Posts tonen met het label hebdomada XXXIII per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hebdomada XXXIII per annum. Alle posts tonen

zaterdag 20 november 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada XXXIII per annum Sabbato Satiabor cum apparuerit gloria tua. Ik zal verzadigd worden wanneer uw glorie verschijnt.


   Ad Officium lectionis

  
Lectio altera

Ex Collatiónibus sancti Thomæ de Aquíno presbýteri
(Coll. super Credo in Deum: Opuscula theologica 2, Taurini 1954, pp. 216-217)

Tweede lezing

Uit de ‘Collationes’ van de H. Thomas van Aquino, priester
(Coll. super Credo in Deum: Opuscula theologica 2, Taurini 1954, pp. 216-217)
Ik zal verzadigd worden wanneer uw glorie verschijnt

Heel passend wordt bij het eind van al onze verlangens, namelijk het eeuwig leven, als slot van de geloofspunten in het Symbolum  gegeven, wanneer gezegd wordt: (ik geloof) ‘in het eeuwig leven. Amen’.

In het eeuwig leven ligt op de eerste plaats opgesloten, dat de mens met God verenigd wordt. Want God zelf is de beloning en het einddoel van al onze werken: Ik ben u tot beschermer; overgroot zal uw loon zijn. Maar die vereniging bestaat in het volmaakt aanschouwen: Thans zien wij in een spiegel, onduidelijk, maar dan van aangezicht tot aangezicht

Ook bestaat het eeuwig leven in de hoogste lof, zoals de Profeet zegt: Men zal er vreugde en blijdschap in vinden, dankzegging en lofgezang.

Het bestaat ook in de volmaakte bevrediging van onze verlangens, want daar zal iedere zalige nog meer bezitten dan hij heeft verlangd en gehoopt. Dat is ook de reden, waarom niemand in dit leven zijn verlangens volledig kan bevredigen en ook nooit enig schepsel het verlangen van de mens kan verzadigen. Want God alleen kan verzadigen en overtreft alles tot in het oneindige. Vandaar dat er voor ons nergens rust is dan in God, zoals Augustinus zegt:  Gij hebt ons, Heer, voor U gemakt, en ons hart is onrustig totdat het rust in U.

En omdat de heiligen in het vaderland God volmaakt zullen bezitten, is het duidelijk dat daar hun verlangens verzadigd worden en de glorie daar nog bovenuit gaat. En zo zegt de Heer: Ga binnen in de vreugde van uw Heer. En Augustinus zegt: Niet heel de vreugde zal binnengaan in de verheugden, maar alle verheugden zullen binnengaan in de vreugde. Ik zal verzadigd worden, wanneer uw glorie verschijnt; en wederom: Die al uw verlangens bevredigt.

Want al wat begerenswaardig is, is daar geheel in overvloedige mate. Als er genoegens worden begeerd, dáár zal het hoogste en volmaakste genoegen zijn, want over dat hoogste goed, namelijk God, wordt gezegd: Aan uw rechterhand overvloedige vreugden voor eeuwig.
Ook bestaat het in het aangename gezelschap van alle zaligen, want dit gezelschap zal het meest begerenswaardig zijn, omdat ieder met alle heiligen al het goede zal bezitten. Want iedereen zal de ander beminnen als zichzelf, en zo zal men zich over het geluk van de ander verheugen als over zijn eigen geluk. Zo zal het ook geschieden, dat de blijdschap en de vreugde van ieder afzonderlijk zoveel groter wordt als de vreugde is van allen.


vrijdag 19 november 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada XXXIII per annum Feria VI Mysterium Christi in nobis et in Ecclesia. Het mysterie van Christus in ons en in de Kerk.


   Ad Officium lectionis 



Lectio altera

Ex Tractátu sancti Ioánnis Eudes presbýteri De regno Iesu
(Pars 3, 4: Opera omnia 1, 310-312)

Tweede lezing
Uit het tractaat over ‘Het Rijk van Jezus’, van de H. Johannes Eudes
(Pars 3, 4: Opera omnia 1, 310-312)

Het mysterie van Christus in ons en in de Kerk

Wij moeten de stadia van het leven en de mysteriën van Christus aandachtig volgen en in onszelf vervullen; Hem dikwijls bidden, dat Hij die mysteriën in ons en in heel zijn Kerk voltooit en tot vervulling brengt.

Want de mysteriën van Jezus zijn nog niet geheel voltooid en vervuld. Deze toch zijn wel zo in de persoon van Jezus zelf, maar niet in ons, die zijn ledematen zijn, noch in de Kerk, die zijn mystiek Lichaam is. Want Gods Zoon heeft het plan zijn mysteriën aan ons mee te delen, ze in ons en in heel zijn Kerk op een of andere wijze te ontwikkelen en voort te zetten, zowel door zijn genaden, die Hij ons wil schenken alsook door de vruchten, die Hij door deze mysteriën in ons wil bewerken. Op die wijze wil Hij die mysteriën in ons tot voltooiing brengen.

Daarom zegt de heilige Paulus, dat Christus zijn volheid bereikt in zijn Kerk en wij allen bijdragen tot zijn opbouw en tot de gehele omvang van zijn volheid, namelijk tot de mystieke volheid, die Hij in zijn mystieke Lichaam bezit, en die pas op de dag van het oordeel haar volheid bereikt. Maar elders zegt dezelfde apostel, dat Hij aanvult in zijn vlees, wat er ontbreekt aan het lijden van Christus.

Aldus besloot de Zoon Gods alle stadia in zijn leven en zijn mysteriën in ons tot vervulling te brengen. In ons wil Hij het mysterie voltooien van zijn menswording, zijn geboorte, zijn verborgen leven, wanneer Hij zich in ons vormt en in onze zielen herboren wordt door de heilige Sacramenten van het Doopsel en goddelijke Eucharistie. Zo bewerkt Hij, dat wij een geestelijke en inwendig leven leiden, dat is verborgen met Hem in God.

Maar het mysterie van zijn Lijden, van zijn dood en verrijzenis intendeert Hij in ons te bewerken, omdat Hij bewerkstelligt dat wij met Hem en in Hem lijden, sterven en verrijzen. In ons tenslotte wil Hij in vervulling doen gaan de staat van glorievol en onsterfelijk leven, wanneer Hij zal bewerken, dat wij met Hem en in Hem het glorievol en eeuwig leven leiden en zijn overige mysteriën in ons en in zijn Kerk tot vervulling brengen, door deze aan ons mee te willen delen en ons er deelachtig aan te willen maken, en in ons te willen voortzetten en verspreiden.

Zo zullen de mysteriën van Christus niet geheel vervuld zijn vóór het einde van die tijd, die Hij zelf heeft vastgesteld voor de voltooiing van zijn mysteriën in ons en in de Kerk, namelijk vóór het einde van de wereld.

zaterdag 13 november 2021

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” 33e zondag per annum / door het jaar Om voor U te leven, en eens het eeuwige geluk te bezitten.

Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie

Om voor U te leven, en eens het eeuwige geluk te bezitten.

