Posts tonen met het label 17-24/12. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 17-24/12. Alle posts tonen

vrijdag 24 december 2021

Lezingenofficie 24 december Liturgia Horarum Jeruzalem ontvangt de Blijde Boodschap!

Lezingen van het Lezingenofficie
Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli (1420-1497)

Eerste lezing
24 december

Uit het boek van de profeet Jesaja
51,17-52, 1-2.7-10

Jeruzalem ontvangt de Blijde Boodschap

Word wakker, word wakker, Jeruzalem, sta op! De Heer heeft je laten drinken uit de beker van zijn toorn; je hebt uit die kelk gedronken, de beker die je zo heeft bedwelmd tot de bodem leeggedronken. Er is niemand die je leidt, geen van de kinderen die je hebt gebaard; niemand die je bij de hand neemt, geen van de kinderen die je hebt grootgebracht. Dubbel ongeluk heeft je getroffen: verwoesting en rampspoed – wie zal je beklagen? honger en geweld – wie zal je troosten?
Je kinderen zijn bezweken; als een antilope gevangen in een net, zo liggen ze op elke straathoek, overweldigd door de toorn van de Heer, verlamd door de dreiging van je God. Daarom, luister hiernaar, ongelukkige, jij die beschonken bent, maar niet door de wijn. Dit zegt je God, de Heer, de God die het opneemt voor zijn volk: Ik neem de bedwelmende beker uit je hand, de kelk, de beker van mijn toorn, je hoeft er niet meer uit te drinken. Ik geef hem aan hen die jou kwelden, die je het bevel gaven: ‘Ga liggen, dan lopen we over je heen!’ En je maakte je rug als de grond, een weg waarover men kon gaan. Ontwaak, ontwaak, Sion, en bekleed je met je kracht! Bekleed je met je pronkgewaad, Jeruzalem, heilige stad. Nooit meer zul je worden betreden door wie onbesneden is, of onrein. Klop het stof van je af en sta op, Jeruzalem, neem plaats op de troon. De ketenen om je hals zijn losgemaakt, gevangen vrouwe Sion. Hoe welkom is de vreugdebode die over de bergen komt aangesneld, die vrede aankondigt en goed nieuws brengt, die redding aankondigt en tegen Sion zegt: ‘Je God is koning!’ Hoor! Je wachters verheffen hun stem, samen barsten ze uit in gejuich, want ze zien het met eigen ogen: de Heer keert terug naar Sion. Breek uit in gejubel, ruïnes van Jeruzalem, want de Heer troost zijn volk, hij koopt Jeruzalem vrij. De Heer ontbloot zijn heilige arm ten overstaan van alle volken, en de einden der aarde zien hoe onze God redding brengt.


Tweede lezing
Uit de preken van de H. Augustinus, bisschop
(Sermo 185: PL 38, 997-999)

De waarheid is aan de aarde ontsproten en de gerechtigheid zag neer uit de hemel

Ontwaak, o mens: voor u is God mens geworden. Sta op, gij die slaapt, en verrijs uit de doden, en Christus zal u verlichten. Voor u, zeg ik, is God mens geworden.
Voor eeuwig zoudt ge dood zijn geweest, als Hij niet in de tijd geboren was. Nooit zoudt ge van het vlees van de zonden bevrijd zijn, als Hij niet de gelijkheid met het vlees van de zonden had aangenomen. Een eeuwige ellende had u gevangen gehouden, als niet deze barmhartigheid was geschied. Ge zoudt niet herleefd zijn, als Hij zich niet verenigd had met uw dood. Ge zoudt bezweken zijn, als Hij niet had geholpen. Ge zoudt zijn omgekomen, als Hij niet gekomen was.
Laten we blij de komst vieren van ons heil en onze verlossing. Laten we de feestdag vieren, waarop de grote en eeuwige dag uit zijn grote en eeuwige dag kwam in deze onze zo korte en tijdelijke dag.
Deze is onze gerechtigheid, onze heiliging en onze verlossing geworden: opdat, zoals er geschreven staat: Hij die roemt, roeme op de Heer.
De Waarheid dus is uit de aarde ontsproten, Christus, die gezegd heeft: Ik ben de Waarheid; die uit de Maagd geboren is.
En de gerechtigheid zag neer uit de hemel: omdat de mens, die in Hem gelooft, die geboren is, niet uit zichzelf maar door God is gerechtvaardigd.
De Waarheid is uit de aarde ontsproten, omdat het Woord is vleesgeworden. En de gerechtigheid zag neer uit de hemel:  omdat elke goede gave, elk volmaakt geschenk van boven neerdaalt.
De Waarheid is uit de aarde ontsproten, vlees uit Maria. En de gerechtigheid zag neer uit de hemel: omdat de mens niets kan ontvangen dan wat hem vanuit de hemel gegeven is.
Laten wij, nu we gerechtvaardigd zijn door het geloof, de vrede bewaren met God: omdat de gerechtigheid en de vrede elkaar hebben omhelsd. Door onze Heer Jezus Christus: omdat de Waarheid uit de aarde is ontsproten. Door Wie wij ook toegang gekregen hebben tot die genade, waarin wij vast zijn komen te staan: door Hem ook roemen wij in de hoop op de heerlijkheid Gods.  Hij zegt niet ‘op onze heerlijkheid’ maar ‘op de heerlijkheid Gods’: omdat de gerechtigheid niet uit ons voortkomt maar uit de hemel neerzag. Aldus wie roemt, roeme niet op zichzelf maar op de Heer.
Vandaar dat voor de Heer, die uit de Maagd geboren is, de lofzang van het engelenkoor weerklonk: Eer aan God in den hoge en op aarde vrede aan de mensen van goede wil.
Vanwaar is er op aarde vrede tenzij omdat de Waarheid uit de aarde is ontsproten,  dat is omdat Christus in het vlees is geboren. En Hij is onze vrede, Hij die van de twee werelden er een gemaakt heeft: opdat we mensen zouden zijn van goede wil, liefdevol verenigd door de band van de eenheid.
Laten we ons dus in deze genade verheugen, opdat onze glorie gelegen zijn in het getuigenis van ons geweten: waar we niet op onszelf roemen, maar op de Heer. Vandaar toch is gezegd: Gij zijt mijn roem, die mijn hoofd verheft. Want welke grotere genade kon God voor ons doen oplichten dan dat Hij, die een Enige Zoon bezat, Hem tot oon der mensen maakte en aldus wederkerig het mensenkind tot kind van God maakte?
Zoek de verdienste, zoek de oorzaak, zoek de gerechtigheid; en kijk of gij iets anders vindt dan genade.


