des te gelukkiger met Hem zou mee regeren.
Is het niet het bewijs van ware en oprechte liefde, blij te zijn met de blijden, en met die wenen te wenen, zoals Paulus in zijn Brieven leerde en door eigen voorbeeld bevestigde?
Niet immers zij zijn Christus’ leerlingen, die, als Stoïcijnen, door geen aandoening kunnen worden geroerd, en afgedaan hebben met alle menselijk gevoel. Maar Christus bemint hen, die teder zijn, meevoelend en ontvankelijk van harte. Niet voor niets is Hij uit een allergoedertierendste Moeder geboren!
Zij, die andermans welslagen met alle kracht in de hand werken en er zich van harte over verheugen; zij, die over andermans leed als over het hunne bedroefd zijn: zij zijn het die op Hem gelijken.
En daarom betaamde het ook, dat de Moeder Gods, die de volheid ontving der genade, ook in dit opzicht bij niemand achterstond: maar meer nog dan iedere moeder meevoelde met het lijden van haar Zoon.
En zodoende ondervond zij er dan ook de sterkste weerslag van: toen zij daar tegenwoordig was en stond onder het Kruis, en haar Zoon naar lichaam en ziel zag gefolterd op een wijze, boven alle maat; toen de Profeet Hem naar waarheid kon noemen “de man van smarten en in het lijden volleerd”; toen Hij eindelijk van zichzelf aan de Vader kon getuigen: “Alle golven hebt Gij over Mij doen neerkomen; ik ben gekomen in het diepste der zee, en de storm heeft Mij doen ondergaan.”
Waarlijk, als Maria niet op zo hevige wijze had medegeleden met haar Zoon te midden van zulke onbeschrijfelijke kwelling, verwonding, grievende pijn; als zij niet het innigst medelijden van haar hart aan haar lijdend en stervend Kind had geschonken: zou zij dan niet de schijn op zich hebben geladen haar goddelijke Zoon niet te kennen noch te beminnen? – haar waarachtig moederschap te verloochenen? - de ijdele verzinsels der Manichaeën over Christus’ schijnlichaam aldus te bevestigen? - ja, in strijd te geraken ten slotte met het volmaakte voorbeeld, dat Christus ons gaf in zijn lijden, erbarming en tranen?


(Commentariorum de Verbi Dei corruptelis, Tomi duo, 1583, 554)

John Henry Newman [1801-1890] - Mei-meditaties 1: Maand van Belofte

John Henry Newman [1801-1890] - Meditaties voor de Meimaand 1

Na de dood van John Henry Newman vond men tussen andere niet-uitgegeven notities een bundeltje, bevattende Meditaties voor de Meimaand. Het zijn sterk beredeneerde en bestudeerde inleidingen over verschillende titels die aan de H. Maagd worden gegeven in de Litanie van Loreto, gegroepeerd rondom de vier grote geheimen van Maria’s leven.

1 Mei - De maand van belofte
Waarom is de Meimaand gekozen om voor de viering van onze bijzondere devotie tot de H. Maagd? De eerste reden is omdat dit de tijd is waarop het vers gebladerte en het groene gras onze aarde bedekken na de kille vorst en sneeuw van de winter, na het gure weer en de woeste wind en de regen van de vroege lente. Omdat er nu bloesems komen op de bomen en bloemen in de tuin. Omdat de dagen lang zijn geworden, de zon vroeg opgaat en laat ondergaat. Want zo’n opvrolijking  van de zichtbare natuur behoort onze devotie te begeleiden  voor haar die de Mystieke Roos is en het Gulden Huis.
Men zal misschien opmerken: alles goed en wel; maar in ons klimaat kunnen we in de meimaand soms gure en akelige dagen beleven. Dat is zeker waar; maar dan blijft het toch ook waar, dat het toch altijd de maand van hoop en belofte is. Ook als het weer soms heel slechts is, blijft het toch de maand die de zomer aankondigt en inzet. Niettegenstaande alles wat onprettig is, weten we toch dat schone dagen vroeg of laat zullen komen. Een heerlijk uitzicht dat, naar de woorden van de profeet, “zijn vervulling bereikt en niet faalt; mocht het al toeven, blijf het verbeiden, want het komt zeker en blijft niet uit” (Hab 2,3).
Mei is dus de maand zo niet van voltooiing dan toch van belofte; en is het niet juist in dit opzicht dat wij behoren op te zien naar de H.Maagd Maria, aan wie deze maand is toegewijd? 
“Een twijg zal aan de stronk van Jesse ontspruiten en een bloem uit zijn wortel ontkiemen” , zegt de profeet (Jes 11,1). Wie anders is de bloem dan onze Heer zelf? Wie is de stronk of de twijg, of de scheut of de plant waaruit de bloem ontspruit, wie anders dan Maria, de Moeder van de Heer, de Moeder van God.
Het was voorspeld dat God zelf zou neerdalen op aarde. En toen de tijd gekomen was, hoe werd Hij toen aangekondigd? Hij werd aangekondigd door de engel die tot Maria kwam. “Wees gegroet, vol van genade”, zei Gabriël, “de Heer is met u, gij zijt de gezegende onder de vrouwen”.  Zij was dus wel de vaste belofte van de komende Zaligmaker, en daarom is de Mei wel krachtens een bijzondere titel haar maand.
(Vertaling in het Nederlands: prof. dr. Aurelius Pompe o.f.m.)

