Posts tonen met het label hebdomada II Paschae. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hebdomada II Paschae. Alle posts tonen

zondag 27 april 2025

Mgr. Robert Barron SUNDAY OF DIVINE MERCY

Friends, our magnificent Gospel today declares that there is no greater manifestation of the divine mercy than the forgiveness of sins. We are in the upper room with the disciples, those who had denied, betrayed, and abandoned their master. Jesus came and stood in their midst. When they saw him, their fear must have intensified; undoubtedly, he was back for revenge.

Instead, he spoke the simple word "Shalom," peace. JOHN 20:19-31He showed them his hands and his side, lest they forget what the world (and they) did to him, but he does not follow up with blame or retribution—only a word of mercy.

And then the extraordinary commission: "Receive the Holy Spirit. Whose sins you forgive are forgiven them, and whose sins you retain are retained." Jesus’ mercy is communicated to his disciples, who in turn are sent to communicate it to the world.

This is the foundation for the sacrament of Penance, which has existed in the Church from that moment to the present day as the privileged vehicle of the divine mercy.

zaterdag 26 april 2025

Lezingen H. Mis 2e zondag van Pasen, jaar C Beloken Pasen – Zondag van de Goddelijke Barmhartigheid

Eerste lezing (Hand. 5,12-16)
Uit de Handelingen der Apostelen.
Door de handen van de apostelen
geschiedden er vele wondertekenen onder het volk.
Allen waren eensgezind
en kwamen tezamen in de Zuilengang van Salomo.
Van de overigen durfde niemand zich bij hen te voegen,
hoezeer het volk hen ook prees.
Steeds meer geloofden er in de Heer;
mannen zowel als vrouwen
sloten zich in grote groepen bij hen aan.
Men bracht zelfs de zieken op straat;
ze werden neergelegd, de een op een bed,
de ander op een draagbaar,
in de hoop dat als Petrus voorbijging
tenminste zijn schaduw op één van hen zou vallen.
Zelfs uit de steden rondom Jeruzalem stroomden de mensen toe.
Zij brachten zieken mee
en mensen die van onreine geesten te lijden hadden,
en allen werden genezen.

Tweede lezing (Apok. 1, 9-11a.12-13.17-19)
Uit de Openbaring van de heilige apostel Johannes.
Ik, Johannes,
uw broeder en uw deelgenoot in de verdrukking
en in het Koninkrijk en de verwachting van Jezus,
ik bevond mij op het eiland Patmos
omwille van het woord Gods en het getuigenis over Jezus.
Ik raakte in geestvervoering op de dag des Heren
en hoorde achter mij een stem, luid als een trompet, die riep:
“Schrijf op in een boek wat gij ziet,
en stuur het aan de zeven kerken”.
Ik keerde mij om om te zien wie mij had aangesproken.
En toen ik mij omkeerde zag ik zeven gouden luchters,
en tussen die luchters iemand als een Mensenzoon,
gekleed in een gewaad dat tot de voeten reikte,
het middel omgord met een gouden gordel.
Toen ik Hem zag, viel ik als dood voor zijn voeten.
Maar Hij legde zijn rechterhand op mij en sprak:
“Vrees niet.
Ik ben het,
de Eerste en de Laatste,
de Levende.
Ik was dood, en zie
Ik leef in de eeuwen der eeuwen.
En Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk.
Schrijf dan op wat gij gezien hebt,
én wat nu is én wat hierna geschieden zal.

Evangelie (Joh. 20,19-31)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
Op de avond van de eerste dag van de week,
toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen
gesloten waren uit vrees voor de Joden,
kwam Jezus binnen,
ging in hun midden staan en zei:
“Vrede zij u.”
Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde.
De leerlingen
waren vervuld van vreugde toen zij de Heer zagen.
Nogmaals zei Jezus tot hen:
“Vrede zij u.
Zoals de Vader Mij gezonden heeft,
zo zend Ik u.”
Na deze woorden blies Hij over hen en zei:
“Ontvangt de heilige Geest.
Als gij iemand zonden vergeeft,
dan zijn ze vergeven,
en als gij ze niet vergeeft,
zijn ze niet vergeven.”
Tomas, een van de twaalf, ook Didymus genaamd,
was echter niet bij hen toen Jezus kwam.
De andere leerlingen vertelden hem:
“Wij hebben de Heer gezien.”
Maar hij antwoordde:
“Zolang ik in zijn handen niet het teken van de nagelen zie,
en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken,
en mijn hand in zijn zijde leggen,
zal ik zeker niet geloven.”
Acht dagen later waren zijn leerlingen weer in het huis bijeen,
en nu was Tomas er bij.
Hoewel de deuren gesloten waren kwam Jezus binnen,
ging in hun midden staan en zei:
“Vrede zij u.”
Vervolgens zei Hij tot Tomas:
“Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen.
Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde
en wees niet langer ongelovig maar gelovig.”
Toen riep Tomas uit:
“Mijn Heer en mijn God!”
Toen zei Jezus tot hem:
” Omdat gij Mij gezien hebt gelooft ge?
Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.”
In het bijzijn van zijn leerlingen
heeft Jezus nog vele andere tekenen gedaan
welke niet in dit boek zijn opgetekend
maar deze hier zijn opgetekend opdat gij moogt geloven
dat Jezus de Christus is,
de Zoon van God,
en opdat gij door te geloven
leven moogt in zijn Naam.

vrijdag 29 april 2022

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada II Temporis Paschalis Sabbato


