Posts tonen met het label Dominica II Paschae. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dominica II Paschae. Alle posts tonen
zondag 27 april 2025
Mgr. Robert Barron SUNDAY OF DIVINE MERCY
Friends, our magnificent Gospel today declares that there is no greater manifestation of the divine mercy than the forgiveness of sins. We are in the upper room with the disciples, those who had denied, betrayed, and abandoned their master. Jesus came and stood in their midst. When they saw him, their fear must have intensified; undoubtedly, he was back for revenge.
Instead, he spoke the simple word "Shalom," peace. JOHN 20:19-31He showed them his hands and his side, lest they forget what the world (and they) did to him, but he does not follow up with blame or retribution—only a word of mercy.
And then the extraordinary commission: "Receive the Holy Spirit. Whose sins you forgive are forgiven them, and whose sins you retain are retained." Jesus’ mercy is communicated to his disciples, who in turn are sent to communicate it to the world.
This is the foundation for the sacrament of Penance, which has existed in the Church from that moment to the present day as the privileged vehicle of the divine mercy.
Instead, he spoke the simple word "Shalom," peace. JOHN 20:19-31He showed them his hands and his side, lest they forget what the world (and they) did to him, but he does not follow up with blame or retribution—only a word of mercy.
And then the extraordinary commission: "Receive the Holy Spirit. Whose sins you forgive are forgiven them, and whose sins you retain are retained." Jesus’ mercy is communicated to his disciples, who in turn are sent to communicate it to the world.
This is the foundation for the sacrament of Penance, which has existed in the Church from that moment to the present day as the privileged vehicle of the divine mercy.
zaterdag 26 april 2025
Lezingen H. Mis 2e zondag van Pasen, jaar C Beloken Pasen – Zondag van de Goddelijke Barmhartigheid
Eerste lezing (Hand. 5,12-16)
Uit de Handelingen der Apostelen.
Door de handen van de apostelen
geschiedden er vele wondertekenen onder het volk.
Allen waren eensgezind
en kwamen tezamen in de Zuilengang van Salomo.
Van de overigen durfde niemand zich bij hen te voegen,
hoezeer het volk hen ook prees.
Steeds meer geloofden er in de Heer;
mannen zowel als vrouwen
sloten zich in grote groepen bij hen aan.
Men bracht zelfs de zieken op straat;
ze werden neergelegd, de een op een bed,
de ander op een draagbaar,
in de hoop dat als Petrus voorbijging
tenminste zijn schaduw op één van hen zou vallen.
Zelfs uit de steden rondom Jeruzalem stroomden de mensen toe.
Zij brachten zieken mee
en mensen die van onreine geesten te lijden hadden,
en allen werden genezen.
Tweede lezing (Apok. 1, 9-11a.12-13.17-19)
Uit de Openbaring van de heilige apostel Johannes.
Ik, Johannes,
uw broeder en uw deelgenoot in de verdrukking
en in het Koninkrijk en de verwachting van Jezus,
ik bevond mij op het eiland Patmos
omwille van het woord Gods en het getuigenis over Jezus.
Ik raakte in geestvervoering op de dag des Heren
en hoorde achter mij een stem, luid als een trompet, die riep:
“Schrijf op in een boek wat gij ziet,
en stuur het aan de zeven kerken”.
Ik keerde mij om om te zien wie mij had aangesproken.
En toen ik mij omkeerde zag ik zeven gouden luchters,
en tussen die luchters iemand als een Mensenzoon,
gekleed in een gewaad dat tot de voeten reikte,
het middel omgord met een gouden gordel.
Toen ik Hem zag, viel ik als dood voor zijn voeten.
Maar Hij legde zijn rechterhand op mij en sprak:
“Vrees niet.
Ik ben het,
de Eerste en de Laatste,
de Levende.
Ik was dood, en zie
Ik leef in de eeuwen der eeuwen.
En Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk.
Schrijf dan op wat gij gezien hebt,
én wat nu is én wat hierna geschieden zal.
Evangelie (Joh. 20,19-31)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
Op de avond van de eerste dag van de week,
toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen
gesloten waren uit vrees voor de Joden,
kwam Jezus binnen,
ging in hun midden staan en zei:
“Vrede zij u.”
Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde.
De leerlingen
waren vervuld van vreugde toen zij de Heer zagen.
Nogmaals zei Jezus tot hen:
“Vrede zij u.
Zoals de Vader Mij gezonden heeft,
zo zend Ik u.”
Na deze woorden blies Hij over hen en zei:
“Ontvangt de heilige Geest.
Als gij iemand zonden vergeeft,
dan zijn ze vergeven,
en als gij ze niet vergeeft,
zijn ze niet vergeven.”
Tomas, een van de twaalf, ook Didymus genaamd,
was echter niet bij hen toen Jezus kwam.
De andere leerlingen vertelden hem:
“Wij hebben de Heer gezien.”
Maar hij antwoordde:
“Zolang ik in zijn handen niet het teken van de nagelen zie,
en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken,
en mijn hand in zijn zijde leggen,
zal ik zeker niet geloven.”
Acht dagen later waren zijn leerlingen weer in het huis bijeen,
en nu was Tomas er bij.
Hoewel de deuren gesloten waren kwam Jezus binnen,
ging in hun midden staan en zei:
“Vrede zij u.”
Vervolgens zei Hij tot Tomas:
“Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen.
Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde
en wees niet langer ongelovig maar gelovig.”
Toen riep Tomas uit:
“Mijn Heer en mijn God!”
Toen zei Jezus tot hem:
” Omdat gij Mij gezien hebt gelooft ge?
Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.”
In het bijzijn van zijn leerlingen
heeft Jezus nog vele andere tekenen gedaan
welke niet in dit boek zijn opgetekend
maar deze hier zijn opgetekend opdat gij moogt geloven
dat Jezus de Christus is,
de Zoon van God,
en opdat gij door te geloven
leven moogt in zijn Naam.
Uit de Handelingen der Apostelen.
Door de handen van de apostelen
geschiedden er vele wondertekenen onder het volk.
Allen waren eensgezind
en kwamen tezamen in de Zuilengang van Salomo.
Van de overigen durfde niemand zich bij hen te voegen,
hoezeer het volk hen ook prees.
Steeds meer geloofden er in de Heer;
mannen zowel als vrouwen
sloten zich in grote groepen bij hen aan.
Men bracht zelfs de zieken op straat;
ze werden neergelegd, de een op een bed,
de ander op een draagbaar,
in de hoop dat als Petrus voorbijging
tenminste zijn schaduw op één van hen zou vallen.
Zelfs uit de steden rondom Jeruzalem stroomden de mensen toe.
Zij brachten zieken mee
en mensen die van onreine geesten te lijden hadden,
en allen werden genezen.
Tweede lezing (Apok. 1, 9-11a.12-13.17-19)
Uit de Openbaring van de heilige apostel Johannes.
Ik, Johannes,
uw broeder en uw deelgenoot in de verdrukking
en in het Koninkrijk en de verwachting van Jezus,
ik bevond mij op het eiland Patmos
omwille van het woord Gods en het getuigenis over Jezus.