Collectegebed Vigilie Kerstmis - HODIE SCIETIS - Nog heden zult gij weten! - 24 december Vigilie

Introitus Vigilie van Kerstmis - 24 december
HODIE SCIETIS,  quia veniet Dominus en salvabit nos,
et MANE videbitis gloriam eius!  (cf Ex 16,6-7)
Heden nog zult gij weten dat de Heer ons komt redden,
en morgen zult gij zijn heerlijkheid zien.




Collectegebed van de Vigilie van Kerstmis - 24 december
Festina, quaesumus, ne tardaveris Domine Iesu, 
ut adventus tui consolationibus subleventur, qui in tua pietate confidunt.
(Cf Leonianum 883; MR 561)
Festina, quaesumus, ne tardaveris Domine, ne tardaveris, et auxilium nobis supernæ virtutis impende, ut adventus…
Haast U, Heer Jezus, en wacht niet langer,
verlicht de nood van allen die op uw liefde vertrouwen, door de vertroosting van uw komst.

Het collectegebed komt ook voor met kleine varianten in de Gelasiaanse traditie. Het Romeinse Missaal steunt op de oratie van het Sacramentarium Gregorianum, maar heeft de passage  “et auxilium…impende”, die ook in alle afwijkende versies zijn equivalenten heeft, weggelaten. Daarmee verkrijgt het dringende karakter van de roep om hulp een nog sterker effect: “Festina, ne tardaveris!” – Haast U en wacht niet langer!

De oratie van vandaag richt zich tot Christus.
De dringende, bezwerende  aanroeping van Jezus de Heer die aan het begin van elke canoniek uur van het getijdengebed staat: “Deus, in adiutorium meun intende, Domine ad adiuvandum me festina” (Ps 69,2) – God, kom mij te hulp, Heer, haast U mij te helpen! moet de bidder van deze oratie wel zeer vertrouwd zijn geweest..

In het collectegebed van vandaag wordt deze aanroeping als het ware door het nog meer aandringende “Domine, ne tardaveris” (Ps 39,18) – Heer, wacht niet langer! uit een mogelijke vervlakking gehaald.

Degene die zich met aandrang tot Christus richt, vertrouwt op Zijn goedheid. Misschien is aan de troostende profetie van Habakuk gedacht: “Adhuc visus procul et apparebit in finem et non mentietur; si moram fecerit, exspecta illum, quia veniens veniet etr non tardabot” (2,3 Vulg.) “Die ge ziet, is nog ver, Hij zal echter op het einde verschijnen, en Hij liegt niet; als Hij uitblijft, wacht op Hem; want Hij komt, Hij komt en blijft niet uit”.

Het dringende karakter van deze bede wijst op diepe nood. Er wordt uitgekeken naar vertroosting. De troost die in dit gebed wordt gevraagd, is de komst van de Heer, ook al laat het gebed in het midden of met de komst de Wederkomst van Christus of het Feest van zijn Geboorte is bedoeld.

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Die 24 decembris Ad Officium lectionis Veritas de terra orta est et iustitia de cælo prospexit. De Waarheid is aan de aarde ontsproten en de gerechtigheid zag neer uit de hemel.



