Posts tonen met het label Palmzondag. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Palmzondag. Alle posts tonen

zaterdag 13 september 2025

Hymne Vespers Vexilla Regis - Gregoriaans - zingen ook wij in deze tijd



De hymne Vexilla Regis

De schrijver van de hymne Vexilla Regis, Venantius Honorius Clementianus Fortunatus,werd ca. 536 te Valdobbiadene bij Treviso (Italië) geboren en stierf te Poitiers (Frankrijk) op 14 december 610). Hij was een dichter uit de Merovingische tijd en bisschop van Poitiers.
Fortunatus wordt beschouwd als een van de belangrijkste dichters op de overgang van de oudheid en de vroege middeleeuwen. Enkele van zijn hymnen, met name het Pange lingua en Vexilla regis, behoren tot de bekendste uit de Romeinse liturgie. Hij was bevriend met Gregorius van Tours.
De hymne Vexilla Regis wordt beschouwd als een van de meest grootse in de liturgie. Fortunatus schreef deze hymne ter ere van de komst van een grote reliek van het ware Kruis die door keizer Justinus II en zijn keizerin Sophia was gezonden aan koningin Radegunda, de weduwe van koning Chlotarius I. Koningin Radegunda had zich terug getrokken in een  klooster nabij Poitiers en zocht naar relieken voor de kerk aldaar. Om de aankomst van de reliek en de processie naar de kerk luister bij te zetten vroeg de koningin aan Fortunatus een hymne te schrijven.
De hymne heeft in zijn geheel betrekking op het Kruis en wordt - zeer toepasselijk - gezongen tijdens de vespers van Palmzondag tot Witte Donderdag en op het feest van Kruisverheffing. De hymne werd vroeger ook gezongen op Goede Vrijdag wanneer het Allerheiligste Sacrament van het rustaltaar naar het altaar werd overgebracht.
De laatste twee verzen die de slotdoxologie vormen zijn niet het werk van Fortunatus maar toegevoegd door een andere latere dichter.


De koningsvanen worden uitgedragen,
het kruis-mysterie schittert,
waarin de Schepper van het Vlees
in ’t Vlees aan ’t kruis werd opgehangen;


Daar wordt Hij nog gewond
met de wrede stoot der lans;
om ons te reinigen van zonde
verzinkt Hij in een stroom van bloed.


O, lieflijke boom, getooid ook
met het purper Konings-bloed,
uitverkoren, om met zijn waardige stam
zo heilige leden aan te raken!


O, zalige boom, aan welks armen
de losprijs van de wereld heeft gehangen;
het werd de weegschaal van zijn Lichaam
en nam de prooi weg van de hel.


Gegroet altaar; gegroet Slachtoffer,
om de glorie van uw Lijden,
waar het Leven de dood gestorven is
en door zijn dood ons het leven schonk!


Gegroet, o kruis, onze enige hoop!
in deze lijdenstijd:
vermeerder de genade voor de vromen
en delg de misdaad van de zondaars uit.


Gij, bron van heil, Drieënigheid,
U prijze iedere geest,
en die Gij door uw kruismysterie redt,
verkwik hen in de eeuwigheid. Amen

zondag 13 april 2025

The Forgiveness of Sinners - Bishop Barron Sunday Sermon - Palmsunday

Preek van onze Pastoor Palmzondag 2022 “Mocht ook Gij op deze dag inzien wat U tot vrede strekt”.

 


Jezus‘ leerlingen zijn vandaag in jubelstemming. Nadat Jezus de nodige aanwijzingen ter voorbereiding van zijn intocht in Jeruzalem heeft gegeven, hult hijzelfzelf min of meer in stilzwijgen. Gezeten op een ezelsveulen rijdt Hij zwijgend door de scharen van volgelingen die Hem toejubelen. Hij zelf heeft blijkbaar geen reden om te jubelen. Zijn grote zwijgen begint. Als wij het evangelie wat verder lezen dan op Palmzondag gebruikelijk, horen we ook wat de reden daartoe is: Het huilen staat hem namelijk nader dan het lachen. Jezus weent over de stad. “Mocht ook Gij op deze dag inzien wat U tot vrede strekt” (Luc.19,42). Telkens weer laten mensen kansen liggen, maken ze geen gebruik van de tijd die ze hebben om te doen wat gedaan moet worden. Iedereen van ons ken daar wel de nodige voorbeelden van. In het bijzonder gebeurt dat wanneer we het bezoek aan deze of gene voor ons uitschuiven om dan in de krant te lezen dat hij of zij gestorven is. Had ik toch, was ik toch … Iedere keer weer opnieuw dienen we af te wegen wat werkelijk belangrijk is en prioriteit verdient. Om dat te kunnen beoordelen dienen we in onszelf te keren en een gewetensonderzoek te doen. Er is immers zoveel dat onze aandacht vragen. We kunnen niet alles doen, maar hoeven ook niet alles te doen. Als we het belangrijkste maar doen. Wat dat is, kunnen we eigenlijk alleen maar zelf beantwoorden, maar het vraagt wel dat we er serieus over nadenken en daar ook de nodige tijd voor nemen.

 Als pelgrims het Heilig Land bezoeken en de plaatsen aandoen die Jezus zelf bezocht heeft, dan komen ze op hun weg naar Jeruzalem langs de kapel ‘Dominus Flevit’ op de Olijfberg. Dan wordt daar pauze gemaakt en vaak ook een viering gehouden. Vanaf die plek heeft men een prachtig uitzicht op de oude stad. Het zijn er maar weinig beseffen wat Jezus woorden waren toen Hij hier halt hield: “Mocht ook Gij op deze dag inzien wat U tot vrede strekt”. Vandaag staan we stil bij Jezus de vredevorst die intocht houdt in Jeruzalem, in ons midden, in ons eigen leven, in ons eigen hart. Wat strekt ons tot vrede, wat bewaart ons ervoor dat we geleefd worden, opdat we niet voorbij leven aan wat ons tot heil en vrede strekt.

Gloria, laus et honor tibi sit!



De hymne Gloria, laus et honor tibi sit, werd geschreven door Theodulfus van Orléans.

Theodulfus (* 750/760, +18 december 821) was schrijver, dichter en bisschop van Orléans (798-818) tijdens de regering van Karel de Grote en Lodewijk de Vrome.

Hij werd bisschop van Orleans onder Karel de Grote. Toen Karel de Grote stierf en Lodewijk de Vrome koning werd van het Heilige Roomse Rijk, werd gedurende de machtsstrijd die volgde op de verheffing van Lodewijk, Theodulf uit zijn bisdom verjaagd en onder huisarrest geplaatst in een klooster in Angers. Tijdens zijn verbanning schreef Theodulf de hymne Gloria, Laus voor Palmzondag. Er wordt verhaald dat Lodewijk Theodulf op Palmzondag bezocht en bij het horen zingen van de hymne Gloria laus, zo ontroerd was dat hij de onmiddellijke vrijlating van Theodulf beval en tevens dat deze hymne voortaan altijd op Palmzondag gezongen moest worden.