I n l e i d i n g
Het Gebed over de gaven van deze zondag brengt ons in herinnering dat wij bij de viering van de H. Eucharistie ‘onder het oog van de goddelijke heerlijkheid’ (‘maiestas’) staan met de kostbare gaven van het Lichaam en Bloed van Jezus Christus. Als brood en wijn brachten wij onze gaven naar het altaar, maar na de Consecratie zijn deze door de kracht van de H. Geest Christus zelf geworden. Wordt deze Offergave door de Engel tot bij de troon van de goddelijke Majesteit gebracht – zoals het gebed Supplices te in de Romeinse Canon vraagt: ‘… laat deze gaven in de handen van uw heilige Engel dragen tot op uw altaar in de hoge, voor uw goddelijke majesteit’, dan zegt onze christelijke hoop dat als antwoord Gods genade in  onze harten neerdaalt. Daarop berust immers de tweevoudige bede: in eerste instantie smeekt de oratie om de gave van eerbiedige toewijding (‘devotio’), als waren Kerk, priester en gelovigen tot nu toe zelf bij de offerande van de gaven tekort geschoten. Maar het bewustzijn is gewekt dat de overgave nooit groot genoeg is, om aan het mysterie van de Eucharistie passend en waardig te beantwoorden. Het belangrijkste is de bede God om liefde te vragen, want zelfs de hoogste liefde kan het niet stellen zonder de vereniging met God, anders was zij immers geen liefde. 
Vervolgens richt de oratie zich op een tweede thema: de bede om een ‘zalige eeuwigheid’. Men heeft geprobeerd het begrip ‘beata perennitas’, ‘zalige eeuwigheid’, dezelfde lading te geven als ‘eeuwige zaligheid’: ‘beatitudo æterna/sempiterna’. Mogelijk berust dit op de achterliggende gedachte: het zalige voortduren (‘beata perennitas’) van de liefdevolle overgave in de eeuwigheid, de volmaakte voltooiing van het Offer in en met de overgave van het Rijk aan de Vader, zoals we lezen in 1 Kor 15, 24.28: “Daarna komt het einde, wanneer hij het koningschap aan God de Vader zal overdragen, na alle heerschappijen en alle machten en krachten te hebben onttroond. En wanneer alles aan Hem onderworpen is, zal ook de Zoon zich zelf onderwerpen aan Degene, die het al aan Hem onderwierp, opdat God alles in allen zij”.

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Concede, quæsumus, Domine,
ut oculis tuæ maiestatis munus oblatum et gratiam nobis devotionis obtineat,
et effectum beatæ perennitatis acquirat.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, laat ons door de gaven die wij voor Uw aanschijn hebben opgedragen, de genade verkrijgen om voor U te leven,
en eens het eeuwige geluk te bezitten.

Werkvertaling
Verleen [ons], Heer, vragen wij [U],
dat de gave die wij onder het oog (letterlijk: vóór de ogen) van uw Majesteit hebben opgedragen, ons de genade van godsvrucht, moge verkrijgen,
en ook [om het opsommende karakter van de tweeledige opsomming tot uitdrukking te brengen] de verwezenlijking van een gelukzalige eeuwigheid moge verwerven. (cf MR 1962)
L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De brontekst van de oratio super munera van deze zondag vinden we in het Sacramentarium Gregorianum [Hadrianum], 9 eeuw, 73, 2. In meer dan dertig handschriften opgenomen was de oratie in gebruik op het vaste land van Europa en het Britse schiereiland.
De oratio super munera van vandaag is identiek aan de secretatekst van Palmzondag (Missale Romanum [MR] 1962).
 (E. Moeller +, J.M. Clément + en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, I, A-C, Brepols, Turnhout 1992, nr. 723, p. 352, sub A.).
Op enkele kleine tekstverschillen na is de oratie voorts identiek aan de secreta van de zondag onder het Octaaf van Kerstmis (MR 1962). In deze oratie is de anaklese ‘omnipotens Deus’ en heeft de genitivusvorm ‘devotionis’ het adiectivum ‘piæ’ bij zich.
Naast bovengenoemde bron geeft het Corpus Orationum op p. 353 sub B en C nog een aantal bronnen met kleine tekstvariaties ten opzichte van de A-categorie alsook de rubrieken in MR 1962.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1. Concede, quæsumus, Domine,
2a. ut oculis tuæ maiestatis munus oblatum et gratiam nobis devotionis obtineat,
2b. et effectum beatæ perennitatis acquirat.

Redekundig is de oratio opgebouwd uit één doorlopende frase, samengesteld uit de imperativusvorm concede aan de spits van de oratie, klassiek gevolgd door de tussenzin quæsumus, waarvan we de functie al dikwijls hebben gezien, vervolgens het adres Domine tot de Vader met in de bijzin van coniunctief karakter, beginnend met het voegwoord ut, een eerste bede om van zijn kant de genade te verwerven van de juiste gesteltenis bij ons aansluiten bij het Offer van Christus, voortgezet met een tweede bede die strekt tot bestendiging door het verkrijgen van de vereniging met de H. Drieëenheid in de eeuwige en zalige aanschouwing.
De tekstfragmenten gratiam devotionis (r. 2a)  en effectum perennitatis (r. 2b) laten eeen parallellie zien van accusativusvormen –am + -um en genitivusvormen –is. Een volgende parallellie zijn de begrippen tuæ maiestatis (2a) en beatæ perennitatis (2b). De laatste twee begrippen liggen ook inhoudelijk dicht bij elkaar gezien hun eschatalogische dimensie.
De prædicaten obtineat (2a) en acquirat (2b) vertonen klank-, resp.  eindrijm..
Mooi is de slotcadens perennitatis acquirat.

In het Gebed over de gaven smeken wij dat de aangeboden gaven ons hier en nu de genade van de godsvrucht (etymologische betekenis: vreze Gods, godvrezendheid, vroomheid) moge schenken, m.a.w. de goede grond voor de genade), en daarenboven en daaruit voortvloeiend de structurele gesteldheid van de eeuwige gelukzaligheid.

