Posts tonen met het label H. Pius X. Alle posts tonen
Posts tonen met het label H. Pius X. Alle posts tonen
vrijdag 20 augustus 2021
Pius X - basiliek in Lourdes
La Basilique souterraine Saint Pie X a une surface de 12000m² environ.
Son plan est un ovale de 201 mètres sur 81 mètres.
Cette basilique, d'une capacité maximale de 25000 personnes a été consacrée le 25 mars 1958 pour le centenaire des Apparitions par le futur pape Jean XXIII.
Elle est ornée de 39 toiles représentant différents saints et bienheureux, et également par 52 gemmaux.
Pius X on the Psalms: The song of the Church. St Augustine: How I wept when I heard your hymns and canticles, being deeply moved by the sweet singing of your Church.
The collection of psalms found in Scripture, composed as it was under divine inspiration, has, from the very beginnings of the Church, shown a wonderful power of fostering devotion among Christians as they offer to God a continuous sacrifice of praise, the harvest of lips blessing his name. Following a custom already established in the Old Law, the psalms have played a conspicuous part in the sacred liturgy itself, and in the divine office. Thus was born what Basil calls the voice of the Church, that singing of psalms, which is the daughter of that hymn of praise (to use the words of our predecessor, Urban VIII) which goes up unceasingly before the throne of God and of the Lamb, and which teaches those especially charged with the duty of divine worship, as Athanasius says, the way to praise God, and the fitting words in which to bless him. Augustine expresses this well when he says: God praised himself so that man might give him fitting praise; because God chose to praise himself man found the way in which to bless God.
The psalms have also a wonderful power to awaken in our hearts the desire for every virtue. Athanasius says: Though all Scripture, both old and new, is divinely inspired and has its use in teaching, as we read in Scripture itself, yet the Book of Psalms, like a garden enclosing the fruits of all the other books, produces its fruits in song, and in the process of singing brings forth its own special fruits to take their place beside them. In the same place Athanasius rightly adds: The psalms seem to me to be like a mirror, in which the person using them can see himself, and the stirrings of his own heart; he can recite them against the background of his own emotions. Augustine says in his Confessions: How I wept when I heard your hymns and canticles, being deeply moved by the sweet singing of your Church. Those voices flowed into my ears, truth filtered into my heart, and from my heart surged waves of devotion. Tears ran down, and I was happy in my tears.
Indeed, who could fail to be moved by those many passages in the psalms which set forth so profoundly the infinite majesty of God, his omnipotence, his justice and goodness and clemency, too deep for words, and all the other infinite qualities of his that deserve our praise? Who could fail to be roused to the same emotions by the prayers of thanksgiving to God for blessings received, by the petitions, so humble and confident, for blessings still awaited, by the cries of a soul in sorrow for sin committed? Who would not be fired with love as he looks on the likeness of Christ, the redeemer, here so lovingly foretold? His was the voice Augustine heard in every psalm, the voice of praise, of suffering, of joyful expectation, of present distress.
Read more at http://www.patheos.com/blogs/billykangas/2013/08/pius-x-on-the-pslams-the-song-of-the-church.html#ev1CpBEmRLZaq6J3.99
The psalms have also a wonderful power to awaken in our hearts the desire for every virtue. Athanasius says: Though all Scripture, both old and new, is divinely inspired and has its use in teaching, as we read in Scripture itself, yet the Book of Psalms, like a garden enclosing the fruits of all the other books, produces its fruits in song, and in the process of singing brings forth its own special fruits to take their place beside them. In the same place Athanasius rightly adds: The psalms seem to me to be like a mirror, in which the person using them can see himself, and the stirrings of his own heart; he can recite them against the background of his own emotions. Augustine says in his Confessions: How I wept when I heard your hymns and canticles, being deeply moved by the sweet singing of your Church. Those voices flowed into my ears, truth filtered into my heart, and from my heart surged waves of devotion. Tears ran down, and I was happy in my tears.
