Posts tonen met het label hebdomada XV per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hebdomada XV per annum. Alle posts tonen
zaterdag 9 juli 2022
Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” 15e zondag per annum / door het jaar
Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie
Geef aan Uw
gelovigen de genade van een heiliger leven
I n l e i d i n g
“De
gaven van de biddende Kerk” zijn allereerst brood en wijn, en hierop heeft de
zeer dringende bede: “Zie naar de gaven!” dan ook betrekking. Wanneer voorts
wordt gebeden dat God door het genieten van deze gaven de heiligheid van de
gelovigen moge verdiepen, dan zijn de gaven ongetwijfeld het Lichaam en Bloed
van Christus. Zo schijnt de bede “Zie naar de gaven” reeds te anticiperen op de
Consecratie, wanneer de gaven van brood en wijn door de kracht van God Lichaam
en Bloed van zijn Zoon Jezus Christus worden.
Als
Brood des Levens is de heilige Eucharistie bestemd tot voeding voor onze ziel
en bewerkt tegelijk groei van en naar het eeuwige leven. Niets anders betekent dit
mysterie dan “toename in heiligheid”
of “toename van de genade van de
verlossing” zoals de priester in het Gebed na de Communie bidt, niets anders
dan het ”eeuwig leven”, dat is het delen in het leven van God zelf, de driemaal
Heilige.
Christus offert zich aan zijn Vader en
de biddende Kerk biedt zijn offer aan – omwille van ons die benauwenis
ondergaan (Introitus) en om ons als dwalenden de juiste weg te wijzen (Collectegebed).
Wanneer nu het offer op het altaar voltrokken is en wij met heel ons wezen,
zowel inwendig als uitwendig, daaraan hebben deelgenomen, dan is het zaad in
goede aarde gezaaid en kan het vrucht dragen, dertig-, zestig-, of
honderdvoudig (Evangelie Mt, 13, 23).
T e k s t
Missale Romanum – 1970
Respice, Domine, munera supplicantis Ecclesiæ,
et pro credentium sanctificationis incremento sumenda concede.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, zie naar de gaven van
uw Kerk, die tot U bidt.
Geef aan uw gelovigen, die
ze als voedsel tot zich nemen, de genade van een heiliger leven.
Werkvertaling
Zie welgevallig neer, Heer, op de gaven van Uw
smekende Kerk,
en geef dat deze [gaven] worden genuttigd tot
vermeerdering van de heiliging van Uw gelovigen.
L i t u r g i s c h e
a n t e c e d e n t e n
De brontekst van de oratio super munera van
deze zondag vinden we in het ‘Sacramentarium
Pragense’, Codex O. 83, 411, 2, Metropolitaanse Kapttelbiblotheek
Praag, vroeger dan 788, met originele tekst uit Regensburg, waarschijnlijk in opdracht van hertog Tassilo
gecodificeerd, vervolgens naar Praag overgebracht. Wordt getypeerd als een
gregorianiseerd Gelasianum.
De
brontekst is sinds de 8e eeuw in meer dan 50 contemporaine en latere
codices verspreid en in gebruik geweest op het Europese vasteland en op het
Britse schiereiland.
De versie MR 1962 geeft de brontekst met in
plaats van het zinsdeel ” et pro credentium sanctificationis incremento sumenda
concede”: “et saluti credentium perpetua sanctificatione sumenda concede”.
Rubriek: Dominica seu hebdomada IVa
post (octavam) Pentecosten (IVa post Trinitatem), oratio super
oblate seu secreta (Vierde zondag of vierde week na het octaaf van Piinksteren
(IVe zondag na Drievuldigheidszondag), gebed over de gaven of
secreta.
(E. Moeller, J.M. Clément en
B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, VIII, R-S, Brepols, Turnhout 1996,
XXXIX en nr. 5085, Br 979 op p. 61.1810, p. 46).
S t r u c t u u r
a n a l y s e e n s t i j l f i g u r e n
Het Gebed over de gaven bestaat uit één enkele hoofdzin, opgebouwd
uit twee halfzinnen, verbonden door de coniunctie et. Van beide halfzinnen
staat het prædicaat in de imperativusvorm.
Er is sprake van een tweevoudige bede: God
wordt gevraagd genadig naar de gaven van de smekende Kerk om te zien en hen die
in Hem geloven door het nuttigen van deze gaven te doen groeien in heiligheid.
Door het gebruik van het begrip ’supplicantis Ecclesiæ’ wordt de nederigheid
van de Kerk tegenover God onderstreept. De Kerk (Ecclesia) is enerzijds in de
metafysische dimensie Mystiek Lichaam van Christus en anderzijds in de aardser
dimensie de gemeenschap van de gelovigen (credentes), in het hier en nu als in
alle tijden en op alle plaatsen (universaliteit).
In zekere zin belijdt de Kerk daarmee dat
zij haar doel nog niet heeft bereikt en dat zij verkeert in de behoefte van
verdere heiliging, maar ook dat zij er op vertrouwt dat zij in de liturgische
aanbidding van God kan komen tot vervulling, in de hoop op verlossing voor de
mensheid en de schepping.
Opmerkelijk is dat
deze oratie in haar bewoordingen door het gebruik van een gerundivumconstructie
([munera] sumenda) een beoogd catechetisch effect heeft, te weten: de biddende
gelovige wordt duidelijk gemaakt dat hij de Eucharistische Gaven tot zich moet nemen om te groeien in heiligheid.
Het is jammer dat juist dit element in de vertaling van het Nederlandse
Altaarmissaal niet meer tot zijn recht komt.
Ad
1
Respice,
zie neer/om, - prædicaat in de imperativusvorm van het verbum respicere 3., aan
de spits van de oratie, zonder, deze keer, het gebruikelijke quæsumus.
Domine,
[o] Heer, - anaklese in de vocativusvorm van Dominus.
Munera supplicantis Ecclesiæ, de gaven
van de smekende Kerk, - object van het prædicaat respice, bestaande uit de
accusativusvorm van het substantivus munus, - eris, n. nader toegelicht door de congruerende
genitivusvormen supplicantis Ecclesiæ: Ecclesiæ een genitivus subiectivus nader verklaard
door een bijvoeglijk gebruikt participium praesentis activi van het verbum
supplicare
Ad 2
et pro credentium sanctificationis incremento sumenda concede.
Concede,
verleen/ geef, - prædicaat in de imperativusvorm van het verbum concedere 3.,
dat voor zijn object verwijst naar munera in de voorafgaande halfzin, verbonden
met de gerundivumvorm sumenda (moetende worden genuttigd) die met het meervoud
onzijdig munera congrueert.
In
de oratietaal wordt het gerundivum vaak gebruikt bij werkwoorden die een
essentiële eucharistisch rituele betekenis hebben, bijvoorbeeld sacrare,
consecrare, celebrare, venerari, dicare, immolare, offerre, sumere (handelingen
waar het aardse raakt aan het mysterie). Het gebruik van de gerundivumconstructie
benadrukt de eenheid van de cultische handeling, die hic et nunc wordt
voltrokken. Genoemde constructie in de gebedstaal is typisch Romeins en komt
ook voor in oude niet-christelijke gebedsformuleringen. (Vgl. Sr. Mary Pierre Ellebracht C.Pp.S., Remarks on the vocabulary
of the ancient orations in the Missale Romanum. Reeks Latinitas christianorum primæva. Nijmegen-Utrecht, 1966,p.
103).
Pro
credentium sanctificationis incremento, voor/ten behoeve van de groei van de
gelovigen tot/in heiligheid, - bijwoordelijke bepaling, opgebouwd door de
ablativusconstructie pro … incremento, nader bepaald door twee genitivusvormen
in ondergeschikte verhouding, te weten: 1e rang : [pro incremento]
sanctificationis, van heiligheid, zijnde een genitivus subiectivus en 2e
rang: de heiligheid van wie, credentium:van de gelovigen, een genitivus subiectivus van een zelfstandig
gebruikt participium praesentis activi.