De hymne had oorspronkelijk negenendertig verzen. De hymne is gebaseerd op Ps 24, 7-10, Ps 118, 25- 26, Matt 21, 1-17en Lc 24, 37-38.

Het Romeinse Missaal gebruikt de eerste zes verzen met herhaling van het refrein voor de palmprocessie op palmzondag om de intocht van Jezus in Jeruzalem te gedenken.

Tot het Tweede Vaticaans Concilie vond de palmprocessie vaak op volgende wijze plaats. Het eerste couplet, Gloria, laus et honor tibi sit Rex Christe, Redemptor, Cui puerile decus prompsit hosanna pium, werd gezongen door de zangers binnen het kerkgebouw (de deur was gesloten) en werd herhaald door het processiekoor buiten het kerkgebouw. De zangers zongen vervolgens het tweede couplet, het koor buiten antwoordde met het refrein van het eerste couplet, en zo volgden de resterende coupletten tot de subdiaken met de voet van het kruis op de kerkdeur stootte, waarna de deur werd geopend, de hymne werd beëindigd en de processie de kerk binnen trok.



Gloria, laus et honor tibi sit, 
rex Christe redemptor:
Cui puerile decus prompsit 
Hosanna pium

Gloria, laus. . . .

Israel tu rex, Davidis 
et inclyta proles:
Nomine qui in Domini, 
rex benedicte, venis

Gloria, laus. . . .

Coetus in excelsis 
te laudat caelicus omnis
Et mortalis homo,
 cuncta creata simul

Gloria, laus. . . .

Plebs Hebraea tibi cum palmis 
obvia venit.
Cum prece, voto, hymnis 
adsumus ecce tibi

Gloria, laus. . . .

Hi tibi passuro solvebant 
munia laudis:
Nos tibi regnati pangimus
ecce melos

Gloria, laus. . . .

Hi placuere tibi; 
placeat devotio nostra
Rex pie, rex clemens, cui 
bona cuncta placent

Gloria, laus, et honor tibi sit, 
rex Christe redemptor,
cui puerile decus prompsit Hosanna pium.

Nederlandse vertaling:

Heerlijkheid, lof en eer zij U,
Koning Christus, Verlosser,
U zong de kinderschaar
een vroom Hosanna toe.

Refrein Heerlijkheid

Vorst van Israël zijt Gij,
Davids roemrijke Zoon.
Gezegende Koning,
die komt in de Naam des Heren.

Refrein Heerlijkheid

Al de hemelse scharen
loven U in den hoge.
Ook de sterfelijke mens
samen met alle schepsels.

Refrein Heerlijkheid

Het Hebreeuwse volk
kwam U met plamtakken tegemoet.
Zie, wij staan voor U
met gebeden en gezangen.

Refrein Heerlijkheid

Aan de vooravond van uw lijden
brachten zij U de verschuldigde eer.
Zie, wij zingen U als onze Koning
een loflied toe.

Refrein Heerlijkheid

Zij hebben U behaagd,
moge onze godsvrucht U behagen:
Goede Koning, vol erbarming,
aan wie alle goeds behaagt.

Refrein Heerlijkheid

Antiphona - Hosanna filio David Plechtige Intrede Processie Palmzondag

Kort commentaar op het Collectagebed van Palmzondag Hem navolgen in woord en daad

 


Omnipotens sempiterne Deus,

qui humano generi, ad imitandum humilitatis exemplum, Salvatorem nostrum carnem sumere, et crucem subire fecisti,

concede propitius,

ut et patientiæ ipsius habere documenta et resurrectionis consortia mereamur.

 Almachtige eeuwige God,

om aan de mensen een voorbeeld te geven van nederigheid hebt Gij gewild dat onze Verlosser mens werd zoals wij en de dood onderging aan het kruis.

Geef dat wij ter harte nemen wat zijn lijden ons te zeggen heeft en deel hebben aan zijn verrijzenis.

Dit collectegebed is afkomstig uit het Sacramentarium Gelasianum (Vat. Reg. lat. 316 f. 329), 1e helft achtste eeuw.

Opvalt in de tekst is dat er twee woorden zijn gebruikt die hetzelfde lijken te betekenen maar die elkaar toch niet helemaal dekken. Exemplum is een voorbeeld ter navolging uit het verleden met een grote gezaghebbend kracht – een woord afkomstig uit de klassieke Romeinse retorica. Zo zag Cicero zag keizer Augustus als exemplum. Een “exemplum” kan een bepaalde persoon zijn of een bepaald handelen[1]. Het begrip exemplum wordt echter verder op in de oratie nog meer uitgebreid met “documenta”Documentum is dus een model voor navolging, een rolmodel zoals exemplum maar heeft soms ook de betekenis van “een proeve”, dat is een concrete demonstratie dat hetgeen wordt beweerd waar is: een evidentie, een bewijsstuk. We zien er ook het werkwoord docere/ docui, een documentum leert ons iets.

De oratie schetst ons het fundamentele en gezaghebbend patroon van de christelijke ervaring: zelf-ontlediging in de Menswording en in de Passie die voert tot de Verrijzenis. Christus is de proeve bij uitstek waarnaar wij ons eigen leven moeten vormen en modelleren. Het leven van Christus is niet alleen een historisch gegeven, maar voor ons een  “rolmodel” dat effectief  de kracht heeft om ons te (her)modelleren. Christus transformeert, herschept ons, gedoopten, die zijn geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis, naar zijn volmaakt exemplum en documenta. Vandaag vragen wij speciaal dat Gods ons helpt Hem na te volgen, in woord en daad.

[1] Proefschrift David C. Urban University of Pennsylvania 2011

zaterdag 9 april 2022

Benedíctus qui venit in nómine Dómini, Rex Israel.


Benedíctus qui venit in nómine Dómini, Rex Israel.
Gezegend Hij die komt in de Naam des Heren, de Koning van Israël.



Laten wij alle dagen met die kinderen dat heilig loflied herhalen, terwijl wij zwaaien met de geestelijke takken van onze ziel: Gezegend Hij die komt in de Naam des Heren, de Koning van Israël.

Andreas van Kreta, Oratio 9 in palmos ramorum.

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada Sancta, Dominica In Palmis de Passione Domini Benedictus qui venit in nomine Domini, Rex Israel. Gezegend die komt in de Naam des Heren, de Koning van Israël.


Ad Officium lectionis


Lectio altera

Ex Oratiónibus sancti Andréæ Creténsis epíscopi
(Oratio 9 in ramos palmarum: PG 97, 990-994)
Tweede lezing

Uit de Preken van de H. Andreas van Kreta, bisschop
(Oratio 9 in ramos palmarum: PG 97, 990-994)

Gezegend die komt in de Naam des Heren, de Koning van Israël

Komt en laten ook wij de Olijfberg bestijgen en Christus tegemoet gaan, nu Hij vandaag van Bethanië terugkeert en zich uit eigen beweging naar het eerbiedwaardige en heilige Lijden begeeft, om het heilmiddel voor onze verlossing te voltooien.

