Posts tonen met het label Dominica II Paschae. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dominica II Paschae. Alle posts tonen

zondag 27 april 2025

Everything Has Changed - Bishop Barron's Sunday Sermon

Mgr. Robert Barron SUNDAY OF DIVINE MERCY

Friends, our magnificent Gospel today declares that there is no greater manifestation of the divine mercy than the forgiveness of sins. We are in the upper room with the disciples, those who had denied, betrayed, and abandoned their master. Jesus came and stood in their midst. When they saw him, their fear must have intensified; undoubtedly, he was back for revenge.

Instead, he spoke the simple word "Shalom," peace. JOHN 20:19-31He showed them his hands and his side, lest they forget what the world (and they) did to him, but he does not follow up with blame or retribution—only a word of mercy.

And then the extraordinary commission: "Receive the Holy Spirit. Whose sins you forgive are forgiven them, and whose sins you retain are retained." Jesus’ mercy is communicated to his disciples, who in turn are sent to communicate it to the world.

This is the foundation for the sacrament of Penance, which has existed in the Church from that moment to the present day as the privileged vehicle of the divine mercy.

zaterdag 26 april 2025

Lezingen H. Mis 2e zondag van Pasen, jaar C Beloken Pasen – Zondag van de Goddelijke Barmhartigheid

Eerste lezing (Hand. 5,12-16)
Uit de Handelingen der Apostelen.
Door de handen van de apostelen
geschiedden er vele wondertekenen onder het volk.
Allen waren eensgezind
en kwamen tezamen in de Zuilengang van Salomo.
Van de overigen durfde niemand zich bij hen te voegen,
hoezeer het volk hen ook prees.
Steeds meer geloofden er in de Heer;
mannen zowel als vrouwen
sloten zich in grote groepen bij hen aan.
Men bracht zelfs de zieken op straat;
ze werden neergelegd, de een op een bed,
de ander op een draagbaar,
in de hoop dat als Petrus voorbijging
tenminste zijn schaduw op één van hen zou vallen.
Zelfs uit de steden rondom Jeruzalem stroomden de mensen toe.
Zij brachten zieken mee
en mensen die van onreine geesten te lijden hadden,
en allen werden genezen.

Tweede lezing (Apok. 1, 9-11a.12-13.17-19)
Uit de Openbaring van de heilige apostel Johannes.
Ik, Johannes,
uw broeder en uw deelgenoot in de verdrukking
en in het Koninkrijk en de verwachting van Jezus,
ik bevond mij op het eiland Patmos
omwille van het woord Gods en het getuigenis over Jezus.
Ik raakte in geestvervoering op de dag des Heren
en hoorde achter mij een stem, luid als een trompet, die riep:
“Schrijf op in een boek wat gij ziet,
en stuur het aan de zeven kerken”.
Ik keerde mij om om te zien wie mij had aangesproken.
En toen ik mij omkeerde zag ik zeven gouden luchters,
en tussen die luchters iemand als een Mensenzoon,
gekleed in een gewaad dat tot de voeten reikte,
het middel omgord met een gouden gordel.
Toen ik Hem zag, viel ik als dood voor zijn voeten.
Maar Hij legde zijn rechterhand op mij en sprak:
“Vrees niet.
Ik ben het,
de Eerste en de Laatste,
de Levende.
Ik was dood, en zie
Ik leef in de eeuwen der eeuwen.
En Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk.
Schrijf dan op wat gij gezien hebt,
én wat nu is én wat hierna geschieden zal.

Evangelie (Joh. 20,19-31)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
Op de avond van de eerste dag van de week,
toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen
gesloten waren uit vrees voor de Joden,
kwam Jezus binnen,
ging in hun midden staan en zei:
“Vrede zij u.”
Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde.
De leerlingen
waren vervuld van vreugde toen zij de Heer zagen.
Nogmaals zei Jezus tot hen:
“Vrede zij u.
Zoals de Vader Mij gezonden heeft,
zo zend Ik u.”
Na deze woorden blies Hij over hen en zei:
“Ontvangt de heilige Geest.
Als gij iemand zonden vergeeft,
dan zijn ze vergeven,
en als gij ze niet vergeeft,
zijn ze niet vergeven.”
Tomas, een van de twaalf, ook Didymus genaamd,
was echter niet bij hen toen Jezus kwam.
De andere leerlingen vertelden hem:
“Wij hebben de Heer gezien.”
Maar hij antwoordde:
“Zolang ik in zijn handen niet het teken van de nagelen zie,
en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken,
en mijn hand in zijn zijde leggen,
zal ik zeker niet geloven.”
Acht dagen later waren zijn leerlingen weer in het huis bijeen,
en nu was Tomas er bij.
Hoewel de deuren gesloten waren kwam Jezus binnen,
ging in hun midden staan en zei:
“Vrede zij u.”
Vervolgens zei Hij tot Tomas:
“Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen.
Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde
en wees niet langer ongelovig maar gelovig.”
Toen riep Tomas uit:
“Mijn Heer en mijn God!”
Toen zei Jezus tot hem:
” Omdat gij Mij gezien hebt gelooft ge?
Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.”
In het bijzijn van zijn leerlingen
heeft Jezus nog vele andere tekenen gedaan
welke niet in dit boek zijn opgetekend
maar deze hier zijn opgetekend opdat gij moogt geloven
dat Jezus de Christus is,
de Zoon van God,
en opdat gij door te geloven
leven moogt in zijn Naam.

zaterdag 23 april 2022

What is Divine Mercy Sunday and why is it important? short movie

Lezingenofficie 2e zondag van Pasen Liturgia Horarum Beloken Pasen - Het nieuwe leven


Lezingen van het Lezingenofficie


Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli (1420-1497)

Eerste lezing

Uit de Brief van de Apostel Paulus aan de Kolossenzen 3, 1-17

Het nieuwe leven

Als u nu met Christus uit de dood bent opgewekt, streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God. Richt u op wat boven is, niet op wat op aarde is. U bent immers gestorven, en uw leven ligt met Christus verborgen in God. En wanneer Christus, uw leven, verschijnt, zult ook u, samen met Hem, in luister verschijnen.