Lectio altera
Ex Sermónibus sancti Augustíni epíscopi
(Sermo 185: PL 38, 997-999)
Tweede lezing
Uit de preken van de H. Augustinus, bisschop
(Sermo 185: PL 38, 997-999)

De Waarheid is aan de aarde ontsproten en de gerechtigheid zag neer uit de hemel

Ontwaak, o, mens: voor u is God mens geworden. Sta op, gij die slaapt, en verrijs uit de doden, en Christus zal u verlichten. Voor u, zeg ik, is God mens geworden.
Voor eeuwig zoudt ge dood zijn geweest, als Hij niet in de tijd geboren was. Nooit zoudt ge van het vlees van de zonden bevrijd zijn, als Hij niet de gelijkheid met het vlees van de zonden had aangenomen. Een eeuwige ellende had u gevangen gehouden, als niet deze barmhartigheid was geschied. Ge zoudt niet herleefd zijn, als Hij zich niet verenigd had met uw dood. Ge zoudt bezweken zijn, als Hij niet had geholpen. Ge zoudt zijn omgekomen, als Hij niet gekomen was.
Laten we blij de komst vieren van ons heil en onze verlossing. Laten we de feestdag vieren, waarop de grote en eeuwige dag uit zijn grote en eeuwige dag kwam in deze onze zo korte en tijdelijke dag.
Deze is onze gerechtigheid, onze heiliging en onze verlossing geworden: opdat, zoals er geschreven staat: Hij die roemt, roeme op de Heer.
De Waarheid dus is uit de aarde ontsproten, Christus, die gezegd heeft: Ik ben de Waarheid; die uit de Maagd geboren is.
En de gerechtigheid zag neer uit de hemel: omdat de mens, die in Hem gelooft, die geboren is, niet uit zichzelf maar door God is gerechtvaardigd.
De Waarheid is uit de aarde ontsproten, omdat het Woord is vleesgeworden. En de gerechtigheid zag neer uit de hemel:  omdat elke goede gave, elk volmaakt geschenk van boven neerdaalt.
De Waarheid is uit de aarde ontsproten, vlees uit Maria. En de gerechtigheid zag neer uit de hemel: omdat de mens niets kan ontvangen dan wat hem vanuit de hemel gegeven is.
Laten wij, nu we gerechtvaardigd zijn door het geloof, de vrede bewaren met God: omdat de gerechtigheid en de vrede elkaar hebben omhelsd. Door onze Heer Jezus Christus: omdat de Waarheid uit de aarde is ontsproten. Door Wie wij ook toegang gekregen hebben tot die genade, waarin wij vast zijn komen te staan: door Hem ook roemen wij in de hoop op de heerlijkheid Gods.  Hij zegt niet ‘op onze heerlijkheid’ maar ‘op de heerlijkheid Gods’: omdat de gerechtigheid niet uit ons voortkomt maar uit de hemel neerzag. Aldus wie roemt, roeme niet op zichzelf maar op de Heer.
Vandaar dat voor de Heer, die uit de Maagd geboren is, de lofzang van het engelenkoor weerklonk: Eer aan God in den hoge en op aarde vrede aan de mensen van goede wil.
Vanwaar is er op aarde vrede tenzij omdat de Waarheid uit de aarde is ontsproten,  dat is omdat Christus in het vlees is geboren. En Hij is onze vrede, Hij die van de twee werelden er een gemaakt heeft: opdat we mensen zouden zijn van goede wil, liefdevol verenigd door de band van de eenheid.
Laten we ons dus in deze genade verheugen, opdat onze glorie gelegen zijn in het getuigenis van ons geweten: waar we niet op onszelf roemen, maar op de Heer. Vandaar toch is gezegd: Gij zijt mijn roem, die mijn hoofd verheft. Want welke grotere genade kon God voor ons doen oplichten dan dat Hij, die een Enige Zoon bezat, Hem tot oon der mensen maakte en aldus wederkerig het mensenkind tot kind van God maakte?
Zoek de verdienste, zoek de oorzaak, zoek de gerechtigheid; en kijk of gij iets anders vindt dan genade.


woensdag 22 december 2021

23 december Zevende en laatste antifoon van de reeks O-antifonen toelichting

O Emmanuel


T e k s t
O Emmanuel, Rex et legifer noster,
expectatio gentium, et Salvator earum:
veni ad salvandum nos, Domine Deus noster.
O Emmanuel, onze Koning en Wetgever,
hoop van de volkeren en hun Redder:
kom om ons redden, Heer onze God.

B i j b e l s e  r e f e r e n t i e s

O Emmanuel (Jes 7, 14; 8, 8), onze Koning en Wetgever (Jes 33, 22),
hoop van de volkeren (Gen 49, 10) en hun Redder:
kom om ons redden, Heer onze God.

O v e r w e g i n g
Ieder jaar brengen de O-antifonen een bepaalde ontroering teweeg en het valt ook op hoezeer de O-antifonen met elkaar vervlochten zijn: bijvoorbeeld de antifoon van vandaag: “O Emmanuel, onze Koning en Wetgever..” neemt het thema van het koningschap van Jezus Christus van de antifoon van 22 december weer op: O Koning van de volken, naar wie zij verlangend uitzien.

