Posts tonen met het label hebdomada VIII per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hebdomada VIII per annum. Alle posts tonen

zaterdag 1 maart 2025

The Revolution of the Resurrection - Bishop Barron Sunday Sermon (8C)

Lezingen H. Mis 8e zondag door het jaar C Haal eerst die balk uit uw eigen oog, dan zult ge scherp genoeg zien om de splinter te kunnen verwijderen die in het oog van uw broeder zit.

Eerste lezing (Sir. 27,4-7)
Uit het boek Ecclesiasticus.
Als men de zeef schudt, blijft het kaf. En in het spreken ontdekt men het boze van de mens. Het werk van de pottenbakker wordt beproefd door de oven, en de mens door wat hij zegt in het gesprek. Aan de vruchten van de boom erkent men de boomgaard, en aan de woorden van de mens zijn gezindheid. Prijs daarom geen mens vóórdat hij gesproken heeft, want eerst op grond daarvan kan men een mens beoordelen.

Tweede lezing (1 Kor. 15,54-58)
Uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte.
Broeders en zusters, wanneer het vergankelijke met onvergankelijkheid is gekleed en het sterfelijke met onsterfelijkheid, dan zal het woord van de Schrift in vervulling gaan: “De dood is verslonden, de zege is behaald! Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw angel?” De angel van de dood is de zonde en de kracht van de zonde is de wet. Maar God zij gedankt, die ons de overwinning geeft door Jezus Christus, onze Heer. Daarom geliefde broeders en zusters, weest standvastig en onwankelbaar en gaat altijd voort met het werk des Heren; gij weet toch dat uw inspanning, dank zij Hem, niet vergeefs is.

Evangelie (Lc. 6,39-45)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas.
In die tijd hield Jezus zijn leerlingen deze gelijkenis voor: “Kan soms de ene blinde de andere leiden? Vallen dan niet beiden in de kuil? De leerling staat niet boven zijn meester; maar hij zal ten volle gevormd zijn als hij is gelijk zijn meester. Waarom kijkt ge naar de splinter in het oog van uw broeder en waarom slaat ge geen acht op de balk in uw eigen oog? Hoe kunt ge tot uw broeder zeggen: Broeder, laat mij de splinter uit uw oog halen, terwijl ge de balk in uw eigen oog niet opmerkt? Huichelaar, haal eerst die balk uit uw eigen oog, dan zult ge scherp genoeg zien om de splinter te kunnen verwijderen die in het oog van uw broeder zit. Er bestaat geen goede boom die zieke vruchten voortbrengt en evenmin een zieke boom die goede vruchten voortbrengt. Een boom immers kent men aan zijn vruchten; men plukt geen vijgen van dorens, men oogst geen druiven van een braamstruik. Een goed mens brengt het goede te voorschijn uit de schat van goedheid in zijn hart; maar een slechte brengt het slechte te voorschijn uit zijn schat van slechtheid; want waar het hart van vol is, daar loopt de mond van over.”


Introitus Dominica VIII per annum FACTUS EST DOMINUS, Protector meus - Gregoriaans Chant

dinsdag 1 maart 2022

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada VIII per annum feria III Tibi, Domine, manifestus sum quicumque sim Voor U, Heer, lig ik open, wie ik ook ben


Lectio altera

Ex Confessiónum libris sancti Augustíni epíscopi
(Lib. 10, 1. 1 — 2. 2; 5. 7: CCL 27, 155. 158)

Tweede lezing

Uit de ‘Belijdenissen van de H. Augustinus, bisschop
(Lib. 10, 1. 1 — 2. 2; 5. 7: CCL 27, 155. 158)

Voor U, Heer, lig ik open, wie ik ook ben

Moge ik U kennen. Gij, Kenner van mij, moge ik U kennen, zoals ik zelf gekend ben. Kracht van mijn ziel, kom in haar binnen en bereid haar toe voor U, opdat Ge haar zult hebben en bezitten zonder vlek of rimpel. Dit is mijn hoop en daarom spreek ik, en in die hoop verheug ik mij, omdat mijn vreugde ware vreugde is. Maar de overige dingen in het leven zijn des te minder om over te wenen naarmate men meer weent, en des te meer waard om over te wenen naarmate men minder erom weent. Zie toch, Gij hebt behagen in waarheid, want wie de waarheid doet, gaat naar het licht. Ik wil haar doen in mijn hart, voor uw ogen in mijn belijdenis maar met mijn schrijfstift voor vele getuigen.