Laat dus wat aards in u is afsterven: ontucht, zedeloosheid, hartstocht, lage begeerten en ook hebzucht – hebzucht is afgoderij –, want om deze dingen treft Gods toorn degenen die Hem ongehoorzaam zijn. Vroeger hebt u ook die weg gevolgd en zo geleefd, maar nu moet u alles wat slecht is opgeven: woede en drift, vloeken en schelden. Bedriegt elkaar niet, nu u de oude mens en zijn leefwijze afgelegd hebt en de nieuwe mens hebt aangetrokken, die steeds vernieuwd wordt naar het beeld van zijn schepper en zo tot inzicht komt. Dan is er geen sprake meer van Grieken of Joden, besnedenen of onbesnedenen, barbaren, Skythen, slaven of vrijen, maar dan is Christus alles in allen.

Omdat God u heeft uitgekozen, omdat u zijn heiligen bent en Hij u liefheeft, moet u zich kleden in innig medeleven, in goedheid, bescheidenheid, zachtmoedigheid en geduld. Verdraagt elkaar en vergeeft elkaar als iemand een ander iets te verwijten heeft; zoals de Heer u vergeven heeft, moet u elkaar vergeven. En bovenal, kleedt u in de liefde, dat is de band die u tot een volmaakte eenheid maakt. Laat in uw hart de vrede van Christus heersen, want daartoe bent u geroepen als de leden van één lichaam. Wees ook dankbaar. Laat Christus’ woorden in al hun rijkdom in u wonen; onderricht en vermaant elkaar in alle wijsheid, zingt met heel uw hart psalmen en hymnen voor God en liederen die de Geest u vol genade ingeeft. Doe alles wat u zegt of doet in de naam van de Heer Jezus, terwijl u God, de Vader, dankt door Hem.

Tweede lezing

Uit de Preken van de H. Augustinus, bisschop
(Sermo 8, in octava Paschæ I, 4: PL 46, 838. 841)

Een nieuwe schepping in Christus

De volgende preek werd gehouden door bisschop Augustinus in zijn bisschopskerk te Hippo op de octaafdag van Pasen, Beloken Pasen.  Het juiste jaar is ons niet bekend. Hij richt zich uitdrukkelijk tot de pas-gedoopten, de neofytes, die deze zondag hun witte klederen aflegden en in hun eigen kleding naar de kerk kwamen. Moederlijk worden ze door de Kerk ontvangen. Deze zal ze voeden met de spijs van de kinderen Gods, de H. Eucharistie. Heel hun leven zal een geestelijke verrijzenis moeten zijn. Als gedoopten en door de Kerk gevoede kinderen zullen zij overwinnen door het geloof. Met gepaste fierheid en vreugde spreekt de H. Augustinus hen toe in de volgende homilie.

Mijn woord richt zich tot u, pas-geboren kinderen, kleinen in Christus, nieuw kroost van de Kerk, genade van de Vader, vruchtbaarheid van de Moeder, vrome spruit, jeugdige schare, bloem van onze eer en vrucht van onze arbeid, mijn vreugde en mijn kroon, gij allen die gegrondvest zijt in de Heer.

Met apostolische woorden spreek ik u toe: Doet aan de Heer Jezus Christus, en onthoud u van vleselijke lusten, opdat ge in het leven Hem aandoet met Wie gij in het sacrament zijt bekleed. Want zij die in Christus gedoopt zijn, hebben zich met Christus bekleed. Er bestaat niet langer onderscheid tussen Jood en Griek, tussen slaaf en vrije, tussen men en vrouw; want allen zijt gij één in Christus Jezus.

Dat bewerkt de kracht van het Sacrament. Het is het sacrament van het nieuwe leven, dat in dit leven begint bij de vergiffenis van aller vroegere zonden, maar dat voltooid zal worden bij de verrijzenis van de doden. Door de Doop in Christus’ dood zijt gij met Hem begraven, opdat, zoals Christus uit de doden is verrezen, zo ook gij een nieuw leven zoudt leiden.

Zolang gij in dit sterfelijk lichaam nog verwijderd leeft van de Heer, wandelt gij nog in het geloof. Christus Jezus zelf als mens is voor u de zekere weg geworden, die naar Hem leidt, wat Hij zich verwaardigd heeft voor ons te worden. Want Hij heeft veel aangenaams weggelegd voor die Hem vrezen.

Hij zal dit openstellen en vervolmaken voor hen, die op Hem hopen, daar wij datgene, war wij nu in hoop ontvangen, ook eens in werkelijkheid zullen ontvangen.

Vandaag is het de octaafdag van uw geboorte, vandaag wordt het zegel van het geloof in u voltooid, dat bij de oude vaders door de besnijdenis in het vlees geschiedde op de achtste dag na de vleselijke geboorte. Vandaar dat de Heer zelf zich bevrijdde van de sterfelijkheid van het vlees, niet door met een ander lichaam te verrijzen maar door zijn eigen Lichaam op te wekken, dat niet meer sterven kon, en zo heeft Hij die dag als de ‘Dag des Heren’ getekend door zijn verrijzenis, die na de dag van zijn lijden de derde dag was, maar in het getal dagen na de sabbath de achtste, en tegelijk ook de eerste van de week.


Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” Beloken Pasen - Tot nieuw leven komen en het eeuwig geluk bereiken.

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven”
Tweede zondag van Pasen, Beloken Pasen of Witte Zondag

Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie

Tot nieuw leven komen en het eeuwig geluk bereiken.

I n l e i d i n g
Evenals in het Collectegebed van deze dag gaat het in de oratio Super Munera om het gelovige volk, inclusief en met name de pasgedoopten. Werden zij in het Collectegebed door het ontvangen Sacrament en het geloof gekarakteriseerd, hier als nieuw-geschapenen in hun geloofsbelijdenis en Doopsel. De belijdenis van de goddelijke Naam, zoals wij die tot op de dag van vandaag kennen, is vervat in de trinitarische doopformule en met de hiermee nauw verbonden ondervraging naar het geloof in de Drieëne God.  De oratie is zeer oud en was in de Gelasiaanse traditie voor de Paasnacht bestemd, waarin het Doopsel werd toegediend. Het Sacramentarium Gelasianum Vetus gaat uit van een Romeinse doopvorm, die nog niet de trinitarische doopformule kende. In dit  Gelasiaans formulier werd de dopeling eerst over zijn geloof in de Vader ondervraagd en na hiervan getuigd te hebben werd hij een eerste maal ondergedompeld. Zo ook belijdenis en onderdompeling na respectievelijk de ondervraging over de Zoon en de Heilige Geest. Met deze achtergrond moet derhalve rekening worden gehouden wil men de formulering ”door de belijdenis van uw Naam en door het Doopsel herboren” in het Gebed over de Gaven goed kunnen plaatsen. Maar ook als in de Paasnacht niet wordt gedoopt, hernieuwt het gelovige volk zijn geloofsbelijdenis.

