Posts tonen met het label hebdomada XIII per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hebdomada XIII per annum. Alle posts tonen

zaterdag 25 juni 2022

Lezingen H. Mis 13e zondag door het jaar C Ik zal u volgen, waar Gij ook heen gaat.


Eerste lezing
: 1 Kon. 19,16b.19-21

In die dagen zei de Heer tot Elia:

“Gij moet Elisa, de zoon van Safat, zalven

tot uw opvolger als profeet.”

Elia vertrok en trof Elisa, de zoon van Safat,

terwijl die aan het ploegen was.

Twaalf koppels ossen gingen voor hem uit;

hijzelf bevond zich bij het twaalfde.

Toen Elia langs kwam, wierp hij Elisa zijn mantel toe.

Elisa liet de ossen in de steek, liep Elia achterna en zei:

“Laat mij eerst afscheid nemen van mijn vader en mijn moeder;

dan zal ik u volgen.”

Hij antwoordde hem:

“Ga maar weer terug; heb ik je soms tot iets verplicht?”

Hierop ging Elisa naar de ossen terug, slachtte er twee,

kookte het vlees op het hout van de jukken

en gaf het aan het werkvolk te eten.

Daarna vertrok hij, volgde Elia en werd zijn dienaar.


Tweede lezing: Gal. 5, 1. 13-18

Broeders en zusters,

voor de vrijheid heeft Christus ons gemaakt.

Houdt dus stand

en laat u niet weer het slavenjuk opleggen.

Gij werdt geroepen om vrije mensen te zijn.

Misbruikt echter de vrijheid niet als voorwendsel voor de zelfzucht;

dient elkaar in liefde.

Want de hele wet is vervat in dit éne gebod:

“Bemin uw naaste als uzelf.”

Maar als ge elkaar blijft bijten en klauwen,

vrees ik dat ge elkaar op den duur zult verslinden.

Ik bedoel dit:

leeft naar de Geest,

dan zult ge niet uitvoeren wat de zelfzucht dicteert.

Wat de zelfzucht wil, strijdt met de Geest,

en omgekeerd,

het verlangen van de Geest komt in botsing met het egoïsme.

Die twee liggen met elkaar overhoop,

zodat ge niet kunt doen wat ge zoudt willen doen.

Maar als ge u door de Geest laat leiden,

staat ge niet onder de wet.


Evangelie: Lc. 9, 51-62

Toen de dagen van zijn verheffing hun vervulling naderden,

aanvaardde Jezus vastberaden de reis naar Jeruzalem

en zond boden voor zich uit.

Deze kwamen op hun tocht in een Samaritaans dorp

om er zijn verblijf voor te bereiden.

Maar de Samaritanen ontvingen Hem niet,

omdat Jeruzalem het doel van zijn reis was.

Toen de leerlingen Jakobus en Johannes dit gewaar werden,

vroegen ze:

“Heer, wilt Gij dat wij vuur van de hemel afroepen

om hen te verdelgen?”

Maar Hij keerde zich om en wees hen op strenge toon terecht.

Daarop vertrokken zij naar een ander dorp.

Terwijl zij onderweg waren, zei iemand tot Hem:

“Ik zal u volgen, waar Gij ook heen gaat.”

Jezus sprak tot hem:

“De vossen hebben holen en de vogels hun nesten,

maar de Mensenzoon

heeft niets waar Hij zijn hoofd op kan laten rusten.”

Tot een ander sprak Hij:

“Volg Mij.”

Deze vroeg:

“Heer,

laat mij eerst teruggaan om mijn vader te begraven.”

Jezus zei tot hem:

“Laat de doden hun doden begraven;

maar gij,

ga heen en verkondig het Rijk Gods.”

Weer een ander zeide:

“Ik zal U volgen, Heer,

maar laat mij eerst afscheid nemen van mijn huisgenoten.”

Tot hem sprak Jezus:

“Wie de hand aan de ploeg slaat,

maar omziet naar wat achter hem ligt,

is ongeschikt voor het Rijk Gods.”

Woord van de Heer.

Wij danken God.

Introitus zondag XIII per annum - Omnes gentes plaudite manibus - Gregoriaans


Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica decima tertia per annum Dertiende zondag door het jaar Geef ons nieuwe levenskracht door deze heilige offergave



Het Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)

Geef ons nieuwe levenskracht door deze heilige offergave  

I n l e i d i n g
Zoals de Oratio super munera  (het Gebed over de Gaven) van deze zondag spreekt over de offergaven: ut sacris apta muneribus fiant nostra servitia, dat onze eredienst mag beantwoorden aan uw heilige gaven, spreekt ook de Postcommunio van deze zondag over de offergave (hier ‘divina hostia’, goddelijk gave genoemd), waarover de woorden van de Consecratie reeds zijn uitgesproken. We hebben de gave aangeboden (obtulimus) én ontvangen (sumpsimus) en wij vragen God, dat haar verheven bestemming vervuld mag worden zodat zij het Brood voor het eeuwige leven wordt en ons nieuw leven schenkt (vivificet). Dit leven komt voort uit de liefde, waarin wij met God zijn verbonden. Door Christus is deze vereniging met God mogelijk gemaakt. “Wie mijn Vlees eet en mijn Bloed drinkt , blijft in Mij en Ik in hem, Zoals Ik door de Vader die leeft, gezonden ben en leef door de Vader, zo zal ook hij die Mij eet, leven door Mij” (Jo 6, 56-57).
Wij vragen steeds overvloediger deelachtig te mogen worden aan het leven van God zelf.
Het Brood uit de hemel verenigt ons, als ranken met Christus, de ware wijnstok, die ons een bovennatuurlijke vruchtbaarheid schenkt. In de bede klinkt ook enige bezorgdheid door, vanwege onze onbestendigheid. Onze vruchtbaarheid moet immers duurzaam zijn. Vandaar dat de oratie niet alleen om de vrucht bidt, maar ook dat zij in ons blijvend mag zijn.
T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Vivificet nos, quaesumus, Domine, divina quam obtulimus et sumpsimus hostia,
ut, perpetua tibi caritate coniuncti,
fructum qui semper maneat afferamus.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovncie 1979
Heer, geef ons nieuwe levenskracht door de heilige offergave die wij hebben opgedragen en genuttigd.
Laat ons altijd met U verenigd zijn in liefde
om vruchten voort te brengen die blijvend zijn.