Indeed, who could fail to be moved by those many passages in the psalms which set forth so profoundly the infinite majesty of God, his omnipotence, his justice and goodness and clemency, too deep for words, and all the other infinite qualities of his that deserve our praise? Who could fail to be roused to the same emotions by the prayers of thanksgiving to God for blessings received, by the petitions, so humble and confident, for blessings still awaited, by the cries of a soul in sorrow for sin committed? Who would not be fired with love as he looks on the likeness of Christ, the redeemer, here so lovingly foretold? His was the voice Augustine heard in every psalm, the voice of praise, of suffering, of joyful expectation, of present distress.
Read more at http://www.patheos.com/blogs/billykangas/2013/08/pius-x-on-the-pslams-the-song-of-the-church.html#ev1CpBEmRLZaq6J3.99
Pius X Liturgia Horarum : "Psalmen: de aangenaam klinkende stem van de Kerk"
Liturgia Horarum – Getijdengebed
21 augustus
Gedachtenis
van de H. Pius X, paus
Lezing uit de Apostolische Constitutie “Divino afflatu” van de H.Pius X, paus
Over de psalmen : de aangenaam klinkende stem van de Kerk
Het staat wel vast
dat de psalmen, die onder goddelijke ingeving zijn samengesteld en in heilige
boeken werden bewaard, vanaf het begin van de Kerk niet alleen van wonderbare
invloed zijn geweest om de godsvrucht te voeden van de gelovigen, die voortdurend aan God een offer van lof
brachten, dit is, de vrucht van lippen, die zijn Naam beleden. Maar ze hebben ook een
opvallend deel uitgemaakt van de heilige Liturgie zelf en het Goddelijk
Officie, naar een gewoonte die reeds in de Oude Wet bestond. Vandaar zegt de H. Basilius dat zij zijn
uitgegroeid tot de stem van de Kerk,
en dat de psalmodie door onze voorganger Urbanus de dochter van het hymnegezang wordt genoemd, dat onafgebroken voor de troon van God en het Lam wordt gezongen.
Deze psalmodie onderricht naar het woord van de H. Athanasius die mensen
vooral, die zich wijden aan de goddelijke eredienst, in de wijze hoe men God moet loven en in welke bewoordingen dat op
passende wijze moet worden geuit.
Zeer schoon merkt de H. Augustinus
hier op: “Opdat God door de mens op de
juiste manier geprezen zou worden, heeft God Zichzelf geprezen. En omdat Hij
zich verwaardigde Zichzelf te prijzen, heeft ook de mens de manier gevonden hoe
hij God moet prijzen”.
Daar komt nog bij, dat in de psalmen
meen wonderbare kracht ligt, om in de zielen het verlangen op te wekken naar
alle deugden. Want hoewel geheel onze
heilige Schrift, zowel het Oude als het Nieuwe Testament door God is
geïnspireerd en nuttig is tot onderricht om zo het geschreven woord Gods te
hebben, zal toch het Boek van de Psalmen, dat als een paradijs de vruchten
bevat van alle andere Boeken, ons de gezangen geven en eigen speciale
vruchten met die (van de andere Boeken) bij
het psalmodiëren verschaffen. Dit is opnieuw de H. Athanasius die hier
terecht aan toevoegt: “Mij dunkt dat de
psalmen voor wie ze bidt als een spiegel zijn om daarin zichzelf en zijn
gemoedsbewegingen te beschouwen en zo die gevoelens uit te spreken”. Zo
zegt de H. Augustinus in zijn Belijdenissen: ”Wat heb ik geweend bij uw hymnen en gezangen, toen ik hevig bewogen was bij
de fijn-klinkende stemmen van uw Kerk! Die stemmen drongen in mijn oren door;
de waarheid vloeide mijn hart binnen, ontbrandde mijn gemoed tot godsvrucht;
mijn tranen vloeiden en ik voelde mij daarbij gelukkig”.
Immers, wie zouden die veelvuldige
plaatsen in de psalmen niet ontroeren, waarin zo luid gesproken wordt over de
onmetelijke Majesteit Gods, over zijn almacht, zijn onuitsprekelijke
rechtvaardigheid, of goedheid of barmhartigheid, en over zijn overige eindeloze
heerlijkheden! Bij wie zouden die dankzeggingen voor de van God ontvangen
weldaden niet dezelfde gevoelens opwekken. Of bij wie zouden de nederige en
trouwvolle gebeden omtrent verhoopte gunsten, of verzuchtingen van een
boetvaardige ziel over haar bedreven zonden niet dezelfde gevoelens opwekken?