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Suscipe, quæsumus, Domine, plebis tuæ (et tuorum renatorum) oblationes,
ut, confessione tui nominis et baptismate renovati,
sempiternam beatitudinem consequantur.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, wij bidden U: aanvaard de gaven van uw volk (en van hen die pas gedoopt zijn).
Mogen allen die door de belijdenis van uw Naam en door het Doopsel tot nieuw leven zijn gekomen,
het eeuwig geluk bereiken.

Werkvertaling 
Aanvaard, Heer, zo bidden wij, de offergaven van uw volk (en van uw herborenen),
opdat/zij, door de belijdenis van uw Naam en door het Doopsel [in/tot uw Naam] hernieuwd,
de eeuwige gelukzaligheid verwerven.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De brontekst van deze oratio super munera/oblata of oratio secreta gaat terug tot op het Sacramentarium Gelasianum Vetus, Vat. Reg. lat. 316, 455, - eerste helft achtste eeuw – en had daar als openingsregel: Suscipe, quæsumus, domine, et plebis tuæ et tuorum hostias renatorum, ut et…Sinds de achtste eeuw werd deze oratie in meer dan 25 codices overgeleverd en stond in deze codices genoteerd onder de volgende rubrieken: ‘de vroege Mis op de heilige Paasdag’, de Mis voor de gedoopten; feria secunda in albis (maandag onder het Paasoctaaf) en in de Nachtmis van Paaszaterdag (Zie: E. Moeller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, IX, S-V, Brepols, Turnhout 1996, p. 47,  nr. 5761b, Br 1126).
In het Missale Romanum 1962 had deze oratie als secreta haar plaats in het misformulier van  feria V infra octavam Paschæ, donderdag onder het paasoctaaf (MR 1126).

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1. Suscipe, quæsumus, Domine, plebis tuæ (et tuorum renatorum) oblationes,
2a. ut,  3. confessione tui nominis et baptismate renovati,
2b. sempiternam beatitudinem consequantur.

Het Gebed over de gaven bestaat uit één enkele zin, opgebouwd uit een hoofdzin (r. 1), gevolgd door een finale/doelaangevende resp. consecutieve/gevolgaanduidende bijzin: “ut […] sempiternam beatitudinem consequantur” (r. 2a-2b),  onderbroken door een nadere kwalitatieve bijzin “confessionis tui nominis et baptismate renovati” (r. 3) .

Ad 1
Suscipe, neem aan, aanvaard, ontvang: prædicaat in de imperativusvorm, verzacht door de losse werkwoordsvorm quæsumus in een tussenzin. De imperativusvorm ‘suscipe’ komt regelmatig in de Gebeden over de gaven voor; uiteraard, want het vraagt God de offergaven van de Kerk, het offer, de aanbidding of gebeden te ontvangen of te aanvaarden. In twee super munera op de gewone zondagen door het jaar (XVII en XXVII) zien we – zoals in de oratie van vandaag -  ‘suscipe’ aan de spits van de oratie gevolgd door het milderende ‘quæsumus’. Eveneens op de weekdagen van het Tijdeigen in de Advent op maandag en donderdag van Week II en II, in de Veertigdagentijd op zaterdag na Aswoensdag, op woensdag van Week III en van de Goede Week, in de Paastijd op maandag en donderdag onder het octaaf en in het Eigen der heiligen op 9 november, Kerkwijding St. Jan van Lateranen.

Domine, [o], Heer – anaklese in de vocativusvorm.
Plebis tuæ (et tuorum renatorum) oblationes, de offergaven van uw volk (en van uw herborenen) – object van het prædicaat suscipe, samengesteld uit de accusativusvorm oblationes (meervoud van oblatio, -onis, offer (gave),vergezeld van de congruerende genitivusvormen plebis tuæ en gelijkgesteld (et tuorum renatorum), welke de oblationes nader toelichten: genitivus explicativus “van uw volk” (enkelvoud) en tuorum renatorum (meervoud). Beide genitivusparen vormen een chiasme (kruisstelling) en het laatste paar vertoont uit oorzaak van de congruentieregel eind -, resp. klankrijm.

Ad 2a-2b
ut, […] sempiternam beatitudinem consequantur.
Finale/consecutieve bijzin ingeleid door het voegwoord ut, opdat/zodat, met het prædicaat consequantur in de coniunctivusvorm, 3e persoon meervoud van het præsens van het deponens consequor, consecutus sum, vanwege de wens, de bede die wordt uitgedrukt (coniunctivus optativus). De derde persoon meervoud is terug te voeren op het substantivum ‘plebs’ (r.1.) en de ‘tui renati’, maar vermoedelijk ook op plebs alleen, wanneer het wordt aangemerkt als een plurale tantum (een woord dat de vormkenmerken van een meervoud heeft, maar geen overeenkomstig enkelvoud heeft), vgl. nuptiæ, -arum huwelijk, en in het Nederlands bijvoorbeeld hersenen.

Ad 3
Confessione tui nominis et baptismate renovati
Deze bijzin beschrijft de gelovigen die als het ware vernieuwd zijn, hetzij als pasgedoopte hetzij als gelovige die hun doopbeloften hebben hernieuwd.
Renovati, hernieuwd, herboren, 1e persoon meervoud  van het participium perfecti passivi dat zijn antecedent vindt in het meervoud plebs en tui renati van regel 1.
Confessione tui nominis et baptismate, bijwoordelijke bepaling, samengesteld door de ablativusvormen confessione en baptismate met twee congruerende genitivusvormen er tussen: tui nominis: genitivus explicativus. De genitivusvormen, verbonden met confessio, kan ook verbonden worden met baptismate, zijnde het Doopsel “in uw Naam” of “tot uw Naam”.
Kernachtig vat Prefatie II van Pasen het samen: Aan Hem danken de kinderen van het licht hun geboorte tot eeuwig leven. Aan Hem danken Gods uitverkorenen hun toegang tot het rijk der hemelen. Want door zijn sterven zijn wij van de dood verlost, door zijn verrijzenis zijn ook wij ten leven opgewekt.

