Ne irascaris Domine, ne ultra memineris
iniquitatis: ecce civitas Sancti facta est
deserta, Sion deserta facta est: Ierusalem desolata est: domus sanctificationis tuae et
gloriae tuae, ubi laudaverunt te patres nostri.
Rorate caeli desuper, et
nubes pluant iustum.
Peccavimus, et facti sumus tamquam immundus nos, et cecidimus quasi folium universi; et iniquitates nostrae quasi ventus
abstulerunt nos: abscondisti faciem tuam a nobis, et allisisti nos in manu iniquitatis
nostrae.
Rorate caeli desuper, et
nubes pluant iustum.
Vide, Domini, afflictionem populi tui, et mitte quem missurus es, emitte Agnum dominatorem terrae, de Petra deserti montem filiae Sion:
ut auferat ipse iugum captivatis
nostrae.
Rorate caeli desuper, et
nubes pluant iustum.
Consolamini, consolamini, popule meus: cito
veniet salus tua: quare moerore consumeris, quia
innovavit te dolor? Salvabo te, noli timere: ego enim
sum Dominus Deus, tuus, Sanctus Israel, Redemptor
tuus.
Rorate caeli desuper, et
nubes pluant iustum.
Aankondiging van de Advent
Dauwt, hemelen, van boven,
gij, wolken, regent de Rechtvaardige.
Wees niet langer vertoornd, o Heer,
gedenk
niet langer onze ongerechtigheid.
Zie,
de stad van de Heilige is verlaten geworden,
Sion
is verlaten geworden;
Jerusalem ontvolkt,
het
huis van uw heiliging en uw heerlijkheid,
waar onze vaderen U lofliederen zongen.
We hebben gezondigd en zijn als een onreine
geworden
en allen
zijn wij als bladeren afgevallen,
en
onze zonden hebben ons als de wind weggeblazen.
U
hebt uw aangezicht verborgen voor ons
en
ons verpletterd door de zwaarte van onze schuld.
Zie, Heer, de ellende van uw volk,
en
zend Hem die Gij ons zenden zult;
Zend
het Lam, de Beheerser van de aarde,
van
de rots in de woestijn naar Sion’s dochter,
opdat Hij het juk van onze gevangenschap wegneme.
Troost u, troost u, mijn volk;
weldra zal uw heil komen.
Waarom wordt gij door rouw verteerd,
Omdat de droefheid u opnieuw heeft
aangegrepen?
Ik zal u redden, vrees niet;
Want Ik ben de Heer, uw God, de Heilige van
Israel, uw Verlosser.
Ook de kloosterhond neemt ook dit jaar deel aan de retraite! We hebben geprobeerd uit te leggen dat de retraite in stilte is maar zijn niet geheel zeker of ze het heeft begrepen en aanvaard. Verleden jaar bleek dat niet het geval, maar ook hier geldt vallen en opstaan ... misschien.
Onze levens zijn sterk op elkaar betrokken, zijn door ontelbare interacties met elkaar verbonden. Niemand leeft alleen. Niemand zondigt alleen. Niemand wordt alleen gered. In mijn leven komt steeds het leven van anderen binnen: in wat ik denk, zeg, doe en bereik. En omgekeerd komt mijn leven binnen in dat van anderen: ten kwade en ten goede. Dus is mijn gebed voor de ander hem niet vreemd, niet iets uiterlijks, ook na de dood niet. In de vervlechting van het bestaan kan mijn dank aan hem, mijn gebed voor hem, een stukje van zijn zuivering vormen. En daarbij hoeven we de aardse tijd niet om te rekenen in Gods tijd: in de gemeenschap van de zielen wordt de eenvoudige wereldtijd overstegen. Het is nooit te laat en nooit vergeefs het hart van de ander te beroeren. Zo wordt een belangrijk element van het christelijke begrip ‘hoop’ nogmaals duidelijk. Onze hoop is altijd ten diepste ook hoop voor de anderen; alleen zo is ze werkelijk ook hoop voor mijzelf.[40] Als christenen moeten wij ons nooit alleen maar afvragen: Hoe kan ik mezelf redden? We moeten ons ook afvragen: hoe kan ik anderen helpen, opdat anderen gered worden en voor anderen de ster van de hoop opgaat? Dan heb ik ook het meeste gedaan voor mijn eigen redding.