Lectio altera

Ex Constitutióne Sacrosánctum Concílium Concílii Vaticáni secúndi de sacra Liturgía
(Nn. 5-6)
  Tweede lezing

Uit de Constitutie ‘Sacrosanctum Concilium’ van het Tweede Vaticaans Concilie over de Heilige Liturgie
(Nrs. 5-6)

Het plan van de Verlossing

God die wil, dat alle mensen gered worden en tot de kennis der waarheid komen heeft, eertijds vele malen en op velerlei wijzen tot onze vaderen gesproken door de profeten. Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, Zijn Zoon gezonden, het vleesgeworden Woord, gezalfd met de heilige Geest, om aan armen de blije boodschap te brengen, om te genezen wier hart gebroken was,  als geneesheer van lichaam en ziel, als Middelaar tussen God en de mensen.
Want Zijn mensheid was, in de eenheid van de persoon van het Woord, het instrument van ons heil. Daarom is in Christus de volmaakte voltooiing van onze verzoening gekomen en de volheid van de goddelijke eredienst ons geschonken.

Dit werk nu van de verlossing der mensen en van Gods volmaakte verheerlijking, dat zijn voorspel had in Gods wonderbare daden aan het volk van het Oude Testament, heeft Christus de Heer volbracht, vooral door het paasgeheim van Zijn zalig lijden, van Zijn verrijzenis en van Zijn glorievolle Hemelvaart. Hierdoor heeft Hij door te sterven onze dood vernietigd, en door te verrijzen ons leven hersteld. Want uit de zijde van de gestorven Christus, hangend aan het kruis, is het wondervolle geheim van de gehele Kerk voortgekomen.

Zoals daarom Christus door de Vader is gezonden, zo heeft ook Hij de apostelen, vervuld van de Heilige Geest, gezonden, niet slechts om door de prediking van het evangelie aan heel de schepping te verkondigen, dat de Zoon Gods door Zijn dood en verrijzenis ons bevrijd heeft van de macht van de satan  en van de dood, en ons heeft overgebracht naar het koninkrijk van de Vader, maar ook om het heilswerk, dat zij verkondigden, door het offer en de sacramenten, waarom zich heel het liturgisch leven beweegt, te voltrekken.

Zo worden de mensen door het Doopsel ingevoegd in het paasmysterie van Christus: met Hem gestorven, met Hem begraven, met Hem opgewekt; zij ontvangen de Geest van kindschap, die ons doet uitroepen: Abba, Vader, en worden zo de ware aanbidders, die de Vader zoekt.
Zo ook verkondigen zij, telkens als zij eten van de maaltijd des Heren, Zijn dood, totdat Hij wederkomt.  Daarom werden op de dag van het pinksterfeest, waarop de Kerk zich aan de wereld openbaarde, zij, die het woord" van Petrus aannamen, gedoopt en zij legden zich ernstig toe op de leer van de apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in het breken van het brood en het gebed& loofden God en stonden bij het hele volk in de gunst.

Sindsdien is de Kerk altijd blijven samenkomen om het paasmysterie te vieren, door de lezing van wat in al de Schriften op Hem betrekking had, door het vieren van de Eucharistie, waarin de overwinning en de triomf van Zijn dood tegenwoordig worden gesteld en tevens door dank te brengen aan God voor Zijn onuitsprekelijke gave in Christus Jezus, tot lof van Zijn heerlijkheid.

woensdag 27 april 2022

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada II Paschæ feria IV Christus vivens in sua Ecclesia Christus levend in Zijn Kerk


Ad Officium lectionis



Lectio altera

Ex Sermónibus sancti Leónis Magni papæ
 (Sermo 12, De Passione, 3. 6-7: PL 54, 355-357)

Tweede lezing

Uit de preken van de heilige paus Leo de Grote
(Sermo 12, De Passione, 3. 6-7: PL 54, 355-357)

Christus levend in zijn Kerk

Er is geen twijfel aan, zeer geliefden, dat de menselijke natuur door de Zoon Gods in zulk een vereniging met Hem is opgenomen, dat niet alleen in die Mens, die de eerstgeborene is van heel de schepping, maar ook in al zijn heiligen de ene en dezelfde Christus aanwezig is. Zoals het hoofd niet van de leden gescheiden kan worden, zo kunnen dat ook niet de leden van het hoofd.

Want hoewel Christus niet van dit leven is, maar van het eeuwige, zodat God alles in allen is, toch is Hij de ene onverdeelde bewoner van zijn tempel, de Kerk, volgens zijn eigen belofte: Zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld.

Alles dus, wat de Zoon Gods tot verzoening van de wereld heeft gedaan en geleerd, kennen wij niet alleen uit de geschiedenis van het verleden, maar beleven we ook door de kracht van de werken in onze tijd.

Hij is het, die, door de Heilioge Geest uit de Moeder en Maagd geboren nu nog zijn onbesmette Kerk door dezelfde Heilige Geest vruchtbaar maakt, zodat door de geboorte bij het doopsel er een ontelbaar aantal kinderen Gods wordt voortgebracht, van wie gezegd wordt: Die noch uit bloed, noch uit begeerte van het vlees noch uit de wil van een man, maar uit God geboren zijn.

Hij is het, in Wie het zaad van Abraham gezegend wordt door de aanneming van geheel de wereld; en zo wordt de patriarch de vader der volkeren, omdat zijn kinderen van de belofte uit het geloof, niet uit het vlees geboren worden.

Hij is het, die, geen enkel volk uitsluitend, van ieder volk onder de hemel en kudde maakt van heilige schapen, en dagelijks zijn belofte in vervulling doet gaan: Ik heb nog andere schapen, die niet uit deze schaapstal zijn. Ook die moet ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren, en het zal worden: één kudde, één herder.