Ik raakte in geestvervoering op de dag des Heren
en hoorde achter mij een stem, luid als een trompet, die riep:
“Schrijf op in een boek wat gij ziet,
en stuur het aan de zeven kerken”.
Ik keerde mij om om te zien wie mij had aangesproken.
En toen ik mij omkeerde zag ik zeven gouden luchters,
en tussen die luchters iemand als een Mensenzoon,
gekleed in een gewaad dat tot de voeten reikte,
het middel omgord met een gouden gordel.
Toen ik Hem zag, viel ik als dood voor zijn voeten.
Maar Hij legde zijn rechterhand op mij en sprak:
“Vrees niet.
Ik ben het,
de Eerste en de Laatste,
de Levende.
Ik was dood, en zie
Ik leef in de eeuwen der eeuwen.
En Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk.
Schrijf dan op wat gij gezien hebt,
én wat nu is én wat hierna geschieden zal.
Evangelie (Joh. 20,19-31)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
Op de avond van de eerste dag van de week,
toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen
gesloten waren uit vrees voor de Joden,
kwam Jezus binnen,
ging in hun midden staan en zei:
“Vrede zij u.”
Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde.
De leerlingen
waren vervuld van vreugde toen zij de Heer zagen.
Nogmaals zei Jezus tot hen:
“Vrede zij u.
Zoals de Vader Mij gezonden heeft,
zo zend Ik u.”
Na deze woorden blies Hij over hen en zei:
“Ontvangt de heilige Geest.
Als gij iemand zonden vergeeft,
dan zijn ze vergeven,
en als gij ze niet vergeeft,
zijn ze niet vergeven.”
Tomas, een van de twaalf, ook Didymus genaamd,
was echter niet bij hen toen Jezus kwam.
De andere leerlingen vertelden hem:
“Wij hebben de Heer gezien.”
Maar hij antwoordde:
“Zolang ik in zijn handen niet het teken van de nagelen zie,
en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken,
en mijn hand in zijn zijde leggen,
zal ik zeker niet geloven.”
Acht dagen later waren zijn leerlingen weer in het huis bijeen,
en nu was Tomas er bij.
Hoewel de deuren gesloten waren kwam Jezus binnen,
ging in hun midden staan en zei:
“Vrede zij u.”
Vervolgens zei Hij tot Tomas:
“Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen.
Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde
en wees niet langer ongelovig maar gelovig.”
Toen riep Tomas uit:
“Mijn Heer en mijn God!”
Toen zei Jezus tot hem:
” Omdat gij Mij gezien hebt gelooft ge?
Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.”
In het bijzijn van zijn leerlingen
heeft Jezus nog vele andere tekenen gedaan
welke niet in dit boek zijn opgetekend
maar deze hier zijn opgetekend opdat gij moogt geloven
dat Jezus de Christus is,
de Zoon van God,
en opdat gij door te geloven
leven moogt in zijn Naam.
zaterdag 30 april 2022
zaterdag 23 april 2022
Lezingenofficie 2e zondag van Pasen Liturgia Horarum Beloken Pasen - Het nieuwe leven
Lezingen van het Lezingenofficie
Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli
(1420-1497)
Eerste lezing
Uit de Brief van de Apostel
Paulus aan de Kolossenzen 3, 1-17
Het nieuwe leven
Als u nu met
Christus uit de dood bent opgewekt, streef dan naar wat boven is, waar Christus
zit aan de rechterhand van God. Richt u op wat boven is, niet op wat op aarde
is. U bent immers gestorven, en uw leven ligt met Christus verborgen in God. En
wanneer Christus, uw leven, verschijnt, zult ook u, samen met Hem, in luister
verschijnen.
Laat dus wat
aards in u is afsterven: ontucht, zedeloosheid, hartstocht, lage begeerten en
ook hebzucht – hebzucht is afgoderij –, want om deze dingen treft Gods toorn
degenen die Hem ongehoorzaam zijn. Vroeger hebt u ook die weg gevolgd en zo
geleefd, maar nu moet u alles wat slecht is opgeven: woede en drift, vloeken en
schelden. Bedriegt elkaar niet, nu u de oude mens en zijn leefwijze afgelegd
hebt en de nieuwe mens hebt aangetrokken, die steeds vernieuwd wordt naar het
beeld van zijn schepper en zo tot inzicht komt. Dan is er geen sprake meer van
Grieken of Joden, besnedenen of onbesnedenen, barbaren, Skythen, slaven of
vrijen, maar dan is Christus alles in allen.
Omdat God u
heeft uitgekozen, omdat u zijn heiligen bent en Hij u liefheeft, moet u zich
kleden in innig medeleven, in goedheid, bescheidenheid, zachtmoedigheid en
geduld. Verdraagt elkaar en vergeeft elkaar als iemand een ander iets te
verwijten heeft; zoals de Heer u vergeven heeft, moet u elkaar vergeven. En
bovenal, kleedt u in de liefde, dat is de band die u tot een volmaakte eenheid
maakt. Laat in uw hart de vrede van Christus heersen, want daartoe bent u
geroepen als de leden van één lichaam. Wees ook dankbaar. Laat Christus’ woorden
in al hun rijkdom in u wonen; onderricht en vermaant elkaar in alle wijsheid,
zingt met heel uw hart psalmen en hymnen voor God en liederen die de Geest u
vol genade ingeeft. Doe alles wat u zegt of doet in de naam van de Heer Jezus,
terwijl u God, de Vader, dankt door Hem.
Tweede lezing
Uit de Preken van de H.
Augustinus, bisschop
(Sermo 8, in octava Paschæ I, 4: PL 46, 838. 841)
Een nieuwe schepping in Christus
De volgende preek werd
gehouden door bisschop Augustinus in zijn bisschopskerk te Hippo op de
octaafdag van Pasen, Beloken Pasen. Het
juiste jaar is ons niet bekend. Hij richt zich uitdrukkelijk tot de
pas-gedoopten, de neofytes, die deze zondag hun witte klederen aflegden en in
hun eigen kleding naar de kerk kwamen. Moederlijk worden ze door de Kerk ontvangen.
Deze zal ze voeden met de spijs van de kinderen Gods, de H. Eucharistie. Heel
hun leven zal een geestelijke verrijzenis moeten zijn. Als gedoopten en door de
Kerk gevoede kinderen zullen zij overwinnen door het geloof. Met gepaste
fierheid en vreugde spreekt de H. Augustinus hen toe in de volgende homilie.
Mijn woord richt zich tot u,
pas-geboren kinderen, kleinen in Christus, nieuw kroost van de Kerk, genade van
de Vader, vruchtbaarheid van de Moeder, vrome spruit, jeugdige schare, bloem
van onze eer en vrucht van onze arbeid, mijn vreugde en mijn kroon, gij allen
die gegrondvest zijt in de Heer.
Met apostolische woorden
spreek ik u toe: Doet aan de Heer Jezus Christus, en onthoud u van vleselijke
lusten, opdat ge in het leven Hem aandoet met Wie gij in het sacrament zijt
bekleed. Want zij die in Christus gedoopt zijn, hebben zich met Christus
bekleed. Er bestaat niet langer onderscheid tussen Jood en Griek, tussen slaaf
en vrije, tussen men en vrouw; want allen zijt gij één in Christus Jezus.