V o c a b u l a r i u m
Plebs, -is vr., 1. volk 2. de grote hoop, de grote menigte. Had dit begrip bij de Romeinen een negatieve connotatie: min volk, het gemene volk, gepeupel, in het christelijk Latijn is dit een van de vroegste benamingen voor het volk van God, voor de christifideles, het gehele christenvolk.
Het woord komt voor in het enkelvoud hoewel in latere christelijke bronnen van het Latijn het meervoud gebruikelijk werd. Door het gebruik van het enkelvoud wordt de eenheid van de gemeenschap van de gelovigen benadrukt. Voorbeelden: plebis tuæ dona, christiana plebs, captiva plebs, het gevangen volk: deze laatste uitdrukking is vermeld in de hymne “Ad cenam Agni providi”, de hymne van de Vespers op Pasen en op de zondagen van Pasen en verwijst naar de rechtvaardigen van het Oude Testament die in afwachting van de Verlossing door Christus als het ware gevangen werden gehouden in het voorgeborchte. Geliefd thema in de klassieke schilderkunst, voor al in de Oosterse Kerken.
We zien de grondbetekenis ook terug in het begrip ‘plebanus’, plebaan, zijnde de pastoor van de kathedraal, die in naam van de bisschop de ‘ordinarius loci’ van de kathedraal is.

Confessio, -onis. Dit substantief is afgeleid van het deponente verbum confiteri, confessus sum dat verschillende betekenissen heeft: toegeven, erkennen, bekennen, belijden, lofprijzen.
Confessio betekent bekentenis, belijdenis, biecht, gejubel, lofzang. U herinnert zich de begrippen: ‘Confessio apostolica’, apostolische geloofsbelijdenis, ‘Confessio fidei’, belijdenis van het geloof, ‘Confessiones’, de Belijdenissen van Sint Augustinus, een autobiografie, geschreven tussen 397-398, waarmee hij beoogde God zijn zonden te belijden (confiteri) én Hem te loven voor zijn weldaden en om zijn grootheid (confiteri). Belijden en loven gaan hier subliem samen. Het begrip verwijst ook, zoals boven al gezegd, naar de belijdenis in de Biecht en de schuldbelijdenis aan het begin van de Completen. In de Paaswake wordt na het Epistel (de 8e lezing) op plechtige wijze door de diaken het Alleluia aangeheven, dat door de gelovigen wordt herhaald en vervolgd met ”Confitemini Domino, quoniam bonus…” Looft de Heer want Hij is goed... (Ps 105 [106]).
Het begrip ‘confessio fidei’ kent verschillende nuances in het christelijk leven. In het NT vinden we in 2 Kor 9,13: “glorificantes Deum in obœdientia confessionis vestræ”, God verheerlijkend om uw gehoorzame belijdenis van het Evangelie; in Hebr 4,14 “habeamus ergo pontificem magnum… teneamus confessionem”, nu wij een verheven Hogepriester hebben… moeten we vasthouden aan onze belijdenis.
Ook in de oraties kennen we het begrip confessio, maar altijd vergezeld door een genitivus obiectivus: “(…) da nobis, in confessione veræ fidei æternæ gloriam Trinitatis agnoscere”, verleen ons de genade in de belijdenis van het ware geloof de heerlijkheid van de eeuwige Drieëenheid te erkennen” (Collecta, hoogfeest H. Drieëenheid); “ (…) et sempiternæ sanctæ Trinitatis eiusdem individuæ Unitatis confessio” , en de belijdenis van de eeuwige en heilige Drieëenheid en van haar ondeelbare Eenheid (Or. post Comm. SSmi Trinitatis).
In het collectegebed van de Vigiliemis van de HH. Petrus en Paulus: “quos in apostolicæ confessionis petra solidasti”, dat wij die Gij op de steenrots van de apostolische belijdenis hebt gegrondvest.
In de Secreta van de derde Mis van Allerzielen: “quibus tui nominis dedisti confessionem”, aan wie Gij het belijden van uw Naam hebt gegeven.
In de Collecta van feria V (donderdag) onder het Paasoctaaf: “qui diversitatem gentium in confessione tui nominis adunasti”, die de verscheidenheid van de volkeren in de belijdenis van uw Naam hebt samen gebracht.
En in het Gebed voor de Kerk van de reeks ‘Orationes universæ’ tijdens de Herdenkingsdienst van Jezus’Lijden en Sterven op Goede Vrijdag: “ut Ecclesia tua, toto orbe diffusa, stabili fide in confessione tui nominis perseveret”, dat uw Kerk, verspreid over heel de wereld, standhoudt in de belijdenis van uw Naam.
Er is ook een juridische component in de ontwikkeling van het begrip confessio te onderscheiden: Wie bekende / toegaf dat hij christen was had als consequentie de doodstraf, de marteldood. Deze werd beschouwd als een delen in het lijden van Christus, de passio Christi, en ook als deelgenoten in de glorie van Christus. De diverse beschrijvingen van de martelaren gerangschikt in het Martyrologium van de Kerk naar de datum van hun sterven beginnen met hun naam in de genitivusvorm. Het is een vanzelfsprekende liturgische traditie in de Kerk dat het begrip ‘passio’ of ‘memoria’ resp. ‘festum’, ‘solemnitas’ daaraan voorafgaand wordt gedacht. Hetzelfde geldt voor de opschriften van de vieringen van de Christus- en Mariafeesten, van de vieringen van de heiligen in de kerkelijke kalender. 
Voor de gemeenschappelijke teksten van de vieringen van de gelukzaligen in de hemel hanteerde de Kerk van oudsher een bepaalde rangorde: pausen, martelaren, belijder-bisschop, kerkleraren, belijder-niet bisschop, abten, maagden, heilige vrouwen, (kerkwijding), H.Maagd Maria, overledenen. Belijders (confessor, confessores) werden de mannelijke heiligen genoemd die geen martelaar zijn; in hun leven stond het belijden, het getuigen van het Evangelie centraal. Hun gedachtenissen/feesten werden met witte paramenten gevierd, die der martelaren met rode paramenten.  Het wekt daarom geen verbazing dat het begrip confessio verbonden werd met adiectiva als pretiosa (kostbaar), gloriosa (eer-, roemvol) beata (zalig, heilig) honoranda (vererenswaardig).
Er is nog een andere nuance te onderscheiden in het begrip confessio in officiële teksten, omdat de confessio wordt gezien als een steun voor de Kerk. Bijvoorbeeld: “Beatorum martyrum nos… foveat pretiosa confessio” Moge de kostbare geloofsbelijdenis van uw heilige martelaren … ons sterken (Collectegebed, HH. Protus en Hyacintus, 11 sept.).
Tenslotte verwijst het liturgische begrip confessio naar het graf van de martelaren, die hun geloof hebben beleden. Confessio heeft dan betrekking op de onderaardse grafruimte en het daarboven gebouwde confessie-altaar, zoals aangetroffen in verschillende Romeinse kerken zoals de Sint Pieter, de Sint Paulus buiten de Muren en de Sint Laurentius buiten de Muren.
Uit de kerkgeschiedenis kennen we nog de Augsburgse Confessie (Confessio Augustana): de door Melanchton opgestelde geloofsbelijdenis van de reformatorische beweging, met een verdedigende strekking, die op de rijksdag te Augsburg op 25 juni 1530 werd voorgelezen aan keizer Karel V.