Werkvertaling
Moge, vragen wij [U], Heer, de goddelijke offergave die wij hebben opgedragen en genuttigd, ons nieuw leven schenken,
opdat wij, in een eeuwige liefde met U verbonden,
de vrucht voortbrengen die altijd blijven zal.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
De tekst van de Postcommunio van vandaag is dezelfde als die van de Postcommunio in MR 1962 van de Votiefmis ter ere van O.H. Jezus-Christus, de Allerhoogste en Eeeuwige Priester, welk misformulier op een ‘vrije’ donderdag  ter gedachtenis aan de Instelling van de H. Eucharistie genomen kon worden.

B i j b e l s e   r e f e r e n t i e s   
Jer 31, 3
Jo 15, 4-5.16
T e x t u e l e  a n a l y s e
1.Vivificet nos, quaesumus, Domine, divina quam obtulimus et sumpsimus hostia,
2a. ut, 2b. perpetua tibi caritate coniuncti,
2a. fructum qui semper maneat afferamus.
Ad 1
De oratie bestaat uit één doorlopende volzin, samengesteld uit de hoofdzin (r. 1) met aan de spits het prædicaat vivificet, in de coniunctivusvorm, 3e persoon enkelv. præsentis (coniunctivus optativus) vanwege de wens, bede. De plaats van het prædicaat aan de kop van de oratie geeft extra nadruk aan de bede van r. 1.
Nos, object van vivificet, accusativusvorm van het pronomen personale nos.
Onmiddellijk na het incipit Vivificet nos volgt de tussenzin quæsumus, zoals ook in talrijke andere oraties hier geplaatst om zowel de bede te onderstrepen als omwille van een goed lopende ritme.
Domine, aanspreekvorm van God, in de vocativusvorm van Dominus.
Divina quam obtulimus et sumpsimus hostia: subject van het prædicaat bestaande uit de twee congruerende nominativusvormen divina en hostia waartussen een relatieve bijzin is geplaatst in de indicativusvorm als toelichting bij het subject: de goddelijke gave die wij hebben geofferd en genuttigd. Obtulimus en sumpsimus: 1e persoon pluralis van het perfectum activi van de verba Offerre, obtuli, oblatum en sumere, sumpsi, sumptum, 3.
Ad 2a
Na de hoofdzin die op zichzelf reeds een volledige bede vormt, volgt eeen finale/doelaanwijzende resp. consecutieve bijzin, ingeleid door het voegwoord ut en met prædicaat afferamus in de coniunctivusvorm præsantis van het verbum afferre (zie beneden).
Het object bij genoemd prædicaat is fructum in de accusativusvorm van fructus, -us.
Ook in de bijzin is een relatieve bijzin ingebouwd: qui semper maneat, wederom als toelichting op het meest dichtbij staande antecedent, maar nu in de coniunctivusvorm præsentis, welke modus hier de mening van de bidder weergeeft: namelijk hoop dat deze vrucht blijvend moge zijn.
Ad 2b
Verwijzend naar het in het prædicaat opgesloten subject “wij” (r. 2a) als ‘postcedent’, is de bijstelling  “perpetua tibi caritate coniuncti” geplaatst als toelichting van de conditio van de bidders welke grammaticaal gevormd wordt door de nominativusvorm pluralis van het perfectum passivi van coniungere verbonden met een bijwoordelijke bepaling perpetua tibi caritate welke bestaat uit de congruerende ablativusvormen perpetua en caritate en de dativusvorm tibi  (dativus commodi). De positie van tibi (God) temidden van perpetua (eeuwig) en caritate (liefde) benadrukken deze twee eigenschappen van God.

De oratie bevat naast de ut-bijzin in de coniunctivusvorm die het doel of het gevolg van de bede uitdrukt, drie relatieve bijzinnen die achtereenvolgens  de offergave (divina hostia), de conditie van de bidder (perpetua tibi caritate coniuncti) en de vruchtbaarheid van de ontvangen  Communie (qui semper maneat) nader illustreren.

S t i j l f i g u r e n
Chiasme (kruisstelling) in regel 1: begrippen worden zodanig geplaatst dat zij een “X” vormen: AB=BA. Wanneer de twee woordparen boven elkaar worden geplaatst vormen zij een X, zoals de Griekse letter chi die de vorm heeft van een “X”.  De AB-BA schikking in “in divina quam obtulimus et sumpsimus hostia” plaatst de vrouwelijke vormen divina… hostia  bij het begin en het einde van de relatieve bijzin en bedt aldus de twee verba obtulimus en sumnpsimus  daar tussen in. Elegant. 
Hyperbaton; met betrekking tot “divina en hostia” (r. 1)  kan men ook spreken van een hyperbaton: een uiteenplaatsing van begrippen die bij elkaar horen.
Tweede hyperbaton: perpetua [tibi]  caritate  (r. 2b)
Sterk aanwezige u-klank: quaesumus, obtulimus, sumpsimus, ut, coniuncti, fructum en afferamus.