Ad 1
Concede, verleen, vergun, schenk, - prædicaat van de openingsfrase in de imperativusvorm enkelvoud van het verbum concedere, concessi, concessum 3, - ook met betekenissen ‘toegeven, inwilligen, tegemoet komen’ welke we in onze taal terugzien in het leenwoord ‘concessie’ en aanverwante begrippen
Quæsumus als tussenzin kunnen we deze keer laten rusten!
Domine, [o] Heer, anaklese in de vocativusvorm van Dominus.
Door het gebruik van de gebiedende wijs wordt God gevraagd te geven waar de Kerk om bidt. God wordt gevraagd goedgunstig te staan tegenover het offer van de Kerk. Terwijl niemand Gods genade mag verwachten of er recht op heeft, smeekt de Kerk nederig – quæsumus- God om zijn goddelijke genade over de gaven uit te strekken.
Ad 2a
[Ut] obtineat, [op-/zodat] hij/zij/het moge verkrijgen, - prædicaat in de coniunctivusvorm (optativus), 3e pers. enkelvoud van het præsens.
Munus oblatum, het [U] opgedragen offer, - subject in twee congruerende nominativusvormen bij het prædicaat obtineat én op grond van de coniunctie et…et bij het prædicaat acquirat in r. 2b. Oblatum is het participium passivi perfecti onzijdig enkelvoud, hier bij het substantivum munus als adiectivum gebruikt.
Gratiam devotionis, genade van godsvrucht, - object van het prædicaat, samengesteld uit de accusativusvorm gratiam gevolgd door de bijvoeglijke bepaling devotionis in de genitivusvorm: genitivus qualitativus (hoedanig) of explicativus (toelichting).
Nobis, [aan, voor] ons, - bijwoordelijke bepaling in de dativus commodi (van voordeel)
Oculis tuæ maiestatis, onder het oog / voor de ogen van uw Majesteit, - bijwoordelijke bepaling, samengesteld uit de ablativus oculis (ablativus loci) gevolgd door de bijvoeglijke bepaling tuæ maiestatis in twee congruerende genitivusvormen: genitivus possessivus..
Ad 2b
[ut] acquirat, [op-/zodat] hij/zij/het moge verkrijgen, - 3e pers. enkelvoud coniunctivi præsentis van het verbum acquiere, acquisivi, acquisitum, 3, verwerven.
Het prædicaat heeft zoals gezegd munus oblatum van r. 2a als subject en als object effectum beatæ perennitatis, de uitwerking van/tot een gelukkige eeuwigheid, op te splitsen in de accusativusvorm effectum en de bijvoeglijke bepaling beatæ perennitatis in twee congruerende genitivusvormen: genitivus qualitatis of objectivus.
Gezien de parallelle zinsopbouw van de door de coniunctie et samengevoegde zinsdelen, ligt een gelijksoortig gebruik van de genitivus in de lijn der verwachting (possessivus), hoewel een qualitatis ook zeker zou kunnen, aangezien hier een gesteldheid wordt aangegeven.

V o c a b u l a r i u m
Maiestas
De term maiestas komt vijf maal voor in de oraties super munera van de zondagen VII, XVI, XXII, XXX en XXXIII door het jaar. In de meeste gevallen is de referentie direct, bijvoorbeeld – ‘et maiestatem tuam convenienter hoc munere veneremur’, dat wij uw Majesteit passend met/door dit Offer mogen aanbidden. A. Blaise meent dat het gebruik van abstracte begrippen zoals maiestas een grotere plechtigheid en reverentie toevoegen dan de beperking tot eenvoudige vormen van het persoonlijke voornaamwoord tu (A. Blaise, Le Vocabulaire Latin des principaux thèmes liturgiques. Ouvrage revue par Dom A. Dumas O.S.B., Brepols Turnhout 1966, 138).
Maiestas werd gebruikt als vertaling voor een van de twee essentiële elementen van het begrip δóξa του θεou (Glorie van God), in het Hebreeuws Kebod Jahweh. terwijl het begrip claritas meestal het concept van ‘licht’ uitdrukte, was maiestas  de gebruikelijke term voor het element kracht dat er in vervat is. In de oraties is de Bijbelse invloed van het woord maiestas evident. Gods machtige bescherming wordt gevraagd door de frase: ad protegendum nos, dexteram tuæ maiestatis extende, strek de rechterhand van uw Majesteit uit om ons te beschermen (Collecta, Dom. III Quadrag. MR 1961). Potentia wordt geïdentificeerd met maiestas in de colelcta van het feest van de H. Drieëenheid:
et Unitatem adorare in potentia maiestatis, en uw eenheid te aanbidden in de kracht van uw Majesteit. Voorts ook de typisch bijbelse tekst: munera … quæ oculis tuæ maiestatis offerimus, de offergaven die wij voor de ogen van uw Majesteit opdragen (Secreta, 2 febr., MR 1962).
In het gebed ‘Unde et memores’ na de Consecratie van de Canon Romanus: offerimus præclaræ maiestati tuæ de tuis donis, offeren wij aan uw verheven Majesteit, staat majestas voor de persoon van God zelf. En ook verderop in het gebed ‘Supplices te rogamus’ de frase: in conspectu divinæ maiestatis tuæ, vóór uw goddelijke Majesteit.
In al deze voorbeelden is de invloed van de hofstijl merkbaar. Zoals vroeger al aangestipt werd de term Maiestas tua gebruikt als eretitel voor de Romeinse keizers zoals  ten tijde van de dichter Horatius [65 vChr-8 vChr.] : neque parvum carmen recipit maiestas tua, geen gering gezang ontvangt uwe Majesteit (Epist. 2, 1, 258). Als aanspreektitel van God werd de term hoogst zelden door christelijke auteurs gebruikt en slechts voor de keizer aangewend. Misschien was een latere connotatie van de term die een bijzondere eigenschap van God alleen opriep, nog sterk in de 6e eeuw, toen het gebruik van de term voor God algemeen werd. Dat voor niemand anders – zelfs niet in de oraties van de martelaren – de term werd gebruikt, maar slechts voor God werd gereserveerd, geeft gewicht aan deze veronderstelling. Concluderend kan worden gezegd dat de Bijbelse invloed te zien is in het gegeven dat de term maiestas wordt gebruikt binnen een context van andere Bijbelse uitdrukkingen, met name die kracht uitdrukken, en ook het feit dat de term exclusief voor God is gereserveerd. De invloed van de hofstijl ziet men in het gebruik van een abstract begrip boven een concreet begrip.

Effectus, -us, m.,  is “een handeling, bewerking”, maar met het oog op het resultaat van een handeling betekent het: “resultaat, uitwerking, effect, strekking, doel”. Het verwante verbum efficere, effeci, effectus 3, heeft betekenissen als voortbrengen, veroorzaken, bewerken, maken, tot stand brengen. Afleidingen in het Nederlands: effect, effectief en ook efficiënt (ontleend aan efficientis, genitief van het participium præsens efficiens).
Lette men er op dat de vorm effectus kan zijn: 1. het substantivum met bovengenoemde betekenissen en 2. effectus, -a, - um, participium perfecti passivi van efficere met betekenis bewerkt [zijnde] enz. 

Perennitas betekent ‘bestendige duur, onvergankelijkheid, eeuwigheid’.

Met het begrip devotio,-onis f, - 1. toewijding, gehechtheid 2. godsvrucht, godsvruchtigheid,  zijn we al langer vertrouwd. Zie bijvoorbeeld de uitleg toelichting bij de Oratio super munera van de 1e zondag van de Advent. Verwante begrippen: het verbum devovere, vovi, votum, 1. aan God toewijden, 2. toewijden. Devotus, -a,-um, 1. aan God gewijd, godvruchtig. Herinner u de aanhef van de aan de H. Thomas van Aquino toegeschreven eucharistische hymne Adoro te, devote, latens Deitas – ik aanbid U godvruchtig, verborgen Godheid. Denkt u ook aan de laat-middeleeuwse spiritualiteit (15e eeuw) van de Moderne Devoten, die een innerlijke geestelijke hervorming nastreefden door een nieuwe oriëntatie op Evangelie en goede mystieke literatuur waardoor ook de ‘gemene’ mens goede daden en beschouwing leerde combineren en niet langer van de waan van de dag afhankelijk behoefde te zijn. Zie ook de bespreking van het collectegebed van de 4e zondag Quadragesima).