Want hoewel Hij in het bijzonder tot de H. Petrus zegt: Weid mijn schapen, wordt toch de zorg zelf van alle herders door één Heer bestuurd, en als zij naar de rots komen, voedt hij hen met zulke welige en goed-besproeide weiden, dat ontelbare schapen, gesterkt door de weelde van zijn liefde – zoals de goede Herder zich gewaardigde zijn leven te geven voor leven te geven voor zijn schapen – zó ook dezen niet aarzelen hun leven te geven voor de Naam van hun Herder.
Hij is het, met Wie niet alleen de glorieuze kracht van de martelaren meelijdt, maar ook het geloof van allen, die herboren worden in de wedergeboorte zelf meelijdt.

Dit is het waardoor het Pascha van de Heer met ongedesemde broden van oprechtheid en waarheid wettig wordt gevierd, terwijl, als het zuurdeeg van de vroegere boosheid is weggeworpen, het nieuwe schepsel dronken wordt van de Heer zelf en met Hem gevoed wordt.

Want de deelname aan het Lichaam en Bloed van Christus bewerkt niets minder,  dan dat wij overgaan in hetgeen wij nuttigen, en dat wij bij alles zowel in de geest als in het vlees Hem dragen, in Wie wij medegestorven, medebegraven en medeverrezen zijn.




dinsdag 26 april 2022

Liturgy of the Hours Tuesday of the 2nd week of Eastertide The sacrament of unity and love


Office of Readings Second Reading

The sacrament of unity and love
The spiritual building up of the body of Christ is achieved through love. As Saint Peter says: Like living stones you are built into a spiritual house, to be a holy priesthood, offering spiritual sacrifices acceptable to God through Jesus Christ. And there can be no more effective way to pray for this spiritual growth than for the Church, itself Christ’s body, to make the offering of his body and blood in the sacramental form of bread and wine. For the cup we drink is a participation in the blood of Christ, and the bread we break is a participation in the body of Christ. Because there is one loaf, we who are many are one body, since we all share the same bread. And so we pray that, by the same grace which made the Church Christ’s body, all its members may remain firm in the unity of that body through the enduring bond of love.
  We are right to pray that this may be brought about in us through the gift of the one Spirit of the Father and the Son. The holy Trinity, the one true God, is of its nature unity, equality and love, and by one divine activity sanctifies its adopted sons. That is why Scripture says that God’s love has been poured into our hearts by the Holy Spirit he has given us. The Holy Spirit, who is the one Spirit of the Father and the Son, produces in those to whom he gives the grace of divine adoption the same effect as he produced among those whom the Acts of the Apostles describes as having received the Holy Spirit. We are told that the company of those who believed were of one heart and soul, because the one Spirit of the Father and the Son, who with the Father and the Son is one God, had created a single heart and soul in all those who believed.
  This is why Saint Paul in his exhortation to the Ephesians says that this spiritual unity in the bond of peace must be carefully preserved. I, therefore, a prisoner for the Lord, he writes, beg you to lead a life worthy of your calling, with all humility and meekness and with patience, bearing with one another in love, eager to maintain the unity of the Spirit in the bond of peace. There is one body and one Spirit.
  God makes the Church itself a sacrifice pleasing in his sight by preserving within it the love which his Holy Spirit has poured out. Thus the grace of that spiritual love is always available to us, enabling us continually to offer ourselves to God as a living sacrifice, holy and pleasing to him for ever.

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada II Temporis Paschalis feria III Sacramentum unitatis et caritatis Sacrament van eenheid en liefde.


Ad Officium lectionis


Lectio altera

E Libris sancti Fulgéntii Ruspénsis epíscopi ad Mónimum
(Lib. 2, 11-12: CCL 91, 46-48)

Tweede lezing

Uit de boeken ‘Voor Monimus’, van de H. Fulgentius van Ruspe, bisschop
(Lib. 2, 11-12: CCL 91, 46-48)

 Sacrament van eenheid en liefde

Dit geestelijk bouwwerk van het Lichaam van Christus geschiedt in de liefde (omdat namelijk volgens het woord van Sint Petrus levende stenen worden gevoegd in de bouw van de geestelijke tempel, tot een heilig priesterschap, geestelijke offers opdragend, aangenaam aan God door Jezus Christus). Dit geestelijk bouwwerk, zeg ik, wordt nooit beter benaderd dan wanneer door het Lichaam van Christus (dat is de Kerk) in het sacrament van het brood en de wijn Christus’ Vlees en Bloed zelf worden geofferd. Want de kelk, die wij drinken, is de gemeenschap met het Bloed van Christus en het brood, dat wij breken, is de gemeenschap met het Lichaam van de Heer; omdat wij velen één brood en één Lichaam zijn, en allen deel hebben aan het ene brood.

En daarom vragen wij, dat door diezelfde genade, waardoor de Kerk het Lichaam van Christus werd, ook al die leden van die liefdebond door een blijvende band in de eenheid van dit Lichaam zouden volharden.

Dit nu mogen wij vol vertrouwen vragen door de gave in ons van die Geest, die een Geest is van de Vader en van de Zoon; omdat de H. Drieëenheid eenheid in natuur, gelijkheid en liefde is die alleen de ene en ware God is, die door eensgezindheid hen heiligt, die Hij als zijn kinderen heeft aangenomen.

Daarom wordt gezegd: Omdat de liefde Gods in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest, die ons gegeven is.