En wat zou er voor U, Heer, voo wiens ogen de afgrond van het menselijk geweten open ligt, in mij verborgen kunnen zijn, zelfs al zou ik het niet voor U willen belijden? Want dan zou ik U voor  mijzelf verbergen, niet mijzelf voor U. Nu echter, dat mijn zuchten mijn getuige is dat ik mijzelf mishaag, schittert Gij voor mij en behaagt mij en wordt Gij door mij bemind en verlang ik naar U; zodat ik mij schaam over mijzelf en mijzelf wegwerp en U kies en ik alleen om U mijzelf en U behaag.

Voor U dus, Heer, lig ik geheel open, wie ik ook ben en met welk gewin ik U belijd, heb ik gezegd. Dit doe ik niet met woorden van het vlees en met mijn stem, maar met de woorden van de ziel en met de roep van mijn gedachten, die kenbaar zijn voor uw oor. Want wanneer ik slecht ben, is U belijden niets anders dan mijzelf mishagen. Maar ben ik vroom, dan betekent U belijden niets anders dan dit niet aan mijzelf toeschrijven: Want Gij, Heer, zegent de rechtvaardige, maar tevoren rechtvaardigt Gij hem, die goddeloos was. Derhalve geschiedt mijn belijdenis, mijn God, voor uw aanschijn, tot U zwijgend en tegelijk niet zwijgend. Zij zwijgt wat betreft het gedruis van woorden, maar zij roept, wat mijn gevoelens betreft.

Gij, Heer, oordeelt mij, want ook al weet niemand der mensen, wat er in een mens omgaat dan alleen zijn eigen geest; toch is er iets in de mens, wat ook de geest van de mens, die in hem is, niet weet. Gij echter, die hem gemaakt hebt, weet alles in hem. Toch weet ik, hoewel ik mij voor uw aanschijn veracht en mij voor U beschouw als stof en as, iets over U, wat ik van mijzelf weet.

Zeker  thans zien wij in een spiegel, onduidelijk, maar dan van aangezicht tot aangezicht,  en zolang ik daarom in het leven ben buiten U, ben ik mezelf nader dan U. Toch weet ik, dat Gij op geen wijze geschonden kunt worden; maar van mijzelf weet ik niet, aan welke bekoringen ik kan weerstaan en aan welke niet. Maar mijn hoop is, dat Gij getrouw zijt, die niet toelaat, dat wij boven onze krachten worden beproefd, maar die met de beproeving ook de uitkomst geeft, zodat wij het kunnen volhouden.

Laat ik dus bekennen, wat ik over mijzelf weet en ook wat ik daarover niet weet. Want wat ik over mezelf weet en ook wat ik daarover niet weet. Want wat ik over mijzelf weet, weet ik door uw verlichting, maar wat ik over mijzelf niet weet, zal ik ook niet weten, totdat mijn duisternis zal zijn als de middag voor uw aanschijn.


zondag 27 februari 2022

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada VIII per annum feria II Si bona accepimus de manu Domini, mala quare non sustineamus? Als wij het goede uit Gods hand hebben ontvangen, waarom dan niet het kwade ondergaan?



Lectio altera

E Morálium libris sancti Gregórii Magni papæ in Iob
(Lib. 3, 15-16: PL 75, 606-608)

Tweede lezing

Uit de ‘Moralia’ op het Boek ‘Job’ van de H. Gregorius de Grote, paus
(Lib. 3, 15-16: PL 75, 606-608)

Als wij het goede uit Gods hand hebben ontvangen, waarom dan niet het kwade ondergaan?

