Posts tonen met het label 20 december. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 20 december. Alle posts tonen
maandag 20 december 2021
20 december Vierde antifoon van de reeks O-antifonen
T e k s t
O Clavis David, et sceptrum domus Israel:
qui aperis, et nemo claudit;
claudis, et nemo aperit:
veni, et educ vinctum de domo carceris, sedentem
in tenebris et umbra mortis.
O Sleutel van David en scepter van het huis
van Israël,
die opent en niemand kan sluiten,
die sluit en niemand kan openen:
kom, en voer de geboeide uit de kerker, hem
die zit in de duisternis en in de schaduw van de dood.
B i j b
e l s e r e f e r e n t i e
O Sleutel van David en scepter van het Huis
van Israël (Jes 22, 22; Apoc 3, 7),
die opent en niemand kan sluiten,
die sluit en niemand kan openen:
kom, en voer de geboeide uit de kerker, hem
die zit in de duisternis en in de schaduw van de dood (Jes 42, 7; Ps 107, 14;
Luc 1, 79).
Opnieuw zien we in Christus de vervulling
van de belofte aan David gedaan: wat in het Oude Testament onder een sluiter
lag opgesloten wordt in het Nieuwe Testament ontsloten. In het Boek van de Openbaring van Johannes 3,
7 wordt Christus als “Sleutel van David” toegesproken en de heilsdaad vermeld die Hij
door zijn verlossende dood de mensheid heeft geschonken: “Als Hij opent, kan
niemand sluiten, als Hij sluit kan niemand openen.” Het symbool van het
overgeven van de sleutels betekent de opperste bestuursmacht. Hij is bestuurder
en al zijn beslissingen zijn door de Vader goedgekeurd. Wij zien dat Johannes
de plaats van Isaias heeft overgenomen en op Christus overgedragen. De antifoon
voegt alleen nog een vergroting van de macht van Christus er aan toe door middel
van de titel Scepter van het Huis of liever over het Huis van Israël.
C o
m m e n t a a r
Zo
spreekt de Heer: In de tijd van genade verhoor Ik u, op de dag van het heil sta
Ik u bij: Ik vorm en bestem u om de man te zijn van mijn verbond met het volk,
en om het land weer op te richten, om het verlaten erfgoed weer toe te wijzen,
en om de geboeiden te zeggen: “Komt naar
buiten!” en hen die in duisternis zuchten: “Komt te voorschijn!“ (Jes 49, 8-9)
Deze
woorden van de profeet over hen die gevangen gehouden worden en over hen die
zuchten in de duisternis, roepen ook de nederdaling van Christus in de
onderwereld op. Dit thema is dikwijls in de kunst uitgedrukt, vooral door
kunstenaars van de Oosterse Kerk, die aan de voeten van de verrezen Christus de
geboeide Adam plaats, geketend in de kluisters van de erfzonde, dikwijls,
(meestal naast hem een veelvoud aan voorwerpen in de vorm van spiralen en
sleutels, en ook een slot dat er bij past.
“De sleutel van Davids Huis leg Ik hem op de schouders: wat hij opent kan niemand sluiten; wat hij sluit kan niemand openen” (Jes 22, 22) – naar ons idee eigenlijk een merkwaardige plaats voor een sleutel.
Op een voorbereidingsdag van Pasen werd Hem op de
schouders gelegd hetgeen Hij droeg naar de Schedelplaats: het kruis. De sleutel
voor het ontsluiten van de boeien van hen die in de duisternis van zonde en
dood zitten heeft de vorm van het kruis van Christus, de Sleutel is Christus
zelf.