Opmerking
Iedere
halfzin behelst een participium præsensvorm, te weten supplicantis en
credentium. Zoals de Kerk onophoudelijk blijft smeken (moet blijven smeken), zo moeten de priester en de gelovigen door
het nuttigen van de Eucharistische gaven blijven groeien in heiligheid.
In
de tweede halfzin: repetitio van het tekstelement cre in credentium en
incremento.
Mooie
antithese in de plaatsing van de prædicaten: respice aan de spits en concede
aan het einde van de oratie.
V o c a b u l a r i u m
Respice > respicere, respexi, respectum 3.,
1. omkijken 2. omzien naar, kijken naar, zich bekommereen om, acht slaan op 3.
terugdenken aan, komt tweemaal (Zondagen XV, XXX) voor in de Gebeden over de
gaven. Het wordt vergezeld met het directe object munera. De oratie van vandaag vraagt God goedgunstig en genegen om
te zien naar de aangeboden gaven, die de bron van heiligheid zullen zijn voor
hen die deze offeren (Vgl. G. A. Nursey, Suscipe
Munera Nostra: A Liturgical Theology From The Prayers Over the Gifts For
Sundays in Ordinary Time, Washington, D.C. 2011, 185).
Het
verbum respicere komt dikwijls voor in de Vulgaat
en drukt de liefdevolle en genadige zorg uit van God voor de mensen: “quia
respexit humilitatem ancillæ suæ” (Luc 1,48), genadig heeft Hij omgezien naar
de nederigheid van zijn dienstmaagd (Magnificat), om maar een voorbeeld te
noemen.
Een
van de concrete toepassingen van deze term was “de blik van de godheid gunstig
te stemmen” over de gaven die geofferd werden. Een welgevallige blik betekende
dat de offers waren aanvaard. Deze symboliek is een van de vroegste en meest
universele concepten bij het offerritueel.
Gangbaar bij de heidenen, vinden we deze evengoed in de H. Schrift. In
de Vulgaatvertaling van de Bijbel wordt van het offer van Abel gezegd:
“Respexit Dominus ad Abel et ad munera ejus (Gen 4, 4-5), God zag met
welgevallen neer op Abel en op zijn offers. Ook in de oraties super munera komt
respicere in deze striktere betekenis met betrekking tot de gaven voor. In de
slotzin van deze oraties wordt de aanwezigheid van de “welgevallige blik van
God” dikwijls uitgewerkt als een heiligend effect (Vgl. Ellebracht, 89).
Afleidingen
in het Nederlands: respect, respectievelijk enz.
Despicere,
despexi, despectum, 3, is het tegenovergestelde van respicere. In het 2e
Boek Samuel (6, 16) staat de bekende passage over het feestelijk binnenvoeren
van de Ark van het Verbond in Jeruzalem: “Toen de Ark van de Heer de stad van
David was binnengedragen, zag Michol, de dochter van Saul, [die aan David ten
huwelijk was gegeven] koning David springend en dansend voor de Ark uitgaan en
zag smalend op hem neer” (despexit eum in corde suo).
Supplicare, nederig, deemoedig smeken. Verwante
begrippen zoals supplex (dom. IV Quadrag, Super munera en dom. 28
per annum Collecta), supplicatio (dom. IV
Quadr. Super munera, dom. VII Paschæ Collecta en dom. II per annum Collecta) suppliciter
(dom. IV Quadrag. Super munera) werden reeds
eerder besproken Het werkwoord supplicare en bovengenoemde connotaties
suplicatio, “smeking, deemoedig gebed, plechtig smeekgebed”, het bijwoord
suppliciter, en het onzijdige substantief supplicium, “smeekbede, smeekoffer,
maar ook doodstraf, straf, lijden, pijn, foltering, samengesteld uit het
voorzetsel sup/sub- en –plic… , wijzen plastisch op de houding van een
smekeling: in gebogen deemoedige houding, geknield en onderdanig, met een, als
het ware “gevouwen” of “geplooid” lichaam waarbij de smekeling dikwijls de
knieën van degene tot wij hij smeekt
vast omklemd houdt.
Als
‘vervoegd’ werkwoord komen we het niet tegen in de oraties, hoogstens als
variant wanneer een ander verbum voor gebed reeds is genoemd. Dus ‘supplicandi
affectum’ is eenvoudig “de wens om te bidden”. In alle andere gevallen komt het
verbum voor in de participium præsens-vorm in combinatie met bijvoorbeeld
populus, famulus, n0s, familia, of Ecclesia zoals in de oratie van vandaag.
In de 1e strofe van het
Attende, Domine (gezang voor de Vastentijd) komen we een zelfstandige gebruikte
adiectivum-vorm tegen van het participium præsentis van verbum supplicare: (…)
Exaudi, Christe, supplicantum preces, verhoor, Christus, de beden van hen die
[tot U] smeken.
Incrementum,
-i, n., (increscere) heeft als basisbetekenis wasdom, toeneming, het
aangroeien, groei. Dit woord komt zelden voor in de Gebeden over de gaven en
wordt dus ook weinig besproken in de commentaren. We hebben het voorbeeld van
het Postcommunio-gebed van 27 aug. (MR 1962) waar de genitivusvorm pietatis
incrementum vergezelt: “(…) ut semper proficiamus pietatis incrementum”, dat
wij steeds meer mogen toenemen in liefde.
C o m m e n t a a
r
Wat betekent de H. Mis voor ons?
Vindt u het juiste antwoord dat namelijk in
de H. Mis het Kruisoffer van Jezus Christus in de vorm van een maaltijd onder
ons tegenwoordig komt? De beide kernwoorden zijn Offer en waarachtige
tegenwoordigheid. De grootste gebeurtenis in de geschiedenis van de
mensheid vond plaats op Goede Vrijdag, ’s middags rond drie uur, op de
Calvarieberg. Christus heeft daar zijn leven geofferd voor het leven van de
wereld, tot verlossing van de zonde. Christus is voor ons allen, voor ieder van
ons het negende uur van Goede Vrijdag binnen gegaan. Niets is voor ons
belangrijker - vanaf het begin tot het einde van de wereld – niets belangrijker
dan onze ouders, onze opvoeding, onze vorming, ons beroep. dan het Kruisoffer
van Jezus Christus.
En dit Kruisoffer wordt in iedere H. Mis
geactualiseerd. Het Kruisoffer van toen wordt binnen het hier en nu getrokken,
niet onder een uitwendige vorm van bloedvergieten en smart, maar in zijn kern,
in zijn wezen, namelijk in de offerende overgave van Christus aan de Wil van de
Vader voor ons.
Nooit heeft
Christus ons zo bemind als op Goede Vrijdag aan het kruis. Deze liefde wil zich
in iedere H. Mis aan ons geven. Hoe weten wij dit? Staat dat in de Bijbel? Ja: “Dit is mijn
Lichaam, dat voor u gegeven wordt, dit is de kelk van het Nieuwe Verbond in
mijn Bloed, dat voor u vergoten wordt. Blijft dit doen om mij te gedenken”
(vgl. Lc 22, 19 e.v. en par. pl.). Begrijpen we deze woorden? In onze omgangstaal verwijst het woord
‘denken aan’ naar iets in het verleden.