Wie zou niet van liefde ontvlamd worden door het met liefde voorafgeschaduwde
beeld van de Verlosser Christus? Van Hem hoorde Augustinus de stem in alle psalmen ofwel bidden of zuchten, , ofwel in
werkelijkheid klagen, ofwel zich verheugen in de hoop.
21 augustus Gedachtenis van de H. Pius X, paus 1835- 20 augustus 1914 De lieflijk klinkende stem van de Kerk.
Martyrologium
Romanum
21 augustus
Gedachtenis van de H. Pius X, paus 1835- 20
augustus 1914
De gedachtenis van
de heilige paus Pius X, die eerst als priester in de zorg voor een parochie,
daarna als bisschop van Mantua, vervolgens als patriarch van Venetië en
uiteindelijk na zijn uitverkiezing als paus van Rome alles in Christus te
hernieuwen [dit was zijn devies: instauare
omnia in Christo] het bestuur op zich nam dat hij in eenvoud van geest, in
armoede en met kracht uitoefende. Daarbij stimuleerde hij onder de gelovigen
het christelijk leven door de deelname aan de Eucharistie, de waardigheid van
de heilige liturgie en de zuiverheid van de leer.
Lectio altera lezingendienst
Uit de apostolische constitutie van de heilige paus Pius X († 1914) over de heilige Schrift
De lieflijk klinkende stem van de kerk.
De door God geïnspireerde, in de heilige Schrift verzamelde psalmen hebben vanaf het begin van de kerk de vroomheid bij de gelovigen gevoed, zodat dezen ‘God voortdurend een lofoffer brengen, de hulde namelijk van lippen die zijn Naam prijzen’ (Heb. 13, 15). De psalmen hebben, overeenkomstig een reeds onder de oude Wet ontstane gewoonte, steeds een aanzienlijk deel uitgemaakt van de eucharistieviering en van de getijden. Daarom spreekt Basilius over de oorspronkelijke ‘stem van de kerk’. De psalmodie is door onze voorganger Urbanus VIII genoemd: ‘de dochter van de lofzang die zonder ophouden weerklinkt voor de troon van God en van het Lam’. Zij leert, schrijft Athanasius, de mensen, en vooral hen die belast zijn met de zorg voor de eredienst, ‘volgens welke regels God te loven en met welke woorden dit op passende wijze te doen’. En Augustinus heeft hierover treffend gezegd: ‘Opdat God door de mens op de juiste wijze geloofd zou worden, heeft God zichzelf geloofd en doordat Hij zich aldus heeft willen loven, heeft de mens kunnen leren hoe God te loven.’
Bovendien hebben de psalmen een wonderbare kracht die de ziel opwekt tot beoefening van alle deugden. Want geheel onze heilige Schrift, Nieuwe en Oude Testament, is, zoals zijzelf zegt, door God geïnspireerd en dient om op te voeden (vgl. 2 Tim. 3, 16). ‘In het psalmboek vindt men, als in een paradijselijke tuin, naast de rijkdom aan eigen vruchten ook vruchten van alle andere boeken.’ Dit zijn woorden van Athanasius en hij voegt er met recht aan toe: ‘De psalmen zijn voor de zanger als een spiegel, waarin hij zich en zijn gedachten en gevoelens kan beschouwen en daardoor leren deze te uiten.’ In dit verband schrijft Augustinus in zijn Belijdenissen: ‘Hoe vaak heb ik geweend bij uw hymnen en gezangen, diep ontroerd door de zoete stemmen van uw kerk. De stemmen vloeiden mijn hart binnen, zodat er godsvrucht opwelde en tranen mij uit de ogen stroomden en dat deed mij goed.’