Dat bewerkt de kracht van
het Sacrament. Het is het sacrament van het nieuwe leven, dat in dit leven
begint bij de vergiffenis van aller vroegere zonden, maar dat voltooid zal
worden bij de verrijzenis van de doden. Door de Doop in Christus’ dood zijt gij
met Hem begraven, opdat, zoals Christus uit de doden is verrezen, zo ook gij
een nieuw leven zoudt leiden.
Zolang gij in dit sterfelijk
lichaam nog verwijderd leeft van de Heer, wandelt gij nog in het geloof.
Christus Jezus zelf als mens is voor u de zekere weg geworden, die naar Hem
leidt, wat Hij zich verwaardigd heeft voor ons te worden. Want Hij heeft veel
aangenaams weggelegd voor die Hem vrezen.
Hij zal dit openstellen en
vervolmaken voor hen, die op Hem hopen, daar wij datgene, war wij nu in hoop
ontvangen, ook eens in werkelijkheid zullen ontvangen.
Vandaag is het de octaafdag
van uw geboorte, vandaag wordt het zegel van het geloof in u voltooid, dat bij
de oude vaders door de besnijdenis in het vlees geschiedde op de achtste dag na
de vleselijke geboorte. Vandaar dat de Heer zelf zich bevrijdde van de
sterfelijkheid van het vlees, niet door met een ander lichaam te verrijzen maar
door zijn eigen Lichaam op te wekken, dat niet meer sterven kon, en zo heeft
Hij die dag als de ‘Dag des Heren’ getekend door zijn verrijzenis, die na de
dag van zijn lijden de derde dag was, maar in het getal dagen na de sabbath de
achtste, en tegelijk ook de eerste van de week.
Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” Beloken Pasen - Tot nieuw leven komen en het eeuwig geluk bereiken.
Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven”
Tweede zondag van Pasen, Beloken Pasen of Witte Zondag
Christus ontvangt brood en
wijn voor de H. Eucharistie
Tot nieuw leven komen en het eeuwig geluk bereiken.
I n l e i d i n g
Evenals
in het Collectegebed van deze dag gaat het in de oratio Super Munera om het
gelovige volk, inclusief en met name de pasgedoopten. Werden zij in het
Collectegebed door het ontvangen Sacrament en het geloof gekarakteriseerd, hier
als nieuw-geschapenen in hun geloofsbelijdenis en Doopsel. De belijdenis van de
goddelijke Naam, zoals wij die tot op de dag van vandaag kennen, is vervat in
de trinitarische doopformule en met de hiermee nauw verbonden ondervraging naar
het geloof in de Drieëne God. De oratie
is zeer oud en was in de Gelasiaanse traditie voor de Paasnacht bestemd, waarin
het Doopsel werd toegediend. Het Sacramentarium Gelasianum Vetus gaat uit van
een Romeinse doopvorm, die nog niet de trinitarische doopformule kende. In dit Gelasiaans formulier werd de dopeling eerst
over zijn geloof in de Vader ondervraagd en na hiervan getuigd te hebben werd
hij een eerste maal ondergedompeld. Zo ook belijdenis en onderdompeling na respectievelijk
de ondervraging over de Zoon en de Heilige Geest. Met deze achtergrond moet
derhalve rekening worden gehouden wil men de formulering ”door de belijdenis
van uw Naam en door het Doopsel herboren” in het Gebed over de Gaven goed
kunnen plaatsen. Maar ook als in de Paasnacht niet wordt gedoopt, hernieuwt het
gelovige volk zijn geloofsbelijdenis.
T e k s t
Missale Romanum – 1970
Suscipe, quæsumus, Domine, plebis tuæ (et tuorum
renatorum) oblationes,
ut, confessione tui nominis et baptismate renovati,
sempiternam
beatitudinem consequantur.
Altaarmissaal
Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer,
wij bidden U: aanvaard de gaven van uw volk (en van hen die pas gedoopt zijn).
Mogen
allen die door de belijdenis van uw Naam en door het Doopsel tot nieuw leven
zijn gekomen,
het
eeuwig geluk bereiken.
Werkvertaling
Aanvaard,
Heer, zo bidden wij, de offergaven van uw volk (en van uw herborenen),
opdat/zij,
door de belijdenis van uw Naam en door het Doopsel [in/tot uw Naam] hernieuwd,
de eeuwige
gelukzaligheid verwerven.
L
i t u r g i s c h e a n t e c e d e n t
e n
De brontekst van deze oratio super
munera/oblata of oratio secreta gaat terug tot op het Sacramentarium Gelasianum
Vetus, Vat. Reg. lat. 316, 455, - eerste helft achtste eeuw – en had daar als
openingsregel: Suscipe, quæsumus, domine, et plebis tuæ et tuorum hostias
renatorum, ut et…Sinds de achtste eeuw werd deze oratie in meer dan 25 codices
overgeleverd en stond in deze codices genoteerd onder de volgende rubrieken: ‘de
vroege Mis op de heilige Paasdag’, de Mis voor de gedoopten; feria secunda in
albis (maandag onder het Paasoctaaf) en in de Nachtmis van Paaszaterdag (Zie: E. Moeller, J.M. Clément en
B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, IX, S-V, Brepols, Turnhout 1996, p.
47, nr. 5761b, Br 1126).
In
het Missale Romanum 1962 had deze oratie als secreta haar plaats in het
misformulier van feria V infra octavam
Paschæ, donderdag onder het paasoctaaf (MR 1126).
S t r u c t u u r a n a l y s e e n s t i j l f i g u r e n
1. Suscipe, quæsumus, Domine, plebis tuæ (et tuorum
renatorum) oblationes,
2a. ut, 3. confessione
tui nominis et baptismate renovati,
2b.
sempiternam beatitudinem consequantur.
Het
Gebed over de gaven bestaat uit één enkele zin, opgebouwd uit een hoofdzin (r.
1), gevolgd door een finale/doelaangevende resp. consecutieve/gevolgaanduidende
bijzin: “ut […] sempiternam beatitudinem consequantur” (r. 2a-2b), onderbroken door een nadere kwalitatieve
bijzin “confessionis tui nominis et baptismate renovati” (r. 3) .
Ad
1
Suscipe,
neem aan, aanvaard, ontvang: prædicaat in de imperativusvorm, verzacht door de
losse werkwoordsvorm quæsumus in een tussenzin. De imperativusvorm
‘suscipe’ komt regelmatig in de Gebeden over de gaven voor; uiteraard, want het
vraagt God de offergaven van de Kerk, het offer, de aanbidding of gebeden te
ontvangen of te aanvaarden. In twee super
munera op de gewone zondagen door het jaar (XVII en XXVII) zien we – zoals
in de oratie van vandaag - ‘suscipe’ aan
de spits van de oratie gevolgd door het milderende ‘quæsumus’. Eveneens op de
weekdagen van het Tijdeigen in de Advent op maandag en donderdag van Week II en
II, in de Veertigdagentijd op zaterdag na Aswoensdag, op woensdag van Week III
en van de Goede Week, in de Paastijd op maandag en donderdag onder het octaaf
en in het Eigen der heiligen op 9 november, Kerkwijding St. Jan van Lateranen.