We moeten het echter begrijpen, zoals Christus het Zelf heeft begrepen. Dan
betekent het méér dan alleen eraan denken of gedenken. Het is een religieuze en
liturgische handeling waardoor en waarin de gebeurtenis op Calvarië onder ons
actueel en opnieuw toegankelijk wordt gemaakt. Brood en wijn, die in de H. Mis
tot Lichaam en Bloed van Jezus Christus worden, zijn werkzame tekenen van de
overgave van Jezus Christus in zijn Offer op het kruis. Ion de H. Mis wordt de
Calvarië geactualiseerd. Waarachtig tegenwoordig komt de grenzenloze liefde van
Jezus Christus voor ons, de liefde tot in de dood.
Deelname aan de H.
Mis op zondag, de dag des Heren en eerste dag van de week, de dag waarop de
Verrijzenis van Jezus wordt herdacht, getuigt daarom van dankbaarheid. Wanneer
we alle subjectieve overwegingen en behoeften terzijde laten moeten we erkennen
en misschien wel opnieuw ontdekken wat de H. Mis is. Zij is het in de vorm van een Maaltijd actuele verlossende Kruisoffer
van Jezus Christus. Dit is belangrijk voor hen die slechts van een Maaltijd
spreken en niet meer van een Offer. De vier Eucharistische Gebeden spreken
duidelijk van het Offer van Jezus.
Wat kunnen wij doen waanneer het ons
duidelijk wordt waarvan wij als Christenen eigenlijk leven, namelijk vanuit het
Offer van Christus? We moeten eerst ons hart openen, zo wijd als we kunnen, om
de liefde van God en zijn vergeving binnen te laten. Wie bemint, wil denken en
handelen als de geliefde. Degene die Jezus Christus, degene die de grootsheid
van zijn liefdedaad aan het kruis in het H. Misoffer hier en nu
geactualiseerd, erkent, wil met Hem mede
offeren. Bij de bereiding van de Eucharistische gaven maken we niet we niet
enkel brood en wijn voor het Offer van Christus gereed , we maken ons zelf
gereed. We schenken Hem, onder het
symbool van de gaven, ons zelf. In het brood, symbool voor onze arbeid,
schenken wij Hem onze arbeid. In de wijn, die – uit druiven geperst – symbool
voor ons lijden is, schenken we Christus alle zweet en tranen van de voorbije
en komende week. We kunnen niets beters en niets belangrijkers doen dan bij de aanbieding
van de gaven onszelf met Christus aan de Vader aan te bieden, en door Hem,
zoals deze gaven, worden veranderd, opdat Christus steeds meer in ons leeft.
Kortom: het belangrijkste ins ons leven als
Christen is de viering van de H. Mis. Deze erkenning mogen we niet uit de weg
gaan. Het is goed ons opnieuw op de waarde van de H. mis te bezinnen met een
besluit tot vastberaden terugkeer tot de H.Mis op zondag. Halfslachtigheden ten
opzichten van het Kruis van Christus stellen niets voor. Al te veel Christenen
hebben de H.Mis uit hun wenscatalogus geschrapt en menen evengoed christelijk
te kunnen leven. Niets minder is waar. De belijdenis van de 49 Christenen, die
op 12 februari 304 in Carthago ter dood werden veroordeeld, moet ons wakker
schudden. 30 Mannen, 18 vrouwen en een priester hadden tegen het uitdrukkelijk
verbod van keizer Diocletianus in deelgenomen aan de Eucharistieviering op
zondag. Op de vraag van de rechter:
“Waarom zijn jullie, tegen het verbod van de keizer in, samen gekomen?”
antwoordden de Christenen: “Omdat de viering van de Dag des Heren niet
achterweg mag blijven. Omdat het ons zo is geboden. We kunnen zonder de H. Mis
niet leven”.
Inderdaad: zonder
het H. Misoffer kan een Christen niet leven.
(Ontleend aan Bischof
[kardinaal Dr.] Franz
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Dominica XV annum Catechesis rituum ante baptismum. De catechumenenriten vóór het Doopsel
Lectio altera
Incipit Tractátus sancti Ambrósii epíscopi De mystériis
(Nn. 1-7: SCh
25 bis, 156-158)
Tweede lezing
Begin van het tractaat over
‘De Mysteriën’ van de H. Ambrosius, bisschop
(Nn. 1-7: SCh 25 bis, 156-158)
De catechumenenriten vóór het Doopsel
Wij hebben onze dagelijkse
beschouwing gehouden over de zedenwet, toen wij u lazen over de geschiedenis
van de aartsvaders of over de voorschriften in het Boek der Spreuken. Hierdoor
gevormd en onderricht moet gij u eraan gewennen de wegen van de vaderen in te
slaan en die te bewandelen, en aan de goddelijke uitspraken te gehoorzamen,
waardoor gij, hernieuwd door het Doopsel, die levenswijze zoudt aannemen, die
past aan gereinigden.
Nu maant ons de tijd om de
mysteriën te bespreken en het wezen zelf van de sacramenten. Als wij gemeend
hadden dit vóór het Doopsel aan niet-dopelingen bekend te moeten maken, dan
zouden wij eerder voor verraders dan voor leraren zijn gehouden. Verder meent
men soms, dat het beter is, dat het licht van de mysteriën zich beter zelf aan
die onwetenden kan meedelen, dan dat er een verklaring aan vooraf gaat.
Opent derhalve uw oren, en
neemt de goede geur van het eeuwig leven in u op, door u ingeademd met de gave
van de sacramenten. Wij zullen nu verklaren, wat wij bedoelen met de woorden Effetha, dat is: word geopend, die wij
gebruiken bij de viering van het mysterie van de opening der oren. Eenieder
namelijk die tot de genadebron wil naderen, moet weten wat hem bevraagd wordt,
en moet in zijn gedachten hebben, wat hij moet antwoorden. Dit mysterie voltrok
ook Christus, zoals wij in het Evangelie lezen bij de genezing van de
doofstomme.
Daarna is voor u het Heilige
der heiligen geopend, bent gij het heiligdom van de wedergeboorte binnengegaan.
Herinner u wat men u heeft gevraagd, bedenk wat ge hebt geantwoord. Ge hebt
verzaakt aan de duivel en aan zijn werken, aan de wereld en de weelde ervan en
aan de geneugten. Uw woord wordt bewaard, niet in een graf van doden, maar in
dat van de levenden.
Daar hebt ge de leviet, de
priester en de bisschop gezien, Let niet op hun uiterlijke gestalte, maar
beschouw de genade van hun bediening. Ge hebt daar in tegenwoordigheid van
engelen gesproken, zoals er geschreven staat: Waarachtig, de lippen van de priester bewaren de wijsheid; uit zijn
mond vraagt ge de wet, want hij is een engel van de almachtige Heer. Daar
kan men niet bedriegen, niet ontkennen; een engel is het, die het Rijk van
Christus en het eeuwig leven aankondigt. Niet om zijn uiterlijk moet ge hem
hoogachten, maar om zijn ambt. Beschouw wat hij u geschonken heeft; heb
aandacht voor zijn bediening en erken ook zijn stand.
Gij zijt dan binnengetreden
om uw tegenstander (de duivel) onder de ogen te zien, aan wie ge verondersteld
wordt openlijk te verzaken. Ge keert u daarom naar het Oosten; want wie aan de
duivel verzaakt, keert zich tot Christus en ziet Hem in het gelaat.
Collectegebed 15e zondag door het jaar - "Geef dat christenen afwijzen wat afbreuk doet aan de benaming christen"
I
n l e i d i n g
Centraal
in het collectegebed staan allen die zich christenen noemen, die openlijk de
Naam van Christus hebben bewaard en in de wereld, in sommige landen tot bij de
belastingdienst aan toe, uitdragen dat zij christen zijn. Door hun Doopsel
hebben zij deze heilige Naam ontvangen, waardoor zij zich tot Christus bekennen
en Christus toebehoren.