Toen Paulus de rijkdommen van de innerlijke wijsheid in zichzelf beschouwde en tegelijk zag dat hij voor het uiterlijk een bederfelijk lichaam bezat zij hij: Wij dragen deze schat in broze vaten. Zie hoe in de zalige Job zijn broze vat uitwendig de scheuren van zijn zweren voelt maar deze schat bleef inwendig intact. Uitwendig toch kreunde hij om zijn wonden, maar de schat van zijn wijsheid, die innerlijk ononderbroken groeide, kwam naar buiten door woorden van heilige onderrichting, toen hij sprak: Als wij het goede uit Gods handen hebben ontvangen, waarom dan niet het kwade ondergaan? Het goede, namelijk Gods tijdelijke en eeuwige gaven; terwijl het kwade genoemd wordt: de kwelling van het ogenblik, waarover de Heer door zijn Profeet zegt: Ik ben de Heer en er is geen ander. Ik vormde het licht en heb het duister geschapen, de vrede verwekt en het onheil gesticht.

Ik vormde het licht en heb het duister geschapen, omdat wanneer er door uitwendige slagen duisternissen van smart worden geschapen, er inwendig door het onderricht een licht in de geest wordt ontstoken. De vrede verwekkend en het onheil stichtend, omdat ons dan de vrede met God wordt geschonken wanneer datgene wat goed geschapen werd maar ongeregeld begeerd, in rampen verandert, die alleen maar een kwaad voor ons zijn. Immers, door schuld keren wij ons af van God. Het is dus passend dat wij door lijden weer terugkeren naar de vrede met Hem: opdat wanneer iets dat in zichzelf goed was voor ons in smart verkeert de geest van de bedrijver van dat kwaad bij zijn inkeer op nederige wijze weer tot vrede met de Schepper wordt gebracht.

Maar dit vooral moeten we goed bezien in de woorden van Job, tegen de redeneringen in van zijn vrouw, namelijk met welk een mooie beschouwing hij weer moed wat, als hij zegt: Als wij het goede uit Gods handen hebben ontvangen, waarom dan niet het kwade ondergaan? Het is zeker een grote troost in onze kwellingen als wij in ons lijden de goede gaven van de Heer in onze herinnering terugroepen en de smart die op onze weg komt, breekt ons niet als wij dadelijk het goede dat, dat ons verheft, voor de geest roepen. Want vandaar is er geschreven:  Vergeet niet het geluk op de dag van het geluk, en op de dag van ongelijk vergeet dan niet uw vroeger geluk.
Want al wie gaven ontvangt, maar ten tijde van die geschenken ook geen vrees heeft voor tegenslagen, gaat in zijn trots door zijn vreugde ten gronde. Wie echter door lijden wordt bezocht, maar zich in die tijd niet troost met de gaven, die hem tevoren ten deel viel wordt in die geestes gesteltenis door zijn volkomen wanhoop gebroken.

Zo moet men dus beide gezichtspunten met elkaar verenigen, zodat het ene steeds door het andere wordt ondersteund; in zover de herinnering aan de voorspoed de pijn van de beproeving vermindert en het vermoeden en de vrees voor het lijden aan de vreugde van de voorspoed knaagt. De heilige man Job dan ook wil zijn bedrukte geest te midden van zijn wonden wat opbeuren en daarom overdenkt hij onder zijn smartelijk lijden zijn vroegere genoegelijke gaven, als hij zegt: Als wij het goede uit Gods handen hebben ontvangen, waarom dan niet het kwade ondergaan?

zaterdag 26 februari 2022

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada 8 per annum Dominica Si bona accepimus de manu Domini, mala quare non sustineamus? An upright and honest man who feared God and shunned evil.