Sempiternus, - a, - um, adjectief, altijddurend, bestendig, bestendig, voor altijd, voor eeuwig. De Romeinse politicus, filosoof, redenaar Cicero gaf dit adiectief mee aan het ‘ignis Vestæ’ het vuur van/voor de Romeinse godin Vesta, dat door de Vestaalse maagden altijd brandend gehouden moest worden. Vesta was de Romeinse godin van het haardvuur, van de huiselijke haard en (vandaar afgeleid) ook van de eendracht en de veiligheid in de staat. Haar tempel stond op het Forum Romanum. in Rome. Dit Vestaalse vuur mocht nooit doven, want dat zou catastrofale gevolgen hebben voor de staat.
In de liturgische taal is sempiternus een van de attributen van Deus: God is eeuwig en overstijgt alle tijd en ruimte. Met de nevenvorm æternus of de eigenschap ‘omnipotens’ heeft  deze kwalificatie een brede toepassing en vergezelt in meer dan vijftig oraties het woord Deus, dikwijls aan de spits van de oratie: “Omnipotens sempiterne Deus”…/ “Aeterne Deus…” Deze twee formuleringen vinden we ook in de Prefatieteksten; ze gaan terug tot de Sacramentaria vanaf het ‘Leonianum’ (tweede helft zesde eeuw).
Het begrip sempiternus is samengesteld uit semper, altijd  (adverbium) en æternus (adiectivum) eeuwig, waarbij het adverbium het adiectief versterkt, een overtreffende trap van iets wat oneindig is, vgl. het Engelse ‘everlasting’.

G e t u i g e n i s  v a n  d e  V a d e r s
Cyprianus van Carthago, bisschop en martelaar:
“Als ich selbst noch in der Finsternis und in dunkler Nacht schmachtete und auf den Wogen der sturmbewegten Welt schwankend und unsicher irrend kreuz und quer umhertrieb, ohne meinen Lebenweg zu kennen, ohne die Wahrheit und das Licht zu ahnen, da hielt ich es bei meinem damaligen Lebenswandel für höchst schwierig, und unwahrscheinlich, was die göttliche Gnade mir zum Heil verhieß: daß man von neuem wiedergeborenen werden könne und daß man, durch das Bad des heilbringenden Wassers zu neuem Leben beseelt, das ablege, was man früher gewesen, und trotz der Fortdauer der leiblichen Gestalt den Menschen nach Herz und Sinn umändere. Wie, sagte ich mir, ist eine so gewaltige Umwandlung möglich, daß man plötzlich und mit einem Ruck das abwirft, was entweder angeboren und infolge der unreine Beschaffenheitdes natürlichen Stoffes verhärtet ist oder was man lange geübt hat, bis es mit der Länge der Zeit festgewurzelt ist?
(…)
Auch ich war durch ziemlich viele Irrtümer in meinem früheren Leben in Banden gehalten und hätte nicht geglaubt, daß ich da von loskommen könnte. So völlig war ich den mir anhaßtenden Lastern ergeben, und, an einer Besserung verzweifelnd, hielt ich es mit meinen Übeln wie mit unbedingt zugehörigen Hausgenossen. Nachdem aber mit Hilfe des lebenspendenden Wassers des Taufe der Schmutz des früheren Jahre abgewaschen war und sich in die nun entsühnte und reine Brust von oben her das Licht ergossen hatte, nachdem ich den himmlischen Geist eingesogen hatte und durch die zweite Geburt in einen neuen Menschen umgewandelt war, da wurde mir plötzlich auf ganz wunderbare Weise das Zweifelhafte zur Gewißheit, das Verschlossene lag offen, das Dunkel lichtete sich: als leicht stellte sich nun dar, was früher schwierig und ausführbar, was zuvor als unmöglich galt. So konnte man erkennen, daß das irdisch gewesen, was ehedem im Fleische geboren war und im Dienste der Sünde lebte, und daß Gottes Eigentum geworden war, was nunmehr der Heilige Geist belebte. Du weißt es ja und erkennst es so gut wie ich, was dieser Tod der Sünden uns genommen oder gebracht hat. Du weißt es selbst, und ich will mich nicht rühmen. Prahlerei zum eigenen Lob ruft nur Haß hervor, obwohl all das nicht Prahlerei, sondern nur Dankbarkeit sein kann, was man nicht dem Verdienst des Menschen zuschreibt, sondern als Geschenk der göttlichen Gnade preist, so daß das jetzige Nichtmehrsündigen sich als Wirkung des Glaubens eingestellt hat, die früheren Sünden aber auf menschlichen Irrtum zurüchzuführen waren,”
Aan Donatus 3-4

In zijn “brief aan Donatus” zegt hij over zijn bekering:
“Ik voelde me zo verward en ongemakkelijk over de vele fouten die ik in mijn vorige leven had gemaakt dat het me nauwelijks mogelijk leek voor mij om daar aan te ontkomen… Maar toen de smet van mijn vroegere leven afgewassen werd door het water van de geboorte (de doop) … en toen mijn wedergeboorte me tot een nieuw mens had gemaakt werd datgene wat voorheen moeilijk leek nu zeer eenvoudig.”