Tweemaal trekt deze Koning binnen, en beide keren voltrekt dit komen zich op een armzalig rijdier, een kleine ezel. Hoe zeer verschilt dit eerste, maar verborgen en onbekend binnentrekken in Bethlehem, van de intocht in Jeruzalem, waarbij de mensen onder luid gejuich en lofgezang palmtakken en hun kleren voor de hoeven van het rijdier uitspreidden.
Jozef en vooral de hoogzwangere Maria, die van huis tot huis trekken op zoek naar een beschuttend onderdak en gelukkig zijn dat er ten slotte tenminste nog een stal is, want het uur van de geboorte van Christus is dichtbij. “Kom, om ons te helpen!” dringt de antifoon aan: het is het roepen en het wachten van de mensen die vanaf het begin van de tijd, sinds de zondeval, met verlangen de komst van de Messias hebben verbeid en nu niet meer kunnen wachten totdat de dag van de Menswording van Christus, de dag van de komst van deze koning, eindelijk aanbreekt.
“Poorten, heft uw kroonlijsten op; gaat open, aloude deuren: de Koning der glorie moet binnengaan!” (Ps 23, 7) zo luidde de intredezang van het misformulier van gisteren.
De wonderlijke paradox van deze Koning nodigt uit tot innige beschouwing: de Heer van de wereld, die in een armzalige voederbak wordt neergelegd, het kruis dat een troon is van God de Zoon, aan Wie,  zoals de psalmen zeggen, alle volkeren worden overgedragen. De scepter, die Hem bij de bespotting in de hand wordt gedrukt en de kroon, die een kroon van doornen zal zijn. Een Koning die men in waarheid en terecht Vredesvorst noemt.
Eigenlijk laat een Koning degenen die Hij wenst te zien, bij zich roepen en geeft hen bescheid. In ieder geval stijgt hij op doorreis bij een van zijn onderdanen af om te rusten. Hier komt een Koning, die tegelijkertijd God en goddelijke Leraar is, arm en deemoedig, miskend en gehuld in het zwakke menselijke vlees om in het leven en sterven van de mensen te delen, enkel en alleen uit liefde voor zijn volk: om hen te leren hoe zij de hemel kunnen winnen, het Rijk van zijn Vader.
Als wij deze laatste antifoon zingen, voelen wij aan dat deze het hoogtepunt vormt. Reeds de aanroeping Emmanuel, dat wil zeggen God met ons, wil ons het mooiste en het innigste omtrent Christus meedelen. Hij wil een mensenkind als wij zijn, wil alle zwakheden en lijden van de mens dragen, wil ook aan zich zelf ondervinden, hoe moeilijk het is mens te zijn. Hij wil echter ook bij ons blijven tot aan het einde van de wereld, Hij wil in ons wonen, Hij wil ons tot zijn leden-maten maken.
Maar naast deze hoofdtitel wordt de Verlosser nog met vier andere namen aangesproken. Koning en Wetgever zijn wel de gebruikelijke titels van Christus, maar de verbinding van beide komt bij Jesaja voor (33, 22). “Want Jahweh zal onze rechter zijn, Jahweh onze bestuurder en koning: Hij zal ons redden.” Dat is een blijde oproep tot geloof en vertrouwen. Christus is alles voor ons. Wat vroeger een wetgever als Moses, een rechter als Samuel, een koning als David tot redding en verheffing van hun volk hebben verricht, dat zal de verwachte Verlosser in hoge mate overtreffen. Denken wij echter ook aan onze verplichtingen ten opzichte van deze titel: Tegenover een wetgever moeten wij de wet aannemen en volgen. Denken wij aan de bergrede van Jezus: hoe is de wet van Moses daar tot volmaaktheid gebracht en verinnerlijkt. De kernwoorden zijn liefde, reinheid en volmaaktheid. Tegenover een koning past gehoorzaamheid en onderdanigheid: “Zie de dienstmaagd des Heren”; “Paulus, dienaar van Jezus Christus.”
Als verwachting van de volkeren en als hun Heiland wordt de Messias aangesproken. Zo heeft de stervende Jakob de Verlosser genoemd: “Niet weggenomen zal de scepter worden van Juda, totdat Hij komt, die gezonden zal worden en Hij zal de verwachting der volkeren zijn.” (Genesis 49, 10 Vulgaatvertaling). Dit verlangen moet voor ons een aansporing zijn het goed, dat wij om niet hebben ontvangen, te waarderen en er nut uit te trekken.

De bede luidt: Kom, om ons te verlossen, en dit betekent: Koning, laat mij uw onderdaan zijn, laat mij in U mijn verlangen vervullen. Heiland, wees voor mij een ware Heiland, die lichaam en ziel geneest voor het eeuwig leven. Tot slot spreken wij de Verlosser nog aan: Heer, onze God! Daarmee vatten wij alle namen en titels samen, die wij in de zeven antifonen genoemd hebben. Mogen wij Hem met recht en vertrouwen steeds zo kunnen noemen!

O Emmanuel O-antifoon 23 december Gregoriaans

Lectio divina linqua latina Liturgia Horarum Die 23 decembris Manifestatio sacramenti absconditi. De openbaring van het verborgen geheim.