Lectio altera
E Morálium libris sancti Gregórii Magni papæ in Iob (Lib. 3, 15-16: PL 75, 606-608)
Second Reading
The Moral Reflections on Job by Pope St Gregory the Great
An upright and honest man who feared God and shunned evil.
Some people are so simple that they do not know what uprightness is. Theirs is not the true simplicity of the innocent: they are as far from that as they are far from rising to the virtue of uprightness. As long as they do not know how to guard their steps by walking in uprightness, they can never remain innocent merely by walking in simplicity. This is why St Paul warns his disciples I hope that you are also wise in what is good, and innocent of what is bad but also Brothers, you are not to be childish in your outlook, though you can be babies as far as wickedness is concerned. Thus Christ our Truth enjoins his disciples with the words Be cunning as serpents and yet as harmless as doves. In giving them this admonition, he had to join the two together, so that both the simplicity of the dove might be instructed by the craftiness of the serpent, and the craftiness of the serpent might be attempered by the simplicity of the dove.
  That is why the Holy Spirit has manifested his presence to mankind, not only in the form of a dove but also in the form of fire. For by the dove simplicity is indicated, and by fire, zeal. So he is manifested in a dove and in fire, because those who are full of the Spirit have the mildness of simplicity, but catch fire with zeal of uprightness against the offences of sinners.
  An upright and honest man who feared God and shunned evil. Undoubtedly whoever longs for the eternal country lives sincerely and uprightly: perfect in practice, and right in faith, sincere in the good that he does in this lower state, right in the high truths which he minds in his inner self. For there are some who are not sincere in the good actions that they do, looking not to be rewarded within themselves but to win favour from others. Hence it is well said by a certain wise man, Woe to the sinner who follows two ways. A sinner goes two ways when an action he performs belongs to God but what he aims at in his thought belongs to the world.
  It is well said, who feared God and shunned evil, for the holy Church of the elect starts on the path of simplicity and of uprightness from fear but completes that path in charity. When, from the love of God, she feels an unwillingness to sin, then she may shun evil. But when she is still doing good deeds from fear then she is not entirely shunning evil: the fact is that she would have sinned if she could have sinned without being punished.
  So then: when Job is said to have feared God, it is rightly related that he also shunned evil. Fear comes first and charity follows later; and when that has happened, the offence which is left behind in the mind is trodden underfoot by the desires of the heart.

zaterdag 29 mei 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada 8 per annum sabbato Iob Christi imaginem præferebat Job gaf ons een beeld te zien van Christus



Lectio altera

Ex Tractátibus sancti Zenónis Veronénsis epíscopi
(Tract. 15, 2: PL 11, 441-443)


Tweede lezing

Uit de Verhandelingen van de H. Zeno, bisschop van Verona
(Tract. 15, 2: PL 11, 441-443)

Job gaf ons een beeld te zien van Christus

Voor zover het begrepen kan worden, zeer beminde broeders, gaf ons Job een beeld van Christus te zien. Tenslotte tekent een vergelijking voor ons de waarheid. Job werd door God rechtvaardig genoemd, Christus nu is de rechtvaardigheid zelf, uit Wiens bron allen die zalig zijn, drinken; want zie, van Hem wordt gezegd: De Zon der gerechtigheid zal voor u opgaan. Job wordt waarachtig genoemd. Maar het is de Heer, de echte Waarheid, die in het Evangelie zegt: Ik ben de Weg, de Waarheid.
Job was rijk. Maar wie is rijker dan de Heer? Van Wie alle rijken dienaren zijn, aan Wie heel de aarde en heel de natuur toebehoren, zoals de allerzaligste David zegt: Aan de Heer behoort de aarde en haar volheid, het aardrijk en allen die erop wonen. De duivel beproefde Job driemaal. Eveneens heeft de duivel, zoals de Evangelist ons zegt, tot driemaal toe getracht de Heer te beproeven. Job verloor de bezittingen, die hij had. Ook de Heer verliet zijn hemelse goederen uit liefde tot ons en maakte zich arm om ons rijk te maken. De duivel doodde in zijn woede de zonen van Job. Ook het dwaze volk van de Farizeeën doodde de zonen van de Heer, de profeten. Job werd met zweren overdekt. Toen de Heer het vlees aannam, verloor Hij ook zijn glans door het vuil van de zonden van heel het menselijk geslacht.