Vrijwillig gaat Hij dan de weg naar Jeruzalem, Hij, die om ons uit de hemelen neerdaalde, om ons, die in de diepste diepten neerlagen, tegelijk met Hem te verheffen, zoals de Schrift zegt: hoog boven alle Heerschappijen, Machten, Krachten en boven elke naam, die genoemd wordt.

Hij komt echter niet als een, die in trots en praal bezit neemt van zijn heerlijkheid. Hij zal noch twisten noch schreeuwen, zegt de Schrift, en niemand zal zijn stem horen; maar Hij zal zachtmoedig en nederig zijn, en bij zijn binnenkomst armoedig gekleed en toegerust.

Welaan dan, terwijl Hij zich haast naar zijn Lijden, laten wij met Hem meegaan en hen navolgen, die Hem tegemoet gingen. Niet om, zoals zij, olijftakken, klederen en kostbaarheden of palmtakken op de weg uit te spreiden, maar om onszelf, zoveel we kunnen, met een nederig gemoed, een oprechte geest en een goed voornemen op die weg neer te leggen, om dat Woord bij zijn komst te ontvangen, en opdat wij God opnemen, die nergens opgenomen kan worden.

Want Hij verheugt zich erover, dat Hij zich jegens ons zo zachtmoedig getoond heeft – Hij die zachtmoedig is en opstijgt boven de ondergang van onze lage geringheid – dat Hij tot ons kwam en gewoon met ons omging, en die, door zijn verwantschap met ons, ons tot Zich kon opheffen en terugvoeren.

Hij, van Wie gezegd wordt dat Hij boven de hemelen naar de oorsprong is opgestegen, ofschoon in onze stoffelijke geringheid en tegelijk in het bezit van zijn eigen glorie en godheid.

Hij zal toch die geringheid niet opgeven, gezien zijn voorliefde voor het menselijk geslacht, totdat Hij die menselijke natuur, die Hij van de diepte der aarde en van de ene roem tot de ander opheft, tegelijk met Zich hoog verheven zal hebben.

Laten wij zo onszelf voor Christus uitspreiden, niet onze kleren of zielloze palmtakken en een tapijt van groen – die de kracht van voedsel verliezen en slechts enkele uren een lust is voor de ogen – maar bekleed met zijn genade of nog beter met Hemzelf: Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. Laten wij ons voor zijn voeten neerleggen, uitgespreid als een kleed.

Wij, die vroeger, scharlakenrood door onze zonden, het heilzame Doopsel tot reiniging hebben ontvangen en daardoor zo blank als wol zijn geworden – laten we Hem, de Overwinnaar van de dood, nu geen palmtakken, maar het loon voor onze overwinning aanbieden.

Laten wij alle dagen met die kinderen dat heilig loflied herhalen, terwijl wij zwaaien met de geestelijke takken van onze ziel: Gezegend Hij die komt in de Naam des Heren, de Koning van Israël.

Gemma Coebergh - Improvisation on "Hosanna filio David"

Collectegebed Palmzondag “Zijn lijden ter harte nemen en deelhebben aan Zijn verrijzenis”


I n l e i d i n g

We gaan de Goede Week binnen, de Heilige Week - Hebdomada Sancta -  volgens de liturgie van de Kerk. De dagen van deze Heilige Week worden ‘heilig’ genoemd, het zijn immers gezegende dagen waarin de barmhartigheid van God zich nog meer opent voor de mensen. De Goede Week vormt het hoogtepunt van de vieringen van heel de liturgische cyclus en tegelijkertijd is zij de eindstreep waarop heel de praktijk en de beleving van de veertigdagentijd zich hebben gericht. Als het ware   samengebald ontrolt zich deze dagen de historische heilsgeschiedenis, vooral in de liturgische vieringen, die de mysteries van lijden, sterven, verlossing en verrijzenis actueel, altijd nieuw en levendig present stellen en niet louter als herinnering in de geest oproepen.
De essentie van de Goede Week is haar sacramentele karakter, culminerend in de Sacramenten van Doopsel en Eucharistie tijdens de Paaswake. Het is niet ongerijmd dat hier en daar, vooral in de Zuid-Europese landen, accenten worden gelegd op historische verbeelding en processies. Palmzondag is het perfecte portaal met de viering van de triomfantelijke intocht van Jezus in Jeruzalem en van de lijdende Christus in zijn week van lijden en sterven.
Op de dagen tussen Palmzondag en Witte Donderdag klinkt reeds de droeve toon van de tragedie die nadert en van de dood die op handen is. De zalving van Jezus (maandag), de overlevering (dinsdag) en het verraad van Judas (woensdag) voeren ten volle naar het “Triduum Sacrum” waarvan elke viering een eigen intense onderdompeling in het Paasmysterie van onze verlossing betekent.
Het Paastriduum (triduum van [spatium] tijdsruimte van trium dierum) - de laatste drie dagen vóór Pasen) omvatte vroeger verplichte liturgische dagen waarop de mensen, vrijgesteld van slafelijk werk aan de liturgische vieringen die toen ’s morgens werden gehouden, konden deelnemen. In de 17e eeuw verviel deze verplichting onder invloed van de veranderende maatschappelijke en religieuze omstandigheden. Dit bracht mee dat de gelovigen het zicht op deze mooie liturgische plechtigheden verloren en deze over het algemeen nog slechts bekend waren bij priesters en religieuzen in de kloosters.
In 1951 begon paus Pius XII, teneinde een grotere bekendheid te geven aan Het Paastriduum, met de restauratie van de liturgische plechtigheden en verordende dat de Paasvigilie in de avond diende te worden gevierd. In 1953 volgde de permissie dat op sommige dagen de H. Mis ‘avonds kon worden gevierd. Een nieuwe Ordo voor de Goede Week verscheen in 1955 en werd praktisch ingevoerd op 25 maart 1956. Toen kreeg ook de Zondag van de Goede Week de naam van “Tweede Passiezondag”, of Palmzondag. Van het koorgebed dienden Metten en Lauden (De zogenaamde “Tenebræ” – “Donkere Metten” ‘s morgens worden gezongen. De H. Mis van Witte Donderdag mocht niet eerder worden gevierd dan vanaf 17.00u en niet later dan 20.00u. Het argument was de deelname van de gelovigen aan al deze belangrijke liturgische vieringen te vergemakkelijken.
De voornaamste ceremonies van de Mis van Palmzondag zijn de wijding van de palmtakken (of olijftakken op andere plaatsen in de wereld, zoals in Rome) en een processie rond de kerk met plechtige intrede in de kerk. In het huidige Missale Romanum roept een interessante rubriek aangaande de processie de oude christelijke tijden op:
“Op een geschikte tijd komt men bijeen (vindt de “collecte” = verzameling plaats (fit collecta) in een bijkerk, kapel of op een andere geschikte plaats buiten de kerk waar men in processie naar toe zal gaan.”
Hier is ons woord “collecta” gebruikt als term voor een verzameling van mensen.
De rubrieken zijn dus nuttig om het begrip “actieve deelname” te begrijpen:
“De priester richt zich tot de gelovigen om de betekenis van het feest uit te leggen waarmee de gelovigen worden uitgenodigd tot actieve en bewuste deelname (actuose et conscie participandam) aan de viering van deze dag”.
De woorden actief en bewust zijn zeer belangrijk.  Wanneer het Tweede Vaticaanse Concilie de term actuosa participatio of “actieve deelname gebruikt, bedoelde het voornamelijk inwendige deelname, de betrokkenheid van verstand, hart en wil. De concilievaders doelden niet primair op uitwendige deelname. Uitwendige deelname is immers het natuurlijke effect van inwendige deelname: wij proberen uitwendig uit te drukken wat wij inwendig ervaren. Hoewel de twee bewegingen elkaar beïnvloeden, heeft inwendige participatie logischerwijs prioriteit omdat deze verreweg belangrijker is.
Wanneer de priester bij het altaar is aangekomen bewierookt hij het en zegt onmiddellijk ter afsluiting van de processie het collectegebed.
T e k s t
Missale Romanum 1970
Omnipotens sempiterne Deus,
qui humano generi, ad imitandum humilitatis exemplum, Salvatorem nostrum carnem sumere, et crucem subire fecisti,
concede propitius,
ut et patientiæ ipsius habere documenta et resurrectionis consortia mereamur.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Almachtige eeuwige God,
om aan de mensen een voorbeeld te geven van nederigheid hebt Gij gewild dat onze Verlosser mens werd zoals wij en de dood onderging aan het kruis.
Geef dat wij ter harte nemen wat zijn lijden ons te zeggen heeft en deel hebben aan zijn verrijzenis.