Ad Officium lectionis

Lectio altera
Ex Tractátu sancti Hippólyti presbýteri Contra hæresim Noéti
 (Cap. 9-12: PG 10, 815-819)

Tweede lezing
Uit de verhandeling van de heilige priester Hippolytus († ca. 235) tegen de ketterij van Noëtus
De openbaring van het verborgen geheim
Er is één God die wij niet anders leren kennen dan uit de heilige Schrift. Welnu, alles wat de Schrift verkondigt, willen wij onder ogen zien en alles wat zij onderwijst, willen wij leren kennen. Zoals de Vader wil dat wij in Hem geloven, willen wij ook in Hem geloven. Zoals Hij wil dat wij zijn Zoon prijzen, willen wij Hem ook prijzen. Zoals Hij de heilige Geest wil geven, willen wij Hem ook ontvangen. Niet naar eigen goeddunken, niet op grond van onze eigen opvatting. Dan zouden wij Gods gave geweld aandoen. Zoals God zelf door de heilige Schrift wil onderrichten, zo willen wij ook de zaken bekijken.
Toen God alleen was en er niets samen met Hem bestond, wilde Hij de wereld scheppen. Hij schiep in gedachte, woord en wil de wereld. En ze was er onmiddellijk, geworden zoals God het wilde; en zoals Hij het wilde, heeft Hij ze tot stand gebracht. Het is voor ons voldoende slechts te weten dat er niets tegelijk met God was. Er was niets behalve Hem; Hij was in zijn eenheid tevens veelvuldig. God was niet zonder rede, niet zonder wijsheid, niet zonder macht en niet zonder wil. Alles was in Hem, Hij was het Al. Wanneer Hij wilde en zoals Hij wilde, heeft God, op de door Hem vastgestelde tijd van het heil, zijn Woord geopenbaard waardoor Hij alles gemaakt heeft.
God droeg het Woord in zich en maakte het zichtbaar - ofschoon het onzichtbaar was voor de geschapen wereld - doordat Hij het bij de schepping voor het eerst heeft uitgesproken. Hij maakte licht uit licht en schonk aan zijn schepping haar Heer en dus haar eigen diepste betekenis. Die eigen betekenis, die eerder alleen voor Hemzelf zichtbaar was maar niet voor de wereld, maakte Hij zichtbaar, opdat door het verschijnen ervan de wereld kon zien en gered kon worden.
Dat nu is de bedoeling van God dat het Woord bij zijn komst in de wereld geopenbaard is als de Zoon van God. Welnu, alles is door Hem (vgl. Joh. 1, 3), Hij echter komt alleen voort uit de Vader.
De éne God gaf de wet en de profeten. En door deze gave liet Hij hen spreken in de heilige Geest, opdat zij zijn besluiten en wil zouden verkondigen vanuit de inspiratie van de vaderlijke macht.
Zo dus heeft het Woord zich geopenbaard, zoals de heilige Johannes zegt, kernachtig uitdrukkend wat door de profeten gezegd is.
Hij toont namelijk aan dat door dit profetisch Woord alles geworden is. Dat drukt hij toch uit met de woorden: ‘In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God... Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden...’ (Joh. 1, 1-3). En even verder zegt hij: ‘De wereld was door Hem geworden, en toch erkende de wereld Hem niet. Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet’ (Joh. 1, 10-11).

dinsdag 21 december 2021

O Rex Gentium O-antifoon 22 december Gregoriaans

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Die 22 decembris Ad Officium lectionis Magnificat anima mea Dominum. Magnificat.



Lectio altera
Ex Expositióne sancti Bedæ Venerábilis presbýteri in Lucam
(Lib. 1, 46-55: CCL 120, 37-39)