Collectegebed Tweede zondag van Pasen – Beloken Pasen "De diepe zin verstaan van het water, de Geest en het bloed"



“De diepe zin verstaan van het water, waardoor wij zijn gereinigd, van de Geest, in wie wij zijn herboren, en van het bloed, waardoor wij zijn verlost".

I n l e i d i n g
Sedert oude christelijke tijden is deze zondag “Dominica in albis” genoemd of “in albis depositis”, de zondag waarop de witte kleren door de pas gedoopten werden afgelegd.  In de 1e Petrusbrief wordt gezegd (1 Pe 2,2-3 ): “Als pasgeboren (Quasimodo – een begrip uit een Latijnse bijbelvertaling die aan de Vulgaat van de H. Hieronymus voorafging) kinderen (infantes) begerig naar de geestelijke, pure melk, die u wasdom zal schenken ter zaligheid; gij hebt immers reeds geproefd van de zoetheid van de Heer” (Ps 34,9).
Over het misformulier van vandaag ligt iets van een geestelijke lentefrisheid, die men zich niet zuiverder en meer puur kan voorstellen. De vreugde van de oude Kerk over het Doopsel, voor ons mensen van later tijd onder de zeer veranderde kerkelijke verhoudingen nauwelijks meer volledig aan te voelen, trilt en zingt in de teksten en gezangen. Voor een laatste maal stralen de witte kleren van de nieuw gedoopten in het schip van de kerk om daarna dit uiterlijke sieraad af te leggen. Zich in niets van de andere christenen uitwendig meer onderscheidend worden de nieuw gedoopten opgenomen binnen de gemeenschap van de H. Kerk.
Op sommige plaatsen werden de afgelegde witte doopkleren bewaard in de schatkamer van de kathedraal als een voortdurend getuigenis van de doopbeloften. De eerste christenen hechtten er immers hoge waarde aan de onschuld van het Doopsel tot aan de dood te bewaren.
T e k s t
Missale Romanum 1970
Deus misericordiæ sempiternæ, qui in ipso paschalis festi recursu fidem sacratæ tibi plebis accendis, auge gratiam quam dedisti, ut digna omnes intellegentia comprehendant quo lavacro abluti, quo spiritu regenerati, quo sanguine sunt redempti.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie
Barmhartige en eeuwige God, ieder jaar brengt Gij in de viering van het paasfeest het geloof van uw volk tot nieuw leven. Blijf allen uw genade schenken en laat hen de diepe zin verstaan van het water, waardoor zij zijn gereinigd, van de Geest, in wie zij zijn herboren, en van het bloed, waardoor zij zijn verlost.
Meer letterlijke vertaling
God van altijddurende barmhartigheid, die bij het [jaarlijks] terugkeren van het paasfeest het geloof van het U toegewijde volk ontsteekt, vermeerder de genade die Gij hebt geschonken, opdat allen met een waardig inzicht begrijpen, door welk bad zij afgewassen, door welke Geest zij herboren en door welk bloed zij verlost zijn.                            

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
Het collectegebed van deze zondag vindt men niet in de Tridentijnse missaals, maar is afkomstig uit het Missale Gothicum, 309, een Gallicaans Sacramentarium uit de omgeving van Autun:  Ms. Vatican. Regin. Lat. 317, begin 8e eeuw. Daar diende de oratie als collectegebed voor de Mis van zaterdag onder het Paasoctaaf. Het collectegebed komt niet voor in een ander bestaand manuscript. Bij de herziening werd de oratie niet herschreven maar bij de herdruk van de derde editio typica van het Romeins Missaal in 2008 werd de S van spiritu voor het eerst in kapitaal gedrukt. 

L i t u r g i s c h  k a d e r
Deze zondag heeft verschillende benamingen. In de postconciliaire kalender staat hij als “Tweede zondag van Pasen”. In het Jubeljaar 2000 riep paus Johannes-Paulus II deze zondag uit tot Zondag van de Goddelijke Barmhartigheid. De anaklese “God van altijddurende barmhartigheid” leende zich bijzonder goed in deze context. De Poolse paus stierf op zaterdag 2 april 2005, de vooravond van deze feestdag. Ook werd deze zondag wel “Thomas-zondag”  genoemd (vanwege de evangelielezing over de twijfelende Thomas), en ook zondag “Quasimodo” (naar het eerste woord van het Introitus, voorts Dominica “in albis” en tenslotte Beloken Pasen. De laatste term verwijst naar de sluiting van het Paasoctaaf, waarin we de mysteries die we vierden vanuit verschillende invalshoeken hebben overwogen.

Het misformulier van “Beloken Pasen” opent met een aansporing tot de nieuw gedoopten, die infantes werden genoemd. De infantes droegen zoals gezegd hun witte doopkleren tijdens het octaaf dat volgde op Pasen, een periode van acht dagen waarin zij van de bisschop speciaal onderricht  ontvingen over de heilige mysteries (sacramenten) en over het christelijk leven.

