Posts tonen met het label hebdomada I per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hebdomada I per annum. Alle posts tonen

vrijdag 14 januari 2022

Lectio divina linqua latina Liturgia Horarum Sabbato Hebdomadæ I per annum Per fidem Deus ab initio omnes iustificavit. God heeft in het begin allen door het geloof gerechtvaardigd


 Ad Officium lectionis

Lectio altera
Ex Epístola sancti Cleméntis papæ Primi ad Corínthios
(Nn. 31-33: Funk 1, 99-103)
Per fidem Deus ab initio omnes iustificavit
Benedictióni Dei fírmiter adhæreámus et quænam sint benedictiónis viæ, videámus. Animo repetámus quæ ab inítio facta sunt. Cuius grátia Abraham pater noster benedíctus fuit? Nonne, quia iustítiam et veritátem per fidem operátus est? Isaac cum confidéntia, futúrum cognóscens, libénter oblátus est sacrifícium. Iacob in humilitáte ob fratrem secéssit e terra sua et proféctus est ad Laban et servívit; et data sunt ei duódecim sceptra Israel.
Quod si quis ánimo sincéro singulátim perpénderit, donórum, quæ ab eo tribúta sunt, magnificéntiam intélleget. Ab illo enim orti sunt sacerdótes omnes et levítæ, qui altári Dei insérviunt; ab illo Dóminus Iesus secúndum carnem; ab illo reges, príncipes et duces per famíliam Iudæ. Nec réliquæ eius tribus in parvo honóre sunt, promitténte scílicet Dómino: Erit semen tuum tamquam stellæ cæli. Ii ergo omnes glóriam et amplitúdinem consecúti sunt, non per seípsos aut ópera sua aut iustas actiónes, quas fecérunt, sed per voluntátem eius. Et nos ígitur, ex voluntáte eius in Christo Iesu vocáti, non per nosípsos iustificámur neque per sapiéntiam nostram aut intellegéntiam aut pietátem aut ópera, quæ in cordis sanctitáte operáti sumus, sed per fidem, per quam omnípotens Deus ab inítio omnes iustificávit; cui sit glória in sæcula sæculórum. Amen.
Quid ígitur faciémus, fratres? Cessábimus a bonis opéribus et caritátem derelinquémus? Neútiquam hoc apud nos fíeri permíttat Dóminus, sed cum diligéntia et ánimi alacritáte omne opus bonum perágere festinémus. Ipse enim ópifex et Dóminus ómnium in opéribus suis exsúltat. Cælos enim supréma sua et máxima poténtia stabilívit illósque incomprehensíbili sua sapiéntia ornávit; terram étiam ab aqua, quæ illam ambit, separávit et super immóbile própriæ voluntátis fundaméntum firmávit; et animália, quæ in illa versántur, iussu suo præcépit esse; mare étiam et, quæ in illo vivunt, animália, cum prius parásset, poténtia sua inclúsit.
Ad hæc ómnia ánimal excellentíssimum et intelléctus dignitáte celsíssimum, hóminem, imáginis suæ charactérem, sacris et intaminátis mánibus formávit. Sic enim dicit Deus: Faciámus hóminem ad imáginem et similitúdinem nostram; et creávit Deus hóminem, másculum et féminam creávit eos. Hæc ígitur ómnia cum perfecísset, laudávit ea et benedíxit dixítque: Créscite et multiplicámini. Videámus iustos omnes bonis opéribus ornátos fuísse, ipsum étiam Dóminum opéribus se ornántem gavísum esse. Habéntes ígitur hoc exémplar, ad voluntátem eius ímpigre accedámus, totis nostris víribus opus iustítiæ operémur.
Tweede lezing
Uit de brief aan de Korinthiërs van de H. Clemens I, paus
God heeft in het begin allen door het geloof gerechtvaardigd
Laten wij innig vasthouden aan Gods zegen en eens nagaan wat de wegen naar de zegen zijn. Laten wij bij onszelf eens overdenken, wat er in den beginne is geschied. Waardoor werd onze vader Abraham gezegend? Was dit niet, omdat hij door zijn geloof de gerechtigheid en de Waarheid heeft betracht? Vol vertrouwen liet Isaac, die de toekomst kende, zich gaarne als offer opdragen. In nederigheid om zijn broeder week Jacob uit zijn land en vertrok naar Laban, om deze te dienen, en aan hem werden de twaalf scepters van Israël gegeven.
Als iemand dit oprecht een voor een overdenkt, zal hij de heerlijkheid van de gaven begrijpen, die door Hem geschonken zijn. Uit Abraham toch zijn alle priesters en levieten, die Gods altaar bedienen, voortgekomen; van hem kwam de Heer Jezus naar het vlees voort; van hem ook de koningen, vorsten en leiders, door de familie van Juda. En de andere stammen staan namelijk volgens de belofte van de Heer in een niet geringe eer; Uw zaad zal zijn als de sterren aan de hemel. Zij allen dus verwierven roem en grootheid niet om henzelf of hun werken of daden van gerechtigheid, maar door zijn Wil. Ook wij derhalve, door zijn Wil geroepen in Christus Jezus, worden niet gerechtvaardigd om onszelf noch om onze wijsheid of ons verstand of onze godsvrucht of onze werken, die wij in de heiligheid van ons hart hebben verricht, maar door het geloof, waardoor de almachtige God vanaf het begin allen heeft gerechtvaardigd; aan Wie de glorie in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Wat zullen wij dan doen, broeders? Zullen wij ophouden met onze goede werken en de liefde verlaten? De Heer verhoede dat dit ooit bij ons geschiedt, maar laten wij ons met ijver en vurigheid op alle goede werken toeleggen. Want de Bewerker zelf en de Heer van alles verheugt zich in zijn werken. Want door zijn verhevenste en grootste macht heeft Hij de hemelen gegrondvest en ze met zijn onbegrijpelijke wijsheid gesierd. Ook heeft Hij aarde gescheiden van water dat haar omringt, en ze gegrondvest op het onbeweeglijk fundament van zijn eigen Wil. En de dieren, die er erop leven, heeft Hij door zijn bevel het bestaan gegeven, de zee ook en de dieren die erin leven heeft Hij eerst geschapen en ze daarna door zijn macht omsloten.
Bij dit alles vormde Hij met zijn heilige en reine handen het verhevenste levende wezen, door de waardigheid van zijn verstand boven alles bestaande namelijk de mens, afdruk van Zijn beeld. Zo immers zegt God: Laten wij de mens maken als ons beeld, op ons gelijkend; en God schiep de mens, man en vrouw schiep Hij hen. Toen Hij dan alles voltooid had, prees Hij het en zegenend sprak Hij: Groeit aan en vermenigvuldigt u. Laten we hier zien, dat alle rechtvaardigen door hun goede werken gesierd zijn en dat ook de Heer zelf zich verheugt, nu Hij zich met zijn werken heeft getooid. Met dit voorbeeld voor ogen moeten we ons met ijver richten naar zijn Wil en uit al onze krachten ons wijden aan het werk van de gerechtigheid.