Na de dood van John Henry Newman vond men tussen andere niet-uitgegeven notities een bundeltje, bevattende Meditaties voor de Meimaand. Het zijn sterk beredeneerde en bestudeerde inleidingen over verschillende titels die aan de H. Maagd worden gegeven in de Litanie van Loreto, gegroepeerd rondom de vier grote geheimen van Maria’s leven.
1 Mei
De maand van belofte
Waarom is de Meimaand gekozen om voor de viering van onze bijzondere devotie tot de H. Maagd? De eerste reden is omdat dit de tijd is waarop het vers gebladerte en het groene gras onze aarde bedekken na de kille vorst en sneeuw van de winter, na het gure weer en de woeste wind en de regen van de vroege lente. Omdat er nu bloesems komen op de bomen en bloemen in de tuin. Omdat de dagen lang zijn geworden, de zon vroeg opgaat en laat ondergaat. Want zo’n opvrolijking  van de zichtbare natuur behoort onze devotie te begeleiden  voor haar die de Mystieke Roos is en het Gulden Huis.
Men zal misschien opmerken: alles goed en wel; maar in ons klimaat kunnen we in de meimaand soms gure en akelige dagen beleven. Dat is zeker waar; maar dan blijft het toch ook waar, dat het toch altijd de maand van hoop en belofte is. Ook als het weer soms heel slechts is, blijft het toch de maand die de zomer aankondigt en inzet. Niettegenstaande alles wat onprettig is, weten we toch dat schone dagen vroeg of laat zullen komen. Een heerlijk uitzicht dat, naar de woorden van de profeet, “zijn vervulling bereikt en niet faalt; mocht het al toeven, blijf het verbeiden, want het komt zeker en blijft niet uit” (Hab 2,3).
Mei is dus de maand zo niet van voltooiing dan toch van belofte; en is het niet juist in dit opzicht dat wij behoren op te zien naar de H.Maagd Maria, aan wie deze maand is toegewijd?
“Een twijg zal aan de stronk van Jesse ontspruiten en een bloem uit zijn wortel ontkiemen” , zegt de profeet (Jes 11,1). Wie anders is de bloem dan onze Heer zelf? Wie is de stronk of de twijg, of de scheut of de plant waaruit de bloem ontspruit, wie anders dan Maria, de Moeder van de Heer, de Moeder van God.
Het was voorspeld dat God zelf zou neerdalen op aarde. En toen de tijd gekomen was, hoe werd Hij toen aangekondigd? Hij werd aangekondigd door de engel die tot Maria kwam. “Wees gegroet, vol van genade”, zei Gabriël, “de Heer is met u, gij zijt de gezegende onder de vrouwen”.  Zij was dus wel de vaste belofte van de komende Zaligmaker, en daarom is de Mei wel krachtens een bijzondere titel haar maand.

(Vertaling in het Nederlands: prof. dr. Aurelius Pompe o.f.m.)