De Naam van Christus verplicht. Maar menselijke zwakheid brengt met zich mee dat ook de drager van deze Naam kan afwijken van de hem voorgeschreven weg. God laat hem dan niet in de steek, maar de oratie spreekt zich uit in een groot vertrouwen dat God dwalenden door het licht van zijn Waarheid opnieuw de rechte weg zal wijzen.
De Naam van Christus verplicht. Maar menselijke zwakheid brengt met zich mee dat ook de drager van deze Naam kan afwijken van de hem voorgeschreven weg. God laat hem dan niet in de steek, maar de oratie spreekt zich uit in een groot vertrouwen dat God dwalenden door het licht van zijn Waarheid opnieuw de rechte weg zal wijzen.
Christenen
ontvangen het licht op velerlei manieren. Het collectegebed van vandaag
echter reikt een principe aan dat in alle eenvoud werkelijk licht van de
Waarheid kan zijn en daarom aan God wordt gevraagd: in de Naam van Christus is
Christus het itinerarium, de reisroute. Mijd dus wat in tegenspraak met deze
Naam is en volg wat overeenkomt met deze Naam! In deze frase van de oratie
vinden we het ontwerp voor een levensprogram van iedere christen die die naam
waard wil zijn.
Deze
grondregel van de oratie heeft ongetwijfeld grote betekenis, niet alleen voor
degene die zelf deze Naam draagt en die door deze Naam een vaste
oriëntering kent. De Naam van Christus, christen, is voor hem ook een waarborg
van zijn geloofwaardigheid. De geloofwaardigheid van de Kerk die volledig op
geloof is aangewezen, hangt af van de mate waarin de gelovigen in
levensbeschouwing en levenshouding aan deze Naam beantwoorden.
De Kerk leed reeds grote schade omdat christenen zich in strijd met hun naam gedroegen en nalieten wat recht aan deze Naam had moeten doen. We dragen een zeer grote verantwoordelijkheid; ook in dit opzicht is dit korte gebed van groot gewicht.
De Kerk leed reeds grote schade omdat christenen zich in strijd met hun naam gedroegen en nalieten wat recht aan deze Naam had moeten doen. We dragen een zeer grote verantwoordelijkheid; ook in dit opzicht is dit korte gebed van groot gewicht.
T e k s t
Missale Romanum – 1970
Deus, qui
errantibus, ut in viam possint redire, veritatis tuæ lumen ostendis,
da cunctis qui
christiana professione censentur,
et illa
respuere, quæ huic inimica sunt nomini, et ea quæ sunt apta sectari.
Altaarmissaal – 1979
God,
om dwalenden de weg te wijzen laat Gij het licht schijnen van uw waarheid.
Geef
dat allen die zich christenen noemen afwijzen wat afbreuk doet aan deze naam en
nastreven wat daaraan beantwoordt.
Werkvertaling
O God, die aan de dwalenden, opdat zij zouden kunnen
terugkeren op de [rechte] weg het licht van uw waarheid toont,
geef dat allen/velen die
worden gekenmerkt door [het belijden van] het christelijk geloof,
niet alleen verafschuwen wat met die naam strijdig
is, maar ook volgen wat ermee overeenkomt.
L i t u r g i s c h e a n t e c e d e n t e n
Het collecte- of
openingsgebed voor deze 15e zondag door het jaar in de “gewone vorm van de
Romeinse Ritus” wordt in de “buitengewone vorm van de Romeinse ritus” ook
gebruikt op de 3e zondag na Pasen. In de “gewone vorm” is dit ook het
collectegebed van maandag in de 3e week van de Paastijd.
De oratie van vandaag gaat terug tot het Sacramentarium
Gelasianum (Vat. Reg. Lat. 316), 1ste helft van de 8ste
eeuw. Een sacramentarium is een collectie van teksten die behoren tot de
christelijke liturgie. Het Sacramentarium Gelasianum is het op
één na nog bestaande oudste liturgische boek van het Westen. Alleen het Sacramentarium
Veronense of Leonianum (Verona, Kapittelbibliotheek LXXXV, 2de helft
6de eeuw) is ouder.
De Pius V-editie van het Missale Romanum (1570)
en de volgende editie van het Missale Romanum (1962) hebben de invoeging
van de term “in viam possint redire iustitiæ” ("opdat
zij op de [rechte] weg kunnen terugkeren"), die niet aanwezig
in de oudere versie van het collectegebed in het Gelasianum (ofschoon
weer wel in enkele andere oude sacramentaria zoals het Leonianum).
Het
Missale Romanum 1970 – de postconciliaire missaaleditie en de “gewone vorm
van de Romeinse ritus” - hebben de term iustitiæ laten vallen.
H i s t o r i s c h e c o n t e x t
We weten niet precies welke bronnen dit collectegebed
kunnen hebben beïnvloed. Zeker is gedacht aan Johannes 14 zoals hierna
verder te bespreken. Misschien is in de Collecte ook een spoor vinden van
de Romeinse staatsman Cassiodorus ( + ca, 585 – consul in 514 en vervolgens
Boethius’ opvolger als magister officiorum (1) onder de Ostrogotische
koning Theodorik. Cassiodorus schreef: “Sed potest aliquis et
in via peccatorum esse et ad viam iterum redire iustitiæ? - Maar kan iemand
zich tegelijk op een zondige weg bevinden en weer terugkeren tot de weg der
gerechtigheid? (cf. Expos.
Ps. 13). Van de andere kant kan er ook
invloed zijn uitgegaan van de belangrijke bisschop Ambrosius van Milaan (+ 397)
of zelfs en meer waarschijnlijk van Augustinus van Hippo (+ 430) die
gelijksoortige tekstpatronen hanteert.
S t r u c t u u r a n a l y s e e n s
t i j l v o r m e n
1. Deus, qui errantibus, ut in viam possint redire,
veritatis tuæ lumen ostendis,
2.da cunctis qui christiana professione censentur,
3.et illa respuere, quæ huic inimica sunt nomini, et
ea quæ sunt apta sectari.
Stilistisch is dit een oratie, die direct to the
point komt, met een fraaie alliteratie: et illa …et ea en
een krachtig ritme in de laatste zin. Viermaal worden de relatieve
voornaamwoorden qui, qui, quæ en quæ
gebruikt.
Ad 1
Deus, anaklese in de
vocativusvorm, wordt gevolgd door een betrekkelijke bijzin die een voortdurende
goddelijke heilsdaad memoreert. Omdat
dit een ervaren werkelijkheid is staat het prædicaat ostendis in de
indicativus met als object veritatis tuæ lumen, uit te splitsen in de accusativusvorm lumen
met, ter nadere precisering, de bijvoeglijke bepaling veritatis
tuæ in twee congruerende genitivusvormen: genitivus explicativus.
Errantibus: ppa (participium præsentis activi) in de dativus pluralis en
kan als tegenwoordig deelwoord of met een relatieve bijzin worden vertaald. Er
ontstaat aldus in de vertaling een bijzin in een bijzin. De dativus heeft de
functie van dativus commodi (het licht van de waarheid wordt getoond ten
voordele van “hen die dwalen”.
De bijzin qui …ostendis wordt onderbroken door
finale/doelaanwijzende of consecutieve /gevolgaanduidende bijzin ingeleid door
het voegwoord ut met het prædicaat possint in de coniunctivusvorm (wenskarakter). Possint
redire: prædicaatsgroep; in viam: bijwoordelijke bepaling samen
gesteld uit het præpositum in + accusativusvorm viam die een
richting aanduidt.
Ad 2
Da, geef - prædicaat in de imperativusvorm, leidt de
strikte hoofdzin in verbonden met de bijwoordelijke bepaling cunctis
(dativus pluralis commodi). De vorm cunctis wordt nader verklaard door de
afhankelijke bijzin qui christiana professione censentur; voor
de benoeming van het prædicaat censentur verbonden met de
bijwoordelijke bepaling christiana professione in twee congruerende
ablativusvormen: zie beneden onder Klein Vocabularium.