Werkvertaling
Almachtige eeuwige God,
[Gij] die ten behoeve van het menselijk geslacht onze Zaligmaker het vlees hebt laten aannemen en het kruis op Zich nemen, ter navolging van [Zijn] voorbeeld van nederigheid,
Verleen, genadig als Gij zijt,
dat wij zowel de voorbeelden van juist dat lijdzaam dulden als ook het deelgenootschap aan [Zijn] verrijzenis verdienen te bezitten.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n

Bovenstaand collectegebed was opgenomen in oudere uitgaven van het Missale Romanum en daarvóór in het Sacramentarium Gelasianum (Vat. Reg. lat. 316 f. 329), 1e helft achtste eeuw. In het Gelasianum staat een extra dienstig et: Salvatorem nostrum et carnem sumere, et crucem subire. Wonderlijke alliteratie! De uitgever van het Gelasianum laat een komma achterwege, waardoor het fragment: qui humano generi ad imitandum… begrijpelijker wordt. Mogelijk heeft de tekst een vleugje van Sint Augustinus’ invloed meegekregen. In Brief 194.3 van Sint Augustinus komen de begrippen humilitatis en exemplum in een nauwe verbinding met documentum voor en in zijn Commentaar op Psalm 29 en 2.7 (Enarr. 29;2.7) staan de begrippen documentum en patientiæ in de nabijheid van exemplum. In de context van het Lijden zegt Augustinus: “Om die reden stond de Heer zelf, Rechter over levenden en doden, voor een menselijke rechter (Pilatus), om ons een uitgesproken les van nederigheid en geduld te geven (humilitatis et patientiæ documentum), niet als was Hij verslagen, maar om de soldaat een voorbeeld te geven hoe te strijden (pugnandi exemplum): …”
Afgezien van het collectegebed van de 1e zondag van de Vasten hebben alle collectegebeden van de Vastenzondagen in het herziene missaal van 1970 qui-zinnen en de collecta van de 3e zondag van de Vasten in hetzelfde missaal heeft hetzelfde aantal woorden als de collecta van Palmzondag (31).

S t r u c t u u r a n a l y s e

1.Omnipotens sempiterne Deus,
2.qui humano generi, ad imitandum humilitatis exemplum, Salvatorem nostrum carnem sumere, et crucem subire fecisti,
3.concede propitius,
4.ut et patientiæ ipsius habere documenta et resurrectionis consortia mereamur.

Ad 1
De oratie opent met een drievoudige anaklese waarbij in de gebruikte adiectieva voor God zijn almacht en eeuwigheid worden uitgedrukt.

Ad 2
Relatieve bijzin (r.2) die ongewoon uitvoerig is en die een goddelijke heilsdaad uitdrukt die voorvloeit uit zijn almacht. De terminologie vat de hymne samen van  Paulus’ Brief aan de Filippenzen 2,5-9.
De relatieve bijzin is complex en bevat de bijwoordelijke bepaling ad imitandum humilitatis exemplum; ad imitandum: een gerundium-constructie van het deponente verbum imitari en kan hier gezien het voorzetsel ad als een zelfstandig naamwoord worden vertaald: ter navolging van.. Humilitatis exemplum: kan worden gelezen als object van ad imitandum; humilitatis is een bijvoeglijke bepaling in de genitivusvorm die het substantivum exemplum nader preciseert (genitivus explicativus). In deze bijzin wordt het doel verwoord van de heilsdaad van r.2.
De relatieve bijzin bevat vervolgens twee infinitivusvormen sumere en subire, beide geregeerd door het predicaat fecisti; met de accusativusvorm Salvatorem nostrum vormen deze een dubbele a.c.i.-constructie (accusativus cum infinitivo).
Het subject van de goddelijke heilsdaad is “onze Verlosser” die ons het eerste voorbeeld van nederigheid heeft gegeven door Mens te worden en het tweede in het ondergaan van de onuitsprekelijk schandelijke dood aan het kruis – iets waartoe een Romeins burger nooit werd veroordeeld. Dit zijn feitelijke gebeurtenissen uitgedrukt in de indicativus-modus van het verbum fecisti (perfectumvorm van het verbum facere; doen, bewerkstelligen)
De prominente positie van de bijwoordelijke bepaling humano generi (congruerende adiectivus- en substantivusvormen in de dativus van voordeel, dativus commodi, accentueert twee feiten: 1. ten behoeve van het menselijk geslacht heeft de almachtige God onze Verlosser Mens laten worden en 2. de mensen moeten met de genade meewerken om in de vruchten van de verlossing te kunnen delen.

Ad 3 concede, verleen, schenk, sta…toe: gezegde in de imperativus, gebiedende wijs, gemilderd door de bijwoordelijke bepaling propitius, genadig, goedgunstig, genegen, in uw goedheid.