K l e i n  v o c a b u l a r i  u m
Vivificare, - avi, atum, 1
heeft de volgende betekenissen 1. levend maken, weer tot leven komen 2. in het leven bewaren 3. beschermen  4. gezond maken en 5. gelukkig maken.
Dit verbum, eindigend op – ficare werd bijna altijd door de christelijke auteurs gebruikt in spirituele zin. Ook in de oraties heeft het vooral de geestelijke betekenis van “nieuw geestelijk leven geven” en het refereert altijd aan het effect dat de door deelname aan de H. Communie wordt bewerkt: “(…) ut his muneribus…et te placemus exhibitis, et nos vivificemur acceptis”, opdat wij door deze offergaven U mogen verzoeken door ze U aan te bieden en zelf er nieuw leven door verkrijgen wanneer wij ze nuttigen (Secreta, 28 juli, HH. Nazarius en Celus etc., MR 1962).
“Oblatum tibi … sacrificium vivificet nos semper et muniat”, moge het offer dat wij U opdragen, Heer, ons steeds verlevendigen en versterken (Secreta, Dom. 1 post Epiph. MR 1962).
“Sancta tua nos …sumpta vivificent”, mogen uw heilige Geheimen die wij genuttigd hebben ons nieuw leven schenken (Postcomm. Dom. 3 post Pentec., MR 1962).
“Vivificet nos …participatio sancta mysterii”, moge de heilige deelname aan dit Geheim ons nieuw leven schenken Postcomm. Dom.12 post Pentec. MR 1962).
(Verg. Sr. Mary Pierre Ellebracht C.Pp. S., Remarks on the vocabulary of the acient orations in the Missale Romanum. Reeks Latinitas christianorum primæva. Nijmegen-Utrecht, 1966, p.60-61)
Verwante begrippen afgeleid van dit verbum zijn we reeds tegengekomen, b.v. Vivificatio, - onis, f., letterlijk: het levend maken, de verlevendiging: een begrip dat door de  kerkvader Tertullianus (160-230) met Christus werd verbonden: vivificatio in Christo, en dat duidt op de werkzaamheid en het effect van de  genade wanneer men met Christus is verbonden. De H. Communie voedt en onderhoudt het geestelijk leven. Zoals het lichamelijk voedsel de verloren krachten hersteld, zo versterkt de H. Communie de liefde die in het dagelijks leven de neiging heeft te verzwakken; door zich aan ons te geven brengt Christus onze liefde tot nieuw leven en stelt Hij ons onder meer in staat te breken met onze ongeregelde hartstochten en gehechtheden om ons aan Hem te hechten.
De Postcommunio van de 6e zondag door het jaar vraagt “ut semper eadem [cælestia delicia] per quæ veraciter vivimus, appetamus”: om altijd te mogen verlangen naar deze hemelse gaven waardoor wij werkelijk leven.

Affero (ad-ferr), attuli, allatum
betekent basaal aan-, bij, -toebrengen, aandragen, verschaffen, leveren, iets naar een plaats brengen (van draagbare zaken terwijl adduco betekent mensen of dieren met zich ergens heen voeren, - brengen, begeleiden). Het wordt ook gebruikt met betekenissen als: een zaak brengen, dragen bijvoorbeeld nieuws, rapporteren, aankondigen, melden, overbrengen, boodschappen, informeren, openbaar maken en in concepten als “een product voortbrengen”, oogsten, dragen, produceren, zoals ‘vruchten dragen’  waarvan de Postcommunio van de 5e zondag van Pasen een voorbeeld is: “(…) da nobis, quaesumus, ita vivere, ut, unum in Christo effecti, fructum afferamus pro mundi salute gaudentes”: Wij bidden U: laat ons zó leven dat wij één worden in Christus en met blijdschap vruchten voortbrengen die heilzaam zijn voor heel de wereld.
In de verzen 15 en 16 van Psalm 44 (Bruiloftsgedicht voor een koning) komen de begrippen afferentur en adducentur beide voor:
“Afferentur regi virgines proximæ eius, afferentur tibi in lætitia et exsultatione; adducentur in templo regi Domino” – Meisjes worden naar de koning geleid, gezellinnen in haar gevolg, ook zij worden voortgeleid onder vreugde en jubel tot bij de koning in zijn troonzaal.
Afferre heeft ook de betekenis van het aandragen van een geestelijke of mentale gesteltenis: “Ad mensam cælestis convivii fac nos, Domine, eam mentis et corporis puritatem afferre, qui…” / letterl.: Maak, Heer, dat wij zuiverheid van lichaam en geest naar de tafel van het hemels gastmaal brengen…(Secreta misformulier H. Antonius Maria Zaccaria, 5 juli [MR 1962])

Coniugo, -unxi, - unctum, 3
betekent verbinden, samenbinden, aaneensluiten, verenigen, een huwelijksband met elkaar aangaan.
Bijvoorbeeld: “Quod ergo Deus coniunxit, homo non separet” (Mt 19,6), wat God verbonden heeft, scheide de mens niet.
Coniugalis: het huwelijk, de echt betreffend, huwelijks-, echtelijk
Een mooi voorbeeld geeft ons de Collecta van de Huwelijksmis (MR 1970): “Deus, qui tam excellenti mysterio coniugale vinvulum consecrati, ut Christi et Ecclesiæ peæsignaris in fœdere nuptiarum (…), God, Gij hebt het verbond tussen man en vrouw gemaakt tot een Heilig geheim, zo groot als de liefde van Christus voor zijn bruid, de Kerk.
Coniux en coniunx, gade, gemaal, gemalin
Coniuges, (pl),  echtgenoten, echtpaar .
De beeldspraak van de oratie betreft een verbintenis vergelijkbaar met een huwelijksverbintenis.

P a u s e l i j k  o n d e r r i c h t
Johannes-Paulus II en Benedictus XVI over de eenheid met Christus in de H. Eucharistie
“Inlijving in Christus, bewerkstelligd door het Doopsel, wordt steeds hernieuwd en bevestigd door deelname aan het Eucharistisch Offer, vooral bij de volledige deelname die plaats vindt in de sacramentele Communie. We kunnen niet alleen zeggen dat ieder van ons Christus ontvangt, maar ook dat Christus ieder van ons ontvangt. Hij gaat vriendschap met ons aan: “Gij zijn Mijn vrienden” (Jo 15, 14). Dankzij Hem hebben wij het leven: “Hij die Mij eet, zal leven door Mij” (Jo 6, 57). Eucharistische gemeenschap brengt op verheven wijze tot stand dat Christus  in zijn volgelingen blijft en zij in Hem: “Blijft in Mij, zoals Ik in u” (Jo 15, 4)”.
(Joh.-Paulus II, Encycliek ‘Ecclesia de Eucharistia’, Over de Eucharistie in relatie tot de Kerk, 17 april 2003, nr. 22).