Ad
3
Het
zinsdeel et…sectari ,
samengesteld uit twee korte zinnen, kan in zijn geheel gelezen worden als het
object van het prædicaat da en kan nader opgesplitst worden in twee afzonderlijk
objecten, elk bestaande uit een accusativus (illa en ea) en een infinitivus
(respuere en sectari) waarbij sectari een deponens is. Men spreekt hier van een
parallelle zinsbouw door de identieke opbouw van de zinsdelen. Elk van deze beide zinsdelen wordt gevolgd door een afhankelijke
toelichtende bijzin ingeleid door het reflexivum quae.
De afhankelijke bijzin quæ..nomini bevat een hyperbaton (huic…nomini).
Inimica: prædicaatsnomen congruerend met het reflexivum quæ en het antecedent hiervan illa; huic..nomini: de dativus wordt opgeroepen door de adiectivusvorm inimicus,-a, - um: vijandig aan, in strijd met.
De afhankelijke bijzin quæ..nomini bevat een hyperbaton (huic…nomini).
Inimica: prædicaatsnomen congruerend met het reflexivum quæ en het antecedent hiervan illa; huic..nomini: de dativus wordt opgeroepen door de adiectivusvorm inimicus,-a, - um: vijandig aan, in strijd met.
K l e i n v o c a b u l a r i u m
Het werkwoord censeo betekent – bij vele
betekenissen – allereerst “schatten, wegen, taxeren, waarderen”. Het
wordt gebruikt voor “van mening zijn” en iets “beschouwen, overwegen, wegen”.
Er is een speciale constructie met censeo, censeri aliqua met de
betekenis: “gewaardeerd, onderscheiden, gevierd worden voor een of andere
kwaliteit”, ”door iets bekend zijn” en ook “erkend worden door iets”. Dit
verklaart de passieve vorm in het collectegebed met de ablatief christiana
professione. Censeo heeft hier de betekenis van “gerekend worden
onder, geteld worden onder”. Vergelijk de verschillende betekenissen van census
in het Nederlands: cijns, belasting, volkstelling, kiesrecht enz. Het meest
gericht lijkt hier de vertaling “gekenmerkt, onderscheiden”, waarin de
betekenis “gerekend worden onder” en “gevierd worden voor een of andere
kwaliteit” zijn vervat.
Bijna vanzelfsprekend roept het begrip censeo de hamerslag “Ceterum censeo
Carthaginem esse delendam” toegeschreven aan de Romeinse senator Cato Maior
[234-194 v. Chr.] op, die de senaat ten tijde van de Punische oorlogen bij elke
toespraak waar deze ook maar over ging wees op het dreigende gevaar van de
tegenpartij Carthago, welke stad tenslotte in 146 v. Christus werd verwoest.
Christianus, -a, - um, is een adjectief (bijvoeglijk
naamwoord) met daarnaast het substantief (zelfstandig naamwoord) professio.
Bij vertalingen van het Latijn naar het Nederlands moeten soms de adjectieven
apart geplaatst worden en anders worden uitgedrukt. Te denken is aan “christelijk
geloof”, maar deze adjectief-constructie betekent hier “de belijdenis van
Christus: het belijden van Christus”. Eenzelfde probleem is te vinden in
begrippen zoals oratio dominica, dat letterlijk betekent “het Heer-lijke
Gebed” maar toch minder problematisch in het Nederlands vertaald moet worden
met “het Gebed des Heren”.
Respuo betekent letterlijk “uitspuwen” en dus
“verwerpen, verdrijven, weigeren”. De basisbetekenis kan goed weergegeven
worden als “krachtig verwerpen”.
Het deponens sector
betekent “voortdurend of ijverig volgen” in positieve of negatieve zin.
Sector werd bijvoorbeeld gebruikt voor een groep volgelingen die filosofen
uit de Oudheid begeleidden, waar de oorsprong ligt van ons woord “sekte”.
Mogelijk komt deze afleiding van seco, secui, sectum met de betekenissen
”snijden, afsnijden, doorsnijden”.
Het substantief via vereist onze aandacht. Het
betekent “een weg, methode, route, richting, modus, manier van iets te doen,
koers”, dus een neutraal begrip. Via heeft echter ook een morele inhoud
zoals “de juiste, rechte of goede weg”, “de ware methode, modus of
manier, gedragslijn”.
![]() |
| Sedes Sapientiae Romaans, Montcornador |
C o m m e n t a a r
De
antieke filosofen (het woord komt uit het Grieks en betekent “minnaar van
wijsheid“) waren gewoon in het openbaar rond te wandelen op hun sandalen en in
hun gedrapeerde op toga’s lijkende gewaden. Theologisch-filosofische denkers
zoals Aristoteles werden “peripatici“ genoemd vanwege hun praktijk van het
rondwandelen (Grieks peripatein) onder overdekte zuilengalerijen van het
Lyceum in Athene (Grieks peripatos) terwijl zij onderwezen.
Hun leerlingen zwermden om hen heen en hingen aan hun
lippen, debatterend met hen en lerend hoe te denken en te redeneren. Zij
bespraken de diepere vragen die onvermijdelijk de menselijke geest en het hart
raken en in deze zin waren zij theologen. Wij moeten voorzichtig zijn om
niet de moderne scheiding van filosofie en theologie aan de antieken op te
leggen. In oude Christelijke mozaïeken wordt Christus soms afgebeeld in het
gewaad van de filosoof terwijl Hij zijn hand geheven houdt op de wijze van het
antieke onderwijsgebaar. Hij is de Mens geworden Wijsheid en de volmaakte
Leraar. Hij is Degene van Wie wij over God en over onszelf zouden moeten
leren. Na Christus Zelf, hebben wij ook Zijn Kerk, die Mater et
Magistra - Moeder en Lerares is. Op sommige afbeeldingen zien wij de kleine
Christus gezeten op de schoot van Zijn Moeder alsof zij Zijn onderwijsstoel, of
cathedra was. Wanneer Maria zo wordt afgebeeld wordt zij Zetel van de Wijsheid
genoemd. Zie ook de eerder geplaatste Mei-meditatie van kardinaal Newman.
De tekst doet ook denken aan de eerste regels op van La
Divina Commedia, de Goddelijke Komedie geschreven door de verbannen
Florentijnse dichter Dante Alighieri (+1321) die in hoge mate werd gevormd en
beïnvloed door de Ethica van Aristoteles en de gechristianiseerde
Platoonse filosofie, gebezigd door Boëthius (+525) en de H. Thomas van
Aquino. (+1274).
Deel
1, de Hel begint aldus:
Juist
midden op de reistocht van ons leven
Zag
ik mij in ’n donker woud verloren,
Daar
ik van het goede pad was afgeweken.
Helaas,
hoe ’t was dat woud, valt zwaar te zeggen.
Zo
wild, was ’t en zo woest, zo dicht en donker,
dat
in mijn dromen de angsten vaak herleven.
Ja,
zelfs de dood kan haast niet erger wezen.
Dante, de hoofdrolspeler van zijn eigen epos,
beschrijft zijn fictieve zelf en zijn spirituele groei. Zijn poëtische persoon,
in het midden van het leven (35 jaar oud), is vastgelopen in zonde en
irrationeel gedrag. Hij is van de rechte weg van het leven van de rede
afgedwaald en diep in het “donkere woud“ geweest. Het leven van voortdurende
zonde is een leven zonder ware rede, want de menselijke rede is verlamd wanneer
deze aan zichzelf is overgelaten zonder het licht van de genade. Dante
vergelijkt zijn verwarde staat met de dood. Hij moet door de hel reizen en
terug. Hij maakt dan de reiniging van het vagevuur door, om terug te komen tot
het leven van deugd en rede.