Domine,
[o], Heer – anaklese in de vocativusvorm.
Plebis
tuæ (et tuorum renatorum) oblationes, de offergaven van uw volk (en van uw
herborenen) – object van het prædicaat suscipe, samengesteld uit de
accusativusvorm oblationes (meervoud van oblatio, -onis, offer (gave),vergezeld
van de congruerende genitivusvormen plebis tuæ en gelijkgesteld (et tuorum
renatorum), welke de oblationes nader toelichten: genitivus explicativus “van
uw volk” (enkelvoud) en tuorum renatorum (meervoud). Beide genitivusparen
vormen een chiasme (kruisstelling) en het laatste paar vertoont uit oorzaak van
de congruentieregel eind -, resp. klankrijm.
Ad 2a-2b
ut, […] sempiternam beatitudinem consequantur.
Finale/consecutieve
bijzin ingeleid door het voegwoord ut, opdat/zodat, met het prædicaat
consequantur in de coniunctivusvorm, 3e persoon meervoud van het
præsens van het deponens consequor, consecutus sum, vanwege de wens, de bede
die wordt uitgedrukt (coniunctivus optativus). De derde persoon meervoud is
terug te voeren op het substantivum ‘plebs’ (r.1.) en de ‘tui renati’, maar
vermoedelijk ook op plebs alleen, wanneer het wordt aangemerkt als een plurale
tantum (een woord dat de vormkenmerken van een meervoud heeft, maar geen
overeenkomstig enkelvoud heeft), vgl. nuptiæ, -arum huwelijk, en in het
Nederlands bijvoorbeeld hersenen.
Ad 3
Confessione tui nominis et baptismate renovati
Deze
bijzin beschrijft de gelovigen die als het ware vernieuwd zijn, hetzij als
pasgedoopte hetzij als gelovige die hun doopbeloften hebben hernieuwd.
Renovati,
hernieuwd, herboren, 1e persoon meervoud van het participium perfecti passivi dat zijn
antecedent vindt in het meervoud plebs en tui renati van regel 1.
Confessione
tui nominis et baptismate, bijwoordelijke bepaling, samengesteld door de
ablativusvormen confessione en baptismate met twee congruerende genitivusvormen
er tussen: tui nominis: genitivus explicativus. De genitivusvormen, verbonden
met confessio, kan ook verbonden worden met baptismate, zijnde het Doopsel “in
uw Naam” of “tot uw Naam”.
Kernachtig
vat Prefatie II van Pasen het samen: Aan
Hem danken de kinderen van het licht hun geboorte tot eeuwig leven. Aan Hem
danken Gods uitverkorenen hun toegang tot het rijk der hemelen. Want door zijn
sterven zijn wij van de dood verlost, door zijn verrijzenis zijn ook wij ten
leven opgewekt.
V o c a b u l a r i u m
Plebs,
-is vr., 1. volk 2. de grote hoop, de grote menigte. Had dit begrip bij de
Romeinen een negatieve connotatie: min volk, het gemene volk, gepeupel, in het
christelijk Latijn is dit een van de vroegste benamingen voor het volk van God,
voor de christifideles, het gehele christenvolk.
Het
woord komt voor in het enkelvoud hoewel in latere christelijke bronnen van het
Latijn het meervoud gebruikelijk werd. Door het gebruik van het enkelvoud wordt
de eenheid van de gemeenschap van de gelovigen benadrukt. Voorbeelden: plebis
tuæ dona, christiana plebs, captiva plebs, het gevangen volk: deze laatste
uitdrukking is vermeld in de hymne “Ad cenam Agni providi”, de hymne van de
Vespers op Pasen en op de zondagen van Pasen en verwijst naar de rechtvaardigen
van het Oude Testament die in afwachting van de Verlossing door Christus als
het ware gevangen werden gehouden in het voorgeborchte. Geliefd thema in de
klassieke schilderkunst, voor al in de Oosterse Kerken.
We
zien de grondbetekenis ook terug in het begrip ‘plebanus’, plebaan, zijnde de
pastoor van de kathedraal, die in naam van de bisschop de ‘ordinarius loci’ van
de kathedraal is.
Confessio,
-onis. Dit substantief is afgeleid van het deponente verbum confiteri, confessus
sum dat verschillende betekenissen heeft: toegeven, erkennen, bekennen,
belijden, lofprijzen.
Confessio
betekent bekentenis, belijdenis, biecht, gejubel, lofzang. U herinnert zich de
begrippen: ‘Confessio apostolica’, apostolische geloofsbelijdenis, ‘Confessio
fidei’, belijdenis van het geloof, ‘Confessiones’, de Belijdenissen van Sint
Augustinus, een autobiografie, geschreven tussen 397-398, waarmee hij beoogde God
zijn zonden te belijden (confiteri) én Hem te loven voor zijn weldaden en om
zijn grootheid (confiteri). Belijden en loven gaan hier subliem samen. Het
begrip verwijst ook, zoals boven al gezegd, naar de belijdenis in de Biecht en
de schuldbelijdenis aan het begin van de Completen. In de Paaswake wordt na het
Epistel (de 8e lezing) op plechtige wijze door de diaken het
Alleluia aangeheven, dat door de gelovigen wordt herhaald en vervolgd met ”Confitemini
Domino, quoniam bonus…” Looft de Heer want Hij is goed... (Ps 105 [106]).
Het
begrip ‘confessio fidei’ kent verschillende nuances in het christelijk leven.
In het NT vinden we in 2 Kor 9,13: “glorificantes Deum in obœdientia
confessionis vestræ”, God verheerlijkend om uw gehoorzame belijdenis van het
Evangelie; in Hebr 4,14 “habeamus ergo pontificem magnum… teneamus
confessionem”, nu wij een verheven Hogepriester hebben… moeten we vasthouden
aan onze belijdenis.
Ook
in de oraties kennen we het begrip confessio, maar altijd vergezeld door een genitivus
obiectivus: “(…) da nobis, in confessione veræ fidei æternæ gloriam Trinitatis
agnoscere”, verleen ons de genade in de belijdenis van het ware geloof de
heerlijkheid van de eeuwige Drieëenheid te erkennen” (Collecta, hoogfeest H.
Drieëenheid); “ (…) et sempiternæ sanctæ Trinitatis eiusdem individuæ Unitatis
confessio” , en de belijdenis van de eeuwige en heilige Drieëenheid en van haar
ondeelbare Eenheid (Or. post Comm. SSmi Trinitatis).
In
het collectegebed van de Vigiliemis van de HH. Petrus en Paulus: “quos in
apostolicæ confessionis petra solidasti”, dat wij die Gij op de steenrots van
de apostolische belijdenis hebt gegrondvest.
In
de Secreta van de derde Mis van Allerzielen: “quibus tui nominis dedisti
confessionem”, aan wie Gij het belijden van uw Naam hebt gegeven.
In
de Collecta van feria V (donderdag) onder het Paasoctaaf: “qui diversitatem
gentium in confessione tui nominis adunasti”, die de verscheidenheid van de
volkeren in de belijdenis van uw Naam hebt samen gebracht.