donderdag 13 januari 2022

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Feria VI Hebdomadæ I per annum Ad Officium lectionis Omnia vere divinum concentum per Verbum componunt. Door het Woord wordt alles samengebracht tot één goddelijke harmonie.



Lectio altera
Ex Oratióne sancti Athanásii epíscopi Contra gentes
(Nn. 42-43: PG 25, 83-87)

Omnia vere divinum concentum per Verbum componunt

Nihil est rerum ómnium quæ sunt et fiunt, quod non in ipso et per ipsum factum sit et consístat, uti étiam vir theólogus his verbis docet: In princípio erat Verbum, et Verbum erat apud Deum, et Deus erat Verbum. Omnia per ipsum facta sunt, et sine ipso factum est nihil.

Quemádmodum enim músicus lyra ad concéntum accommodáta, gravibúsque cum acútis et médiis cum áliis arte temperátis unum éfficit concéntum; ita quoque Dei Sapiéntia univérsum mundum véluti lyram tenens, resque aérias cum terrénis et cæléstes cum aériis coniúngens, omniáque cum síngulis conéctens, et suo nutu ac voluntáte circumdúcens, unum mundum unúmque mundi órdinem pulchre et concínne ádmodum éfficit ipsúmque ínterim Dei Verbum apud Patrem manet immóbile, dum ómnia, prout Patri visum fúerit, suæ natúræ constántia movet. Omnia dénique pro sua natúra illo dante vivunt et consístunt admirabilémque ac vere divínum concéntum per ipsum compónunt.