In de loop van de driedelige Komedie vindt hij de
juiste weg terug naar het licht, de Waarheid en de rede door de tussenkomst van
op Christus gelijkende personificaties zoals Beatrice en Lucia en
door Christus zelf.
In de Divina Commedia krijgt Dante het gebruik van de
rede terug. Zijn gehele persoon is gere-integreerd (heel gemaakt) in en
door het licht van de Waarheid.
Vaak worden mensen die onwetend, verward of ronduit
dom zijn aangeduid als “wandelend in de duisternis“. Deze duisternis
heerst ook voor mensen die volharden in de zonde.
Door hun keuzes en weerstand tegen Gods genade hebben
zij het licht van de Waarheid verloren. Gods genade maakt het voor ons
mogelijk om de juiste weg terug te vinden, hoe ver wij ook in het verleden van
deze weg zijn afgedwaald.
Wanneer
wij zondigen verbreken wij onze relatie met Christus. Als wij uit
luiheid weigeren om Hem beter te kennen (elke dag), verliezen wij het
zicht op onszelf en op onze naaste uit het oog. Het Tweede Vaticaans Concilie
heeft duidelijk gesteld dat Christus in de wereld kwam om de mens aan zichzelf
vollediger te openbaren (Gaudium et Spes, nr. 22).
Christus, het Mensgeworden Woord, spreekt tot ons in
Zijn woorden tot de Apostel Thomas:
“Laat uw hart niet verontrust worden. Gij
gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis van mijn Vader is ruimte voor
velen. Als dit niet zo was, dan zou Ik het u hebben gezegd, want Ik ga heen om
een plaats voor u te bereiden. En als Ik ben heengegaan en een plaats
voor u heb bereid, kom Ik terug om u op te nemen bij Mij, opdat ook gij zult zijn
waar ik ben. Gij weet waar Ik heenga en ook de weg (via) daarheen is u bekend”.
Thomas zei tot Hem: Heer, wij weten niet waar Gij heengaat, hoe moeten wij dan
de weg (via) kennen? Jezus antwoordde hem: ´Ik ben de Weg, de Waarheid en het
Leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij. Als gij Mij zoudt kennen,
zoudt gij ook de Vader kennen. Nu reeds kent gij Hem en ziet gij Hem….Hij die
Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien” (cf Jo 14,1-6).
We hebben niet alleen de woorden en daden van Christus
in de H. Schrift, maar God heeft ons in de Katholieke Kerk zelf een veilige weg
geschonken naar het geluk. We kunnen van dit pad af raken . Elke weg, te
ver naar links of te ver naar rechts, doet ons belanden in diepe
duisternis. Als we van het rechte pad zijn afgeweken en Christus, de Weg,
hebben verlaten, kunnen we weer bij zinnen komen en worden verzoend met God en
onze naaste door de Sacramenten, toevertrouwd aan de Katholieke Kerk, en wel
speciaal in het Sacrament van de Biecht waarna een waardig ontvangen van
Christus in de Heilige Communie weer mogelijk is.
Wij, rooms katholieken, die publiek zelf aanspraak
durven maken op de Naam van Christus, moeten wanneer tijd en omstandigheden dit
vragen, opstaan en in het openbaar als zodanig worden erkend (censentur)
en scherp verwerpen (respuere) wat in strijd is met de Naam van
Christus.
Andere mensen moeten het Licht van
Christus zien weerkaatsen in wat wij zeggen en doen. Het stralende Gelaat van
Christus moet in de beleving van ieders persoonlijke roeping herkenbaar
zijn.
Zoals lenzen en reflectoren schoon moeten zijn om
optimaal het licht te laten reflecteren, zo moeten wij als dragers van
Christus’ Licht zuiver zijn. Als we weten dat we niet rein (genoeg) zijn,
moeten we ons zo spoedig mogelijk laten reinigen zodat we gered kunnen
worden en kunnen bijdragen aan de redding van anderen. Het is goed om
ook geestelijke werken van barmhartigheid te beoefenen om ook daardoor het
Licht van de Waarheid te brengen naar onwetenden en degenen die al of niet door
eigen toedoen in de duisternis verkeren.
(1) Magister officiorum – Meester der
ambten: ambt, door Constantijn de Grote ingesteld, te omschrijven als dat van
opperkamerheer aan het keizerlijk hof. Hij regelde de audiënties en oefende
rechtspleging uit tussen al de personen van de hofhouding
Met dank aan o.a. Father J. Zuhlsdorf, WDTPRS)
Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica decima quinta per annum Vijftiende zondag door het jaar Laat in ons de genade van de Verlossing toenemen telkens als wij dit Mysterie vieren.
Het
Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo,
Ravenna (vóór 529)
Laat
in ons de genade van de Verlossing toenemen telkens als wij dit Mysterie
vieren.
I n l e i d i n g
Het Mysterie van de H. Eucharistie bewerkt in ons
eeuwig heil.
De Kerk heeft de H. Eucharistie ontvangen van
Christus, niet als een willekeurige gave, hoe kostbaar ook, maar als zijn meest
sublieme gave, want het is zijn zelfgave, de gave van zijn Persoon in zijn heilige
mensheid, die voor alle tijden en plaatsen geldt. Als de Kerk de H. Eucharistie
viert, de gedachtenis aan de Dood en de Verrijzenis van haar Heer, vindt deze
centrale gebeurtenis werkelijk plaats en “wordt het werk van onze verlossing
voltrokken” (vgl. Lumen Gentium, 3)
Omdat dit Offer zo essentieel is voor de redding van de mensen, heeft Christus
ons bij zijn Laatste Avondmaal de gelegenheid gegeven er in te delen, alvorens Hij
naar de Vader terugkeerde. Iedere gelovige kan er dus aan deelnemen en er de
onuitputtelijke vruchten voor ons heil
(nostræ salutis effectus) van plukken (vgl. Joh.-Paulus II, Enc. Ecclesia de Eucharistia, 17 apr. 2003,
11).
De liturgische teksten benadrukken dikwijls dat God
zelf dit heils- of verlossende effect bewerkt. Het Sacrament van de H.
Eucharistie werkt vooral –ofschoon niet uitsluitend – door het ontvangen van de
H. Communie, waarop de Postcommunio van vandaag doelt (sumptis muneribus). De
tekst van de oratie doet denken aan een aansporing van de H. Paus Pius X
(1903-1914) tot een veelvuldiger ontvangen van de H. Communie wanneer deze
vraagt dat het frequenter ontvangen van de H. Communie in ons de genade, die
wij nodig hebben om de zaligheid te verwerven, mag doen toenemen. Opvallend is
dat dit gebed minstens tot in de achtste eeuw teruggaat.
God is dichtbij als wij - in de juiste
gesteltenis - Hem verwelkomen in de H.
Communie. Hij is werkelijk een God-met-ons, zeker voor ons, christenen, in wie
Christus sinds ons Doopsel leeft. Dit
goddelijk leven in ons is echter even teer als sterk. Het verzwakt gemakkelijk
bij een onvoorzichtig en al te dicht contact met de zonde. Maar het goddelijk
leven kan steeds opnieuw in ons geboren worden én groeien door het dikwijls
vieren en het deelnemen aan de H. Eucharistie en het ontvangen van Christus in
de H. Communie.
T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970 & 2002
Sumptis muneribus, quæsumus,
Domine,
ut, cum frequentatione
mysterii,
crescat
nostræ salutis effectus.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovncie 1979
Heer, uw gaven hebben wij
ontvangen.
Wij bidden U: laat in ons de
genade van de verlossing toenemen,
telkens
als wij dit mysterie vieren.