De Heilige Geest, die één is met de Vader en met de Zoon, bewerkt datgene in hen, aan wie Hij de genade schenkt van de goddelijke aanneming, wat Hij ook in hen heeft bewerkt, van wie wij in de Handelingen der Apostelen lezen, dat zij dezelfde Geest hebben ontvangen. Van hen wordt gezegd: De menigte der gelovigen was één van hart en één van ziel;  Hij toch, die één Geest is van de Vader en van de Zoon en één God is met de Vader en de Zoon, had de menigte die in God geloofde tot één hart en ziel gemaakt.

Vandaar ook, dat de Apostel zegt, dat die geestelijke eenheid in de band des vredes zorgvuldig moet worden bewaard, als hij aldus de Ephesiërs vermaant: Ik, de gevangene in de Heer, ik vermaan u derhalve een leven te leiden waardig de roeping waarmee gij geroepen zijt: in alle deemoed en zachtheid, in lankmoedigheid, liefdevol elkaar verdragend. Beijvert u de eenheid des Geestes te behouden door de band van de vrede, één lichaam en één Geest.

Want terwijl God door de Heilige Geest zijn liefde in de Kerk uitstort en in haar bewaart, maakt Hij die Kerk tot een Hem aangenaam offer, zodat zij altijd die genade van de geestelijke liefde kan ontvangen, waardoor zij zich voortdurend kan aanbieden als een levende, heilige, aan God behagelijke offerande.

zaterdag 23 april 2022

What is Divine Mercy Sunday and why is it important? short movie

Lezingenofficie 2e zondag van Pasen Liturgia Horarum Beloken Pasen - Het nieuwe leven


Lezingen van het Lezingenofficie


Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli (1420-1497)

Eerste lezing

Uit de Brief van de Apostel Paulus aan de Kolossenzen 3, 1-17

Het nieuwe leven

Als u nu met Christus uit de dood bent opgewekt, streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God. Richt u op wat boven is, niet op wat op aarde is. U bent immers gestorven, en uw leven ligt met Christus verborgen in God. En wanneer Christus, uw leven, verschijnt, zult ook u, samen met Hem, in luister verschijnen.

Laat dus wat aards in u is afsterven: ontucht, zedeloosheid, hartstocht, lage begeerten en ook hebzucht – hebzucht is afgoderij –, want om deze dingen treft Gods toorn degenen die Hem ongehoorzaam zijn. Vroeger hebt u ook die weg gevolgd en zo geleefd, maar nu moet u alles wat slecht is opgeven: woede en drift, vloeken en schelden. Bedriegt elkaar niet, nu u de oude mens en zijn leefwijze afgelegd hebt en de nieuwe mens hebt aangetrokken, die steeds vernieuwd wordt naar het beeld van zijn schepper en zo tot inzicht komt. Dan is er geen sprake meer van Grieken of Joden, besnedenen of onbesnedenen, barbaren, Skythen, slaven of vrijen, maar dan is Christus alles in allen.

Omdat God u heeft uitgekozen, omdat u zijn heiligen bent en Hij u liefheeft, moet u zich kleden in innig medeleven, in goedheid, bescheidenheid, zachtmoedigheid en geduld. Verdraagt elkaar en vergeeft elkaar als iemand een ander iets te verwijten heeft; zoals de Heer u vergeven heeft, moet u elkaar vergeven. En bovenal, kleedt u in de liefde, dat is de band die u tot een volmaakte eenheid maakt. Laat in uw hart de vrede van Christus heersen, want daartoe bent u geroepen als de leden van één lichaam. Wees ook dankbaar. Laat Christus’ woorden in al hun rijkdom in u wonen; onderricht en vermaant elkaar in alle wijsheid, zingt met heel uw hart psalmen en hymnen voor God en liederen die de Geest u vol genade ingeeft. Doe alles wat u zegt of doet in de naam van de Heer Jezus, terwijl u God, de Vader, dankt door Hem.

Tweede lezing

Uit de Preken van de H. Augustinus, bisschop
(Sermo 8, in octava Paschæ I, 4: PL 46, 838. 841)

Een nieuwe schepping in Christus

De volgende preek werd gehouden door bisschop Augustinus in zijn bisschopskerk te Hippo op de octaafdag van Pasen, Beloken Pasen.  Het juiste jaar is ons niet bekend. Hij richt zich uitdrukkelijk tot de pas-gedoopten, de neofytes, die deze zondag hun witte klederen aflegden en in hun eigen kleding naar de kerk kwamen. Moederlijk worden ze door de Kerk ontvangen. Deze zal ze voeden met de spijs van de kinderen Gods, de H. Eucharistie. Heel hun leven zal een geestelijke verrijzenis moeten zijn. Als gedoopten en door de Kerk gevoede kinderen zullen zij overwinnen door het geloof. Met gepaste fierheid en vreugde spreekt de H. Augustinus hen toe in de volgende homilie.

Mijn woord richt zich tot u, pas-geboren kinderen, kleinen in Christus, nieuw kroost van de Kerk, genade van de Vader, vruchtbaarheid van de Moeder, vrome spruit, jeugdige schare, bloem van onze eer en vrucht van onze arbeid, mijn vreugde en mijn kroon, gij allen die gegrondvest zijt in de Heer.

Met apostolische woorden spreek ik u toe: Doet aan de Heer Jezus Christus, en onthoud u van vleselijke lusten, opdat ge in het leven Hem aandoet met Wie gij in het sacrament zijt bekleed. Want zij die in Christus gedoopt zijn, hebben zich met Christus bekleed. Er bestaat niet langer onderscheid tussen Jood en Griek, tussen slaaf en vrije, tussen men en vrouw; want allen zijt gij één in Christus Jezus.