In de tweede lezingen van het Lezingenofficie van het Getijdengebed van afgelopen donderdag, vrijdag en zaterdag horen we hoe in de zogenoemde mystagogische catechesen in de H. Grafkerk van Jeruzalem die lange tijd werden toegeschreven aan bisschop Cyrillus van Jeruzalem (313-386), de pasgedoopten worden geïnstrueerd om de ontvangen sacramenten – de initiatiesacramenten van Doopsel, Vormsel en Eucharistie - tot bloei te brengen in hun leven als christen. Eenvoudig gezegd: een spirituele opvoeding van Doopsel tot het beleven van de H. Eucharistie in overtuiging en werkelijkheid. De pasgedoopten worden helder en direct toegesproken over het feitelijk traject dat ze hebben afgelegd waarbij tegelijk de spirituele beleving wordt ingeprent zoals bijvoorbeeld in Catechese 20 (Mystagogica 2,4.5; PG 33, 1079 sqq): “Gij zijt naar het heilig bad van het goddelijk Doopsel geleid, zoals Christus openlijk van het Kruis naar het Graf werd gedragen. Eenieder van u werd ondervraagd, of hij geloofde in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Gij hebt uw heilzame belijdenis gedaan en werd driemaal ondergedompeld en zijt weer uit het water opgerezen; en hier hebt gij in beeld en symbool de drie dagen van Christus in het Graf aangeduid”. (…) “Christus is waarlijk gekruisigd, waarlijk begraven en waarlijk verrezen; en door de genade werd ons dit alles gegeven, opdat wij die door de uitbeelding deelachtig geworden zijn aan zijn lijden, in waarheid het heil zouden verwerven.
O, wat een uitbundige liefde tot de mensen! Christus heeft in zijn onbesmette handen en voeten de spijkers ontvangen en de pijn doorstaan: en aan mij, onervaren in smart en lasten, schenkt Hij door de deelname aan zijn smarten het heil”.
De liturgie laat in het Getijdengebed van vandaag - Dominica in octava Pachæs - de H. Augustinus van Hippo (+430) aan het woord, die, altijd bekommerd over de cura animarum, de zorg voor het zielenheil van de gelovigen – overigens een wet van de Kerk – de dopelingen met bewogen herderlijke genegenheid maar niet zonder gepaste fierheid toespreekt: “Mijn woord richt zich tot u, pas-geboren kinderen, kleinen in Christus, nieuw kroost van de Kerk, genade van de Vader, vruchtbaarheid van de Moeder, vrome spruit, jeugdige schare, bloem van onze eer en vrucht van onze arbeid , mijn vreugde en mijn kroon, gij allen die gegrondvest zijt in de Heer! Met apostolische woorden spreek ik u toe: Bekleed u met de Heer Jezus Christus, en onthoud u van vleselijke lusten, opdat ge in het leven Hem aandoet met Wie gij in het sacrament zijt bekleed. Want zij, die in Christus gedoopt zijn, hebben zich met Christus bekleed. (…) Vandaag is het de octaafdag van uw geboorte; vandaag wordt het zegel van het geloof in u voltooid”!
(Uit Sermo 8 in octava Paschæ 1.4; PL 46, 838. 841)

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l v o r m en
1. Deus misericordiæ sempiternæ,
2. qui in ipso paschalis festi recursu fidem sacratæ tibi plebis accendis,
3. auge gratiam quam dedisti,
4. ut digna omnes intellegentia comprehendant quo lavacro abluti, quo spiritu regenerati, quo sanguine sunt redempti.
Ad 1
Anaklese waarbij de vocativusvorm Deus, God, wordt gevolgd door de bijvoeglijke bepaling misericordiæ sempiternæ – samengesteld uit een congruerende substantivum- en adiectivumvorm - die het substantivum Deus nader preciseert (genitivus explicativus of qualitatis).
Ad 2
Relatieve bijzin die een jaarlijks weerkerende heilsdaad van God vermeldt, beginnend met het reflexivum qui waarvan Deus het antecedent is; accendis, 2e pers. præsentis activi, gezegde in de indicativusvorm van het verbum, omdat een feitelijkheid wordt uitgedrukt; het zinsdeel fidem sacratæ tibi plebis vormt het object van het prædicaat en is samengesteld uit een accusativusvorm fidem die nader wordt toegelicht door de congruerende genitivusvormen van het adiectivum sacrata en het substantivum plebs, van elkaar gescheiden, - er is sprake van een hyperbaton - door de bijwoordelijke bepaling tibi in de dativusvorm (dativus commodi, van voordeel); in ipso paschalis festi recursu: bijwoordelijke bepaling van tijd welke kan worden opgesplitst in twee congruerende ablativus- (ipso recursu) en twee genitivusvormen (paschalis festi) gedicteerd door het præpositum in, waarbij de genitivi ingeklemd worden binnen de ablativi en zo wederom een hyperbaton vormen.  
Ad 3
auge gratiam quam dedisti: de eigenlijke bede met het verbum in de imperativusvorm vergezeld van het gevraagde object: gratiam tuam: twee congruerende accusativusvormen, gevolgd door een korte relatieve bijzin met het reflexivum quam en het verbum in de indicativusvorm vanwege de feitelijkheid: God geeft onophoudelijk zijn genade, heeft deze gegeven en zal deze geven. De gebruikte tijd, perfectum, geeft aan dat de genade die God eens geschonken heeft in het verleden tot in deze tijd doorwerkt; een eenmalige daad met gevolgen tot op de dag van vandaag.
Ad 4
ut digna omnes intellegentia comprehendant quo lavacro abluti, quo spiritu regenerati, quo sanguine sunt redempti: finale/doelaanwijzende of consecutieve/gevolghebbende bijzin, ingeleid door het voegwoord ut dat de coniunctivusvorm comprehendant 3e pers. meervoud præsentis coniunctivi oproept en omnes als subject heeft; digna intelligentia: bijwoordelijke bepaling bij het verbum comprehendant uitgedrukt in congruerende ablativusvormen die begrepen kunnen worden als een ablativus instrumentalis (middel waarmee, waardoor) of een ablativus modi (bepaling van manier of wijze waarop). Het komt het zinsdeel digna omnes intellegentia comprehendant bevat een hyperbaton (digna…intelligentia).
De drie beknopte relatieve bijzinnen ingeleid door quo, zonder conjuncties (een troop, asyndeton genoemd) geven dit gebed een krachtig effect, zoals dit ook de reeks voltooide deelwoorden abluti… regenerati… redempti met het slechts eenmaal genoemde sunt oproepen. Het  reflexivum quo is hier tot drie maal toe een bijvoeglijk gebruikt vragend voornaamwoord in de ablativus; door welk water zij gewassen zijn, door welke geest zij vernieuwd zijn, door welk bloed zij verlost zijn. Men kan in deze zin een trikolon waarnemen met een opbouwend karakter (climax), de verlossing als hoogtepunt aan het einde.
I n h o u d
Het collectegebed van vandaag is ongewoon overdadig want God wordt niet alleen aangesproken als de “God van altijddurende barmhartigheid”, maar Hij wordt ook beschreven als Degene die in de jaarlijks terugkerende Paascyclus het geloof van het Hem toegewijde volk opnieuw aanwakkert. Deze feiten vormen het motief voor de bede die volgt: vermeerdering van genade. De oratie noemt verder speciale effecten van de gevraagde genade, effecten die alleen God kan bewerken: dat allen met een waardig inzicht begrijpen, door welk bad zij afgewassen, door welke Geest zij herboren en door welk Bloed zij verlost zijn.    
“Tot nieuw leven brengt”, zegt de Nederlandse vertaling voor “accendis” met een streven naar nuchterheid. Misschien is gedacht aan het Evangelie van de “ongelovige Thomas”dat op deze dag wordt gelezen. Daar ontsteekt de Verrezen Christus op indrukwekkende wijze het geloof: “Wees niet langer ongelovig, maar gelovig (Jo 20,27) waarop Thomas antwoordde: “Mijn Heer en mijn God!” (20,28). Het tweede deel van het collectegebed lijkt beïnvloed door de tweede lezing van vandaag, 1 Jo 5,1-6  (Jaar B). Hier lezen we dat magnifieke woord over het geloof: “Niemand kan de wereld overwinnen dan hij die gelooft” (5,4). Toen de Heer in Thomas het geloof had doen opvlammen, bekende de apostel geschokt: “Mijn Heer en mijn God!” Hier wordt deze belijdenis bevestigd: “Wie anders overwint de wereld dan hij die gelooft dat Jezus de Zoon van God is”.  
Dat het collectegebed met bovenstaande pericope verband houdt is overduidelijk: “Hij is het die gekomen is met water en bloed, Jezus Christus, niet met het water alleen, maar met het water en met het bloed. En de Geest is het die getuigt, dat Christus de waarheid is (5,6). Het gebed vraagt dat de gelovigen deze waarheid met de hulp van de genade met een waardig inzicht mogen begrijpen waartoe vermeerdering van geloof nodig is.
In de formulering zelf wordt voorts een verklaring gegeven van de doorgaans moeilijke schriftuurplaats: het water betekent het Doopsel, de Geest is de Heilige Geest die met het water in het Doopsel de wedergeboorte bewerkt; het bloed is het Bloed van Christus, op het Kruis vergoten voor onze verlossing. Bij Johannes is zeker bij dit alles aan Christus gedacht, aan zijn Doop in de Jordaan, waarbij de Geest getuigenis aflegde en het was zijn Bloed bij de kruisdood dat getuigde van de Liefde van God. In dit Christusmysterie deelt de christen door het geloof in het drievoudige getuigenis: in het Doopsel afgewassen, door de Geest opnieuw geboren en in de H. Eucharistie aan het  offer deelachtig en verlost.