Tweede lezing
Uit een verhandeling van de H. Beda, de Eerbiedwaardige, priester over Lucas 1 (46-55)
Magnificat
‘Maria sprak: ‘Hoog verheft nu mijn ziel de Heer, verrukt is mijn geest om God, mijn verlosser’ (Lc. 1, 46-47).
De Heer, zegt zij, heeft mij met zo’n grote en ongehoorde gave verheven, dat mijn woorden te kort schieten om ze te verklaren en dat zelfs de diepste gevoelens van mijn hart nauwelijks in staat zijn ze te bevatten. Daarom bied ik Hem met dankbare lofzangen al mijn levenskrachten aan en wijd ik met grote dankbaarheid heel mijn leven, al mijn gevoelens en al mijn aandacht aan het beschouwen van de grootheid van Hem die zonder einde is. Want mijn geest verheugt zich ook over de oneindige godheid van diezelfde Jezus, mijn redder, wiens ontvangenis in deze wereld mijn schoot bevrucht heeft.
‘Wonderbaar is het wat Hij mij deed, de Machtige, groot is zijn Naam!’ (Lc. 1, 49).
Zij schouwt terug op de aanvang van het loflied, waar gezegd is: ‘Hoog verheft nu mijn ziel de Heer.’ Want alleen dat hart waaraan de Heer zijn wonderbare werken wil doen, kan Hem met gepaste lofzangen prijzen en hen die in dit beloofde geschenk en in dit levensplan delen, aansporen met de woorden: ‘Verheerlijkt de Heer te samen met mij en laat ons eendrachtig zijn Naam vereren’ (Ps. 34 (33), 4).
Want degene die nalaat de Heer, die hij heeft leren kennen, zoveel het in zijn vermogen ligt, te prijzen en zijn Naam te heiligen, ‘zal de geringste geacht worden in het rijk der hemelen’ (Mt. 5, 19). Groot wordt zijn Naam genoemd, omdat Hij met de top van zijn heel bijzondere macht boven de hele schepping uitsteekt en omdat er een grote afstand is tussen Hem en alles wat Hij heeft gemaakt.
‘Hij trekt zich zijn dienaar Israël aan, zijn milde erbarming indachtig’ (Lc. 1, 54-55).
Terecht noemt zij Israël de dienaar van de Heer, door Hem aangetrokken om gered te worden, en wel een gehoorzame en nederige dienaar, volgens de woorden van Hosea: ‘Toen Israël nog jong was, kreeg Ik hem lief’ (Hos. 11, 1).
Want wie zichzelf te hoog acht om zich te vernederen, kan natuurlijk niet gered worden en kan niet met de psalmist zeggen: ‘Toch is het God, die mij helpt, de Heer die mijn leven bewaart’ (Ps. 54 (53), 6). Maar ‘wie zichzelf gering acht, zoals dit kind, is de grootste in het rijk der hemelen’ (Mt. 18, 4).
‘Zoals Hij de vaderen heeft beloofd, voor Abraham en zijn geslacht voor altijd’ (Lc. 1, 55). Zij doelt niet op het lichamelijke, maar op het geestelijke nageslacht van Abraham, dat wil zeggen: niet slechts degenen die uit zijn vlees zijn voortgekomen, maar allen die, besneden of onbesneden, de weg van zijn geloof zijn gevolgd. Want ook hij heeft geloofd, hoe wel hij onbesneden was, en het is hem als gerechtigheid aangerekend (vgl. Rom. 4, 3).
De komst van de Verlosser is dus aan Abraham en zijn nageslacht voor altijd beloofd, dat wil zeggen: aan de kinderen van de belofte, tot wie gezegd wordt: ‘Als gij bij Christus hoort, dan zijt ge ook Abrahams ‘nageslacht’, erfgenamen krachtens de belofte’ (Gal. 3, 29).

22 december 2016 Zesde antifoon van de reeks O-antifonen toelichting

O Rex gentium  - O Koning van de volkeren

“Want een Kind wordt ons geboren, een Zoon wordt ons gegeven. De heerschappij rust op zijn schouders; men noemt Hem: wonderlijke Raadsman, sterke God, Vader voor eeuwig, Vredevorst. Groot is zijn macht en eindeloos de vrede. Op de troon van David heerst Hij over zijn rijk;  Hij zal het stichten en stutten door recht en gerechtigheid van nu af en voor altijd” (Jes 9, 5-6).
De steen die de bouwlieden verwierpen, hij is tot hoeksteen geworden (Ps 118,22).

T e k s t

O Rex gentium, et desideratus earum,
lapisque angularis, qui facis utraque unum:
veni, et salva hominem, quem de limo formasti.


O Koning van de volkeren, en door hen verlangd,
Gij zijt de hoeksteen die beide (volken) een maakt;
kom, red de mens die Gij uit het slijk van de aarde hebt gevormd (Gen 2, 7)

B i j b e l s e  r e f e r e n t i e s

O Koning van de volkeren, en door hen verlangd (Hag 2, 8),
en ook de Hoeksteen (Jes 28, 16) die beide (volken) een maakt;
kom, red de mens die Gij uit het slijk van de aarde hebt gevormd (Gen 2, 7)

Werden de teksten van de O-antifonen tot nu toe meer aan het joodse gedachtegoed ontleend, werd de Verlosser gezien als vervulling van het Oude Verbond, de christenen als het nieuwe Volk Gods, in de zesde antifoon wordt Christus aangesproken als Koning der volkeren, Koning van de heidenen, die Hem ook verlangend verwachten. De titel Koning van de heidenen komt letterlijk voor bij Jeremias 10,7; Verlangen van de heidenen bij de profeet Haggai 2, 8: Komen zal de Verlangde voor alle heidenen (Vulgaatvertaling).

O v e r w e g i n g

De antifoon van vandaag noemt Christus niet alleen de Koning van de volkeren, maar stelt Hem als de lang Verwachte voor ogen, wiens Komst de mensen door de eeuwen heen vol hoop en verlangen hebben verwacht. Dat is iets wonderbaarlijks.