“Wij weten dat uit de dood van Jezus het leven voortkomt, omdat Hij in een geste van volledige overgave en belangeloosheid aan de Vader de dood tot een act van liefde heeft gemaakt en daardoor de dood ten diepste heeft veranderd: de liefde van Christus heeft de dood overwonnen. In de H. Eucharistie trekt Hij ons allen, vanaf het Kruis, tot zich (Joh 12,32) en maakt ons tot levende ranken van de ware Wijnstok die Hij zelf is. Wanneer wij met Hem verenigd blijven, zullen ook wij vrucht voortbrengen, niet langer de bittere azijn van de zelfgenoegzaamheid, van de ontevredenheid over God en zijn schepping, maar de goede wijn van de vreugde aan God en aan de liefde tot de naasten’.
(Paus Benedictus XVI, Uit de homilie bij de opening van de Bisschoppensynode, 2 oktober 2005)

O v e r w e g i n g
Als u gewend bent de H. Schrift of liturgische teksten in het Latijn te lezen, zullen uw oren zeer zeker onmiddellijk bij het horen van de klanken: “fructum qui semper maneat afferamus”, de toespeling oppikken op de verzen 16 en 17 van Johannes hoofdstuk  15: “Niet gij hebt Mij uitgekozen, maar Ik u en Ik heb u de taak gegeven  op tocht te gaan en vruchten voor te brengen die blijvend mogen zijn. Dan zal de Vader u geven al wat gij Hem in mijn Naam vraagt. Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt”.
Dat is wat het zinsdeel “perpetua tibi caritate coniuncti” ook bedoelt te zeggen: het in liefde met Hem verbonden zijn is de conditio quod non om geestelijke vruchten voor te brengen. Traditioneel zijn dat de twaalf vruchten van de H. Geest die Sint Paulus opsomt in zijn Brief aan de Galaten, hoofstuk 5. Het komt erop neer dat van ons, christenen, verwacht mag worden, dat wij deze deugden praktiseren! Wat van ons wordt verwacht, is niet gering: zachtmoedigheid, lankmoedigheid, getrouwheid, bescheidenheid, zelfbeheersing, kuisheid, liefde, blijdschap, vrede, geduld, rechtschapenheid en welwillendheid.
Donderdag zongen we de Ie Vespers in de basiliek van het hoogfeest van het H. Hart van Jezus; de eerste antifoon luidde: “In caritate perpetua dilexit nos Deus, ideo, exaltatus a terra, attraxit nos ad cor suum, miserans”, Met een eeuwige liefde (een bij uitstek goddelijke eigenschap) heeft God ons bemind, daarom heeft Hij, van de aarde omhoog geheven ons vol medelijden tot zijn Hart getrokken. “Rijk aan barmhartigheid vanwege zijn overgrote liefde waarmee God ons heeft bemnind, heeft Hij ons, toen wij nog zondaars waren “convivificavit Christo” met Christus ten leven gewekt en ons de deur naar de eeuwige heerlijkheid ontsloten.
Christus en de gemeenschap met Hem is de bron van ons christen-zijn. We luisteren naar zijn stem als Hij zegt: “Zonder Mij kunt gij niets” (Jo 15,5). Met andere woorden: als Christus niet leeft in ons, kunnen we niets, helemaal niets. Het zijn Jezus’afscheidswoorden, voordat Hij wordt overgeleverd om te sterven voor onze zonden. Heel veel heeft Hij dan nog te zeggen in zijn hogepriesterlijk gebed tot de Vader zoals we kunnen lezen in hoofdstuk 17 van Johannes.
Door de symboliek van de wijnstok betekenen Jezus’woorden dat zijn leven uitstroomt in zijn leerlingen. Het leven dat Christuys leeft, leeft Hij ook in de gelovigen zoals we reeds zagen bij de bespreking van het Mystieke Lichaam van Christus waarvan Hij het Hoofd, wij de ledematen vormen.
Christenen hebben in zich dus het leven van Christus. De apostel Paulus gaat nog een stapje verder: “Niet ik leef, maar Christus leeft in mij” (Gal 2,20). De christen die een echte rank is aan de wijnstok Christus, kan zeggen: Christus leeft in mij! Ik leef mijn leven in Christus.
En toch moeten we tegelijkertijd ook zeggen: de oude mens leeft in mij, die telkens opnieuw de kop opsteekt; dat is de realiteit in ons leven, de zonde die in ons woont, de neiging tot het kwade die zich niet zomaar laat wegdrukken. Maar Christus heeft ons ook de kracht gegeven daaruit op te staan: door het geloof in Hem. Dat had Hij ook al eens eerder gezegd (Mt 17, 20b): 'Voorwaar, Ik zeg u, indien gij een geloof hebt als een mosterdzaad, zult gij tot deze berg zeggen: Verplaats u vanhier daarheen en hij zal zich verplaatsen en niets zal u onmogelijk zijn.'.
“Niets zal u onmogelijk zijn”, anders gezegd: “Alles zal u mogelijk zijn”. Dit woord van hoop is een onwrikbaar anker  voor heel ons leven
Als we als levende ranken verbonden blijven met Christus, de ware Wijnstok, schenkt Hij ons duurzame levenskracht.  Als het gaat om heilig leven, om leven als christen dus, zegt Christus tegen ons: Zonder Mij kun je niets, met Mij kun je alles! In iedere H.Mis schenkt hij ons door de heilige offergave, door en in Hemzelf,  nieuwe levenskracht! Deze kans moeten we niet laten lopen maar met beide handen aangrijpen. Veel devotie!

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Dominica XIII per annum Christum prædicamus in fines orbis terræ. Laten wij Christus prediken tot aan de uiteinden der aarde.