Ad 4
Finale/doelaanwijzende of consecutieve/gevolghebbende bijzin, klasssiek ingeleid door het voegwoord ut dat de coniunctivus van het gezegde mereamur oproept (wenskarakter): opdat/zodat wij [mogen] verdienen. Mereamur: 1e pers. meervoud van het deponens (werkwoord in het passivum met actieve betekenis) wordt gevolgd door de infinitivusvorm habere. Dit verbum heeft uitgebreide betekenissen. De gewone betekenis is “hebben”, maar dit werkwoord duidt ook concepten aan als “houden, vasthouden, vastpakken, aanzien voor, beschouwen, houden voor” alsook “een bepaalde gesteltenis, gewoonte, bijzonderheid of karakteristiek bezittend”. Habere heeft feitelijk hier een dubbele functie met twee objecten, documenta en consortia hetgeen in de Nederlandse versie van het collectegebed niet wordt gepreciseerd. Meer letterlijk zou de vertaling kunnen luiden: (…) verleen in Uw goedheid dat wij waardig mogen zijn zowel de lessen van zijn geduld te ontvangen alsook deel te hebben aan Zijn verrijzenis. Het delen in de Verrijzenis van Christus is het uiteindelijke doel van de lessen van Christus’ patientia.
Patientiæ ipsius: twee bijwoordelijke bepalingen waardoor het eerste object documenta nader wordt omschreven: genitivus explicativus. De bijvoeglijke bepaling resurrectionis bij het tweede object, de accusativusvorm consortia, is eveneens een genitivus explicativus.
De et..et constructie somt twee elementen op die niet aan elkaar ondergeschikt zijn, grammaticaal tenminste niet.

V o c a b u l a r i u m

De vocabulaire van het collectegebed van vandaag is nogal complex. We kunnen slechts enkele begrippen aanstippen.

De collecte geeft twee woorden voor “voorbeeld”: exemplumdocumenta. Deze woorden komen beide voor in talloze klassieke en patristische teksten. Onze nuttige toeverlaat Lewis & Short Dictionary meldt ons dat het substantief exemplum betekent: “voorbeeld ter navolging, monster, staal, proef(stuk), specimen, model, maatstaf, origineel, exempel” (letterlijk: van eximo, van emo: iets dat uit een menigte andere dingen van dezelfde soort is uitgekozen). Exemplum is een term uit de klassieke rhetorica, een begrip dat in de ontwikkeling van de christelijke doctrine gedurende het eerste millennium schering en inslag was.
Voor de kerkvaders, allen goed getraind in de rhetorica – hoe welkom is deze vaardigheid vandaag de dag niet ! – duidde exemplum op een reeks van begrippen inclusief de mens als beeld van God, Christus als Leraar, en de inhoud van goddelijk geïnspireerde verkondiging.  In de Griekse en Romeinse rhetorica en filosofie, kon een exemplum auctoritas, “autoriteit” hebben: de overtuigende kracht van een argument. Wanneer we de collecta van vandaag beluisteren met klassieke oren, is exemplum niet slechts een “voorbeeld” dat navolgenswaardig is, maar het wijst op een gebeurtenis in het verleden met zo’n grote gezaghebbende kracht dat degene die deze navolgt, transformeert. In het collectegebed horen we spreken over humilitatis exemplum, het gezagvolle model van nederigheid dat Christus is – Christus in actie, of beter Christus in zijn Passie, die omwille van ons Zijn lijden op Zich neemt. Het concept imitandum  is krachtig en nadrukkelijk, het breidt het begrip exemplum uit en versterkt het.
Dit wordt het fundamentele en gezaghebbend patroon van de christelijke ervaring: zelf-ontlediging in de Menswording en in de Passie die voert tot de Verrijzenis. Het begrip exemplum wordt later nog meer uitgebreid in de oratie met documenta. Documentum is dus een model voor navolging zoals exemplum maar heeft ook in sommige contexten de betekenis van “een proef”, dat is een concrete demonstratie dat hetgeen wordt beweerd waar is: een evidentie.
In dit geval is het een paradigma waarnaar wij ons eigen leven moeten vormen en modelleren. Maar dit patroon of model bezit zelf actueel de kracht om ons te modelleren. Christus transformeert, herschept ons, gedoopten, die zijn geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis, naar zijn volmaakt exemplum en die Zijn exempla en documenta navolgen, Zijn woorden en daden.
Consortium (van con-sors… hetzelfde lot/doel, dezelfde bestemming met iets of iemand anders delend) betekent in klassieke zin “gemeenschap van goederen” en “gemeenschap, gezelschap, deelgenootschap”.
Patientia komt van patior, passum sum, “verdragen, ondergaan, lijden, verduren, dulden, gedogen”, en bevat alle connotaties alsook de betekenis van “geduld”. Hiervan is het woord passie afgeleid.
De ‘documenta’ werden eeuwen geleden aan de wereld gegeven, toen onze Heer leed en stierf op het kruis; bijgevolg hoeven we vandaag niet te bidden om te verkrijgen wat we reeds bezitten. Zo kan ‘Et patientiæ ipsius habere ducumenta’ dienen als achtergrond of contrast met betrekking tot het tweede zinsdeel ‘et resurrectionis ipsius habere consortia mereamur’. We vragen dat ‘we mogen verdienen deel te hebben aan Zijn verrijzenis’ zoals wij de lessen van Zijn geduld bezitten’, of anders gezegd ‘dat wij mogen verdienen de leesen van Zijn geduld zo te bezitten als deel te mogen hebben aan Zijn Verrijzenis.
Merk tenslotte op dat nostrum hoort bij Salvatorem en niet bij carnem: caro, carnis is vrouwelijk en de vorm had dan moeten zijn nostram carnem.
In de volheid van de tijd heeft de Tweede Persoon van de H. Drieëenheid, God de Zoon, het eeuwige Woord, door Wie al het zichtbare en onzichtbare is gemaakt, door de wil van de Vader Zichzelf ontledigd van Zijn heerlijkheid en onze menselijke natuur aangenomen in een onverkorte vereniging met Zijn eigen Godheid. Hij kwam naar ons, zondaars, om ons te verlossen van onze zonden en ons duidelijk te maken wie wij zijn (cf Gaudium et spes 22).  Deze reddende zending begon met zelfontlediging (in het Grieks: kenosis).
Probeer een ogenblik de nederigheid van de Verlosser te doorgronden, die Zichzelf ontledigt van Zijn goddelijke majesteit, en Zich onderwerpt aan Zijn nederig en verborgen leven vóór zijn openbaar dienstwerk. Toen de tijd van Zijn leven en van Zijn zending voltooid waren, gaf Hij Zichzelf opnieuw over, ontledigde Hij zich opnieuw tot het uit handen geven van Zijn eigen leven toe. Elk moment van Jezus’ aardse leven, elk woord en elke daad, zijn doortrokken van nederigheid. Dit is ons volmaakt voorbeeld ter navolging, een voorbeeld zo volmaakt dat het de kracht heeft ons te transformeren.
Op de 2e zondag van de Vasten presenteert de Kerk ons in het Evangelie de Gedaanteverandering van de Heer Christus Jezus waarin we Christus niet alleen zien in zijn verheerlijkte staat maar ook de toekomst waartoe we zijn geroepen. Vandaag, vol ijver en zorg dat de les van de Goede Week niet te moeilijk moge zijn herinnert zij ons opnieuw aan de zege van de Verrijzenis.
Kom, nu de Goede Week begint en het Triduum Sacrum wordt gevierd, met nederige zelfontlediging naar de heilzame sacramenten. Maak plaats voor Christus.
Onder dank gedeeltelijk geput uit F. John Zuhlsdorf WDTPRS, J.Pascher, Die Orationen des Missale Romanum Papst Paul VI. en L.Pristas, The Collects of the Roman Missals