Jobs vrouw spoort hem aan tot zondigen. Ook de synagoge dringt er bij de Heer op aan om het bederf van de ouderlingen te volgen. Er wordt in de Schrift gezegd dat Jobs vrienden hem hebben gesmaad. Ook de Heer werd door zijn priesters, zijn vereerders, versmaad. Job is op de mesthoop vol wormen gezeten. Ook de Heer verbleef op die ware mesthoop, dit is in de modderpoel van deze wereld, tussen mensen, die door hun misdaden en boze begeerten als echte wormen uit die poel kropen.

Job kreeg zowel zijn gezondheid als zijn rijkdommen terug. De Heer nu schonk door zijn Verrijzenis aan zijn getrouwen niet alleen de gezondheid, maar ook de onsterfelijkheid, en kreeg weer de heerschappij terug over heel de natuur, zoals Hij zelf getuigt: Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven. Job bracht zonen voort als zijn opvolgers. Ook de Heer verwekte, na de profeten, de heilige Apostelen als zijn zonen. De gelukzalige Job ging in vrede zijn rust binnen. En de Heer blijft gezegend voor eeuwig, vóór de eeuwen en na de eeuwen en in de eeuwen der eeuwen.

donderdag 27 mei 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada 8 per annum feria VI Testis interiorDe inwendige Getuige





Lectio altera
E Morálium libris sancti Gregórii Magni papæ in Iob
(Lib. 10, 47-48: PL 75, 946-947)
Tweede lezing

Uit de ‘Moralia’ op het Boek Job van de H. Gregorius de Grote, paus
(Lib. 10, 47-48: PL 75, 946-947)
De inwendige Getuige

Wie door zijn vriend wordt bespot, zoals ik, hij moet God aanroepen en Deze zal hem verhoren. Dikwijls, als een zieke geest om zijn goede daden een zuchtje ontvangt van mensengunst, laat hij zich tot uitwendige vreugde verleiden, zodat hij verwaarloost, wat hij inwendig zoekt, maar zich graag vermeit in wat hij uitwendig hoort, zodat hij blij is niet zozeer om gelukzalig te worden, maar om zo genoemd te worden. En daar hij vurig verlangt  naar woorden van loif, heeft hij verlaten wat hij begon te zijn. Dus daar waar hij in God geprezen scheen te moeten worden, wordt hij van God verwijderd.

 Soms echter legt de geest zich met volharding toe op het goede, en wordt hij toch door spot van de mensen geplaagd; hij handelt bewonderenswaardig maar ontvangt smaad. Hij die op grond van ontvangen lof naar uiten kon optreden, werd smadelijk afgewezen en keert tot zichzelf terug; en naarmate hij buiten zich geen rust vindt, verbindt hij zich inwendig des te vaster aan God. Want alle hoop moet men in de Schepper stellen en temidden van bespotting en smaad moet men Hem alleen aanroepen als de inwendige Getuige; want de geest van de bedroefde mens komt God zo nabij, dat hij vreemd staat tegenover mensengunst; hij verdiept zich terstond in gebed, en naarmate hij van buiten wordt benauwd, wordt hij des te meer gelouterd om in het inwendige door te dringen.

Daarom wordt er terecht gezegd: Wie door zijn vriend wordt bespot, zoals ik, hij moet God
aanroepen en Deze zal hem verhoren, want als de bozen de geest kwellen van de goeden, tonen zij Wie zij vragen als Getuige van hun daden. Als immers de gekwelde ziel zich in gebed begeeft vindt ze daar in  zich de verhoring van boven, waar zij zich verwijdert van menselijke lof buiten zich.
Opmerkelijk is het, hoe voorzichtig er tussen is gevoegd: zoals ik, want er zijn er sommigen die door menselijke spot worden terneer gedrukt, maar toch niet verstaanbaar zijn voor goddelijke oren. Want als er gespot wordt tegen de schuld,  is er ook geen verdienste van deugd gelegen in het bespot worden.