  
Lectio altera

Ex Homilíis Pauli papæ Sexti
(Hom. Manilæ habita die 29 novembris 1970)

Tweede lezing

Uit de Homilieën van Paus Paulus VI gehouden te Manilla 29 november 1970

Laten wij Christus prediken tot aan de uiteinden der aarde.

Wee mij, als ik het Evangelie niet verkondigd zal hebben. Want door Hem zelf, door Christus zelf, zó ben ik gezonden. Ik ben een apostel (gezondene) en getuige. Hoe verder die grens ligt, hoe moeilijker de opdracht is, des te heviger dringt mij de liefde. Zijn Naam moet ik prediken: Jezus is de Christus, de Zoon van de levende God: Hij is degene, die ons de onzichtbare God heeft geopenbaard. Hij is de Eerstgeborene van heel de schepping, Hij, in wie alles bestaat. Hij ook is de leermeester der mensen en hun Verlosser; Dezelfde, die voor ons geboren werd, voor ons stierf en verrees.

Hij is het middelpunt van de geschiedenis en van het heelal; Hij kent en bemint ons, Hij is de gezel en de vriend in ons leven, de Man van smarten en van hoop; Hij, degene die zeker zal terugkomen, die uiteindelijk onze Rechter zal zijn, en ook, zoals wij vertrouwen, de eeuwige volheid van leven en onze zaligheid.

En ik zou nooit kunnen ophouden over Hem te spreken: Hij is het Licht, Hij de Waarheid, ja zelfs de Weg, de Waarheid en het leven; Hij is het brood en de bron van levend water, het brood die onze honger verzadigt en onze dorst lest: Hij is onze Herder, onze Leidsman, ons Voorbeeld, onze Troost, onze Broeder. Zoals wij, en méér dan wij, was Hij klein, arm, vernederd, aan moeilijkheden blootgesteld, verdrukt en lijdend. Voor ons heeft Hij gesproken, zijn wonderen verricht, een nieuw Rijk gesticht, waar de armen gelukkig zijn, waar de vrede het algemeen beginsel is van leven, waar de zuiveren van hart en de bedroefden worden verheerlijkt en getroost, waar zij die hongeren naar gerechtigheid worden verzadigd, waar de zondaars vergiffenis kunnen verkrijgen en allen als broeders worden beschouwd.

Zie, daar is Christus Jezus, over wie Gij zeker hebt horen spreken, aan wie gij voor het merendeel ongetwijfeld reeds toebehoort, omdat gij christen zijt. Voor u dan, christenen, herhaal ik in zijn Naam, aan allen verkondig ik dit: Christus Jezus is het Begin en het Einde, de Alpha en de Omega, de Koning van de nieuwe wereld, de verborgen en diepste grond van de menselijke geschiedenis en van ons lot. Hij is de Middelaar en in zekere zin de Brug tussen aarde en hemel; Hij is het meest en op veel volmaaktere wijze dan alle anderen mensen de Zoon des mensen, omdat Hij de Zoon van God is, eeuwig en oneindig, én ook de Zoon van Maria, de gezegende onder alle vrouwen, van zijn Moeder naar het vlees en van onze Moeder uit de vereniging met de Geest van het mystieke Lichaam. Jezus Christus! Bedenkt wel: Hij is het, die wij u Preken voor altijd. Wij willen, dat zijn Naam zal weerklinken tot aan de uiteinden der aarde en tot in de eeuwen der eeuwen.



Lezingenofficie 13e zondag door het jaar

13e zondag door het jaar  Liturgia Horarum

Lezingen van het lezingenofficie


Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli (1420-1497) (x).