Reeks Oratio super munera Palmzondag Vergiffenis omwille van het ene, volmaakte offer, dat wij door Uw genade hopen te ontvangen

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven”
Zesde zondag Veertigdagentijd: Palm- of Passiezondag, begin van de Goede Week
 
 Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie

Vergiffenis omwille van het ene, volmaakte offer, dat wij door Uw genade hopen te ontvangen

I n l e i d i n g
Het Gebed over de gaven van deze zondag vraagt om verzoening met God. Het Romeins Missaal 1970 biedt een formulering die aan de bron refereert van deze verzoening: “Door het Lijden en de Dood van Uw eniggeboren Zoon”. Mogelijk motief van de samenstellers was een beklemtoning van het historisch-liturgisch kader van Palmzondag als “Dominica in palmis de Passione Domini”. Hier begint volgens oude overlevering het eigenlijke “Pascha” van Christus, de week, die aan de herdenking van zijn Dood en Verrijzenis is gewijd: de Hebdomada Sancta, de Heilige of Goede Week. De liturgie van Palm- of Passiezondag wordt bijzonder geaccentueerd door de lezing van het Passieverhaal.
Gezien de tekst van de oratie schijnt de aanvulling niet strikt noodzakelijk te zijn geweest: in de brontekst wordt de relatie tot het Lijden van Christus door de verwijzing naar het “singulare sacrificium” voldoende duidelijk gemaakt. Het Offer van Christas was immers uniek, alles overtreffend en volmaakt. Zelfs wanneer men onder het “enige Offer” de H. Eucharistie verstaat, is het in het Eucharistisch Mysterie toch het Kruisoffer waardoor Christus de Vader met ons heeft verzoend (Eucharistisch Gebed IIIb: “Zie welwillend neer op het Offer van Uw Kerk, en wil er Uw Zoon in herkennen, door wiens Dood Gij ons met U verzoend hebt”) .
De bede dat deze verzoening ons door het Lijden van Christus “nabij moge zijn”, appelleert aan de liefde van God die tot vergeven grif bereid is, te allen tijde tot vergeven bereid is.
Een belangrijk dogmatisch aspect in de oratie is, dat wij de verzoening met de Vader niet kunnen verdienen door onze werken. Hier heeft het begrip “mereri” de exacte betekenis van “verdienen” zoals de Canon Romanus ook verwoordt in de uitdrukking “non æstimator meriti” van het gebed “Nobis quoque peccatoribus” na de Consecratie, waarin niet het wegen van onze verdiensten door God als schatmeester maar de weldaad van vergiffenis van zijn kant de titel is waarop dit eschatologische gebed zich beroept om toegelaten te worden tot het gezelschap van de Heiligen.

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Per Unigeniti tui passionem placatio tua nobis, Domine, sit propinqua,
quam, etsi nostris operibus non meremur,
interveniente sacrificio singulari,
tua percipiamus miseratione præventi.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, moge door het lijden en de dood van uw eniggeboren Zoon de verzoening ons nabij zijn.
Schenk ons vergiffenis, niet omdat wij het verdienen, maar omwille van het ene, volmaakte offer, waarin Gij ons genadig tegemoet komt.

Werkvertaling 
Heer, moge door het lijden van Uw eniggeboren Zoon Uw verzoening ons nabij zijn,
welke wij, ofschoon wij deze op grond van onze werken niet verdienen,
door de bemiddelende tussenkomst van dit buitengewone Offer,
door het mededogen van U die tegemoet is gekomen, hopen te ontvangen, óf
door uw genade tegemoet getreden als wij zijn, hopen te ontvangen.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De brontekst van Latijnse oratie is afkomstig uit het Sacramentarium Leonianum, 628, Kapittelbibliotheek Verona, LXXXV,  eerste  helft van de achtste eeuw en luidt:
Placatio tua nobis, domine, sit propinqua,
quam etsi nostris operibus non meremur,
interveniente sacrificio singulari
tua percipiamus miseratione præventi.
Deze oratie kwam niet voor in eerdere edities van het Missale Romanum.
S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1.  Per Unigeniti tui passionem placatio tua nobis, Domine, sit propinqua,
2. quam, etsi nostris operibus non meremur,
3. interveniente sacrificio singulari,
tua percipiamus miseratione præventi.

De oratio Super munera bestaat uit een enkele zin, waarvan de eigenlijke bede in r. 1 wordt verwoord. De relatieve bijzin quam…præventi geeft vervolgens een kwalitatieve toelichting: het Offer van Christus, voortkomend uit het barmhartig raadsbesluit van de Vader, is allesomvattend in aard en uitwerking, waar tegenover onze offers, hoe groot die ook soms kunnen zijn, in het niet vallen. De relatieve zin wordt in regel 3 onderbroken door een bijwoordelijke bepaling in een ablativus absolutusconstructie.