O v e r w e g i n g
De
O-antifoon van vandaag zegt dat Christus als Zoon van David ook
erfgenaam en drager is van de sleutels van David, d.w.z. van zijn rijk. Het
rijk van David is voorafbeelding van het Godsrijk. Zo is dus Christus de
hoogste Bestuurder van de schatten in de heilsorde. Hij zei na zijn
verrijzenis: “Mij is alle macht gegeven in hemel en op aarde.” Daarom kon Hij
deze macht ook aan zijn Kerk en haar bestuurders overdragen. Christus gebruikte
hetzelfde beeld van de sleutels, als Hij tot Petrus zegt: “U zal Ik de sleutels
van het rijk der hemelen geven; en al wat gij op aarde zult binden (sluiten)
dat zal ook in de hemel gebonden (gesloten) zijn. En al wij gij op aarde zult
ontbinden (openen) zal ook in de hemel ontbonden zijn.” Christus heeft dus deze
bestuursmacht aan Petrus overgedragen.
De sleutelmacht van de Apostolische Stoel
is geen andere dan die Christus bezat. Christus is in het Godsrijk onbeperkte
Heerser en Uitdeler van genade. Met dat openen en sluiten zijn vooral
vergiffenis van zonden en uitdelen van genade, natuurlijk ook het tegendeel
bedoeld. – Nu geeft de antifoon in de bede: “kom, en voer de geboeide uit de
kerker, hem die zit in de duisternis en in de schaduw van de dood” nog een
bijzondere toepassing. Christus heeft ook de sleutels van de kerker van het
door de duivel geboeide mensdom. Door de erfzonde zucht het mensdom in de
gevangenis en de verlossing houdt het beeld in van de vrijlating uit deze
gevangenschap.
Buitengewoon realistisch [en actueel]
spreekt de antifoon over het geboeide mensdom zittend in de duisternis en
de schaduw van de dood. Wij hoeven ons maar een gevangenis uit de oudheid
voorstellen (leeuwenkuil werd ze genoemd), maar ook de angst bij de huidige
gijzeldrama’s.
Laten wij bidden dat Christus, de
Verlosser, met Zijn sleutel de kerker van de zonde en de dood mag ontsluiten,
dat Hij hen die de H. Kerk nog niet kennen en die de Satan nog gevangen houdt, tot
zich mag trekken en ook de vele lauwe, onverschillige christenen van hun boeien
bevrijden en tot het stralende licht van Kerstmis brengen. Moge Hij ook ons uit
de duisternis tot het licht leiden.
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Die 20 decembris Ad Officium lectionis Da, Virgo, respónsum festinánter. Answer quickly, O Virgin. De wereld wacht, Maria!
Lectio
altera
Ex Homilíis sancti
Bernárdi abbátis in Láudibus Vírginis Matris
(Hom. 4, 8-9: Opera
omnia, Edit. Cisterc. 4 [1966], 53-54)
Tweede
lezing
Uit
een preek van de heilige Bernardus, abt van Clairvaux († 1153), over de lof van
de Moedermaagd
Heel de wereld wacht op het antwoord van Maria
Gij
hebt gehoord, Maria, dat gij een Zoon zult ontvangen en baren, niet door
tussenkomst van een mens, maar door de heilige Geest. De engel wacht op uw
antwoord, want het wordt tijd voor hem om terug te keren naar God, die hem
zond. Ook wij, o Vrouwe, wij die onder een vreselijk vonnis gebukt gaan, wij
wachten op een woord van uw erbarmen.
Zie, u wordt de prijs van onze verlossing aangeboden.
Als gij toestemt, zullen wij onmiddellijk bevrijd worden. Door het eeuwige
Woord van God zijn wij ten leven gekomen, en zie, wij moeten sterven; door een
kort antwoord van u kunnen wij hersteld worden, kunnen wij weer ten leven
geroepen worden.
Dat antwoord, o milde Maagd, smeekt Adam van u af, de
balling uit het paradijs, met heel zijn ongelukkig kroost. Dat vragen Abraham
en David en de andere heilige vaders, ja uw vaders, die ook wonen in de schaduw
van de dood. Heel de wereld, die aan uw voeten ligt, wacht daarop.