Inderdaad, wie wordt niet ontroerd door de vele plaatsen in de psalmen die zo verheven de onmetelijke majesteit van God prediken, en zijn almacht, zijn onbegrijpelijke rechtvaardigheid, goedheid en goedertierenheid en al wat in Hem zo oneindig lovenswaard is? En in wie zouden woorden van dankbaarheid voor de ontvangen weldaden van God niet overeenkomstige gevoelens opwekken? Of nederige en met vertrouwen opgezonden smeekbeden of het geroep waarmee boetvaardige zielen hun zonden belijden? Wie zou de in het psalmboek zo duidelijk te herkennen gestalte van Christus, onze Verlosser, niet met liefde vervullen, wanneer hij, zoals Augustinus schrijft, diens ‘stem in alle psalmen hoort, zingend of klagend, zich hoopvol verblijdend in de toekomst of zuchtend in het heden’?
Lectio altera lezingendienst
Uit de apostolische constitutie van de heilige paus Pius X († 1914) over de heilige Schrift
De lieflijk klinkende stem van de kerk.
De door God geïnspireerde, in de heilige Schrift verzamelde psalmen hebben vanaf het begin van de kerk de vroomheid bij de gelovigen gevoed, zodat dezen ‘God voortdurend een lofoffer brengen, de hulde namelijk van lippen die zijn Naam prijzen’ (Heb. 13, 15). De psalmen hebben, overeenkomstig een reeds onder de oude Wet ontstane gewoonte, steeds een aanzienlijk deel uitgemaakt van de eucharistieviering en van de getijden. Daarom spreekt Basilius over de oorspronkelijke ‘stem van de kerk’. De psalmodie is door onze voorganger Urbanus VIII genoemd: ‘de dochter van de lofzang die zonder ophouden weerklinkt voor de troon van God en van het Lam’. Zij leert, schrijft Athanasius, de mensen, en vooral hen die belast zijn met de zorg voor de eredienst, ‘volgens welke regels God te loven en met welke woorden dit op passende wijze te doen’. En Augustinus heeft hierover treffend gezegd: ‘Opdat God door de mens op de juiste wijze geloofd zou worden, heeft God zichzelf geloofd en doordat Hij zich aldus heeft willen loven, heeft de mens kunnen leren hoe God te loven.’
Bovendien hebben de psalmen een wonderbare kracht die de ziel opwekt tot beoefening van alle deugden. Want geheel onze heilige Schrift, Nieuwe en Oude Testament, is, zoals zijzelf zegt, door God geïnspireerd en dient om op te voeden (vgl. 2 Tim. 3, 16). ‘In het psalmboek vindt men, als in een paradijselijke tuin, naast de rijkdom aan eigen vruchten ook vruchten van alle andere boeken.’ Dit zijn woorden van Athanasius en hij voegt er met recht aan toe: ‘De psalmen zijn voor de zanger als een spiegel, waarin hij zich en zijn gedachten en gevoelens kan beschouwen en daardoor leren deze te uiten.’ In dit verband schrijft Augustinus in zijn Belijdenissen: ‘Hoe vaak heb ik geweend bij uw hymnen en gezangen, diep ontroerd door de zoete stemmen van uw kerk. De stemmen vloeiden mijn hart binnen, zodat er godsvrucht opwelde en tranen mij uit de ogen stroomden en dat deed mij goed.’
Inderdaad, wie wordt niet ontroerd door de vele plaatsen in de psalmen die zo verheven de onmetelijke majesteit van God prediken, en zijn almacht, zijn onbegrijpelijke rechtvaardigheid, goedheid en goedertierenheid en al wat in Hem zo oneindig lovenswaard is? En in wie zouden woorden van dankbaarheid voor de ontvangen weldaden van God niet overeenkomstige gevoelens opwekken? Of nederige en met vertrouwen opgezonden smeekbeden of het geroep waarmee boetvaardige zielen hun zonden belijden? Wie zou de in het psalmboek zo duidelijk te herkennen gestalte van Christus, onze Verlosser, niet met liefde vervullen, wanneer hij, zoals Augustinus schrijft, diens ‘stem in alle psalmen hoort, zingend of klagend, zich hoopvol verblijdend in de toekomst of zuchtend in het heden’?
Abonneren op:
Posts (Atom)