Ad 1
Sit propinqua, moge hij/zij/het nabij zijn, prædicaat, samengesteld uit een werkwoordelijk - (sit) en naamwoordelijk deel (propinqua), waarvan placatio tua het subject is in twee congruerende nominativusvormen en derhalve ook met propinqua.
Nobis, voor ons, bijwoordelijke bepaling, in de dativusvorm van het persoonlijke voornaamwoord nos: dativus commodi (van voordeel).
Domine, [o] Heer, anaklese in de vocativusvorm.
Per Unigeniti tui passionem, door het lijden van Uw Eniggeborene, bijwoordelijke bepaling die de hoedanigheid van het subject aangeeft: hoe is er verzoening? De bijwoordelijke bepaling is opgebouwd uit de accusativusvorm passionem, geregeerd door de præpositie per (+ acc.), waartussen geplaatst de twee congruerende genitivusvormen Unigeniti tui. 
Regel 1 bevat een viervoudige alliteratie van de letter p: Per…passionem placatio… propinqua en ook de o-klank is rijkelijk vertegenwoordigd hetgeen een mooi effect geeft bij het zingen.
Ad 2
Relatieve bijzin quam […] præventi, met het betrekkelijk voornaamwoord quam in de accusativusvorm vr. enkelv. met placatio (r. 1) als antecedent.
Percipiamus, wij mogen verkrijgen, wij hopen te ontvangen, prædicaat in de 1e pers. meerv. van de coniunctivusvorm van percipere, bepaald door 1. het relativum quam, maar wellicht vooral door 2. het optatief  (wens-) karakter: wij hopen Gods erbarmen deelachtig te worden.
Præventi, participium perfecti passivi [ppp] van het verbum prævenire in de 1e persoon meervoud, als bijstelling gekoppeld aan het ingesloten subject van percipiamus: wij, die voorafgegaan/tegemoet gekomen zijn. Een tweede optie is dat præventi een zelfstandig gebruikt ppp is in de genitivus enkelv. m. en vertaald kan worden met “door het mededogen van U die tegemoet gekomen is”.
Præventi is gekoppeld aan de bijwoordelijke bepaling tua […] miseratione, in twee congruerende ablativusvormen (ablativus cauæ) die een hyperbaton vormen. Gods erbarmen gaat vooraf aan het ontvangen van de verzoening. Deze gedachte verwijst naar het Exsultet aan het begin van de Paasvigilie waar de “felix culpa”, de gelukkige schuld wordt bezongen,  waaraan wij de Verlosser danken.
De relatieve bijzin quam bevat twee tussenzinnen: de eerste is een concessieve bijzin (van toegeving) met het prædicaat meremur in de indicativusvorm omdat het gestelde een feitelijkheid is. Nooit kunnen wij immers Gods genadegunsten verdienen. Het object bij dit verbum is verzwegen maar wordt gevonden in het reflexivum quam dat aldus twee functies heeft.
Nostris operibus, door/op grond van onze werken, bijwoordelijke vertaling van middel of werktuig in twee congruerende ablativusvormen (ablativus instrumentalis).
De volgende tussenzin (r. 3): interveniente sacrificio singulari, door de bemiddelende tussenkomst van dit buitengewone Offer - bevat een ablativus absolutusconstructie in drie congruerende ablativusvormen. De beginletters van het woordenpaar sacrificio singulari vormen opnieuw een alliteratie.
Het participium præsens interveniente wordt het eerst genoemd in de oratie, terwijl het participium perfecti passivi præventi dat de oratie afsluit verwijst naar een voorafgaan aan het interveniëren van de kant van God. Gods erbarmen met de gevallen mensheid (præventie) gaat vooraf aan de komst van de Zoon op aarde (interventie) in de gestalte van God-Mens: ‘Et incarnatus est”. Zonder Kerstmis geen Pasen.

V o c a b u l a r i u m
Unigenitus, de Enig-geboren Zoon van God, Jezus Christus. Nieuw begrip, ontstaan in de vroeg-christelijke Kerk afkomstig uit het christelijk leeronderricht, daar het noodzakelijk was met theologische precisie een concept te vinden voor het Griekse equivalent μονογενης.  Als een theologisch epitheton voor Christus als de Zoon van God schijnt het begrip al vroeg geïntroduceerd te zijn in de christelijke teksten, de liturgie en de oratietaal. Het begrip is ons vertrouwd uit het Gloria van de H. Mis: “Domine, Fili unigenite Iesu Christi” (hier bijvoeglijk gebruikt bij Fili); uit het Credo: Credo […] et in unum Dominum Iesum Christum, Filium Dei unigenitum (ook hier bijvoeglijk gebruikt en in een hyperbaton-stijlfiguur). En bijvoorbeeld  in Sermo 4 van de H. Leo over de dialoog van Jezus met Petrus (22 febr.): “[…] et non caro nec sanguis, sed ille me tibi, cuius sum unigenitus Filius, indicavit” (Niet vlees noch bloed, maar Hij, wiens Eniggeboren Zoon Ik ben, heeft je onderricht).

Placatio, onis vr. 1. verzoening, bevrediging 2. zoengeld, losprijs 3.daad om God te verzoenen.
De H. Eucharistie is als actualisering van Christus’Offer op het kruis een act van verzoening, zoals de oratie zegt. Het Sacramentarium Leonianum, 33, spreekt van “sacrificium placationis et laudis”, een offer van verzoening en lof, vandaar het frequent gebruik van adiectieven en participia als benignus, propitius, propitiatus, placatus in de Gebeden over  de gaven. In hetzelfde Sacramentarium nog (f. 1139): “per hæc piæ placationis officia”, door deze offerande van het [dit] godsvruchtig offer van verzoening, en in de Secreta van de 5e zondag na Epiphanie in het Gregorianum 41, 3: hostias tibi, Domine, placationis offerimus”- U, Heer, offeren wij dit offer van verzoening.

Propinquus, -a, -um: 1. naburig, nabij 2.aanstaande  3. verwant. Zelfstandig gebruikt propinquus, -i m. en vr.: verwant. Verwante begrippen: propinquare/appropinquare: naderen, nader brengen, bespoedigen;  propinquitas,- atis: 1. nabijheid 2. verwantschap

Singularis, -e 1. afzonderlijk 2. alleeen 3. tot een enkele behorend 4. enig in zijn soort, buitengewoon 5. zonderling. Als substantief gebruikt: singularis,  -is: wild zwijn (Psalm 79).

Prævenire, - veni – ventus 4. heeft vele verwante betekenissen: 1. voorkomen 2. vooruit gaan 3. voorafgaan 4.vooruit vieren 5. overtreffen 6. beletten, verhinderen 7. tegemoet komen. Vergelijk onze begrippen preventie, preventief en heel modern, Preventel.

Intervenire, - veni – ventus 4.  1. er tussen komen 2. er bij komen, verschijnen 3. zich mengenb in 4. voorspreken, bemiddelen 5. onderbreken, storen, met de “leenwoorden” in het Nederlands: interventie, interveniëren. Volgens traditie worden de Moeder Gods, Heiligen en Engelen gevraagd te interveniëren bij God, hun intercessie (voorspraak) aan te wenden. Veel gebruikte begrippen in de oraties zijn: intercedere, intervenire en (plechtig) suffragari. In het gezang “Sancta Maria” komt de bede voor: interveni pro clero, spreek voor de clerus ten beste.