En niet zonder reden, want van uw mond hangt af de
troost van de ongelukkigen, de losprijs van de gevangenen, de bevrijding van de
veroordeelden, ja het heil van alle kinderen van Adam, van heel uw geslacht.
O
Maagd, geef haastig antwoord. Geef haastig antwoord aan de engel, en door de
engel aan de Heer. Spreek uit het woord, en ontvang het Woord. Geef uw woord en
ontvang het goddelijk Woord. Spreek uit wat voorbijgaat, en aanvaard wat eeuwig
blijft.
Waarom aarzelt ge, waarom beeft ge? Geloof, belijd uw
geloof en ontvang. Laat uw deemoed dapper zijn, uw schuchterheid vertrouwen
hebben. Nu past het volstrekt niet dat uw maagdelijke eenvoud de wijsheid
vergeet. O wijze Maagd, vrees geen vermetelheid op dit uniek moment. Ook al
ligt er een beminnelijke bescheidenheid in het zwijgen, nu dwingt echte
vroomheid u tot spreken.
Open, o gelukzalige Maagd, uw hart voor het geloof, uw
lippen voor de instemming, uw schoot voor uw Schepper. Zie, Hij die door alle
volken vol verlangen wordt verwacht, staat buiten en klopt aan de deur. Ach,
als ge zoudt aarzelen, en Hij gaat voorbij, zoudt ge opnieuw moeten gaan
zoeken, vol pijn, naar uw ‘zielsbeminde’ (vgl. Hoogl. 3, 1).
Sta op, haast u, doe open. Sta op in de kracht van het
geloof, haast u uit liefde, doe open door uw instemming. En Maria zei: ‘Zie de
dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord’ (Lc. 1, 38).
Answer quickly,
O Virgin.
Reply in haste
to the angel!
The whole world awaits Mary's reply
You have heard, O Virgin, that you will
conceive and bear a son; you have heard that it will not be by man but by the
Holy Spirit. The angel awaits an answer; it is time for him to return to God
who sent him. We too are waiting, O Lady, for your word of compassion; the
sentence of condemnation weighs heavily upon us.
The price of our salvation is offered to you. We shall
be set free at once if you consent. In the eternal Word of God we all came to
be, and behold, we die. In your brief response we are to be remade in order to
be recalled to life.
Tearful Adam with
his sorrowing family begs this of you, O loving Virgin, in their exile from
Paradise. Abraham begs it, David begs it. All the other holy patriarchs, your
ancestors, ask it of you, as they dwell in the country of the shadow of death.
This is what the whole earth waits for, prostrate at your feet. It is right in
doing so, for on your word depends comfort for the wretched, ransom for the
captive, freedom for the condemned, indeed, salvation for all the sons of Adam,
the whole of your race.
Answer quickly, O
Virgin. Reply in haste to the angel, or rather through the angel to the Lord.
Answer with a word, receive the Word of God. Speak your own word, conceive the
divine Word. Breathe a passing word, embrace the eternal Word.
Why do you delay, why are you afraid? Believe,
give praise, and receive. Let humility be bold, let modesty be confident. This
is no time for virginal simplicity to forget prudence. In this matter alone, O
prudent Virgin, do not fear to be presumptuous. Though modest silence is
pleasing, dutiful speech is now more necessary. Open your heart to faith, O
blessed Virgin, your lips to praise, your womb to the Creator. See, the desired
of all nations is at your door, knocking to enter. If he should pass by because
of your delay, in sorrow you would begin to seek him afresh, the One whom your
soul loves. Arise, hasten, open. Arise in faith, hasten in devotion, open in
praise and thanksgiving. Behold the handmaid of the Lord, she says, be it done
to me according to your word.
From a homily In Praise of
the Virgin Mother by Saint Bernard, abbot
(Hom. 4:8-9; Opera omnia, Edit Cisterc 4. [1966], 53-54)
Abonneren op:
Posts (Atom)