Voor ‘gratia’ moge worden verwezen naar de bespreking van de oratio super munera [OSM] van de 29e zondag door het jaar. Het commentaar aldaar bevat tevens een verwijzing naar ‘gratia’ in de OSM van de zondag van vandaag.
C o m m e n t a a r
Afgelopen woensdag vierden we de gedachtenis van de H. Albertus Magnus, bisschop en kerkleraar. Zijn commentaar (lectio altera in het Leziningenofficie) op het evangelie van Lucas (22, 19) sluit goed aan bij het Gebed over de gaven van deze zondag. (Opera omnias, Parijs, 1880-1889, 23, 672-674)
 ‘Doet dit tot een gedachtenis aan Mij’ (Lc  22, 19). Hierin vallen twee dingen op. Ten eerste is het de opdracht om dit sacrament te vieren, hetgeen blijkt uit de woorden ‘Doet dit’. Vervolgens staat er dat dit sacrament een gedachtenis moet zijn aan de Heer die voor ons gestorven is.
Jezus zegt dus: ‘Doet dit’. Een nuttiger gebod immers kon Hij ons niet opleggen. Geen enkel ander is aangenamer, heilzamer, lieflijker en meer in overeenstemming met het eeuwig leven. We zullen dit nu stap voor stap aantonen.
Dit gebod is nuttig voor de vergiffenis van de zonden en zeer nuttig in ons leven voor de volheid van de genade. De Vader van de hemelse geesten ‘voedt ons op voor ons welzijn, om ons deel te geven aan zijn eigen, eeuwige heiligheid’ (Hebr 12, 10). Welnu, de heiligheid van de Vader ligt in het offer van de Zoon, dat wil zeggen: als Christus zich in het sacrament opdraagt, biedt Hij zich aan de Vader aan ten bate van ons en aan ons biedt Hij zich als voedsel aan. ‘Omwille van hen wijd Ik Mij aan U’ (Jo 17, 19). ‘Door de eeuwige Geest heeft Christus zichzelf aan God geofferd als een smetteloos offer, dat ons inwendig zuivert van dode werken om de levende God te eren’ (Hebr 9, 14).
We kunnen niets aangenamers doen. Want wat is er aangenamer dan datgene waarin God ons zijn oneindige goedheid toont? ‘Uw volk hebt gij met engelenspijs gevoed en hun vanuit de hemel zonder ophouden een toebereid brood gegeven, dat iedere smaak in zich had en aangenaam was voor ieder die het proefde. Uw gave immers maakt op zichzelf uw goedheid jegens uw kinderen zichtbaar, maar zij voegde zich bovendien naar het verlangen van de gebruiker en veranderde in wat ieder wenste’ (Wijsh 16, 20-21).
De Heer had ook niets heilzamers kunnen opdragen. Want dit sacrament is de vrucht van de boom des levens. Wie er met de overgave van een oprecht geloof van eet, zal de dood niet voor eeuwig smaken. Een boom des levens is dit sacrament voor wie het verwerven, en wie trouw eraan blijven, zijn gelukkig (vgl. Spr 3, 18). ‘Zo zal hij die Mij eet, leven door Mij’ (Jo 6, 57).
De Heer kan ook niets lieflijkers opdragen. Immers, dit sacrament bewerkt liefde en eenheid. Het is immers het teken van de grootste liefde, wanneer men zichzelf als voedsel geeft. Wie geeft er ons zijn vlees, zodat we verzadigd worden? (vgl. Job 31, 31 - Vulg.). Het is alsof Christus zegt: zozeer heb Ik hen liefgehad en zij Mij, dat Ik verlang om door hen gegeten te worden en door hen opgenomen te worden, zodat ze als mijn ledematen in Mij worden ingelijfd. Inniger en natuurlijker kunnen zij met Mij en Ik met hen niet verenigd zijn.
De Heer had niets kunnen opdragen dat meer in overeenstemming met het eeuwig leven is. Want het bereiken van het eeuwig leven vloeit voort uit het feit dat God zichzelf als smakelijk voedsel schenkt aan hen die een leven leiden dat overeenstemt met de gelukzaligheid.

*
Het mysterie van de H. Eucharistie is het hart en het middelpunt van de Liturgie, omdat het de levensbron is die ons zó zuivert en sterkt, dat wij niet voor onszelf leven, maar voor God, en met elkaar verenigd zijn in een innige liefde.
Om het onafscheidelijk verband tussen geloof en godsvrucht goed tot uiting te laten komen heeft het 2e Vaticaans Concilie in de Constitutie over de H. Liturgie in nr. 47 de leer van de Kerk op dit punt samengevat: “Onze Verlosser heeft bij het laatste avondmaal, in de nacht, waarin Hij werd verraden, het eucharistisch Offer van zijn Lichaam en Bloed ingesteld, om hierdoor het kruisoffer door de eeuwen heen voort te zetten tot aan zijn komst en zó aan zijn geliefde Bruid, de Kerk, het gedachtenisteken van zijn dood en verrijzenis toe te vertrouwen: het sacrament van goedheid, het teken van eenheid, de band van liefde, het paasmaal, waarin Christus wordt genuttigd, de ziel met genade wordt vervuld en ons een onderpand wordt geschonken van de toekomstige heerlijkheid”.
Door deze woorden wordt zowel het Offer benadrukt, dat behoort tot het wezen van de Mis, die dagelijks wordt gevierd, alsook het sacrament waaraan de gelovigen deelachtig worden door de heilige Communie waarin zij het Vlees van Christus eten en zijn Bloed drinken  en de genade ontvangen, die het begin is van het eeuwig leven, en het geneesmiddel der onsterfelijkheid overeenkomstig het woord van de Heer: “Wij mijn Vlees eet en mijn Bloed drinkt, heeft eeuwig leven. En Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag” (Jo 6, 55)
De H. Eucharistie verleent de gelovigen een onschatbare waardigheid. Niet alleen immers op het ogenblik dat het Offer wordt opgedragen en het Sacrament wordt voltrokken, maar ook na het opdragen van het Offer en het voltrekken van het Sacrament, wanneer de H. Eucharistie in een kerk of oratorium bewaard blijft, is Christus in waarheid de Emmanuel de “God met ons”. Dag en nacht is Hij in ons midden, woont Hij onder ons, vol van genade en waarheid (Jo 1, 14). Hij leert ons hoe we moeten leven. Hij voedt onze deugden, troost de bedroefden, sterkt de zwakken, en nodigt allen, die tot Hem komen, uit, Hem na te volgen, van Hem te leren om zachtmoedig en nederig van hart te zijn, niet het eigen belang te zoeken, maar dat van God. Een ieder dus , die een bijzondere godsvrucht heeft tot de heilige Eucharistie en ernaar streeft om aan Christus, die ons oneindig liefheeft, bereidwillig en edelmoedig zijn wederliefde te schenken, zal tot zijn grote vreugde en voordeel ervaren en begrijpen, hoe kostbaar het leven is ‘met Christus, verborgen in God’ (Kol 3, 3), en hoe waardevol het is, zich te onderhouden met Christus; want hier op aarde is niets zo aantrekkelijk en niets zozeer in staat, ons vooruit te brengen op de weg der heiligheid.