G e t u i g e n i s  v a n  d e  V a d e r s
H. Leo de Grote, paus [390-461]
“Nu is er een eind gekomen aan de verscheidenheid van vleselijke offers en worden al die verschillende offers vervangen door het ene Offer van uw Lichaam en Bloed, omdat Gij waarlijk zijt “het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt”, en aldus in U alle mysteries voltrekt, zoals er nu één offer plaats heeft in de plaats van alle slachtoffers, er zo ook één heerschappij zij over alle volken. (…) en ofschoon de natuur van de Godheid niet geraakt kan worden door de angel van de dood, heeft Hij toch datgene aangenomen – door uit ons geboren te worden – waardoor Hij voor ons het offer kon brengen”.
(Uit Preek 8, De passione Domini, 7-8)

H. Fulgentius van Ruspe [460-533]
“Deze is het, die in zich alleen alles uitvoerde, wat Hij wist dat nodig was voor de voltooiing van onze verlossing; Hij was namelijk tegelijk Priester en Offer, God en Tempel: Priester, door wie wij zijn verzoend; Offer, waardoor wij zijn verzoend; Tempel, waarin wij zijn verzoend, en God met Wie wij zijn verzoend. Hij alleen was: de Priester, het Offer en de Tempel: dit alles was God in de gestalte van een dienstknecht; maar God was Hij niet alleen, want God was Hij met de Vader en de Heilige Geest.
Dus moet u met de grootste zekerheid voor waar houden, dat de Eniggeboren god, het Woord, mens geworden, Zichzelf voor ons als offer en offergave aan God heeft aangeboden tot aangename geur. Aan Wie met de Vader en de Heilige Geest in de tijd van het Oude Testament door patriarchen, priesters en profeten dieren werden geofferd. En aan Wie nu, dit is in de tijd van het Nieuwe Testament, met de Vader en e Heilige Geest, met Wie Hij één Godheid is, de heilige katholieke Kerk het Offer van brood en wijn in liefde en geloof over heel de wereld zonder ophouden aanbiedt”.
(Uit het Tractaat Over het geloof aan Petrus (diaken), cap. 22. 62: CCL 91A, 750)

H. John Fisher, bisschop en martelaar [1469-1535]
“Christus Jezus is onze Hogepriester; zijn kostbaar Lichaam is onze Offerande, die Hij op het altaar van het kruis voor het heil van de mensen heeft opgedragen. Het Bloed, voor onze verlossing vergoten, was […] van het alleronschuldigste Lam, onze Verlosser Jezus Christus. Zijn eerste Offer bracht Hij hier op aarde, toen Hij zijn allerbitterste dood onderging. Daarna echter, toen Hij met een nieuw kleed van onsterfelijkheid was bekleed, ging Hij door zijn eigen Bloed het Heilige der Heilige, dit is de hemel, binnen, waar Hij ook dat Bloed van onmetelijke waarde, dat Hij voor de zondeschuld van alle mensen zevenmaal vergoten had, aanbood voor de troon van zijn hemelse Vader.
Dat Offer nu is God zo aangenaam en dierbaar, dat zodra Hij dit ziet, niet anders kan doen dan terstond medelijden met ons hebben en aan alle waarlijk boetvaardigen zijn vergeving schenken.
Dit Offer is eeuwig. Het wordt niet eenmaal in het jaar, maar alle dagen, en zo ook ieder uur, ieder ogenblik, tot onze troost opgedragen. Aan dit heilig en eeuwig Offer worden in waarheid zij allen deelachtig die echt berouw hebben over hun misdaden en daarvoor boete doen, en die met bewuste overtuiging hun zonden daarna niet meer willen bedrijven, maar standvastig willen volharden in de begonnen toeleg op de deugd”.
(Uit het Commentaar op Ps. 129: Opera omnia, edit. 1579, p. 1610)
C o m m e n t a a r
De dood van Christus is zowel het Paasoffer dat de definitieve verlossing van de mensen (vgl. 1 Kor 5, 7) door het “Lam dat de zonde van de wereld wegneemt” (Joh 1, 19; vgl. 1 Pe 1, 19) bewerkstelligt als het offer van het Nieuwe Verbond (Vgl. 1 Kor 11, 25) dat de mens de gemeenschap met god schenkt (Vgl. Ex 24, 8), omdat het hem met God verzoent door “het Bloed dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van de zonden” (Mt 26, 28 (vgl. Lev 16,15-16).
Dit offer van Christus is uniek, het is de voltooiing van alle offers en overtreft die nog (Vgl. Hebr 10, 10). Het is allereerst een gave van God de Vader zelf: het is de Vader die zijn Zoon overlevert om ons met Hem te verzoenen ( vgl. 1 Joh 4, 10). Tegelijkertijd is het een offerande van de mensgeworden Zoon van God die uit vrije wil en uit liefde (Vgl. Joh 15, 13) zijn leven aanbiedt (Vgl. Joh 10, 17-18) aan zijn Vader door de heilige Geest (Vgl. Hebr 9, 14) om onze ongehoorzaamheid weer goed te maken”. (KKK, nrs. 613-614)

Het “unieke” Offer is dus in meerdere opzichten uniek: vóór alles omdat de mens geworden Zoon van God én Priester én Offergave aan het kruis is. Daardoor stijgt dit Offer tot een unieke waarde en wint bij God onbegrensde en onuitputtelijke genadekracht die zichtbaar wordt in het opwekken van Zijn Zoon als antwoord van de liefdevolle Vader, waarin eens  ook de verloste mensen zullen delen. Omdat Christus in zijn mens geworden goddelijke persoon “zich in zekere zin met iedere mens verenigd heeft” (Gaudium et Spes [GS] 22, par. 2), biedt Hij “allen de mogelijkheid om op een wijze die God bekend is, in dit Paasgeheim te worden opgenomen” (GS 22, par. 5).

Uit de uniciteit van dit Offer volgt ook dat dit Offer niet herhaald of vermenigvuldigd kan worden (vgl. Hebr 9-10). Niettemin heeft Gods Voorzienigheid gezorgd dat dit unieke Offer van het Nieuwe Verbond te allen tijde tegenwoordig is in de H. Eucharistie. Dit is geen tweede of derde offer, maar steeds een tegenwoordig stellen van het enige Offer onder sacramenteel teken. In dit kader lijkt het juister ter voorkoming van misverstand, de benadering “vernieuwing” van het Kruisoffer te vermijden omdat deze term kan wijzen op “herhaling, vermenigvuldiging”. Op zichzelf kan de uitdrukking “vernieuwing” zoals gehanteerd in kerkelijke documententen toch niet bekritiseerd worden aangezien het eenmalige Offer steeds opnieuw tegenwoordig wordt gesteld. Het Offer van Christus is verder uniek omdat geen andere offergave mogelijk is dan het Lichaam en Bloed van Jezus Christus als bezegeling van het Nieuwe Verbond dat ons de verzoening schonk. Het Eucharistisch Gebed II vraagt in dit verband gaven van brood en wijn met de dauw van de Heilige Geest te heiligen, opdat zij voor ons worden tot Lichaam en Bloed van Jezus Christus onze Heer, het Paasoffer van het Nieuwe Verbond “want Christus ons Paaslam is voor ons geslacht” ( 1 Kor 5, 7).

Wij mogen door het unieke offer van Christus hopen Gods verzoening te ontvangen, niet wegens onze verdiensten, maar omdat wij door God in zijn genade tegemoet worden getreden.