En
in het Gebed voor de Kerk van de reeks ‘Orationes universæ’ tijdens de Herdenkingsdienst
van Jezus’Lijden en Sterven op Goede Vrijdag: “ut Ecclesia tua, toto orbe
diffusa, stabili fide in confessione tui nominis perseveret”, dat uw Kerk,
verspreid over heel de wereld, standhoudt in de belijdenis van uw Naam.
Er
is ook een juridische component in de ontwikkeling van het begrip
confessio te onderscheiden: Wie bekende / toegaf dat hij christen was had als
consequentie de doodstraf, de marteldood. Deze werd beschouwd als een delen in
het lijden van Christus, de passio Christi, en ook als deelgenoten in de glorie
van Christus. De diverse beschrijvingen van de martelaren gerangschikt in het
Martyrologium van de Kerk naar de datum van hun sterven beginnen met hun naam
in de genitivusvorm. Het is een vanzelfsprekende liturgische traditie in de
Kerk dat het begrip ‘passio’ of ‘memoria’ resp. ‘festum’, ‘solemnitas’ daaraan
voorafgaand wordt gedacht. Hetzelfde
geldt voor de opschriften van de vieringen van de Christus- en Mariafeesten,
van de vieringen van de heiligen in de kerkelijke kalender.
Voor
de gemeenschappelijke teksten van de vieringen van de gelukzaligen in de hemel
hanteerde de Kerk van oudsher een bepaalde rangorde: pausen, martelaren,
belijder-bisschop, kerkleraren, belijder-niet bisschop, abten, maagden, heilige
vrouwen, (kerkwijding), H.Maagd Maria, overledenen. Belijders (confessor,
confessores) werden de mannelijke heiligen genoemd die geen martelaar zijn; in
hun leven stond het belijden, het getuigen van het Evangelie centraal. Hun
gedachtenissen/feesten werden met witte paramenten gevierd, die der martelaren
met rode paramenten. Het wekt daarom
geen verbazing dat het begrip confessio verbonden werd met adiectiva als pretiosa
(kostbaar), gloriosa (eer-, roemvol) beata (zalig, heilig) honoranda
(vererenswaardig).
Er
is nog een andere nuance te onderscheiden in het begrip confessio in
officiële teksten, omdat de confessio wordt gezien als een steun
voor de Kerk. Bijvoorbeeld: “Beatorum martyrum nos… foveat pretiosa confessio”
Moge de kostbare geloofsbelijdenis van uw heilige martelaren … ons sterken
(Collectegebed, HH. Protus en Hyacintus, 11 sept.).
Tenslotte
verwijst het liturgische begrip confessio naar het graf van de
martelaren, die hun geloof hebben beleden. Confessio heeft dan betrekking op de
onderaardse grafruimte en het daarboven gebouwde confessie-altaar, zoals
aangetroffen in verschillende Romeinse kerken zoals de Sint Pieter, de Sint
Paulus buiten de Muren en de Sint Laurentius buiten de Muren.
Uit
de kerkgeschiedenis kennen we nog de Augsburgse Confessie (Confessio
Augustana): de door Melanchton opgestelde geloofsbelijdenis van de
reformatorische beweging, met een verdedigende strekking, die op de rijksdag te
Augsburg op 25 juni 1530 werd voorgelezen aan keizer Karel V.
Sempiternus,
- a, - um, adjectief, altijddurend, bestendig, bestendig, voor altijd, voor
eeuwig. De Romeinse politicus, filosoof, redenaar Cicero gaf dit adiectief mee
aan het ‘ignis Vestæ’ het vuur van/voor de Romeinse godin Vesta, dat door de
Vestaalse maagden altijd brandend gehouden moest worden. Vesta was de Romeinse
godin van het haardvuur, van de huiselijke haard en (vandaar afgeleid) ook van
de eendracht en de veiligheid in de staat. Haar tempel stond op het Forum
Romanum. in Rome. Dit Vestaalse vuur mocht nooit doven, want dat zou
catastrofale gevolgen hebben voor de staat.
In
de liturgische taal is sempiternus een van de attributen van Deus: God is
eeuwig en overstijgt alle tijd en ruimte. Met de nevenvorm æternus of de
eigenschap ‘omnipotens’ heeft deze
kwalificatie een brede toepassing en vergezelt in meer dan vijftig oraties het
woord Deus, dikwijls aan de spits van de oratie: “Omnipotens sempiterne Deus”…/
“Aeterne Deus…” Deze twee formuleringen vinden we ook in de Prefatieteksten; ze
gaan terug tot de Sacramentaria vanaf het ‘Leonianum’ (tweede helft zesde
eeuw).
Het
begrip sempiternus is samengesteld uit semper, altijd (adverbium) en æternus (adiectivum) eeuwig,
waarbij het adverbium het adiectief versterkt, een overtreffende trap van iets
wat oneindig is, vgl. het Engelse ‘everlasting’.
G e t u i g e n i s
v a n d e V a d e r s
Cyprianus
van Carthago, bisschop en martelaar:
“Als
ich selbst noch in der Finsternis und in dunkler Nacht schmachtete und auf den
Wogen der sturmbewegten Welt schwankend und unsicher irrend kreuz und quer
umhertrieb, ohne meinen Lebenweg zu kennen, ohne die Wahrheit und das Licht zu
ahnen, da hielt ich es bei meinem damaligen Lebenswandel für höchst schwierig,
und unwahrscheinlich, was die göttliche Gnade mir zum Heil verhieß: daß man von
neuem wiedergeborenen werden könne und daß man, durch das Bad des
heilbringenden Wassers zu neuem Leben beseelt, das ablege, was man früher
gewesen, und trotz der Fortdauer der leiblichen Gestalt den Menschen nach Herz
und Sinn umändere. Wie, sagte ich mir, ist eine so gewaltige Umwandlung
möglich, daß man plötzlich und mit einem Ruck das abwirft, was entweder
angeboren und infolge der unreine Beschaffenheitdes natürlichen Stoffes verhärtet
ist oder was man lange geübt hat, bis es mit der Länge der Zeit festgewurzelt
ist?