Eerste lezing  1 Sam 28, 3-25
Saul bezoekt een geestenbezweerster

Samuel was inmiddels gestorven. Heel Israël had over hem gerouwd, en hij was begraven in Rama, zijn woonplaats. Daarna had Saul in het hele land een verbod uitgevaardigd op geestenbezwering en waarzeggerij. Toen nu de Filistijnen hun troepen hadden verzameld en waren opgerukt naar Sunem, waar ze hun kamp opsloegen, bracht ook Saul zijn leger op de been en sloeg zijn kamp op in het Gilboagebergte. Maar toen hij het kamp van de Filistijnen zag, greep de angst hem bij de keel. Hij raadpleegde de Heer, maar de Heer gaf geen antwoord: noch in dromen, noch door middel van orakelstenen, noch bij monde van profeten. Daarom beval hij zijn dienaren om voor hem een dodenbezweerster op te sporen. ‘Daar wil ik naartoe gaan om antwoord te vinden op mijn vragen,’ zei hij. Toen zijn dienaren hem vertelden dat er in Endor nog een dodenbezweerster woonde, vermomde hij zich door andere kleren aan te trekken en ging hij met twee dienaren op pad. Midden in de nacht kwamen ze bij de vrouw aan. ‘Wilt u voor mij de geest van een dode raadplegen?’ verzocht hij haar. ‘Ik zal u zeggen wie u moet oproepen.’ Maar de vrouw antwoordde: ‘U weet toch wat Saul heeft gedaan: hij heeft een streng verbod uitgevaardigd op geestenbezwering en waarzeggerij. Waarom probeert u me in de val te lokken? Wilt u me soms de dood in jagen?’ Maar Saul bezwoer haar bij de Heer dat haar niets zou overkomen. ‘Wie moet ik dan voor u oproepen?’ vroeg ze. ‘Samuel,’ antwoordde Saul. Zodra de vrouw Samuel zag, slaakte ze een ijselijke kreet. ‘Waarom hebt u me bedrogen?’ vroeg ze aan Saul. ‘U bent Saul zelf!’ ‘Wees niet bang,’ stelde de koning haar gerust. ‘Maar zeg me, wat ziet u?’ ‘Ik zie een goddelijke gestalte uit de aarde oprijzen,’ antwoordde ze. ‘Hoe ziet hij eruit?’ vroeg Saul. ‘Het is een oude man, gehuld in een mantel.’ Toen wist Saul dat het Samuel was, en hij knielde neer en boog diep voorover. Samuel vroeg aan Saul: ‘Waarom heb je me opgeroepen en mijn rust verstoord?’ ‘Ik zie geen uitweg meer,’ antwoordde Saul. ‘Ik word aangevallen door de Filistijnen en God heeft me in de steek gelaten. Hij geeft geen antwoord meer op mijn vragen, noch bij monde van profeten, noch in dromen. Daarom heb ik u opgeroepen om u te vragen wat ik moet doen.’ Maar Samuel zei: ‘Waarom kom je bij mij om raad? Je weet toch dat de Heer je verlaten heeft en zich nu tegen je heeft gekeerd. De Heer heeft gedaan wat hij bij monde van mij heeft voorzegd: hij heeft het koningschap van je losgescheurd en aan je tegenspeler gegeven, aan David. De Heer doet je dit nu aan omdat je destijds niet naar hem geluisterd hebt en voor hem geen wraak hebt genomen op de Amalekieten. En om diezelfde reden zal hij Israël samen met jou aan de Filistijnen uitleveren. Morgen zijn jij en je zonen hier bij mij, en het leger van Israël zal hij aan de Filistijnen uitleveren.’ Saul schrok zo van Samuels woorden dat hij languit op de grond viel: zijn krachten lieten hem in de steek, ook al omdat hij de hele dag en de hele nacht niets gegeten had. De vrouw kwam naar hem toe en zag dat hij erg in de war was. ‘Ik heb aan uw verzoek voldaan, heer,’ zei ze. ‘Met gevaar voor eigen leven heb ik gedaan wat u me vroeg. Doe dan nu ook wat ik u aanraad, heer. Laat me u iets te eten voorzetten, zodat u weer op krachten komt voordat u aan de terugreis begint.’ Saul weigerde en zei dat hij niets wilde eten, maar zijn dienaren en ook de vrouw drongen aan en ten slotte gaf hij toe. Hij kwam overeind en ging op het bed zitten. De vrouw had een mestkalf in huis, dat ze nu snel slachtte. Ook nam ze meel, kneedde het en bakte er ongedesemde broden van. Nadat Saul en zijn dienaren gegeten hadden van het maal dat ze hun had voorgezet, vertrokken ze nog diezelfde nacht.

Tweede lezing 
Uit de Homilieën van Paus Paulus VI

Laten wij Christus prediken tot aan de uiteinden der aarde.

Wee mij, als ik het Evangelie niet verkondigd zal hebben. Want door Hem zelf, door Christus zelf, zó ben ik gezonden. Ik ben een apostel (gezondene) en getuige. Hoe verder die grens ligt, hoe moeilijker de opdracht is, des te heviger dringt mij de liefde. Zijn Naam moet ik prediken: Jezus is de Christus, de Zoon van de levende God: Hij is degene, die ons de onzichtbare God heeft geopenbaard. Hij is de Eerstgeborene van heel de schepping, Hij, in wie alles bestaat. Hij ook is de leermeester der mensen en hun Verlosser; Dezelfde, die voor ons geboren werd, voor ons stierf en verrees.

Hij is het middelpunt van de geschiedenis en van het heelal; Hij kent en bemint ons, Hij is de gezel en de vriend in ons leven, de Man van smarten en van hoop; Hij, degene die zeker zal terugkomen, die uiteindelijk onze Rechter zal zijn, en ook, zoals wij vertrouwen, de eeuwige volheid van leven en onze zaligheid.

En ik zou nooit kunnen ophouden over Hem te spreken: Hij is het Licht, Hij de Waarheid, ja zelfs de Weg, de Waarheid en het leven; Hij is het brood en de bron van levend water, het brood die onze honger verzadigt en onze dorst lest: Hij is onze Herder, onze Leidsman, ons Voorbeeld, onze Troost, onze Broeder. Zoals wij, en méér dan wij, was Hij klein, arm, vernederd, aan moeilijkheden blootgesteld, verdrukt en lijdend. Voor ons heeft Hij gesproken, zijn wonderen verricht, een nieuw Rijk gesticht, waar de armen gelukkig zijn, waar de vrede het algemeen beginsel is van leven, waar de zuiveren van hart en de bedroefden worden verheerlijkt en getroost, waar zij die hongeren naar gerechtigheid worden verzadigd, waar de zondaars vergiffenis kunnen verkrijgen en allen als broeders worden beschouwd.

Zie, daar is Christus Jezus, over wie Gij zeker hebt horen spreken, aan wie gij voor het merendeel ongetwijfeld reeds toebehoort, omdat gij christen zijt. Voor u dan, christenen, herhaal ik in zijn Naam, aan allen verkondig ik dit: Christus Jezus is het Begin en het Einde, de Alpha en de Omega, de Koning van de nieuwe wereld, de verborgen en diepste grond van de menselijke geschiedenis en van ons lot. Hij is de Middelaar en in zekere zin de Brug tussen aarde en hemel; Hij is het meest en op veel volmaaktere wijze dan alle anderen mensen de Zoon des mensen, omdat Hij de Zoon van God is, eeuwig en oneindig, én ook de Zoon van Maria, de gezegende onder alle vrouwen, van zijn Moeder naar het vlees en van onze Moeder uit de vereniging met de Geest van het mystieke Lichaam. Jezus Christus! Bedenkt wel: Hij is het, die wij u Preken voor altijd. Wij willen, dat zijn Naam zal weerklinken tot aan de uiteinden der aarde en tot in de eeuwen der eeuwen.
(Hom. Manilæ habita die 29 novembris 1970)


(*) Detail van de “Storie di Sant’Agostino” van Benozzo Gozzoli (1420-1497) in de Sant’Agostino in San Gimignano. In 1463 werd Benozzo Gozzoli door Fra Domenico Strambi, prior van het Augustijnse convent in San Gimignano, gevraagd om de kloosterkerk aldaar te decoreren, de huidige Sant’Agostino. De “Storie”, het Heiligenleven van Sint Augustinus, bestaat uit 17 fresco’s.