Et je n'en reviens pas. Cette petite espérance qui n'a l'air de rien du tout. Cette petite fille espérance. Immortelle.
Les trois vertus mes créatures. Mes filles mes enfants. Sont elles-mêmes comme mes autres créatures. De la race des hommes. La Foi est une Épouse fidèle.
Car mes trois vertus, dit Dieu. Les trois vertus mes créatures. Mes filles mes enfants. Sont elles-mêmes comme mes autres créatures. De la race des hommes. La Foi est une Épouse fidèle. La Charité est une Mère. Une mère ardente, pleine de cœur. Ou une sœur aînée qui est comme une mère. L'Espérance est une petite fille de rien du tout. Qui est venue au monde le jour de Noël de l'année dernière. Qui joue encore avec le bonhomme Janvier. Avec ses petits sapins en bois d'Allemagne couverts de givre peint. Et avec son bœuf et son âne en bois d'Allemagne. Peints. Et avec sa crèche pleine de paille que les bêtes ne mangent pas. Puisqu'elles sont en bois. C'est cette petite fille pourtant qui traversera les mondes. Cette petite fille de rien du tout. Elle seule, portant les autres, qui traversera les mondes révolus.
[...]
Mais l'espérance ne va pas de soi.
L'espérance ne
va pas toute seule.
Pour espérer, mon enfant,
il faut être bien heureux,
il faut avoir obtenu,
reçu une grande grâce.
[...]
La petite espérance s'avance entre ses deux gran-
des sœurs et on ne prend pas seulement garde à
elle.
Sur le chemin du salut, sur le chemin charnel, sur
le chemin raboteux du salut, sur la route inter-
minable, sur la route entre ses deux sœurs la
petite espérance
S'avance.
Entre ses deux grandes sœurs.
Celle qui est mariée.
Et celle qui est mère.
Et l'on n'a d'attention, le peuple chrétien n'a d'attention que pour les deux grandes sœurs.
La première et la dernière.
Qui vont au plus pressé.
Au temps présent.
À l'instant momentané qui passe.
Le peuple chrétien ne voit que les deux grandes sœurs, n'a de regard que pour les deux grandes sœurs.
Celle qui est à droite et celle qui est à gauche.
Et il ne voit quasiment pas celle qui est au milieu.
La petite, celle qui va encore à l'école.
Et qui marche.
Perdue entre les jupes de ses sœurs.
Et il croit volontiers que ce sont les deux grandes qui traînent la petite par la main.
Au milieu.
Entre les deux.
Pour lui faire faire ce chemin raboteux du salut.
Les aveugles qui ne voient pas au contraire.
Que c'est elle au milieu qui entraîne ses grandes sœurs.
Et que sans elle elles ne seraient rien.
Que deux femmes déjà âgées.
Deux femmes d'un certain âge.
Fripées par la vie.
C'est elle, cette petite, qui entraîne tout.
Car la Foi ne voit que ce qui est.
Et elle elle voit ce qui sera.
La Charité n'aime que ce qui est.
Et elle elle aime ce qui sera.
La Foi voit ce qui est.
Dans le Temps et dans l'Éternité.
L'Espérance voit ce qui sera.
Dans le temps et dans l'éternité.
Pour ainsi dire le futur de l'éternité même.
La Charité aime ce qui est.
Dans le Temps et dans l'Éternité.
Dieu et le prochain.
Comme la Foi voit.
Dieu et la création.
Mais l'Espérance aime ce qui sera.
Dans le temps et dans l'éternité.