(…)
Auch
ich war durch ziemlich viele Irrtümer in meinem früheren Leben in Banden
gehalten und hätte nicht geglaubt, daß ich da von loskommen könnte. So völlig
war ich den mir anhaßtenden Lastern ergeben, und, an einer Besserung
verzweifelnd, hielt ich es mit meinen Übeln wie mit unbedingt zugehörigen
Hausgenossen. Nachdem aber mit Hilfe des lebenspendenden Wassers des Taufe der
Schmutz des früheren Jahre abgewaschen war und sich in die nun entsühnte und
reine Brust von oben her das Licht ergossen hatte, nachdem ich den himmlischen
Geist eingesogen hatte und durch die zweite Geburt in einen neuen Menschen
umgewandelt war, da wurde mir plötzlich auf ganz wunderbare Weise das
Zweifelhafte zur Gewißheit, das Verschlossene lag offen, das Dunkel lichtete
sich: als leicht stellte sich nun dar, was früher schwierig und ausführbar, was
zuvor als unmöglich galt. So konnte man erkennen, daß das irdisch gewesen, was
ehedem im Fleische geboren war und im Dienste der Sünde lebte, und daß Gottes
Eigentum geworden war, was nunmehr der Heilige Geist belebte. Du weißt es ja
und erkennst es so gut wie ich, was dieser Tod der Sünden uns genommen oder
gebracht hat. Du weißt es
selbst, und ich will mich nicht rühmen. Prahlerei zum eigenen Lob ruft nur Haß
hervor, obwohl all das nicht Prahlerei, sondern nur Dankbarkeit sein kann, was
man nicht dem Verdienst des Menschen zuschreibt, sondern als Geschenk der göttlichen
Gnade preist, so daß das jetzige Nichtmehrsündigen sich als Wirkung des
Glaubens eingestellt hat, die früheren Sünden aber auf menschlichen Irrtum
zurüchzuführen waren,”
Aan Donatus 3-4
In zijn “brief aan Donatus” zegt hij over zijn bekering:
“Ik voelde me zo verward en ongemakkelijk over de vele fouten die ik in mijn vorige leven had gemaakt dat het me nauwelijks mogelijk leek voor mij om daar aan te ontkomen… Maar toen de smet van mijn vroegere leven afgewassen werd door het water van de geboorte (de doop) … en toen mijn wedergeboorte me tot een nieuw mens had gemaakt werd datgene wat voorheen moeilijk leek nu zeer eenvoudig.”
In zijn “brief aan Donatus” zegt hij over zijn bekering:
“Ik voelde me zo verward en ongemakkelijk over de vele fouten die ik in mijn vorige leven had gemaakt dat het me nauwelijks mogelijk leek voor mij om daar aan te ontkomen… Maar toen de smet van mijn vroegere leven afgewassen werd door het water van de geboorte (de doop) … en toen mijn wedergeboorte me tot een nieuw mens had gemaakt werd datgene wat voorheen moeilijk leek nu zeer eenvoudig.”
Collectegebed Tweede zondag van Pasen – Beloken Pasen "De diepe zin verstaan van het water, de Geest en het bloed"
“De
diepe zin verstaan van het water, waardoor wij zijn gereinigd, van de Geest, in
wie wij zijn herboren, en van het bloed, waardoor wij zijn verlost".
I n l e i d i n g
Sedert
oude christelijke tijden is deze zondag “Dominica in albis” genoemd of “in
albis depositis”, de zondag waarop de witte kleren door de pas gedoopten werden
afgelegd. In de 1e Petrusbrief wordt gezegd (1 Pe 2,2-3 ): “Als
pasgeboren (Quasimodo – een begrip uit een Latijnse bijbelvertaling die aan de
Vulgaat van de H. Hieronymus voorafging) kinderen (infantes) begerig naar de
geestelijke, pure melk, die u wasdom zal schenken ter zaligheid; gij hebt
immers reeds geproefd van de zoetheid van de Heer” (Ps 34,9).
Over het misformulier van vandaag ligt
iets van een geestelijke lentefrisheid, die men zich niet zuiverder en meer
puur kan voorstellen. De vreugde van de oude Kerk over het Doopsel, voor ons
mensen van later tijd onder de zeer veranderde kerkelijke verhoudingen
nauwelijks meer volledig aan te voelen, trilt en zingt in de teksten en
gezangen. Voor een laatste maal stralen de witte kleren van de nieuw gedoopten
in het schip van de kerk om daarna dit uiterlijke sieraad af te leggen. Zich in
niets van de andere christenen uitwendig meer onderscheidend worden de nieuw
gedoopten opgenomen binnen de gemeenschap van de H. Kerk.
Op
sommige plaatsen werden de afgelegde witte doopkleren bewaard in de schatkamer
van de kathedraal als een voortdurend getuigenis van de doopbeloften. De eerste
christenen hechtten er immers hoge waarde aan de onschuld van het Doopsel tot
aan de dood te bewaren.
T e k s t
Missale Romanum
1970
Deus
misericordiæ sempiternæ, qui in ipso paschalis festi recursu fidem sacratæ tibi
plebis accendis, auge gratiam quam dedisti, ut digna omnes intellegentia
comprehendant quo lavacro abluti, quo spiritu regenerati, quo sanguine sunt
redempti.
Altaarmissaal
Nederlandse Kerkprovincie
Barmhartige en eeuwige God, ieder jaar
brengt Gij in de viering van het paasfeest het geloof van uw volk tot nieuw
leven. Blijf allen uw genade schenken en laat hen de diepe zin verstaan van het
water, waardoor zij zijn gereinigd, van de Geest, in wie zij zijn herboren, en
van het bloed, waardoor zij zijn verlost.
Meer
letterlijke vertaling
God van altijddurende barmhartigheid, die
bij het [jaarlijks] terugkeren van het paasfeest het geloof van het U
toegewijde volk ontsteekt, vermeerder de genade die Gij hebt geschonken, opdat
allen met een waardig inzicht begrijpen, door welk bad zij afgewassen, door
welke Geest zij herboren en door welk bloed zij verlost zijn.
L i t u r g i s c h
e a n t e c e d e n t e n
Het
collectegebed van deze zondag vindt men niet in de Tridentijnse missaals, maar is
afkomstig uit het Missale Gothicum,
309, een Gallicaans Sacramentarium uit de omgeving van Autun: Ms.
Vatican. Regin. Lat. 317, begin 8e eeuw. Daar diende de oratie
als collectegebed voor de Mis van zaterdag onder het Paasoctaaf. Het
collectegebed komt niet voor in een ander bestaand manuscript. Bij de
herziening werd de oratie niet herschreven maar bij de herdruk van de derde editio typica van het Romeins Missaal in
2008 werd de S van spiritu voor het eerst in kapitaal gedrukt.
L i t u r g i s
c h k a d e r
Deze
zondag heeft verschillende benamingen. In de postconciliaire kalender staat hij
als “Tweede zondag van Pasen”. In het Jubeljaar 2000 riep paus Johannes-Paulus
II deze zondag uit tot Zondag van de Goddelijke Barmhartigheid. De anaklese
“God van altijddurende barmhartigheid” leende zich bijzonder goed in deze
context. De Poolse paus stierf op zaterdag 2 april 2005, de vooravond van deze
feestdag. Ook werd deze zondag wel “Thomas-zondag” genoemd (vanwege de evangelielezing over de
twijfelende Thomas), en ook zondag “Quasimodo” (naar het eerste woord van het
Introitus, voorts Dominica “in albis” en tenslotte Beloken Pasen. De laatste
term verwijst naar de sluiting van het Paasoctaaf, waarin we de mysteries die
we vierden vanuit verschillende invalshoeken hebben overwogen.
Het misformulier van “Beloken Pasen” opent
met een aansporing tot de nieuw gedoopten, die infantes werden genoemd. De infantes
droegen zoals gezegd hun witte doopkleren tijdens het octaaf dat volgde op
Pasen, een periode van acht dagen waarin zij van de bisschop speciaal
onderricht ontvingen over de heilige
mysteries (sacramenten) en over het christelijk leven.