Kom en red de mens die U uit het slijk der aarde hebt gevormd. Deze zinsnede herinnert ons er aan hoe lang reeds dit diepe verlangen zijn vervulling verbeidt. De Nederlandse vertaling volgt de Latijnse tekst  “quem de limo formasti” – die Gij uit het oerslijk hebt gevormd, en deze is wellicht niet zo poëtisch, maar wel positief gesteld in vergelijking met de voorafgaande beden.
Met betrekking tot de hoeksteen wordt gezegd: lapisque angularis, qui facis utraque unum; Hoeksteen, die beide één maakt. Met de beide, die Christus één maakt, kunnen het Oude en Nieuwe Verbond zijn bedoeld, het oude en nieuwe Volk van God, maar misschien refereert  de tekst  aan Christus zelf, aan respectievelijk zijn goddelijke en menselijke natuur, die in Christus verenigd zijn, zonder zich te vermengen: waarachtig God en waarachtig mens.  God werd Mens, Hij bleef wat Hij was en nam aan wat Hij niet was, zonder vermenging en zonder verdeling. Zo werd Gods Schepping nieuw!
Op grond van diverse plaatsen in de H. Schrift wordt Christus overigens Hoeksteen genoemd: zie bijvoorbeeld Jesaja 28, 16: “Zie, in Sion heb Ik een steen, een stevige steen, een kostbare hoeksteen als grondslag gelegd. Wie erop steunt, zal niet wankelen”. En in het evangelie van Matteus 21, 42 noemt Christus zichzelf de Hoeksteen, waarmee Hij aangeeft zelf het fundament , de geestelijke dragende Kracht en het middelpunt van de Kerk te zijn.
De gedachte, dat Hij van beide één maakt, steunt op de H. Paulus die in zijn Brief aan de Efeziërs (2, 14) waar hij Christus als de Vredestichter tussen joden en heidenen schildert. En in de Brief aan de Galaten 3, 29 concludeert hij:  “Thans is er geen jood meer, of heiden, geen slaaf en geen vrije, geen man en geen vrouw. Want allen zijt gij één in Christus Jezus”.
De Kerk is opgebouwd uit alle volkeren, van wie de sluitsteen Christus is. Het is wel een merkwaardige Koning die midden in de nacht in een tochtige stal wordt geboren, een merkwaardige Koning die op een ezel Jeruzalem binnenrijdt, die op een dag voor Pilatus zal staan en zeggen: “Gij zegt het, Koning ben Ik”. Dat is precies de omgekeerde logica van de hemel ten opzichte van die van de wereld, de goddelijke en zo wonderlijke paradox: de laatsten die de eersten zullen zijn, de Heer der Heerscharen en de Heerser over de wereld die in een armzalige voederbak wordt gelegd, het Kruis dat een troon is van een God, die zoals een hymne zegt, alle volkeren regeert. Een Koning die men in waarheid en terecht Vredesvorst noemt.
Ieder van ons kan bidden dat zij die Christus nog niet kennen en worden gegijzeld in geestelijke nood, geweld en ellende, maar ook door eigen zondigheid, Hem als Vredevorst leren kennen. Voor ieder van ons -of wij nu Christus kennen of niet- geldt het ook, iedere dag opnieuw: leggen wij in ons adventsverlangen ook het verlangen dat in de Vespers van de Romeinse liturgie wordt gezongen: Veni ad liberandum nos. Ostende faciem tuam, et salvi erimus -  Kom, om ons te verlossen! Toon ons Uw gelaat en we zullen gered zijn.
Zijn Rijk kome voor alle mensen.

maandag 20 december 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Die 21 decembris Ad Officium lectionis De visitatione beatæ Mariæ Virginis. Het bezoek van de heilige maagd Maria.

Lectio altera
Ex Expositióne sancti Ambrósii epíscopi in Lucam
 (Lib. 2, 19. 22-23. 26-27: CCL 14, 39-42)
De visitatione beatæ Mariæ Virginis
Angelus, cum abscóndita nuntiáret, ut fides astruerétur exémplo, senióris féminæ sterilísque concéptum Vírgini Maríæ nuntiávit, ut possíbile Deo omne quod ei placúerit asséreret.
Ubi audívit hoc María, non quasi incrédula de oráculo nec quasi incérta de núntio nec quasi dúbitans de exémplo, sed quasi læta pro voto, religiósa pro offício, festína pro gáudio in montána perréxit.
Quo enim iam Deo plena nisi ad superióra cum festinatióne conténderet? Nescit tarda molímina Sancti Spíritus grátia. Cito quoque advéntus Maríæ et præséntiæ domínicæ benefícia declarántur; simul enim ut audívit salutatiónem Maríæ Elísabeth, exsultávit infans in útero eius, et repléta est Spíritu Sancto.
Vide distinctiónem singulorúmque verbórum proprietátes. Vocem prior Elísabeth audívit, sed Ioánnes prior grátiam sensit: illa natúræ órdine audívit, iste exsultávit ratióne mystérii; illa Maríæ, iste Dómini sensit advéntum, fémina mulíeris et pignus pígnoris; istæ grátiam loquúntur, illi intus operántur pietatísque mystérium matérnis adoriúntur proféctibus duplicíque miráculo prophétant matres spíritu parvulórum.
Exsultávit infans, repléta mater est. Non prius mater repléta quam fílius, sed, cum fílius esset replétus Spíritu Sancto, replévit et matrem. Exsultávit Ioánnes, exsultávit et Maríæ spíritus. Exsultánte Ioánne replétur Elísabeth, Maríam tamen non repléri Spíritu, sed spíritum eius exsultáre cognóvimus — incomprehensíbilis enim incomprehensibíliter operabátur in matre — et illa post concéptum replétur, ista ante concéptum. Beáta, inquit, quæ credidísti.
Sed et vos beáti, qui audístis et credidístis; quæcúmque enim credíderit ánima, et cóncipit et génerat Dei Verbum et ópera eius agnóscit.
Sit in síngulis Maríæ ánima, ut magníficet Dóminum; sit in síngulis spíritus Maríæ, ut exsúltet in Deo; si secúndum carnem una mater est Christi, secúndum fidem tamen ómnium fructus est Christus; omnis enim ánima áccipit Dei Verbum, si tamen immaculáta et immúnis a vítiis intemeráto castimóniam pudóre custódiat.
Quæcúmque ígitur talis esse potúerit ánima magníficat Dóminum, sicut ánima Maríæ magnificávit Dóminum et exsultávit spíritus eius in Deo salutári.
Magnificátur enim Dóminus, sicut et álibi legístis: Magnificáte Dóminum mecum, non quo Dómino áliquid humána voce possit adiúngi, sed quia magnificátur in nobis: imágo enim Dei Christus est, et ídeo, si quid iustum religiosúmque fécerit ánima, illam imáginem Dei, ad cuius est similitúdinem creáta, magníficat, et ídeo, dum magníficat eam, magnitúdinis eius quadam participatióne sublímior fit.