Pour ainsi dire dans le futur de l'éternité.
L'Espérance voit ce qui n'est pas encore et qui sera.
Elle aime ce qui n'est pas encore et qui sera
Dans le futur du temps et de l'éternité.
Sur le chemin montant, sablonneux, malaisé.
Sur la route montante.
Traînée, pendue aux bras de ses deux grandes sœurs,
Qui la tiennent pas la main,
La petite espérance.
S'avance.
Et au milieu entre ses deux grandes sœurs elle a l'air de se laisser traîner.
Comme une enfant qui n'aurait pas la force de marcher.
Et qu'on traînerait sur cette route malgré elle.
Et en réalité c'est elle qui fait marcher les deux autres.
Et qui les traîne.
Et qui fait marcher tout le monde.
Et qui le traîne.
Car on ne travaille jamais que pour les enfants.
Et les deux grandes ne marchent que pour la petite.
Charles Péguy, Le Porche du mystère de la deuxième vertu, 1912
Korte lezing van vanmiddag - Tweede Vespers 29e zondag door het jaar
3Gezegend is God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader vol ontferming en de God van alle vertroosting.4Hij troost ons in al onze tegenspoed, zodat wij in staat zijn anderen te troosten in al hun noden, dankzij de troost die wij van God ontvangen.5Want wij delen volop in het lijden van Christus; maar door Christus gewordt ons ook overvloedige vertroosting.
Tweede brief van sint Paulus aan Korintiërs, 1, 3-5
Benedictus Deus et Pater Domini nostri Iesu Christi, Pater misericordiarum et Deus totius consolationis,4qui consolatur nos in omni 5quoniam, sicut abundant passiones Christi in nobis, ita per Christum abundat et consolatio nostra.
Bemoediging en troost - dat is dit jaar het thema van onze retraite.
Wij leven in een tijd die schreeuwt om bemoediging en troost in een wereld die nog meer dan anders op stelten staat, waarop we geen greep hebben en waarin we van dag tot dag moeten zien te overleven ... in het licht van Christus.
Onze gedachten gaan daarbij U naar de zieken die de gevolgen ondervinden van de coronapandemie, maar ook naar allen die de financiële gevolgen ondervinden en naar degenen die werkzaam zijn in de zorg. Ook bidden we om wijsheid voor onze beleidsbepalers en we hopen dat zich openstellen voor de leiding van de H. Geest.
De gebedsintenties van de Kerkberg Gebedsgroep zijn een spiegel van de noden die onder de mensen van nu leven - en daar bidden we ook tijdens de retraite voor, nog meer dan anders omdat een aantal taken even op een lager pitje gaan en we ook geen recreatie hebben.
Hoe onze inleider die thema zal gaan invullen weten we niet. Onze eerste gedachte bij het thema was Jesaja 40,1: CONSOLAMINI POPULE MEUS - Troost U mij, troost U mijn volk. We zingen de tekst ieder jaar in de Advent bij het Rorate waarvan ook de overige inhoud een schreeeuwende bede is om te worden getroost en verlost. Volledige muziek en tekst met vertaling
Ook dit jaar zullen we vanaf zondag retraitesnippers plaatsen zo kan wie wil een beetje met ons meeleven en meebidden. We zijn iedere keer weer verrast, als we horen dat mensen op die manier met ons willen meeleven - en we voelen ons ook voor hen binnen onze mogelijkheden verantwoordelijk.
Hebt U juist in deze tijd behoefte aan bemoediging en troost, omdat U alleen bent of zich allen voelt, of bang bent voor wat er nog komt of kan komen, mail ons dan op contact@kerkberg.nl of spreek in op de voicemail van 06 58 77 07 45. Wij bellen U dan als regel tussen 19u en 20u. ook tijdens de retraite!
We zijn blij dat U dat steeds toenemend waardeert en stellen het zeer op prijs als ook U door een donatie bijdraagt aan het voortbestaan van ons klooster en onze on line-presentie.