In
de tweede lezingen van het Lezingenofficie van het Getijdengebed van afgelopen
donderdag, vrijdag en zaterdag horen we hoe in de zogenoemde mystagogische
catechesen in de H. Grafkerk van Jeruzalem die lange tijd werden toegeschreven
aan bisschop Cyrillus van Jeruzalem (313-386), de pasgedoopten worden
geïnstrueerd om de ontvangen sacramenten – de initiatiesacramenten van Doopsel,
Vormsel en Eucharistie - tot bloei te brengen in hun leven als christen. Eenvoudig
gezegd: een spirituele opvoeding van Doopsel tot het beleven van de H.
Eucharistie in overtuiging en werkelijkheid. De pasgedoopten worden helder en
direct toegesproken over het feitelijk traject dat ze hebben afgelegd waarbij
tegelijk de spirituele beleving wordt ingeprent zoals bijvoorbeeld in Catechese
20 (Mystagogica 2,4.5; PG 33, 1079 sqq): “Gij zijt naar het
heilig bad van het goddelijk Doopsel geleid, zoals Christus openlijk van het
Kruis naar het Graf werd gedragen. Eenieder van u werd ondervraagd, of hij
geloofde in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Gij hebt uw
heilzame belijdenis gedaan en werd driemaal ondergedompeld en zijt weer uit het
water opgerezen; en hier hebt gij in beeld en symbool de drie dagen van
Christus in het Graf aangeduid”. (…) “Christus is waarlijk gekruisigd, waarlijk
begraven en waarlijk verrezen; en door de genade werd ons dit alles gegeven,
opdat wij die door de uitbeelding deelachtig geworden zijn aan zijn lijden, in
waarheid het heil zouden verwerven.
O, wat een uitbundige liefde tot de
mensen! Christus heeft in zijn onbesmette handen en voeten de spijkers
ontvangen en de pijn doorstaan: en aan mij, onervaren in smart en lasten,
schenkt Hij door de deelname aan zijn smarten het heil”.
De liturgie laat in het Getijdengebed van
vandaag - Dominica in octava Pachæs -
de H. Augustinus van Hippo (+430) aan het woord, die, altijd bekommerd over de cura animarum, de zorg voor het
zielenheil van de gelovigen – overigens een wet van de Kerk – de dopelingen met
bewogen herderlijke genegenheid maar niet zonder gepaste fierheid toespreekt:
“Mijn woord richt zich tot u, pas-geboren kinderen, kleinen in Christus, nieuw
kroost van de Kerk, genade van de Vader, vruchtbaarheid van de Moeder, vrome
spruit, jeugdige schare, bloem van onze eer en vrucht van onze arbeid , mijn
vreugde en mijn kroon, gij allen die gegrondvest zijt in de Heer! Met
apostolische woorden spreek ik u toe: Bekleed
u met de Heer Jezus Christus, en onthoud u van vleselijke lusten, opdat ge
in het leven Hem aandoet met Wie gij in het sacrament zijt bekleed. Want zij,
die in Christus gedoopt zijn, hebben zich met Christus bekleed. (…) Vandaag is
het de octaafdag van uw geboorte; vandaag wordt het zegel van het geloof in u
voltooid”!
(Uit Sermo 8 in octava Paschæ 1.4; PL 46, 838. 841)
S t r u c t u u
r a n a l y s e e n s t i j l v o r m en
1. Deus
misericordiæ sempiternæ,
2. qui
in ipso paschalis festi recursu fidem sacratæ tibi plebis accendis,
3. auge
gratiam quam dedisti,
4. ut
digna omnes intellegentia comprehendant quo lavacro abluti, quo spiritu
regenerati, quo sanguine sunt redempti.
Ad 1
Anaklese waarbij de vocativusvorm Deus,
God, wordt gevolgd door de bijvoeglijke bepaling misericordiæ sempiternæ
– samengesteld uit een congruerende substantivum- en adiectivumvorm - die het
substantivum Deus nader preciseert (genitivus explicativus of qualitatis).
Ad 2
Relatieve bijzin die een jaarlijks
weerkerende heilsdaad van God vermeldt, beginnend met het reflexivum qui
waarvan Deus het antecedent is; accendis, 2e pers. præsentis activi,
gezegde in de indicativusvorm van het verbum, omdat een feitelijkheid wordt
uitgedrukt; het zinsdeel fidem sacratæ tibi plebis vormt het object van
het prædicaat en is samengesteld uit een accusativusvorm fidem die nader wordt
toegelicht door de congruerende genitivusvormen van het adiectivum sacrata en
het substantivum plebs, van elkaar gescheiden, - er is sprake van een hyperbaton
- door de bijwoordelijke bepaling tibi in de dativusvorm (dativus commodi, van
voordeel); in ipso paschalis festi recursu: bijwoordelijke bepaling van
tijd welke kan worden opgesplitst in twee congruerende ablativus- (ipso
recursu) en twee genitivusvormen (paschalis festi) gedicteerd door het
præpositum in, waarbij de genitivi ingeklemd worden binnen de ablativi en zo
wederom een hyperbaton vormen.
Ad 3
auge gratiam quam dedisti: de eigenlijke bede met het verbum in de
imperativusvorm vergezeld van het gevraagde object: gratiam tuam: twee
congruerende accusativusvormen, gevolgd door een korte relatieve bijzin met het
reflexivum quam en het verbum in de indicativusvorm vanwege de feitelijkheid:
God geeft onophoudelijk zijn genade, heeft deze gegeven en zal deze geven. De
gebruikte tijd, perfectum, geeft aan dat de genade die God eens geschonken
heeft in het verleden tot in deze tijd doorwerkt; een eenmalige daad met
gevolgen tot op de dag van vandaag.
Ad 4
ut digna omnes intellegentia comprehendant
quo lavacro abluti, quo spiritu regenerati, quo sanguine sunt redempti: finale/doelaanwijzende of
consecutieve/gevolghebbende bijzin, ingeleid door het voegwoord ut dat
de coniunctivusvorm comprehendant 3e pers. meervoud præsentis
coniunctivi oproept en omnes als subject heeft; digna intelligentia:
bijwoordelijke bepaling bij het verbum comprehendant uitgedrukt in congruerende
ablativusvormen die begrepen kunnen worden als een ablativus instrumentalis
(middel waarmee, waardoor) of een ablativus modi (bepaling van manier of wijze
waarop). Het komt het zinsdeel digna omnes intellegentia comprehendant bevat
een hyperbaton (digna…intelligentia).
De drie beknopte relatieve bijzinnen
ingeleid door quo, zonder conjuncties
(een troop, asyndeton genoemd) geven
dit gebed een krachtig effect, zoals dit ook de reeks voltooide deelwoorden abluti… regenerati… redempti met het
slechts eenmaal genoemde sunt
oproepen. Het reflexivum quo is hier tot drie maal toe een bijvoeglijk gebruikt
vragend voornaamwoord in de ablativus; door welk water zij gewassen
zijn, door welke geest zij vernieuwd zijn, door welk bloed zij
verlost zijn. Men kan in deze zin een trikolon waarnemen met een opbouwend
karakter (climax), de verlossing als hoogtepunt aan het einde.