Werkvertaling
Nu wij uw gaven
genuttigd hebben, vragen wij U, Heer,
dat door de
herhaalde deelneming aan/viering van dit sacramenteel Mysterie,
de werkelijkheid
van onze verlossing toeneemt.
L i t u r g i s
c h e a n t e c e d e n t e n
De brontekst van
de Postcommunio [PC] van deze zondag vinden we in het Sacramentarium Gelasianum
Vetus (Vat. Reg. lat. 316) 590, eerste helft achtste eeuw, en in een 45-tal
andere codices (A), verspreid over het continent en de Angelsaksische eilanden
en daarnaast in een 40-tal manuscripten met kleine tekstvarianten (B).
(E. Mœller, J.M.
Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus
Orationum, IX, S-V, Brepols, Turnhout 1996, p. 51-52, nr. 5641).
Rubrieken: PC
Vierde zondag van de Advent en PC Tweede zondag na Pinksteren en op andere
plaatsen in MR 1962.
T e x t u e l e a n a l y s e
1. Sumptis muneribus, quæsumus,
Domine,
2. ut, cum frequentatione
mysterii,
crescat
nostræ salutis effectus.
De oratie is opgebouwd uit één enkele
volzin, onder te verdelen in een hoofdzin met het prædicaat “quæsumus” (r. 1),
het adres “Domine” en een ablativus absolutus “sumptis muneribus” als incipit,
gevolgd door een finale / consecutieve bijzin, ingeleid door het voegwoord ut
in de coniunctivusvorm (crescat) die de
eigenlijke bede bevat . Het zinsdeel “cum frequentatione mysterii” , een
bijwoordelijke bepaling, drukt een
omstandigheid uit waarvan de toename van de heilseffecten afhankelijk is.
Ad 1
Quæsumus, wij bidden/vragen, vaste gebedsformule,
hier in de functie van prædicaat.
Domine, Heer – vocativusvorm van Dominus
Sumptis muneribus, na de gaven te hebben genuttigd –
bijwoordelijke bepaling die een omstandigheid uitdrukt, een ablativus absolutus
van twee congruerende ablativusvormen.
Ad 2
Ut crescat, op-/zodat moge groeien –
finale/doelaanwijzende resp. consecutieve/ gevolgaanduidende bijzin, ingeleid
door het voegwoord ut, in de coniunctivusvorm: coniunctivus optativus omdat
deze een bede uitdrukt. Crescat, coniunctivus præsentis, 3e persoon
enkelvoud van het verbum crescere, crevi, cretum, 3, met betekenissen: 1.
groeien 2. wassen 3. toenemen.
Nostræ salutis effectus, het effect, de uitwerking
van onze verlossing, - subject bij het prædicaat crescat, samengesteld uit de
nominativusvorm effectus (van effectus, -us) vergezeld door de bijvoeglijke
bepaling nostræ salutis in twee congruerende genitivusvormen als nadere
toelichting van de gevraagde uitwerking , genitivus explicativus.
Cum frequentatione mysterii, door/met (behulp van) herhaalde
deelneming – bijwoordelijke bepaling gevormd door de ablativusvorm
frequentatione (ablativus instrumentalis)
vergezeld door de genitivus explicativus en voorafgegaan door de
præpositio cum.
De præpositie cum + albativus bij een zaak is eigen
aan laat-, resp. liturgisch Latijn.
In het Middeleeuws Latijn
ziet men vaak dat een præpositie wordt gebruikt daar waar in het klassieke
Latijn de voorkeur wordt gegeven aan een ablativus. Dit werd in de Middeleeuwen
zo gedaan om het lezen van het Latijn te vergemakkelijken. Bij een klassieke
ablativus moet je bij het lezen namelijk altijd even nadenken welke præpositie
hier in vertaling passend zou kunnen zijn. De præpositie cum wordt in het
klassieke Latijn alleen gebruikt in combinatie met een persoon, uitgedrukt door
een pronomen personale, door een eigennaam of door een substantivum dat
overduidelijk een persoon aanduidt.
S t i j l f i g u r e n
Ablativus absolutus: sumptis muneribus (regel 1)
Gewone congruentieregel: sumptis muneribus (r. 1) en nostræ salutis (r.
2)
Domine aan het eind van regel 1 is een benadrukking van de Heer tot wie
wij onze toevlucht nemen. Bij het zingen is dat voelbaar. Met de laatste adem
die we aan het eind van de regel hebben, wordt de Heer aangeroepen. Symbolisch;
dit zou ieders laatste woord moeten zijn.
G e t u i g e n
i s s e n v a n d e V
a d e r s
Augustinus van
Hippo (354-430)
“Ik denk aan
mijn belofte. Aan u, die gedoopt zijt, beloofde ik immers een preek waarin ik u
een uiteenzetting zou geven over het Sacrament van de dis des Heren, Sacrament
dat gij hier nu aanschouwt en waaraan gij afgelopen nacht deelachtig zijt
gworden. Gij moet wéten wat ge ontvangen hebt, wat gij zúlt ontvangen en wat
gij dagelijks móet ontvangen”.
Uit Sermo 227, In die Paschæ IV
“Christus is
gestorven; laten wij dood zijn voor de zonde. Christus is verrezen; laten wij
leven voor God. Christus ging vanuit deze wereld naar de Vader; dat ons hart
niet hier blijve hangen, maar Hem volge. Christus heeft op het kruishout
gehangen; laten we onze vleselijke eigenliefde kruisigen. Hij heeft in het graf
gelegen; laten wij – met hem begraven - vergeten wat achter ons ligt. Heel de
opbouw van onze vrede ligt bij Hem door wiens striemen wij genezen zijn (Jes
53, 5).
Daarom,
geliefden, moet de dagelijkse viering van Pasen voor ons een volgehouden
bezinning op dit alles zijn. (…) Niet voor niets hebben wij zijn Lichaam en
Bloed als onze dagelijkse spijs”.
Uit Sermo Wilmart 9, 1-2
“Het
eucharistisch Brood zal ons dagelijks
Brood zijn, dat nodig is voor dit leven. Wanneer we bij Christus zelf gekomen
zijn, is het niet langer nodig de H. Eucharistie te ontvangen… De Eucharistie
is dus voor ons Brood voor elke dag.Maar dan moeten wij haar ook zó ontvangen,
dat wij daardoor niet alleen lichamelijk weer op krachten komen, maar ook
geestelijk. Want de kracht die door de Eucharistie te verstaan wordt gegeven is de eenheid; dat
wil zeggen, nadat we in het Lichaam van Christus opgenomen zijn en zijn
ledematen geworden zijn, zijn wij wat we ontvangen. Slechts dan zal de Eucharistie
werkelijk Brood voor ons zijn. Wat ik u preek, is ook uw dagelijks brood. En de
lezingen die gij elke dag in de kerk hoort, zijn ook uw dagelijks brood. En de
hymnen die gij hoort en zegt, zijn eveneens dagelijks brood voor u. Al deze
dingen zijn noodzakelijk voor onze huidige tocht door het leven. Maar wanneer
wij het einddoel bereikt hebben, hoeven we toch niet meer te luisteren naar een
boek, dat voorgelezen wordt? Wij zullen het Woord zelf zien, en horen, en eten,
en drinken…de Waarheid zelf.”
Sermo 57, 7, 7.
K l e i n v o c a b u l a r
i u m
Zelfs voor beginnende studenten in het Latijn is de woordenschat van
deze oratie goed te overzien. Niettemin kunnen we nog eens kijken naar enkele
woorden met behulp van onze onmisbare reeks woordenboeken, die we al zo vaak
hebben genoemd dat we het nu niet doen!.