Collectegebed 13e zondag door het jaar - Zichtbaar leven in het licht van de waarheid

Collectegebed 13e zondag door het jaar  - Zichtbaar leven in het licht van de waarheid

Missale Romanum – 1970
Deus, qui per adoptionem gratiæ,
lucis nos esse filios voluisti,
præsta, quæsumus, ut errorum non involvamur tenebris,
sed in splendore veritatis semper maneamus conspicui.

Altaarmissaal – 1979
God, uw genade is het dat wij U Vader mogen noemen
en kinderen zijn van het licht.
Wij bidden U dat wij niet verloren raken in de duisternis van de dwaling,
maar altijd zichtbaar voor anderen, leven in het licht van de waarheid.

Poging tot meer letterlijke vertaling
God, die door Uw genade ons hebt willen aannemen 
als kinderen van het licht,
geef, bidden wij U, dat wij niet omhuld worden door de duisternis van dwalingen,
maar altijd in de schittering van de waarheid zichtbaar mogen blijven.
  
L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
Het collectegebed heeft zijn wortels in het 9e eeuwse Sacramentarium Bergomense (Bergamo, Italië) en gebruikt de begrippen adoptio en splendor veritatis.

W o o r d e n l i j s t
Het werkwoord  involvo betekenttegen of op iets rollen, wentelen”; in meer uitgebreide zin  “zich wikkelen, winden, zich slingeren om”, verder  “in/verpakken,  wikkelen, omslaan” en  “(om/ver)hullen, bedekken”. 
Conspicuus, tegenover occultus, is een adjectief  voor iets dat in beeld is of in beeld komt. Bijgevolg “iets dat de aandacht naar zich toetrekt” dus opvallend, treffend, frappant, markant, opmerkelijk, aantrekkelijk en vermaard”.
Het substantief splendor is “pracht, glans, glorie, praal, heerlijkheid, grootsheid en schittering; bovendien “waardigheid, voortreffelijkheid, uitmuntendheid”.
C o m m e n t a a r
Voordat Christus als Verlosser naar de wereld werd gezonden waren wij gescheiden van de Vader. Zonder Doopsel waren we gescheiden van de gemeenschap met God en de gemeenschap die zijn Kerk is. Vóór de komst van Christus leefde de mensheid in duisternis. Het collectegebed verbindt de aanneming tot kinderen van God met het in beeld komen van het licht van de Waarheid. Het Offer van Christus en ons Doopsel ontrukken ons aan de duisternis en maken ons tot ledematen van Christus’ Mystiek Lichaam, dat de Kerk is. Het was de Wil van God ons deze genade te schenken.
Niemand die deze oratie hoort kan de frase: in splendore veritatis zijn  ontgaan. 
Sommige Kerkvaders en menig middeleeuwse schrijver hanteren het begrip splendor veritatis in een verschillende context. Voor de Vaders duidt splendor – geassocieerd met licht en de goddelijke aanwezigheid – afwisselend op de wolk- en vuurkolom die het Volk Gods vanuit de ballingschap naar het licht van de vrijheid leidde, de wolk die neerdaalde op de berg of op de Verbondstent, wanneer God met Mozes wilde spreken, waarna het gelaat van Mozes zou worden overstraald van licht, òf het schitterend lichtende gelaat van de Heer tijdens de Gedaanteverandering op de Berg Thabor.
De H. Augustinus van Hippo (+430) legde tweemaal een relatie tussen “de schittering van de waarheid” en de “vurigheid van de liefde” (fervor caritatis), een verbinding die eeuwen later de “serafijnse” Kerkleraar en kardinaal, de H. Bonaventura van Bagnoregio (+1274) zou opnemen en verbreiden. Voor Augustinus en Bonaventura, levend in het licht van de waarheid, is dat de liefde tot God en ook de liefde tot de naaste. Met welke liefde moeten we onze naaste bejegenen?  Met fervor, “een gloeiende of vurige warmte, een hevige hitte…” Dit is niet de lauwe liefde die Jezus uit zal spuwen. Dit is de vurige, brandende, felle liefde tot zijn gewonde Heilige Hart, die “gloeiende oven van liefde”.  We kunnen niet God beminnen en de naaste niet. In onze woorden en daden moeten we met een “vurige, warme liefde” deze tweevoudige liefde weerspiegelen, of we zijn geen echte Christenen. Eén zijn in Christus betekent consequente en concrete daden.
In onze tijd begon de onlangs overleden paus Johannes-Paulus II in zijn op 6 augustus 1993 gepromulgeerde (uitgevaardigde) encycliek Veritatis splendor dwalende opvattingen en gevaarlijke tendenties bij enkele moraaltheologen van onze tijd te corrigeren. De paus schreef:
“De schittering van de waarheid straalt door in de werken van de Schepper en op bijzondere wijze in de mens die naar het beeld en de gelijkenis van God geschapen is (vgl. Gen 1, 26): de waarheid verlicht het verstand en vormt de vrijheid van de mens, die op deze wijze ertoe gebracht wordt de Heer te herkennen en lief te hebben.
Daarom bidt de psalmist: “Heer, laat Uw aangezicht over ons stralen” (Ps  4, 7).
Door het geloof in Jezus Christus, “het ware Licht, dat iedere mens verlicht” (Jo 1, 9) tot het heil geroepen, worden de mensen “licht door de Heer” en “kinderen van het Licht” (Eph 5, 8) en heiligen ze zich door de “gehoorzaamheid aan de waarheid” (1 Pe 1, 22) “.
De waarheid voert ons naar het licht en maakt ons vrij. Dwalingen beperken ons en verhinderen ons als vrije personen te handelen. Bij daglicht kunnen we vrij wandelen en weten waar we zijn zonder schade te ondervinden of de weg kwijt te raken. Bij duisternis moeten we tastend zoeken, strompelen en struikelen we, en lopen tegen onopgemerkte obstakels aan.