Paus Paulus VI, Encycliek ‘Mysterium fidei’, 3 september 1965, over de leer en de verering van de H. Eucharistie. Ecclesia Docens H’sum 1965, nrs. 4-5, 67. 

Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica XXXIII per annum 33e zondag door het jaar Moge deze gedachtenisviering van Uw Zoon de liefde in ons versterken


 Het Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)

Moge deze gedachtenisviering van Uw Zoon de liefde in ons versterken
I n l e i d i n g
Met de woorden van de instellingsritus “Doet dit tot gedachtenis aan Mij” (Lc 22,19) als fundamentele opdracht aan zijn Apostelen heeft Christus het mysterie van de H. Eucharistie ingesteld, waarin de gaven van zijn Kerk geconsacreerd worden en als Zijn gaven, als spijs en drank, als voedsel aan de Zijnen worden aangereikt.
“Als bedienaren van deze heilige Geheimen, stellen de priesters, met name in het H. Misoffer, op bijzondere wijze de persoon van Christus tegenwoordig, die zichzelf als Slachtoffer heeft gegeven tot heiliging van de mensen; en daarom worden zij uitgenodigd om dat waarmee zij omgaan ook na te volgen, voor zover zij bij de viering van het Mysterie van de dood des Heren hun eigen ledematen trachten te doen afsterven aan gebreken en begeerten.
In het mysterie van het Eucharistisch Offer wordt het werk van onze verlossing voortdurend voltrokken en daarom wordt de dagelijkse viering daarvan, die ook dán, als de gelovigen er niet bij tegenwoordig kunnen zijn, toch een daad van Christus en de Kerk is, met klem aanbevolen. Terwijl de priesters zich dus met de daad van Christus-Priester verenigen, offeren zij zich dagelijks geheel op aan God, terwijl zij met het Lichaam van Christus worden gevoed krijgen zij van harte deel aan de liefde van Hem, die Zich tot spijs aan de gelovigen geeft” (Vgl. Decreet Presbyterorum Ordinis, Over het ambt en het leven van de priesters, IIe Vaticaans Concilie, 7 december 1965, 13).
De Postcommunio van deze zondag gaat uit van het genieten van deze gaven, gegrepen door de liefde van God en tot God, en van Christus en tot Christus, en niets anders dan door liefde.
Zo heeft de tekst van MR 1970 de bede van de oude originele tekst om “hulp in onze zwakheid” op uitstekende wijze geconcretiseerd. Want wat is een grotere hulp in onze zwakheid anders dan een grote liefde tot God?

T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Sumpsimus, Domine, sacri dona mysterii, humiliter deprecantes,
ut, quæ  in sui commemorationem nos Filius tuus facere præcipit,
in nostræ proficiant caritatis augmentum.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Heer, wij hebben uw heilige gaven ontvangen.
Nederig vragen wij U:
moge deze gedachtenisviering van uw Zoon, in gehoorzaamheid aan zijn opdracht,
de liefde in ons versterken. 

Werkvertaling
Wij hebben, Heer, de gaven van uw heilig Sacrament genuttigd, terwijl wij ootmoedig smeken dat, dat wat uw Zoon heeft bevolen dat wij ter gedachtenis aan Hem doen,
tot vermeerdering van onze liefde strekt.

B i j b e l s e  v i n d p l a a t s e n
Mt 26, 26-29
Mc 14, 22-25
Lc 22, 14-20
1 Kor 11, 23-25

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De brontekst van de Postcommunio [PC] van deze zondag vinden we in het Sacramentarium Leonianum (Verona, Kapittelbibliotheek LXXXV, folio 596, tweede helft zesde eeuw en daarnaast, met kleine tekstvarianten, in circa honderd andere codices verspreid over het continent en de Angelsaksische eilanden.
(E. Mœller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, IX, S-V, Brepols, Turnhout 1996, p. 23-24, nr. 5583).
In MR 1962 was deze oratie de Postcommunio van Quatertemper-vrijdag in de Pinksterweek met hier en daar enkele veranderingen: …ut, quae in sui commemorationem nos facere praecepisti, in nostrae proficiant infirmitatis auxilium. Aanvankelijk tot God de Zoon gericht, veranderde de oratie van adres, respectievelijk tot de Vader, met verwijzing naar de Zoon en veranderde het object van de oratie van hulp in zwakheid tot groei in liefde. 
Een tweede vindplaats (rubriek) in MR 1962: Mense Iulii, orations et preces diurnæ, XXXII alia missa <postcommunio>.

G e t u i g e n i s s e n  v a n  d e  V a d e r s
H. Justinus, filosoof en martelaar (ca. 100 – 164)
“De Apostelen hebben in de door hen samengestelde gedenkschriften die Evangeliën worden genoemd, aldus overgeleverd wat hun was opgedragen: dat Jezus het brood nam en dankte en sprak: “Doet dit tot mijn gedachtenis, dit is mijn Lichaam”.  En nadat Hij op dezelfde wijze de kelk had genomen en gedankt had, sprak Hij: “Dit is mijn Bloed.”
(I. Apol. 66)

Hippolytus van Rome, + 235
“Toen Hij zich nu aan een vrij verkozen lijden had overgeleverd, om de dood te vernietigen, de hel met voeten te treden, de rechtvaardigen te verlichten, het Testament te vestigen en de Opstanding te openbaren, nam Hij brood, dankte en sprak: Neemt, eet, dit is mijn Lichaam, dat voor u zal worden gebroken. Zo ook voor de kelk, sprak Hij: Dit is mijn Bloed dat wordt vergoten voor u. Als gij dit doet, doet het ter gedachtenis aan Mij”.
(Traditio apostolica 4)

H. Ambrosius, bisschop van Milaan, * Trier 339 + Milaan 397
“Begrijp hoe groot dit Sacrament wel is. Zie wat Hij zegt: “Zo dikwijls gij dit doet, zult gij het telkens tot gedachtenis aan Mij doen, totdat Ik wederkeer” (1 Kor 11,26).
(De Sacramentis, IV, 6)

H. Augustinus, bisschop en kerkvader * Thagaste 13 nov 354 + Hippo 28 augustus 430
“Gij moet wéten wat ge ontvangen hebt, wat ge zúlt ontvangen en wat ge dagelijks móet ontvangen.”
(Uit Sermo 227, in die Paschæ IV)