Frequentatio, onis, vr.
heeft betekenissen als
frequentie, frequent gebruik, frequente samenkomst. Als stijlfiguur in
de retorica is het een beknopte recapitulatie van reeds apart aangevoerde
argumenten, een samenvatting of résumé.
Dit zelfstandig
naamwoord komt van het verbum ‘frequentare” dat betekent “dikwijls doen/maken,
dikwijls bezoeken, een rituele viering voltrekken, een liturgisch feest vieren
of bijwonen in grote getale.
Dit werkwoord heeft sinds het oud-Latijn van de Numidische schrijver,
filosoof en redenaar L. Apuleius Madaurensis ca. 123/125-ca. 170/180)
(noordwestelijk van Algerije) zijn iteratieve betekenis praktisch verloren.
Zijn schelmenroman De Gouden Ezel is de enige Latijnse roman die in zijn
geheel de tijd heeft kunnen trotseren, grote invloed als dit werk had op de
Westerse literatuur.
In het Latijn van de Romeinse heidense religie en in het Christelijk
Latijn had het begrip “frequentatio” een cultische betekenis. De H. Augustinus
was bijvoorbeeld dol op dit begrip, dat men frequent vindt in zijn grote werk
“De Civitate Dei”, en daar, toegepast op individuele personen, “vieren, in acht
nemen, in stand houden”, betekent.
In de grammatica beschrijft een “frequentatief werkwoord” een herhaalde
handeling, door bijvoorbeeld aan de uitgang – are van de 1e conjugatie der
verba “–it” in te lassen: palpare (betasten, strelen, aaien) naast palpitare
(trekken van de oogleden, kloppen van het hart, spartelen), cogere (3) en
cogitare, latere en latitare, enz. In het Nederlands kennen we hinken/hinkelen,
schudden/schuddelen, trommen/trommelen, kruimen/kruimelen, enz.
Effectus, -
us m. –
De Postcommunio van de Zevende
zondag door het jaar vraagt, zoals we bij de bespreking ervan eerder zagen, “ut
salutis capiamus effectum” om de uitwerking van onze verlossing te kunnen
grijpen, maar daar vanuit het
perspectief van het reeds ontvangen sacramentele onderpand, dat Christus Zelf
is.
Effectus betekent een handeling, bewerking, maar met het oog op het resultaat van een
handeling betekent het: resultaat, uitwerking, effect, strekking, doel. Het
verwante verbum efficere, effeci, effectus 3, heeft betekenissen
als voortbrengen, veroorzaken, bewerken, maken, tot stand brengen. Afleidingen
in het Nederlands: effect, effectief en ook efficiënt (ontleend aan
efficientis, genitief van het participium præsens efficiens).
Lette men er op dat de vorm effectus kan
zijn: 1. het substantivum met bovengenoemde betekenissen en 2. effectus, -a, -
um, het participium perfecti passivi van efficere met betekenis bewerkt
[zijnde] enz.
Herinner u
tenslotte dat de begrippen “mysteria” en “sacramenta” onderling frequent uitwisselbaar zijn.
T o e l i c h t i n g
In de H. Eucharistie ligt heel het geestelijk goed van de Kerk
vervat. Dat geestelijk goed van de Kerk
is Christus zelf, ons Paaslam en het levend Brood dat het door zijn Vlees, in
de Heilige Geest tot leven gewekt en zelf tot leven wekkende leven, aan de
mensen schenkt.
In de liturgie worden wij uitgenodigd en ertoe gebracht, om in het H.
Misoffer het Lam Gods, goddelijke Offergave bij uitstek, aan God de Vader op te
dragen, en daarmee verenigd het offer van ons eigen leven, onszelf, onze arbeid
en al het geschapene samen met Hem. Daardoor worden de banden van liefde met de
andere aanwezige gelovigen en met hen die op weg zijn naar Christus versterkt
en verdiept. Deze liefde moet oprecht, dienend en werkzaam zijn en leiden tot
de vrijheid waartoe Christus ons heeft bevrijd. Evenzo worden wij uitgenodigd zó
aan de Eucharistieviering deel te nemen, dat wij daarin ook komen tot een
oprecht gebed en tot een steeds volmaaktere geest van gebed gedurende heel ons
leven, van lof en dank voor alles in de Naam van onze Heer Jezus Christus, jegens
onze God en Vader. Het is het antwoord op de gave van Hem die door zijn
mensheid voortdurend het goddelijk leven doet uitstromen naar de ledematen van
zijn Lichaam, de Kerk (vgl. Decr. over het ambt en het leven van de priesters,
2e Vaticaans Concilie, 7 dec. 1965, nr. 5).
We hebben het begrip “frequentare mysteria” in de Oratio super munera van de Tweede
zondag door het jaar gezien en het mooie alliteratieve “frequentata mysteria”
in the Postcommunio van de Eerste zondag van de Advent. De betekenis “een
liturgisch feest vieren” in het kader van de goddelijke erdienst, de H.
Eucharistie, vinden we bijvoorbeeld verwoord in de Postcommunio van de Nachtmis
van Kerstmis (MR 1970): “(…) ut, qui Nativitatem Redemptoris nostri frequentare
gaudeumus”, dat wij die de Geboorte van onze Verlosser met vreugde vieren.
“Frequentatio” is een complex begrip en betekent in de liturgische
context “frequent bijwonen of deelnemen/vieren”; het begrip heeft bovendien de
lading van “viering waaraan talrijke personen deelnemen met dezelfde
intentie”.
Wanneer je het begrip “frequentatio” in het perspectief van de retorica
beschouwt en stelt dat de viering van de H. Mis de bron en het hoogtepunt van
ons christelijk leven is, betekent dit dat het ontvangen van de H. Communie in
de context van de H. Mis werkelijk de volheid is van wat de Kerk benoemt als
“volledige, bewuste en active deelname” aan de H. Liturgie (die is “bron en hoogtepunt”). Is het moment
van de H. Communie, zoals beschreven in deze oratie, niet in zekere zin de
samenvatting van onze hele christelijke identiteit en leven? Het is het Woord
van alle eeuwigheid, dat onder ons kwam wonen om ons te verlossen van onze
zonden, om ons aan onszelf meer duidelijk te maken en inzicht te geven in onze
zeer hoge roeping (vgl. Gaudium et Spes, 22).
Van alle Sacramenten die Christus ons gaf is het Allerheiligste
Sacrament (nomen est omen!) het enige dat actueel is wat het betekent:
Christus werkelijk en waarachtig aanwezig. Christus, die het Woord is van alle
eeuwigheid gesproken door de Vader, is de “frequentatio” die op het einde der
tijden alles aan zijn macht zal onderwerpen en het al aan de Vader zal
onderwerpen opdat God alles in allen zal
zijn (vgl. 1 Kor 15, 28). Christus is onze frequentatio.
De terminologie “frequentatio mysterii” is evocatief en roept bij ons
beelden op van de zichtbare en onzichtbare dimensies van de H. Mis, het
Eucharistisch Offer (mysterium). In de kerken hier op aarde waar de H. Mis
wordt gevierd zijn veel mensen samen gekomen. Idealiter zou de kerk vol moeten stromen (frequentatio) met
overtuigde katholieken, goed voorbereid en in de juiste gesteldheid om optimaal
deel te nemen aan de H. Eucharistie door het ontvangen van de H. Communie. Ze
komen hier dikwijls (frequentatio), elke zondag en dikwijls ook op weekdagen.
Stel u nu de onzichtbare participanten aan deze H. Mis voor: myriaden
heilige Engelen en andere leden van de Kerk, die reeds zijn overleden en voor
ons uit zijn gegaan. Dit is een glimp van de hemel op voorhand, iedere keer als
wij de H. Eucharistie vieren!
Abonneren op:
Posts (Atom)