Want de eenvoud van de rechtvaardige wordt bespot. De wijsheid van deze wereld is: zijn hart verbergen door kuiperijen, de zin van zijn woorden omhullen wat vals is als waar doen schijnen en wat waar i als vals voorstellen.
Daarentegen is de wijsheid van de rechtvaardige:  niets door uiterlijk vertoon fingeren, zijn bedoelingen door zijn woorden doen kennen, het ware als zodanig beminnen, het valse vermijden, maar het goede eenvoudig doen uitkomen, liever kwaad verdragen dan bedrijven, geen wraak zoeken tegen onrecht, voor de waarheid smaad beschouwen als gewin. Maar deze eenvoud van de rechtvaardige wordt bespot, omdat door de wijzen van deze wereld de deugd van de zuiverheid voor onnozelheid wordt aangezien. Want alles, wat op een eenvoudige en eerlijke wijze wordt gedaan, wordt door deze mensen zonder meer als dwaasheid beschouwd, en al wat de waarheid in het doen goedkeurt, klinkt voor de vleselijke wijsheid als dwaas.

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada VIII per annum feria IV Tota spes mea in magna misericordia tua posita est Geheel mijn hoop is gelegen en uw grote barmhartigheid



Lectio altera 

Ex Confessiónum libris sancti Augustíni epíscopi
(Lib. 10, 26. 37 — 29. 40: CCL 27, 174-176)

Tota spes mea in magna misericordia tua posita est

Ubi te invéni ut díscerem te? Neque enim iam eras in memória mea, priúsquam te díscerem. Ubi ergo te invéni, ut díscerem te, nisi in te supra me? Et nusquam locus, et recédimus et accédimus, et nusquam locus. Véritas, ubíque præsides ómnibus consuléntibus te simúlque respóndes ómnibus étiam divérsa consuléntibus.
Líquide tu respóndes, sed non líquide omnes áudiunt. Omnes unde volunt cónsulunt, sed non semper quod volunt áudiunt. Optimus miníster tuus est, qui non magis intuétur hoc a te audíre quod ipse volúerit, sed pótius hoc velle quod a te audíerit.
Sero te amávi, pulchritúdo tam antíqua et tam nova, sero te amávi! Et ecce intus eras et ego foris et ibi te quærébam et in ista formósa quæ fecísti, defórmis irruébam. Mecum eras, et tecum non eram. Ea me tenébant longe a te, quæ si in te non essent, non essent. Vocásti et clamásti et rupísti surditátem meam, coruscásti, splenduísti et fugásti cæcitátem meam, flagrásti, et duxi spíritum et anhélo tibi, gustávi et esúrio et sítio tetigísti me, et exársi in pacem tuam.
Cum inhæsero tibi ex omni me, nusquam erit mihi dolor et labor, et viva erit vita mea tota plena te. Nunc autem quóniam quem tu imples, súblevas eum, quóniam tui plenus non sum, óneri mihi sum. Conténdunt lætítiæ meæ flendæ cum lætándis mæróribus, et ex qua parte stet victória néscio. Conténdunt mæróres mei mali cum gáudiis bonis, et ex qua parte stet victória néscio. Ei mihi! Dómine, miserére mei! Ei mihi! Ecce vúlnera mea non abscóndo: médicus es, æger sum; miséricors es, miser sum.
Numquid non tentátio est vita humána super terram? Quis velit moléstias et difficultátes? Tolerári iubes eas, non amári. Nemo quod tólerat amat, etsi toleráre amat. Quamvis enim gáudeat se toleráre, mavult tamen non esse quod tóleret. Próspera in advérsis desídero, advérsa in prósperis tímeo. Quis inter hæc médius locus, ubi non sit humána vita tentátio? Væ prosperitátibus sæculi semel et íterum a timóre adversitátis et a corruptióne lætítiæ! Væ adversitátibus sæculi semel et íterum et tértio a desidério prosperitátis et quia ipsa advérsitas dura est, et ne frangat tolerántiam! Numquid non tentátio est vita humána super terram sine ullo interstítio?
Et tota spes mea non nisi in magna valde misericórdia tua.