Roepen we ook terug in onze herinnering wat paus Benedictus XVI schreef in “Deus caritas est” over werken van barmhartigheid die alleen maar authentiek zijn als ze met liefde worden verricht.
In de Collecte van vandaag wordt de “duisternis van dwalingen” gepresenteerd als een verschrikkelijke, verstikkende omhulling die God voor onze blik verbergt en ons aan Zijn blik onttrekt alsof we worden gevangen in een donker vergeten graf: als levend begraven.
De wonden van de erfzonde maken het dikwijls moeilijk uit te maken wat goed, wat juist en wat waar is. Onze intellectuele vermogens zijn vaak  vertroebeld. Als we al door de werking van ons verstand of met de hulp van menselijk of goddelijk gezag het goede kunnen onderscheiden van het niet-goede, dan moeten we nog de keuze daartussen maken met onze wil die gewond is.  
We overtuigen onszelf dikwijls dat daden die in werkelijkheid slecht, verkeerd, fout of vals zijn, eigenlijk goed, juist en waar zijn.  Zo komen we ertoe te geloven dat we “vrij” zijn en juist handelen terwijl we dingen doen die heel verkeerd zijn. Als dit een gewoonte wordt, worden we na een tijdje zowel ongevoelig voor de waarheid als voor zonde en dwaling.
Eenmaal gevangen in de duisternis van dwalingen, waaraan niet zelden zelfmisleiding vooraf ging, gaan we al gauw door het leven als zombies uit een horrorfilm: groteske karikaturen van hetgeen God bedoelde als Zijn heilig evenbeeld…We zouden bedroefd moeten zijn, als we een broeder zo zouden zien afdwalen en bewust toegewijd dit collectegebed moeten bidden.
God maakt het echter mogelijk de werken van de duisternis af te leggen en de wapenrusting van het licht aan te trekken (verg. Rom 13,12-14). Door de verdiensten  van het Kruisoffer van Christus, door Zijn sacramenten en door het onderricht van de Kerk kunnen we het vrije en schone beeld zijn zoals God wil dat we zijn, hier en in het hiernamaals. Dit is wat ieder rusteloos menselijk hart wezenlijk verlangt. Zoals de H. Augustinus schreef:
 “Laat heb ik U lief gekregen, o Schoonheid, zo oud en zo nieuw, laat heb ik U lief gekregen! En Gij waart binnen en ik was buiten, en daar zocht ik U, en ik rende, wanstaltig als ik was, op de schone dingen af die door U gemaakt zijn. Gij waart bij mij en ik niet bij U. Ik werd ver van U gehouden door dingen die niet bestaan zouden hebben als ze niet in U bestaan hadden. Geroepen hebt Gij, geschreeuwd en mijn doofheid doorbroken; gestraald hebt Gij, geschitterd en mijn blindheid verjaagd; gegeurd hebt Gij en ik heb ingeademd en snak nu naar U; geproefd heb ik en nu honger en dorst ik; aangeraakt hebt Gij mij en ik ben ontvlamd naar uw vrede. 
Een ander thema van deze collecte is onze identiteit als kinderen van God door adoptio gratiae, aanneming van de genade. Opvallend zijn in de H. Mis de Bijbelse verwijzingen in de gebeden. De .H. Paulus schrijft vaak over het aangenomen worden door Gods genade (bijvoorbeeld Gal 4, 5 en Eph 1, 5 e.v.). In zijn Brief aan de Romeinen vertelt hij ons iets over de morele consequenties van het geestelijke kindschap:
Voor hen dus die in Christus Jezus zijn, bestaat er thans geen vonnis meer. De “wet “van de Geest die in Christus Jezus het leven schenkt, heeft u vrijgemaakt van de wet van de zonde en de dood. Want wat de wet niet vermocht, machteloos als ze was door het vlees, dat heeft God bewerkt door zijn Zoon te zenden in de gestalte van het vlees der zonde en ter wille van de zonde: Hij heeft in het vlees zelf de zonde gevonnist, opdat de eis van de wet vervuld zou worden door ons, die niet leven volgens het vlees maar volgens de Geest.
Zij die leven volgens het vlees, zinnen op wat het vlees wil. Die geleid worden door de Geest, zinnen op de dingen van de Geest. Het streven van het vlees loopt uit op de dood, het streven van de Geest op leven en vrede. Want het verlangen van het vlees staat vijandig tegenover God. Het onderwerpt zich niet aan Gods wet, het kan dit niet eens; en zij die volgens het vlees leven kunnen God niet behagen. Maar uw bestaan wordt niet beheerst door het vlees doch door de Geest omdat de Geest van God in u woont. Zou iemand de Geest van Christus niet hebben, dan behoort hij Hem niet toe. Als Christus in u is, blijft uw lichaam wel door de zonde de dood gewijd, maar uw geest leeft dankzij de gerechtigheid. En als we Geest van Hem die Jezus van de doden heeft opgewekt, in u woont zal Hij die Christus Jezus van de doden heeft doen opstaan, ook uw sterfelijk lichaam eenmaal levend maken door de kracht van zijn Geest, die in u verblijft.
Broeders, wij zijn dus schuldenaars, maar niet van het vlees om naar het vlees te leven. Als gij volgens het vlees leeft, zult gij zeker sterven. Maar als gij door de Geest de praktijken van de zelfzucht doodt, zult gij leven. Allen die zich laten leiden door de Geest van God, zijn kinderen van God. De geest die gij ontvangen hebt, is er niet een van slaafsheid die u opnieuw vrees zou aanjagen. Ge hebt een geest van kindschap ("adoptio filiorum") ontvangen die ons doet uitroepen: Abba, vader! (Rom 8,1 - 15).

met dank aan father John Zuhlsdorf wdtprs.com

(1) Belijdenissen 10, XXVII, 38 in de vertaling van G. Wijdeveld, 1981.