H. Fulgentius, bisschop van Ruspe * Carthago, voor 499 + Ruspe 1 januari 533
“Bij het opdragen van het Offer gaat in vervulling, wat onze Verlosser bevolen heeft te doen, volgens de woorden van de H. Paulus: Dat de Heer Jezus in de nacht dat Hij werd overgeleverd, brood nam, en na gedankt te hebben, het brak en zei: Dit is mijn Lichaam voor u. Doet dit tot mijn gedachtenis. Zoo ook na de maaltijd met de beker: Deze beker is het Nieuwe Verbond in mijn Bloed. Doet dit, elke keer dat gij Hem drinkt, tot mijn gedachtenis. Zo dikwijls gij dit brood eet em de kelk drinkt verkondigt gij de dood des Heren totdat Hij komt.
Zo dus wordt het Offer opgedragen, opdat daardoor de Dood des Heren zou worden verkondigd en de gedachtenis zou worden gevierd van Hem, die voor ons zijn leven gaf.  Hij toch zei: Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden. Omdat dus Christus uit liefde voor ons gestorven is en wij tijdens het Offer zijn dood gedenken, vragen wij dat door de komst van de H. Geest ons de liefde wordt geschonken. Terwijl wij nederig smeken dat door dezelfde liefde waarmee Christus zich verwaardigd heeft voor ons gekruisigd te worden, ook wij de genade moegen ontvangen van de Heilige Geest en wij de wereld voor gekruisigd kunnben houden en ten bate van de wereld gekruisigd kunnen worden. Daardoor volgen wij de Dood van onze Heer na, zoals het sterven van Christus een sterven was voor de zonde, eens en voorgoed, en zijn leven een leven is voor God, zoo ook moeten wij in nieuwheid van leven wandelen. En als wij zo de gave van liefde hebben ontvangen, laten wij dan sterven aan de zonde en leven voor God”.
(Contra Fabianum 28, 16-18)

H. Albertus de Grote, bisschop en kerkleraar * Lauingen 1206 + Keulen 1280
‘Doet dit tot een gedachtenis aan Mij’ (Lc 22, 19). Hierin vallen twee dingen op. Ten eerste is het de opdracht om dit sacrament te vieren, hetgeen blijkt uit de woorden ‘Doet dit’. Vervolgens staat er dat dit sacrament een gedachtenis moet zijn aan de Heer die voor ons gestorven is.
Jezus zegt dus: ‘Doet dit’. Een nuttiger gebod immers kon Hij ons niet opleggen. Geen enkel ander is aangenamer, heilzamer, lieflijker en meer in overeenstemming met het eeuwig leven. We zullen dit nu stap voor stap aantonen.
Dit gebod is nuttig voor de vergiffenis van de zonden en zeer nuttig in ons leven voor de volheid van de genade. De Vader van de hemelse geesten ‘voedt ons op voor ons welzijn, om ons te doen delen in zijn eigen, eeuwige heiligheid’ (Hebr 12, 10). Welnu, de heiligheid van de Vader ligt in het offer van de Zoon, dat wil zeggen: als Christus zich in het Sacrament opdraagt, biedt Hij zich aan de Vader aan ten bate van ons en aan ons biedt Hij zich als voedsel aan. ‘Omwille van hen wijd Ik Mij aan U’ (Jo 17, 19). ‘Door de eeuwige Geest heeft Christus zichzelf aan God geofferd als een smetteloos offer, dat ons inwendig zuivert van dode werken om de levende God te eren’ (Hebr 9, 14).
We kunnen niets aangenamers doen. Want wat is er aangenamer dan datgene waarin God ons zijn oneindige goedheid toont? ‘Uw volk hebt gij met engelenspijs gevoed en hun vanuit de hemel zonder ophouden een toebereid brood gegeven, dat iedere smaak in zich had en aangenaam was voor ieder die het proefde. Uw gave immers maakt op zichzelf uw goedheid jegens uw kinderen zichtbaar, maar zij voegde zich bovendien naar het verlangen van de gebruiker en veranderde in wat ieder wenste’ (Wijsh 16, 20-21).
De Heer had ook niets heilzamers kunnen opdragen. Want dit Sacrament is de vrucht van de boom des levens. Wie er met de overgave van een oprecht geloof van eet, zal de dood niet voor eeuwig smaken. Een boom des levens is dit Sacrament voor wie het verwerven, en wie trouw eraan blijven, zijn gelukkig (vgl. Spr 3, 18). ‘Zo zal hij die Mij eet, leven door Mij’ (Jo 6, 57).
De Heer kan ook niets lieflijkers opdragen. Immers, dit Sacrament bewerkt liefde en eenheid. Het is immers het teken van de grootste liefde, wanneer men zichzelf als voedsel geeft. Wie geeft er ons zijn vlees, zodat we verzadigd worden? (vgl. Job 31, 31 - Vulg.). Het is alsof Christus zegt: zozeer heb Ik hen liefgehad en zij Mij, dat Ik verlang om door hen gegeten te worden en door hen opgenomen te worden, zodat zij als mijn ledematen in Mij worden ingelijfd. Inniger en natuurlijker kunnen zij met Mij en Ik met hen niet verenigd zijn.
De Heer had niets kunnen opdragen dat meer in overeenstemming met het eeuwig leven is. Want het bereiken van het eeuwig leven vloeit voort uit het feit dat God zichzelf als smakelijk voedsel schenkt aan hen die een leven leiden dat overeenstemt met de gelukzaligheid.
(Ex Comm. S. Alberti ep. in Evangelium Lucæ 22, 19 Opera Omnia, Parijs 1890-1899, 23, 672-674)
Zie: Liturgia Horarum (Getijdengebed) lectio altera, die 15 novembris, memoria S. Alberti Magni
T e x t u e l e  a n a l y s e 
1. Sumpsimus, Domine, sacri dona mysterii, humiliter deprecantes,
2a. ut, 3. quæ in sui commemorationem nos Filius tuus facere præcipit,
2b. in nostræ proficiant caritatis augmentum.

Deze kunstig compacte Postcommunio omvat één enkele volzin, samengesteld uit de hoofdzin met het prædicaat sumpsimus in de indicativus die de feitelijk ontvangen gave benoemt, vergezeld van de bijstelling humiliter deprecantes, die de gesteltenis van de biddende Kerk verwoordt (regel 1), gevolgd door een finale/consecutieve bijzin, ingeleid door het voegwoord ut in de coniunctivusmodus die het beoogde effect formuleert (r. 2a-2b) en die wordt onderbroken door een relatieve bijzin [ea] quæ  (r. 3), die in haar geheel het subject vormt van het effect in r. 2b en ook het bewerkend beginsel daarvan vormt. Deze relatieve bijzin bevat een a.c.i.-constructie (accusativus cuminfinitivo).