Dat bewerkt de kracht van het Sacrament. Het is het sacrament van het nieuwe leven, dat in dit leven begint bij de vergiffenis van aller vroegere zonden, maar dat voltooid zal worden bij de verrijzenis van de doden. Door de Doop in Christus’ dood zijt gij met Hem begraven, opdat, zoals Christus uit de doden is verrezen, zo ook gij een nieuw leven zoudt leiden.

Zolang gij in dit sterfelijk lichaam nog verwijderd leeft van de Heer, wandelt gij nog in het geloof. Christus Jezus zelf als mens is voor u de zekere weg geworden, die naar Hem leidt, wat Hij zich verwaardigd heeft voor ons te worden. Want Hij heeft veel aangenaams weggelegd voor die Hem vrezen.

Hij zal dit openstellen en vervolmaken voor hen, die op Hem hopen, daar wij datgene, war wij nu in hoop ontvangen, ook eens in werkelijkheid zullen ontvangen.

Vandaag is het de octaafdag van uw geboorte, vandaag wordt het zegel van het geloof in u voltooid, dat bij de oude vaders door de besnijdenis in het vlees geschiedde op de achtste dag na de vleselijke geboorte. Vandaar dat de Heer zelf zich bevrijdde van de sterfelijkheid van het vlees, niet door met een ander lichaam te verrijzen maar door zijn eigen Lichaam op te wekken, dat niet meer sterven kon, en zo heeft Hij die dag als de ‘Dag des Heren’ getekend door zijn verrijzenis, die na de dag van zijn lijden de derde dag was, maar in het getal dagen na de sabbath de achtste, en tegelijk ook de eerste van de week.


Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” Beloken Pasen - Tot nieuw leven komen en het eeuwig geluk bereiken.

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven”
Tweede zondag van Pasen, Beloken Pasen of Witte Zondag

Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie

Tot nieuw leven komen en het eeuwig geluk bereiken.

I n l e i d i n g
Evenals in het Collectegebed van deze dag gaat het in de oratio Super Munera om het gelovige volk, inclusief en met name de pasgedoopten. Werden zij in het Collectegebed door het ontvangen Sacrament en het geloof gekarakteriseerd, hier als nieuw-geschapenen in hun geloofsbelijdenis en Doopsel. De belijdenis van de goddelijke Naam, zoals wij die tot op de dag van vandaag kennen, is vervat in de trinitarische doopformule en met de hiermee nauw verbonden ondervraging naar het geloof in de Drieëne God.  De oratie is zeer oud en was in de Gelasiaanse traditie voor de Paasnacht bestemd, waarin het Doopsel werd toegediend. Het Sacramentarium Gelasianum Vetus gaat uit van een Romeinse doopvorm, die nog niet de trinitarische doopformule kende. In dit  Gelasiaans formulier werd de dopeling eerst over zijn geloof in de Vader ondervraagd en na hiervan getuigd te hebben werd hij een eerste maal ondergedompeld. Zo ook belijdenis en onderdompeling na respectievelijk de ondervraging over de Zoon en de Heilige Geest. Met deze achtergrond moet derhalve rekening worden gehouden wil men de formulering ”door de belijdenis van uw Naam en door het Doopsel herboren” in het Gebed over de Gaven goed kunnen plaatsen. Maar ook als in de Paasnacht niet wordt gedoopt, hernieuwt het gelovige volk zijn geloofsbelijdenis.

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Suscipe, quæsumus, Domine, plebis tuæ (et tuorum renatorum) oblationes,
ut, confessione tui nominis et baptismate renovati,
sempiternam beatitudinem consequantur.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, wij bidden U: aanvaard de gaven van uw volk (en van hen die pas gedoopt zijn).
Mogen allen die door de belijdenis van uw Naam en door het Doopsel tot nieuw leven zijn gekomen,
het eeuwig geluk bereiken.

Werkvertaling 
Aanvaard, Heer, zo bidden wij, de offergaven van uw volk (en van uw herborenen),
opdat/zij, door de belijdenis van uw Naam en door het Doopsel [in/tot uw Naam] hernieuwd,
de eeuwige gelukzaligheid verwerven.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De brontekst van deze oratio super munera/oblata of oratio secreta gaat terug tot op het Sacramentarium Gelasianum Vetus, Vat. Reg. lat. 316, 455, - eerste helft achtste eeuw – en had daar als openingsregel: Suscipe, quæsumus, domine, et plebis tuæ et tuorum hostias renatorum, ut et…Sinds de achtste eeuw werd deze oratie in meer dan 25 codices overgeleverd en stond in deze codices genoteerd onder de volgende rubrieken: ‘de vroege Mis op de heilige Paasdag’, de Mis voor de gedoopten; feria secunda in albis (maandag onder het Paasoctaaf) en in de Nachtmis van Paaszaterdag (Zie: E. Moeller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, IX, S-V, Brepols, Turnhout 1996, p. 47,  nr. 5761b, Br 1126).
In het Missale Romanum 1962 had deze oratie als secreta haar plaats in het misformulier van  feria V infra octavam Paschæ, donderdag onder het paasoctaaf (MR 1126).

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1. Suscipe, quæsumus, Domine, plebis tuæ (et tuorum renatorum) oblationes,
2a. ut,  3. confessione tui nominis et baptismate renovati,
2b. sempiternam beatitudinem consequantur.