De priester vraagt dat door de jaarlijkse viering van de heilige mysteries het geloof van ons, “volleerde” christenen en dat van de neofieten (nieuw-geborenen), samen als één volk, wordt ontstoken en dat ons diep inzicht in de manier waarop wij zijn verlost en ons begrip over de effecten van deze verlossing voortdurend verder mogen worden verdiept. Het gaat erom voort te leven in de paasstemming van verlossing en verrijzenis en de vreugde die het paasfeest ons bracht zou ons zo moeten doordringen dat ze uitgroeit tot het bezit van de eeuwige vreugde.

Eens in vuur en vlam gezet door de inwoning van de Heilige Geest, zouden wij God elke dag moeten vragen om ons te ontvlammen zodat wij voor Hem zouden branden. Wij zouden elke dag moeten bidden om vermeerdering van geloof, dat ons in staat stelt dieper en voller te vatten, te begrijpen en te verstaan wie Gos is en wie wij in Hem zijn geworden.  De genade en het geloof  bereiden ons voor en gaan vooraf aan een beter en voller begrip. We kunnen zelf onderzoeken zoveel als we willen, maar geloof brengt tot voltooiing wat het verstand eerst begint te verkennen. Het oude gezegde luidt immers: “Nisi credideritis non intellegetis… Je zult niet begrijpen, tenzij je eerst hebt geloofd”.
De H. Augustinus gebruikte in een andere preek tot zijn infantes de symboliek van de lente  en vergeleek de pas-gedoopten met jonge vogels die uit hun nest probeerden te vliegen terwijl de oudervogel (Augustinus zelf) luid tjilpend rond hen fladderde om hen te bemoedigen. Want zij hadden op dat moment als het ware het nest van de bisschop verlaten om zelfstandig als katholiek te leven.
Om tegemoet te komen aan de wens van de Kerk doen degenen van ons die lang geleden zijn gedoopt er goed aan zich te blijven herinneren dat zij hun doopkleed in hun hart dragen; laten wij het katholieke geloof uitwendig zo beleven zoals wij het eertijds in ons hart hebben opgenomen.

B e k n o p t  v o c a b u l a r i u m
Accendo betekent “iets boven aansteken zodat het neerwaarts opbrandt”, en ook “oplichten, verlichten, een persoon of zaak aanvuren, in vuur en vlam zetten, ontsteken”. De term herinnert aan de liturgische symboliek van het vuur tijdens de Paaswake.
De sleutelwoorden van de ut-zin zijn “digna…intelligentia comprehendant”. Het verbum comprehendo heeft uitgebreide betekenissen; hier vooral: “iets samenhouden van alle kanten bezien”. Denk aan comprehensief, allesomvattend. Het gaat hier om het in alle opzichten grondig begrijpen met het verstand. Digna…intelligentia betekent met passend, geschikt, toepasselijk, goed, juist, correct, behoorlijk, strikt, precies, waardig begrip. De objecten van dit begrip worden vervolgens opgesomd.
Een lavacrum is “een bad”. In de Brief van de H. Paulus aan Titus lezen we: “Hij heeft ons gered, niet op grond van werken der gerechtigheid die wij verrichtten, maar louter uit barmhartigheid (misericordiam), door het bad van de wedergeboorte (lavacrum regenerationis) ..” (Tit 3,5).
Abluo, “afwassen, wegwassen, reinigen, zuiveren”, een term gebruikt door Cicero  ( + 43 v. Chr.) wanneer hij beschrijft hoe menselijke hartstocht door een religieuze ritus van afwassing van zonden tot kalmte komt (Tusc 4,28,60), welke term ook door de dichter en filosoof Lucretius werd gehanteerd (+ 55) voor het verwijderen van duisternis door het binnenbrengen van licht (De rerum natura 4,378). De Latijn sprekende vroege christenen adapteerden en “doopten” de bestaande religieuze terminologie teneinde hun geloof dat zich geleidelijk ontwikkelde door nieuwe theologische inzichten, uit te drukken. Abluo werd een geschikt begrip om de effecten van het Doopsel te beschrijven.
Onder dank gedeeltelijk geput uit F. John Zuhlsdorf WDTPRS, J.Pascher, Die Orationen des Missale Romanum Papst Paul VI. en L.Pristas, The Collects of the Roman Missals