Ad 1
Sumpsimus, wij hebben ontvangen/genuttigd – prædicaat in de 1e persoon meervoud indicativus perfecti activi van het verbum sumere, sumpsi, sumptum, 3. met ingesloten subject: wij.
Sumere heeft vele betekenissen: 1. nemen, tot zich nemen, opnemen 2. ontvangen, te leen ontvangen 3. besteden, uitgeven, verteren 4. gebruik maken van, genieten, nuttigen  5. beginnen 6. uitkiezen 7. In aanmerking nemen, begunstigen 8. zich aanmatigen 9. aannemen, ondernemen.
Domine, [o] Heer – anaklese  in de vocativusvorm van Dominus.
Sacri dona mysterii, de gaven van dit heilig Sacrament (Mysterie), object van het prædicaat sumpsimus en samengesteld uit de accusativusvorm dona (pluralis van donum, - i. onz.) vergezeld van een bijvoeglijke bepaling in twee congruerende genitivusvormen sacri en mysterii die vanwege hun positie een hyperbaton vormen.
Deprecantes, smekend, biddend – bijstelling bij het in sumpsimus opgesloten subject wij in de 1e pers. pluralis participii præsentis van het deponens deprecari.
Humiliter, nederig – bijwoordelijke bepaling die het smeken nader kwalificeert: op nederige wijze (adverbium)
Ad 2a-2b
Ut […] in nostræ..: finale/doelaanwijzende resp. consecutieve/gevolgaanduidende bijzin in de
Coniunctivusmodus, bepaald door het voegwoord ut.
Proficiant, [opdat] zij bevorderen/ nuttig zijn voor, prædicaat in de 3e pers. pluralis coniunctivi præsentis activi van het verbum proficere, profecti, profectum, 3, met betekenissen 1. vooruitkomen, verder komen 2. vorderingen maken, zich uitbreiden 3. helpen, baten, nuttig zijn.
In nostræ caritatis augmentum, voor de groei van onze liefde –  bijwoordelijke bepaling 0f voorzetselbepaling samengesteld uit de accusativusvorm augmentum, geregeerd door de prepositie in + acc., voorafgegaan door twee congruerende genitivusvormen die augmentum nader toelichten, genitivus explicativus.
Ad 3     
Quæ, te lezen als [ea] quæ, de dingen die, object in de accusactivusvorm pluralis onzijdig van het pronomen relativum quod bij het prædicaat præcepit facere, heeft bevolen te doen
Nos, ons - Na het verbum præcipere volgt een dativus. Er zou dan nobis hebben gestaan. Dit pleit ervoor dat hier een a.c.i. constructie bedoeld is in de accusativus pluralis van het pronomen personale nos. Men kan hier een a.c.i. constructie waarnemen waarbij nos de accusativus is en facere de infinitivus. Letterlijke vertaling: de dingen die Uw Zoon opgedragen heeft dat wij doen. Geen fraaie vertaling maar het laat wel duidelijk de a.c.i. constructie zien. Natuurlijk kan er voor een mooiere vrije vertaling gekozen worden zoals: de dingen waarvan Uw Zoon heeft gezegd dat wij ze moeten doen. Het ‘moeten’ geeft dan de opdracht van de Heer indirect weer.
Filius tuus, uw Zoon – subject van het prædicaat præcepit facere
in sui commemorationem, tot zijner gedachtenis – voorzetselbepaling, opgebouwd door de accusactivusvorm commemorationem die door de prepositie in wordt bepaald en de genitivusvorm sui van het pronomen possessivum suus (zijn/van hem) omdat deze vorm terugslaat op het even verder genoemde Filius tuus.  

S t i j l f i g u r e n
1. Hyperbaton (uiteenplaatsing van twee bij elkaar horende begrippen):
sacri [dona] mysterii (regel 1),
in [sui] commemorationem, (r. 3),
in [nostræ proficiant caritatis] augmentum (r. 2b)
nostræ [proficient] caritatis (r. 2b)
2. Veel harde en zachte “k/c”- klanken
3. Dominante aanwezigheid van de ‘m’
4. Antithese / tegenstelling tussen nos, ons, en tuus, uw (in r. 3)
De afwisseling in de slotcadensen van de drie tekstregels (deprecantes, præcipit en augmentum) bewerken een mooi gedragen effect wanneer deze oratie wordt gezongen.

K l e i n  v o c a b u l a r i  u m
Deprecor, deprecatus sum, 1, deponens (verbum met passieve vormen maar met actieve betekenis)
Dit begrip werd reeds gebruikt in de Postcommunio-teksten van de 22e zondag door het jaar, van Palmzondag en ook in de Oratio super munera van het feest van de H. Familie.  Deprecor is niet enkel “bidden, smeken”, maar “dringend smeken”. Deprecor is een  samengesteld verbum van de prepositie de + precor en betekent “afkeren, afwenden (van zichzelf of van anderen) door dringend smeken, dringend smeken iets niet te doen; dus bidden, tussenbeide komen, bemiddelen ter afwending van een of ander kwaad, of om vergiffenis te verkrijgen voor een of andere overtreding. In oudere uitgaven van het Rituale Romanum vinden we een vorm van deprecor (prex deprecatoria ), een gebed tegen een muizenplaag (contra mures, locustas, bruchos, vermes et alia animalia nociva), sprinkhanen, rupsen en andere schadelijke beestjes. De priester ging bij dergelijke plagen, in superpli en bekleed met  paarse stola, naar de akkers, sprak daar een aantal gebeden uit, waaronder een exorcisme en zegende vervolgens de akkers met wijwater.
In de oratie van vandaag is duidelijk dat we iets willen verkrijgen door dringend gebed.
Deprecantes
Kijken naar de tijden van het verbum helpt de oratie beter te begrijpen. Als we het Latijn bestuderen leren we deprecantes te herkennen als een participium præsentis activi (tegenwoordig deelwoord, bedrijvende vorm). Het idee “tegenwoordig” is een beetje misleidend en tegelijkertijd toch juist. Hoe dit te begrijpen?  Ten eerste, “tegenwoordig” in het geval van deze tijd wordt beter weergegeven door contemporain, gelijktijdig, tegelijkertijd. Dat betekent  dat iets gebeurt of plaats vindt op dezelfde tijd (gelijktijdig) als de tijd van het hoofdwerkwoord. Als dit werkelijk zo is in de tegenwoordige tijd, soit!, maar het kan ook in de verleden - of in de toekomende tijd. In de oratie van vandaag wordt de tijd van deprecantes bepaald door de tijd van het verbum sumpsimus. De vorm van sumpsimus is præsens perfectum en dat betekent dat op het moment van spreken, de actie die het werkwoord aangeeft, is voltooid: dus is het een verleden tijd met verwijzing naar de tegenwoordige realiteit. In dit geval hebben we een vorm van sumo, waarvan de hoofdtijden luiden sumo, sumere, sumpsi, sumptum. Als wij bijgevolg in de oratie van vandaag “ontvingen door te nuttigen” (sumpsimus), namelijk de H. Hostie in de H. Communie, waren wij gelijktijdig, tegelijkertijd bezig "dringend te bidden (deprecantes) iets te verkrijgen.”
De Postcommunio legt God in zekere zin voor dat we hebben gebeden op het moment dat eerder in het verleden ligt dan dat het gaat om een gebed dat refereert aan het moment van nu.
De H. Augustinus zegt in Brief 149, 13 met betrekking tot het verbum deprecari: Precari … esse precando bona optare, imprecari, mala, … deprecari …mala precando depellere (Precari… betekent goede dingen wensen door te bidden, kwade dingen toewensen…deprecari … door te bidden kwade/slechte dingen afwenden). Zijn definitie omvat dus de volle waarde van de preposities.
In Laat-Latijnse liturgische teksten werd de kracht van de preposities meer en meer verzwakt zodat deprecari synoniem werd met precari, slechts met een geringe of zelfs geen enkele connotatie meer met de betekenis “afwenden”. Dit hebben we in de reeksen van de Collecta, de Oratio super munera, en de Postcommunio regelmatig gezien. Gewoonlijk wordt het begrip deprecari  gebruikt in het kader van smeekbeden. Dit is evident, gezien het feit, dat praktisch in elke instantie dit begrip voorkomt in combinatie met een ut-bijzin met finale betekenis.
We zien ook dat de verzwakking van het voorzetsel de- dikwijls wordt gecompenseerd door toevoeging van supplices of suppliciter.
(Vgl. Sr. Mary Pierre Ellebracht C.Pp.S, Remarks on the Vocabulary of the ancient orations in the Missale Romanum, Nijmegen-Utrecht, 1966, 114-115)
Augmentum, - i, onz.
Met betekenis: het aangroeien, vermeerdering, toeneming. Dit substantivum kwam recent aan bod in het Vocabularium van de Postcommunio van de 31e zondag. In het Nederlands kennen we augmentatie als begip in de muziek, in de taal, in de economie enz.
Sui
Genitivus singularis van suus, -a, um dat een reflexief bezittelijk voornaamwoord is. In het Nederlands gebruiken we het meerduidige woord “zijn” als bezittelijk voornaamwoord. Maar dat geeft geen zekerheid op wie het “zijn” slaat. In het Latijn gebruiken we suus als verwijzing naar het subject van het werkwoord, wanneer het “terug slaat” op de actor. Is het bezittelijk voornaamwoord van de 3e persoon n i e t reflexief, dan wordt het uitgedrukt door de gen. sing. eius of gen. plur. eorum, earum, eorum van het pronomen is. In de Postcommunio slaat sui terug op het subject van het verbum praecipit en dat is Filius tuus.