Het Gebed over de gaven bestaat uit één enkele zin, opgebouwd uit een hoofdzin (r. 1), gevolgd door een finale/doelaangevende resp. consecutieve/gevolgaanduidende bijzin: “ut […] sempiternam beatitudinem consequantur” (r. 2a-2b),  onderbroken door een nadere kwalitatieve bijzin “confessionis tui nominis et baptismate renovati” (r. 3) .

Ad 1
Suscipe, neem aan, aanvaard, ontvang: prædicaat in de imperativusvorm, verzacht door de losse werkwoordsvorm quæsumus in een tussenzin. De imperativusvorm ‘suscipe’ komt regelmatig in de Gebeden over de gaven voor; uiteraard, want het vraagt God de offergaven van de Kerk, het offer, de aanbidding of gebeden te ontvangen of te aanvaarden. In twee super munera op de gewone zondagen door het jaar (XVII en XXVII) zien we – zoals in de oratie van vandaag -  ‘suscipe’ aan de spits van de oratie gevolgd door het milderende ‘quæsumus’. Eveneens op de weekdagen van het Tijdeigen in de Advent op maandag en donderdag van Week II en II, in de Veertigdagentijd op zaterdag na Aswoensdag, op woensdag van Week III en van de Goede Week, in de Paastijd op maandag en donderdag onder het octaaf en in het Eigen der heiligen op 9 november, Kerkwijding St. Jan van Lateranen.

Domine, [o], Heer – anaklese in de vocativusvorm.
Plebis tuæ (et tuorum renatorum) oblationes, de offergaven van uw volk (en van uw herborenen) – object van het prædicaat suscipe, samengesteld uit de accusativusvorm oblationes (meervoud van oblatio, -onis, offer (gave),vergezeld van de congruerende genitivusvormen plebis tuæ en gelijkgesteld (et tuorum renatorum), welke de oblationes nader toelichten: genitivus explicativus “van uw volk” (enkelvoud) en tuorum renatorum (meervoud). Beide genitivusparen vormen een chiasme (kruisstelling) en het laatste paar vertoont uit oorzaak van de congruentieregel eind -, resp. klankrijm.

Ad 2a-2b
ut, […] sempiternam beatitudinem consequantur.
Finale/consecutieve bijzin ingeleid door het voegwoord ut, opdat/zodat, met het prædicaat consequantur in de coniunctivusvorm, 3e persoon meervoud van het præsens van het deponens consequor, consecutus sum, vanwege de wens, de bede die wordt uitgedrukt (coniunctivus optativus). De derde persoon meervoud is terug te voeren op het substantivum ‘plebs’ (r.1.) en de ‘tui renati’, maar vermoedelijk ook op plebs alleen, wanneer het wordt aangemerkt als een plurale tantum (een woord dat de vormkenmerken van een meervoud heeft, maar geen overeenkomstig enkelvoud heeft), vgl. nuptiæ, -arum huwelijk, en in het Nederlands bijvoorbeeld hersenen.

Ad 3
Confessione tui nominis et baptismate renovati
Deze bijzin beschrijft de gelovigen die als het ware vernieuwd zijn, hetzij als pasgedoopte hetzij als gelovige die hun doopbeloften hebben hernieuwd.
Renovati, hernieuwd, herboren, 1e persoon meervoud  van het participium perfecti passivi dat zijn antecedent vindt in het meervoud plebs en tui renati van regel 1.
Confessione tui nominis et baptismate, bijwoordelijke bepaling, samengesteld door de ablativusvormen confessione en baptismate met twee congruerende genitivusvormen er tussen: tui nominis: genitivus explicativus. De genitivusvormen, verbonden met confessio, kan ook verbonden worden met baptismate, zijnde het Doopsel “in uw Naam” of “tot uw Naam”.
Kernachtig vat Prefatie II van Pasen het samen: Aan Hem danken de kinderen van het licht hun geboorte tot eeuwig leven. Aan Hem danken Gods uitverkorenen hun toegang tot het rijk der hemelen. Want door zijn sterven zijn wij van de dood verlost, door zijn verrijzenis zijn ook wij ten leven opgewekt.

V o c a b u l a r i u m
Plebs, -is vr., 1. volk 2. de grote hoop, de grote menigte. Had dit begrip bij de Romeinen een negatieve connotatie: min volk, het gemene volk, gepeupel, in het christelijk Latijn is dit een van de vroegste benamingen voor het volk van God, voor de christifideles, het gehele christenvolk.
Het woord komt voor in het enkelvoud hoewel in latere christelijke bronnen van het Latijn het meervoud gebruikelijk werd. Door het gebruik van het enkelvoud wordt de eenheid van de gemeenschap van de gelovigen benadrukt. Voorbeelden: plebis tuæ dona, christiana plebs, captiva plebs, het gevangen volk: deze laatste uitdrukking is vermeld in de hymne “Ad cenam Agni providi”, de hymne van de Vespers op Pasen en op de zondagen van Pasen en verwijst naar de rechtvaardigen van het Oude Testament die in afwachting van de Verlossing door Christus als het ware gevangen werden gehouden in het voorgeborchte. Geliefd thema in de klassieke schilderkunst, voor al in de Oosterse Kerken.
We zien de grondbetekenis ook terug in het begrip ‘plebanus’, plebaan, zijnde de pastoor van de kathedraal, die in naam van de bisschop de ‘ordinarius loci’ van de kathedraal is.