Uit de ‘Belijdenissen’ van de H. Augustinus, bisschop
(Lib. 10, 26. 37 — 29. 40: CCL 27, 174-176)
Geheel mijn hoop is gelegen en uw grote barmhartigheid
Waar heb ik U gevonden dat ik U leerde kennen? Want niet eerder waart Gij in mijn geheugen voordat ik U leerde kennen. Waar anders heb ik U gevonden dat ik U leerde kennen, dan in U boven mij? En het is geen kwestie van plaats, als wij ons van U verwijderen of tot U naderen, neen, het is geen kwestie van plaats. Gij zijt, o Waarheid, overal aanwezig voor allen, die U raadplegen, en Gij antwoordt tegelijk aan allen, die U over verschillende dingen raadplegen.
Gij antwoordt duidelijk, maar niet allen horen duidelijk. Allen raadplegen U over hetgeen zij willen, maar niet altijd horen zij, wat zij willen horen. Uw beste dienaar is hij, die er niet zozeer op uit is van U te horen wat hijzelf wil, maar om te willen wat hij van U te hoiren krijgt.
Te laat heb ik U leren beminnen, o Schoonheid, zo oud en toch zo nieuw, te laat heb ik U bemind! En zie, Gij waart in mij en ik was buiten en daar zocht ik U; en ik, misvormde, stortte mij op die schone dingen die gij gemaakt hebt. Gij waart bij mij, maar ik was niet bij U. En juist die dingen hielden mij verre van U, die niet zouden bestaan als ze niet waren in U. Gij hebt mij uitgenodigd en geroepen en mijn doofheid verbroken. Gij hebt geglansd, geschitterd en mijn blindheid verdreven. Gij hebt welriekende geur verspreid en ik heb die ingeademd en hijg nu naar U. Ik heb geproefd en nu honger en dorst ik naar U. Gij hebt mij aangeraakt en ik brand van verlangen naar uw vrede.
Wanneer ik U zal aanhangen met heel mijn wezen, zal er voor mij nergens smart en moeite meer zijn, en zal mijn leven levend zijn, geheel vervuld van U. Maar nu Gij hem steunt, die gij wilt vullen en ik nog niet van U ben vervuld, ben ik mijzelf tot last. Mijn blijdschap, waarover ik moest wenen, strijdt in mij met mijn droefheid waarover ik mij moest verblijden; en ik weet niet, aan welke kant de overwinning staat.
Wee mij! Heer, ontferm U over mij. Mijn slechte droefheid strijdt met mijn goede vreugde; en ik weet niet aan welke kant de overwinning staat. Wee mij! Heer, ontferm U over mij. Wee mij! Zie, ik verberg mijn wonden niet. Gij zijt de Geneesheer, ik de zieke; Gij zijt barmhartig, ik ellendig.
Is dan niet het leven van e mens een beproeving op aarde? Wie zou er lasten en moeilijkheden willen? Gij beveelt wel dat men ze moet verdragen, maar niet dat men ze moet beminnen. Niemand bemint wat hij verdraagt, ook al bemint hij het verdragen. Want hoewel hij er zich in verheugt, dat hij verdraagt, zou hij toch liever willen, dat hij niets te verdragen had. In tegenspoed verlang ik naar voorspoed en bij voorspoed vrees ik tegenspoed.  Welke ruimte ligt daar tussen, waar het menselijk leven geen beproeving is? Wee de voorspoed in de wereld, eenmaal en andermaal wee, wegens de vrees voor tegenspoed en het bederven van de vreugde! Wee de tegenspoed in deze wereld, eenmaal en nogmaals en voor de derde maal, om het verlangen naar voorspoed en omdat de tegenspoed zelf hard is, en omdat het geduld dreigt te bezwijken! Is dan niet het leven van de mens een beproeving op aarde, zonder enige onderbreking?

Daarom is mijn enige hoop uw grote barmhartigheid.