O v e r w e g i n g
Komend vanuit de niet te tellen verstrooidheden van ons dagelijks leven, moeten we ons, wanneer we de parochiekerk binnengaan voor de viering van de H. Mis herinneren dat we niet deelnemen aan een loutere gedachtenis of aan iets wat Christus lang geleden heeft gedaan en waarvoor we nu op een nostalgische manier dankbaar zijn. De H. Mis is niet louter een ‘memoria’ van een edel gebaar van opoffering dat ons zou moeten inspireren hetzelfde voor anderen te doen. De H. Mis heeft geen voorbeeldfunctie in het bevorderen van sociaal werk of het koesteren van warme gevoelens.
Wanneer we de kerk binnengaan en de H. Mis begint, bevinden we ons plotseling in een mysterievolle en tijdloze ruimte, waar, dat wat we doen en zeggen, ons niet alleen oproept ons gebeurtenissen uit het verleden te herinneren, maar waar God actueel handelt door middel van onze woorden en daden, onze bewuste en toegewijde participatie en wij daarin betrokken mogen zijn. Zijn werk – in het verleden en nu - en het onze maken deze gebeurtenissen actueel voor ons en doen ons erin participeren.
Het Paasmysterie, de heilsdaden van het Laatste Avondmaal, van het Lijden, van het Kruis en van de Verrijzenis van Jezus worden vernieuwd en geactualiseerd in de H. Eucharistie, en Christus, de ware Actor en Bewerker van deze heilsdaden maakt ons tot deelgenoten in Zijn sacramenteel handelen.
Bewust dus van onze deelname aan de heilige en ons transformerende mysteries die het keerpunt vormen van de geschiedenis van heel de geschapen wereld, verenigen wij ons hart, onze wil en ons verstand met de woorden van de priester, die ons aan het altaar mede vertegenwoordigt en de goddelijke Majesteit dringend smeekt dat wij door het ontvangen van  de H. Communie “mogen toenemen in liefde”. Aldus gevoed met het Lichaam en Bloed van Christus, zijn we in staat niet alleen binnen de kerk maar ook na het verlaten van de kerk onze liefde voor onze naasten concreet in praktijk te brengen en uit te dragen.

In feite is het niet te beschrijven: in het Brood en de Wijn, door deze eenvoudige tekenen en door eenvoudige woorden voltrekt zich het grootste mysterie van de mensheid: God Zelf komt onder ons, hier op deze wereld, in onze tijd, hier en nu, vandaag, direct onder ons tegenwoordig. Deze gebeurtenis is niet in onze woorden uit te drukken en met ons verstand bereiken we ook al gauw onze grenzen. Maar hier bevinden we ons wel in het centrum van de christelijke boodschap: God is niet Iemand die ver van ons is, niet Iemand die zich niets aan ons gelegen laat liggen. Nee, Hij heeft zich voor ons overgeleverd en Hij schenkt zich elke dag opnieuw aan ons in de viering van de H. Eucharistie. Wij nemen Hem op in ons hart, Hij neemt ons op in zijn Hart en wij worden zo wat we zijn.
“De H. Eucharistie is het sacrament van de liefde (vgl. Thomas van Aquino, Summa Theologiæ III, q. 73.3). De H. Eucharistie is het geschenk van de zelfgave van Jezus Christus, waardoor Hij ons Gods oneindige liefde voor iedere mens openbaart. In dit wonderbare sacrament toont zich de “grootste” liefde die er toe aanzet “het eigen leven te geven voor zijn vrienden” (vgl. Jo 15, 13). Ja, Jezus heeft de Zijnen “tot het uiterste toe liefgehad” (Jo 13, 1). Deze woorden van de evangelist vormen de inleiding op Jezus’ gebaar van oneindige nederigheid: voordat Hij voor ons aan het kruis stierf, waste Hij, omgord met een linnen doek, zijn leerlingen de voeten. Op dezelfde manier blijft Jezus ons in het Sacrament van de Eucharistie, steeds en nog altijd “tot het uiterste toe” liefhebben, tot en met de gave van zijn Lichaam en zijn Bloed. Wat moeten de woorden en gebaren van de Heer tijdens het Laatste Avondmaal de Apostelen met ontzag en verbazing hebben geroerd? Wat moet het mysterie van de H. Eucharistie ook, en iedere keer als we de H. Mis meemaken en we de kans hebben daardoor Gods genade deelachtig te worden, in ons hart verwondering opwekken!”
‘Ne morereris!’ (Ps 69 [70], 6b) Talm niet! Ga naar de kerk!
(Paus Benedictus XVI, Postsynodale apostolische Exhortatie, Sacramentum Caritatis, 22 febr.2007, Inleiding)