Confessio, -onis. Dit substantief is afgeleid van het deponente verbum confiteri, confessus sum dat verschillende betekenissen heeft: toegeven, erkennen, bekennen, belijden, lofprijzen.
Confessio betekent bekentenis, belijdenis, biecht, gejubel, lofzang. U herinnert zich de begrippen: ‘Confessio apostolica’, apostolische geloofsbelijdenis, ‘Confessio fidei’, belijdenis van het geloof, ‘Confessiones’, de Belijdenissen van Sint Augustinus, een autobiografie, geschreven tussen 397-398, waarmee hij beoogde God zijn zonden te belijden (confiteri) én Hem te loven voor zijn weldaden en om zijn grootheid (confiteri). Belijden en loven gaan hier subliem samen. Het begrip verwijst ook, zoals boven al gezegd, naar de belijdenis in de Biecht en de schuldbelijdenis aan het begin van de Completen. In de Paaswake wordt na het Epistel (de 8e lezing) op plechtige wijze door de diaken het Alleluia aangeheven, dat door de gelovigen wordt herhaald en vervolgd met ”Confitemini Domino, quoniam bonus…” Looft de Heer want Hij is goed... (Ps 105 [106]).
Het begrip ‘confessio fidei’ kent verschillende nuances in het christelijk leven. In het NT vinden we in 2 Kor 9,13: “glorificantes Deum in obœdientia confessionis vestræ”, God verheerlijkend om uw gehoorzame belijdenis van het Evangelie; in Hebr 4,14 “habeamus ergo pontificem magnum… teneamus confessionem”, nu wij een verheven Hogepriester hebben… moeten we vasthouden aan onze belijdenis.
Ook in de oraties kennen we het begrip confessio, maar altijd vergezeld door een genitivus obiectivus: “(…) da nobis, in confessione veræ fidei æternæ gloriam Trinitatis agnoscere”, verleen ons de genade in de belijdenis van het ware geloof de heerlijkheid van de eeuwige Drieëenheid te erkennen” (Collecta, hoogfeest H. Drieëenheid); “ (…) et sempiternæ sanctæ Trinitatis eiusdem individuæ Unitatis confessio” , en de belijdenis van de eeuwige en heilige Drieëenheid en van haar ondeelbare Eenheid (Or. post Comm. SSmi Trinitatis).
In het collectegebed van de Vigiliemis van de HH. Petrus en Paulus: “quos in apostolicæ confessionis petra solidasti”, dat wij die Gij op de steenrots van de apostolische belijdenis hebt gegrondvest.
In de Secreta van de derde Mis van Allerzielen: “quibus tui nominis dedisti confessionem”, aan wie Gij het belijden van uw Naam hebt gegeven.
In de Collecta van feria V (donderdag) onder het Paasoctaaf: “qui diversitatem gentium in confessione tui nominis adunasti”, die de verscheidenheid van de volkeren in de belijdenis van uw Naam hebt samen gebracht.
En in het Gebed voor de Kerk van de reeks ‘Orationes universæ’ tijdens de Herdenkingsdienst van Jezus’Lijden en Sterven op Goede Vrijdag: “ut Ecclesia tua, toto orbe diffusa, stabili fide in confessione tui nominis perseveret”, dat uw Kerk, verspreid over heel de wereld, standhoudt in de belijdenis van uw Naam.
Er is ook een juridische component in de ontwikkeling van het begrip confessio te onderscheiden: Wie bekende / toegaf dat hij christen was had als consequentie de doodstraf, de marteldood. Deze werd beschouwd als een delen in het lijden van Christus, de passio Christi, en ook als deelgenoten in de glorie van Christus. De diverse beschrijvingen van de martelaren gerangschikt in het Martyrologium van de Kerk naar de datum van hun sterven beginnen met hun naam in de genitivusvorm. Het is een vanzelfsprekende liturgische traditie in de Kerk dat het begrip ‘passio’ of ‘memoria’ resp. ‘festum’, ‘solemnitas’ daaraan voorafgaand wordt gedacht. Hetzelfde geldt voor de opschriften van de vieringen van de Christus- en Mariafeesten, van de vieringen van de heiligen in de kerkelijke kalender. 
Voor de gemeenschappelijke teksten van de vieringen van de gelukzaligen in de hemel hanteerde de Kerk van oudsher een bepaalde rangorde: pausen, martelaren, belijder-bisschop, kerkleraren, belijder-niet bisschop, abten, maagden, heilige vrouwen, (kerkwijding), H.Maagd Maria, overledenen. Belijders (confessor, confessores) werden de mannelijke heiligen genoemd die geen martelaar zijn; in hun leven stond het belijden, het getuigen van het Evangelie centraal. Hun gedachtenissen/feesten werden met witte paramenten gevierd, die der martelaren met rode paramenten.  Het wekt daarom geen verbazing dat het begrip confessio verbonden werd met adiectiva als pretiosa (kostbaar), gloriosa (eer-, roemvol) beata (zalig, heilig) honoranda (vererenswaardig).
Er is nog een andere nuance te onderscheiden in het begrip confessio in officiële teksten, omdat de confessio wordt gezien als een steun voor de Kerk. Bijvoorbeeld: “Beatorum martyrum nos… foveat pretiosa confessio” Moge de kostbare geloofsbelijdenis van uw heilige martelaren … ons sterken (Collectegebed, HH. Protus en Hyacintus, 11 sept.).
Tenslotte verwijst het liturgische begrip confessio naar het graf van de martelaren, die hun geloof hebben beleden. Confessio heeft dan betrekking op de onderaardse grafruimte en het daarboven gebouwde confessie-altaar, zoals aangetroffen in verschillende Romeinse kerken zoals de Sint Pieter, de Sint Paulus buiten de Muren en de Sint Laurentius buiten de Muren.
Uit de kerkgeschiedenis kennen we nog de Augsburgse Confessie (Confessio Augustana): de door Melanchton opgestelde geloofsbelijdenis van de reformatorische beweging, met een verdedigende strekking, die op de rijksdag te Augsburg op 25 juni 1530 werd voorgelezen aan keizer Karel V.