Uit het commentaar van de heilige Ambrosius, bisschop van Milaan († 397), op het evangelie van Lucas
Het bezoek van de heilige maagd Maria
Toen de engel de verborgen geheimen aankondigde, vertelde hij de maagd Maria - om haar geloof door een teken te versterken - dat een bejaarde en onvruchtbare vrouw een kind zou baren. Zo bevestigde hij dat alles wat God wil voor Hem mogelijk is.
Zodra Maria dit hoorde, ging zij met spoed naar het bergland, niet alsof zij geen geloof hechtte aan de voorspelling, niet alsof zij niet zeker was ten aanzien van de bode, ook niet alsof zij twijfelde aan het teken, maar als het ware verheugd over het beloofde geschenk, nauwgezet in het vervullen van haar taak, gehaast vanwege haar vreugde.
Waar anders zou zij, die reeds van God vervuld was, zich immers heen haasten dan naar het hoogste? De genade van de heilige Geest kent geen traagheid als het gaat om inspanningen. Zo worden ook de weldaden van de komst van Maria en van de aanwezigheid van de Heer snel kenbaar gemaakt. Want ‘zodra Elisabeth de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot; Elisabeth werd vervuld met de heilige Geest’ (Lc. 1, 41).
Let op het onderscheid en de eigen betekenis van de afzonderlijke woorden. Elisabeth hoorde de stem het eerst, maar Johannes bespeurde het eerst de genade; zij hoorde in de orde van de natuur, hij sprong op in de kracht van het mysterie; zij nam de aankomst van Maria waar, hij die van de Heer; de vrouw de komst van de vrouw, het kind die van het kind; de twee vrouwen spreken over de genade, de twee kinderen brengen deze tot stand in hun schoot en beginnen aan het werk van de goddelijke liefde door middel van de vorderingen die hun moeders maken: door een tweevoudig wonder profeteren de moeders door middel van de geest van hun kindjes.
Het kind sprong op, de moeder werd vervuld. De moeder werd niet eerder vervuld dan de zoon, maar omdat de zoon vervuld was met de heilige Geest, vervulde hij ook de moeder. Johannes sprong op, ook Maria’s geest sprong op. Door het opspringen. van Johannes wordt Elisabeth vervuld, maar wij weten dat Maria niet vervuld werd, wel dat haar geest opsprong - want de Onbegrijpelijke werkte op onbegrijpelijke wijze in de moeder - en zo wordt de ene ná de ontvangenis vervuld, de andere vóór de ontvangenis. ‘Zalig gij die geloofd hebt’ (Vulg. Lc. 1, 45), zegt Elisabeth.
Maar ook gij zijt zalig, die gehoord en geloofd hebt; want ieder hart dat gelooft, ontvangt en baart het woord van God en erkent zijn werken.
Laat in ieder het hart van Maria zijn, opdat het de Heer hoog prijst; laat in ieder de geest van Maria zijn, opdat hij van vreugde juicht in God. Al is er naar het vlees slechts één de moeder van Christus, naar het geloof is Christus de vrucht van allen; want ieder hart ontvangt het woord van God, als het tenminste zonder vlek en zonder fouten in reine ingetogenheid de zuiverheid bewaart.
Ieder hart dat zo kan zijn, verheft hoog de Heer, zoals het hart van Maria de Heer hoog heeft verheven en haar geest verrukt was van vreugde om God, haar redder.
Want de Heer wordt hoog verheven, zoals u ook elders hebt gelezen: ‘Verheerlijkt de Heer te samen met mij’ (Ps 34 (33), 4), niet alsof door de stem van de mens iets aan de Heer kan worden toegevoegd, maar omdat Hij in ons hoog wordt verheven. Want Christus is het beeld van God en daarom, als het hart iets doet dat rechtvaardig en vroom is, verheft het dat beeld van God hoog, naar wiens gelijkenis het is geschapen; daarom ook wordt het hart, terwijl het dit beeld hoog verheft, door een bepaalde deelname aan zijn grootheid meer verheven.