I n h o u d
Het collectegebed van vandaag is
ongewoon overdadig want God wordt niet alleen aangesproken als de “God van
altijddurende barmhartigheid”, maar Hij wordt ook beschreven als Degene die in
de jaarlijks terugkerende Paascyclus het geloof van het Hem toegewijde volk
opnieuw aanwakkert. Deze feiten vormen het motief voor de bede die volgt:
vermeerdering van genade. De oratie noemt verder speciale effecten van de
gevraagde genade, effecten die alleen God kan bewerken: dat allen met een
waardig inzicht begrijpen, door welk bad zij afgewassen, door welke Geest zij
herboren en door welk Bloed zij verlost zijn.
“Tot nieuw leven brengt”, zegt de
Nederlandse vertaling voor “accendis” met een streven naar nuchterheid.
Misschien is gedacht aan het Evangelie van de “ongelovige Thomas”dat op deze
dag wordt gelezen. Daar ontsteekt de Verrezen Christus op indrukwekkende wijze
het geloof: “Wees niet langer ongelovig, maar gelovig (Jo 20,27) waarop Thomas antwoordde: “Mijn Heer en mijn God!”
(20,28). Het tweede deel van het collectegebed lijkt beïnvloed door de tweede
lezing van vandaag, 1 Jo 5,1-6 (Jaar B). Hier lezen we dat magnifieke woord
over het geloof: “Niemand kan de wereld overwinnen dan hij die gelooft” (5,4).
Toen de Heer in Thomas het geloof had doen opvlammen, bekende de apostel
geschokt: “Mijn Heer en mijn God!” Hier wordt deze belijdenis bevestigd: “Wie
anders overwint de wereld dan hij die gelooft dat Jezus de Zoon van God
is”.
Dat
het collectegebed met bovenstaande pericope verband houdt is overduidelijk: “Hij
is het die gekomen is met water en bloed, Jezus Christus, niet met het water
alleen, maar met het water en met het bloed. En de Geest is het die getuigt,
dat Christus de waarheid is (5,6). Het gebed vraagt dat de gelovigen deze
waarheid met de hulp van de genade met een waardig inzicht mogen begrijpen waartoe
vermeerdering van geloof nodig is.
In
de formulering zelf wordt voorts een verklaring gegeven van de doorgaans
moeilijke schriftuurplaats: het water betekent het Doopsel, de Geest is de
Heilige Geest die met het water in het Doopsel de wedergeboorte bewerkt; het
bloed is het Bloed van Christus, op het Kruis vergoten voor onze verlossing.
Bij Johannes is zeker bij dit alles aan Christus gedacht, aan zijn Doop in de
Jordaan, waarbij de Geest getuigenis aflegde en het was zijn Bloed bij de kruisdood
dat getuigde van de Liefde van God. In dit Christusmysterie deelt de christen
door het geloof in het drievoudige getuigenis: in het Doopsel afgewassen, door
de Geest opnieuw geboren en in de H. Eucharistie aan het offer deelachtig en verlost.
De
priester vraagt dat door de jaarlijkse viering van de heilige mysteries het
geloof van ons, “volleerde” christenen en dat van de neofieten
(nieuw-geborenen), samen als één volk, wordt ontstoken en dat ons diep inzicht
in de manier waarop wij zijn verlost en ons begrip over de effecten van deze
verlossing voortdurend verder mogen worden verdiept. Het gaat erom voort te
leven in de paasstemming van verlossing en verrijzenis en de vreugde die het
paasfeest ons bracht zou ons zo moeten doordringen dat ze uitgroeit tot het
bezit van de eeuwige vreugde.
Eens
in vuur en vlam gezet door de inwoning van de Heilige Geest, zouden wij God
elke dag moeten vragen om ons te ontvlammen zodat wij voor Hem zouden branden.
Wij zouden elke dag moeten bidden om vermeerdering van geloof, dat ons in staat
stelt dieper en voller te vatten, te begrijpen en te verstaan wie Gos is en wie
wij in Hem zijn geworden. De genade en het
geloof bereiden ons voor en gaan vooraf
aan een beter en voller begrip. We kunnen zelf onderzoeken zoveel als we
willen, maar geloof brengt tot voltooiing wat het verstand eerst begint te
verkennen. Het oude gezegde luidt immers: “Nisi credideritis non intellegetis… Je
zult niet begrijpen, tenzij je eerst hebt geloofd”.
De
H. Augustinus gebruikte in een andere preek tot zijn infantes de symboliek van
de lente en vergeleek de pas-gedoopten
met jonge vogels die uit hun nest probeerden te vliegen terwijl de oudervogel
(Augustinus zelf) luid tjilpend rond hen fladderde om hen te bemoedigen. Want
zij hadden op dat moment als het ware het nest van de bisschop verlaten om
zelfstandig als katholiek te leven.
Om
tegemoet te komen aan de wens van de Kerk doen degenen van ons die lang geleden
zijn gedoopt er goed aan zich te blijven herinneren dat zij hun doopkleed in
hun hart dragen; laten wij het katholieke geloof uitwendig zo beleven zoals wij
het eertijds in ons hart hebben opgenomen.
B e k n o p
t v o c a b u l a r i u m
Accendo
betekent
“iets boven aansteken zodat het neerwaarts opbrandt”, en ook “oplichten,
verlichten, een persoon of zaak aanvuren, in vuur en vlam zetten, ontsteken”.
De term herinnert aan de liturgische symboliek van het vuur tijdens de
Paaswake.
De sleutelwoorden van de ut-zin zijn
“digna…intelligentia comprehendant”. Het verbum comprehendo heeft
uitgebreide betekenissen; hier vooral: “iets samenhouden van alle kanten
bezien”. Denk aan comprehensief, allesomvattend. Het gaat hier om het in alle
opzichten grondig begrijpen met het verstand. Digna…intelligentia betekent met
passend, geschikt, toepasselijk, goed, juist, correct, behoorlijk, strikt,
precies, waardig begrip. De objecten van dit begrip worden vervolgens opgesomd.
Een lavacrum is “een bad”. In de Brief van
de H. Paulus aan Titus lezen we: “Hij heeft ons gered, niet op grond van werken
der gerechtigheid die wij verrichtten, maar louter uit barmhartigheid (misericordiam),
door het bad van de wedergeboorte (lavacrum regenerationis) ..” (Tit
3,5).
Abluo, “afwassen,
wegwassen, reinigen, zuiveren”, een term gebruikt door Cicero ( + 43 v. Chr.) wanneer hij beschrijft hoe menselijke
hartstocht door een religieuze ritus van afwassing van zonden tot kalmte komt (Tusc
4,28,60), welke term ook door de dichter en filosoof Lucretius werd gehanteerd
(+ 55) voor het verwijderen van duisternis door het binnenbrengen van licht (De
rerum natura 4,378). De Latijn sprekende vroege christenen adapteerden en
“doopten” de bestaande religieuze terminologie teneinde hun geloof dat zich
geleidelijk ontwikkelde door nieuwe theologische inzichten, uit te drukken. Abluo
werd een geschikt begrip om de effecten van het Doopsel te beschrijven.
Onder dank gedeeltelijk geput uit F. John Zuhlsdorf
WDTPRS, J.Pascher, Die Orationen des Missale Romanum Papst Paul VI. en
L.Pristas, The Collects of the Roman Missals
Abonneren op:
Posts (Atom)