Sempiternus, - a, - um, adjectief, altijddurend, bestendig, bestendig, voor altijd, voor eeuwig. De Romeinse politicus, filosoof, redenaar Cicero gaf dit adiectief mee aan het ‘ignis Vestæ’ het vuur van/voor de Romeinse godin Vesta, dat door de Vestaalse maagden altijd brandend gehouden moest worden. Vesta was de Romeinse godin van het haardvuur, van de huiselijke haard en (vandaar afgeleid) ook van de eendracht en de veiligheid in de staat. Haar tempel stond op het Forum Romanum. in Rome. Dit Vestaalse vuur mocht nooit doven, want dat zou catastrofale gevolgen hebben voor de staat.
In de liturgische taal is sempiternus een van de attributen van Deus: God is eeuwig en overstijgt alle tijd en ruimte. Met de nevenvorm æternus of de eigenschap ‘omnipotens’ heeft  deze kwalificatie een brede toepassing en vergezelt in meer dan vijftig oraties het woord Deus, dikwijls aan de spits van de oratie: “Omnipotens sempiterne Deus”…/ “Aeterne Deus…” Deze twee formuleringen vinden we ook in de Prefatieteksten; ze gaan terug tot de Sacramentaria vanaf het ‘Leonianum’ (tweede helft zesde eeuw).
Het begrip sempiternus is samengesteld uit semper, altijd  (adverbium) en æternus (adiectivum) eeuwig, waarbij het adverbium het adiectief versterkt, een overtreffende trap van iets wat oneindig is, vgl. het Engelse ‘everlasting’.

G e t u i g e n i s  v a n  d e  V a d e r s
Cyprianus van Carthago, bisschop en martelaar:
“Als ich selbst noch in der Finsternis und in dunkler Nacht schmachtete und auf den Wogen der sturmbewegten Welt schwankend und unsicher irrend kreuz und quer umhertrieb, ohne meinen Lebenweg zu kennen, ohne die Wahrheit und das Licht zu ahnen, da hielt ich es bei meinem damaligen Lebenswandel für höchst schwierig, und unwahrscheinlich, was die göttliche Gnade mir zum Heil verhieß: daß man von neuem wiedergeborenen werden könne und daß man, durch das Bad des heilbringenden Wassers zu neuem Leben beseelt, das ablege, was man früher gewesen, und trotz der Fortdauer der leiblichen Gestalt den Menschen nach Herz und Sinn umändere. Wie, sagte ich mir, ist eine so gewaltige Umwandlung möglich, daß man plötzlich und mit einem Ruck das abwirft, was entweder angeboren und infolge der unreine Beschaffenheitdes natürlichen Stoffes verhärtet ist oder was man lange geübt hat, bis es mit der Länge der Zeit festgewurzelt ist?
(…)
Auch ich war durch ziemlich viele Irrtümer in meinem früheren Leben in Banden gehalten und hätte nicht geglaubt, daß ich da von loskommen könnte. So völlig war ich den mir anhaßtenden Lastern ergeben, und, an einer Besserung verzweifelnd, hielt ich es mit meinen Übeln wie mit unbedingt zugehörigen Hausgenossen. Nachdem aber mit Hilfe des lebenspendenden Wassers des Taufe der Schmutz des früheren Jahre abgewaschen war und sich in die nun entsühnte und reine Brust von oben her das Licht ergossen hatte, nachdem ich den himmlischen Geist eingesogen hatte und durch die zweite Geburt in einen neuen Menschen umgewandelt war, da wurde mir plötzlich auf ganz wunderbare Weise das Zweifelhafte zur Gewißheit, das Verschlossene lag offen, das Dunkel lichtete sich: als leicht stellte sich nun dar, was früher schwierig und ausführbar, was zuvor als unmöglich galt. So konnte man erkennen, daß das irdisch gewesen, was ehedem im Fleische geboren war und im Dienste der Sünde lebte, und daß Gottes Eigentum geworden war, was nunmehr der Heilige Geist belebte. Du weißt es ja und erkennst es so gut wie ich, was dieser Tod der Sünden uns genommen oder gebracht hat. Du weißt es selbst, und ich will mich nicht rühmen. Prahlerei zum eigenen Lob ruft nur Haß hervor, obwohl all das nicht Prahlerei, sondern nur Dankbarkeit sein kann, was man nicht dem Verdienst des Menschen zuschreibt, sondern als Geschenk der göttlichen Gnade preist, so daß das jetzige Nichtmehrsündigen sich als Wirkung des Glaubens eingestellt hat, die früheren Sünden aber auf menschlichen Irrtum zurüchzuführen waren,”
Aan Donatus 3-4

In zijn “brief aan Donatus” zegt hij over zijn bekering:
“Ik voelde me zo verward en ongemakkelijk over de vele fouten die ik in mijn vorige leven had gemaakt dat het me nauwelijks mogelijk leek voor mij om daar aan te ontkomen… Maar toen de smet van mijn vroegere leven afgewassen werd door het water van de geboorte (de doop) … en toen mijn wedergeboorte me tot een nieuw mens had gemaakt werd datgene wat voorheen moeilijk leek nu zeer eenvoudig.”