Ut vero res tanta, imágine áliqua intéllegi possit, age: numerósi alicúius chori exémplum adducámus. Itaque quemádmodum in choro ex váriis homínibus, púeris, muliéribus, sénibus et adulescéntibus compósito, uno præside moderánte, sínguli pro sua natúra et facultáte cantant, vir ut vir, puer ut puer, senex ut senex, aduléscens ut aduléscens, omnes tamen unum concéntum effíciunt, vel quemádmodum nostra ánima eódem témpore nostros sensus pro cuiúsque efficacitáte movet, ádeo ut præsénte re áliqua omnes simul moveántur oculúsque vídeat, auris áudiat, manus tangat, odorátus olfáciat, gustet gustátus aliáque córporis membra sæpe étiam agant, verbi grátia, pedes ámbulent; ita profécto rem quoque se habére in univérsa rerum natúra, licet ténue ádmodum sit exémplum, altióre tamen intellegéntia est percipiéndum.

Nimírum uno ictu Dei Verbi nutus, ómnia simul administrántur, ádeo ut, quæ rerum singulárum própria sunt, ea a síngulis fiant et ab ómnibus simul unus ordo perficiátur.

Second Reading
From a Discourse Against the Pagans by Saint Athanasius, bishop
The Word creates a divine harmony in creation
In the beginning was the Word, and the Word was with God, and the Word was God. All things were made through him, and without him nothing was made. In these words John the theologian teaches that nothing exists or remains in being except in and through the Word.
  Think of a musician tuning his lyre. By his skill he adjusts high notes to low and intermediate notes to the rest, and produces a series of harmonies. So too the wisdom of God holds the world like a lyre and joins things in the air to those on earth, and things in heaven to those in the air, and brings each part into harmony with the whole. By his decree and will he regulates them all to produce the beauty and harmony of a single, well-ordered universe. While remaining unchanged with his Father, he moves all creation by his unchanging nature, according to the Father’s will. To everything he gives existence and life in accordance with its nature, and so creates a wonderful and truly divine harmony.
  To illustrate this profound mystery, let us take the example of a choir of many singers. A choir is composed of a variety of men, women and children, of both old and young. Under the direction of one conductor, each sings in the way that is natural for him: men with men’s voices, boys with boys’ voices, old people with old voices, young people with young voices. Yet all of them produce a single harmony. Or consider the example of our soul. It moves our senses according to their several functions so that in the presence of a single object they all act simultaneously: the eye sees, the ear hears, the hand touches, the nose smells, the tongue tastes, and often the other parts of the body act as well as, for example, the feet may walk.
  Although this is only a poor comparison, it gives some idea of how the whole universe is governed. The Word of God has but to give a gesture of command and everything falls into place; each creature performs its own proper function, and all together constitute one single harmonious order.
Tweede lezing
Uit de Verhandelingen ‘Tegen de heidenen’, van de H. Athanasius bisschop

Door het Woord wordt alles samengebracht tot één goddelijke harmonie

Er is niets van alles, wat is of wordt, dat niet in Hem en door Hem geschapen is en bestaat, zoals ook de Theoloog [H. Johannes, Apostel] het met deze woorden leert: In het begin was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Alles is door Hem geworden en zonder Hem is er niets geworden.
Want zoals een musicus die zijn lier gestemd heeft, de lage met de hoge tonen kunstig met middentonen vermengt en zo een harmonie van klanken voortbrengt, zo ook houdt de wijsheid Gods het heelal als een lier in zijn hand, verbindt wat in de lucht is met het aardse en het hemelse met wat in de lucht is, en maakt van alle zaken samen één geheel, terwijl Hij alles regelt naar zijn wenk en wil. Aldus schept Hij één wereld en één schone en harmonieuze wereldorde, terwijl toch het Woord Gods onbeweeglijk bij de Vader blijft, en alles naar het plan van de Vader, door de onveranderlijkheid van Zijn natuur beweegt. Door zijn gave tenslotte leeft en bestaat alles naar ieders natuur en vormt samen dóór Hem een bewonderenswaardige en waarlijk goddelijke harmonie.
Om nu iets van zo groot belang enigszins door een beeld te begrijpen, welaan, laten wij dan eens het voorbeeld nemen van een talrijk koor. Zoals dan bij een koor, dat uit allerlei mensen, kinderen, vrouwen, ouden en jongeren bestaat, altijd één dirigent is, en een ieder zingt naar zijn natuur en talent, een man als een man, een jongen als een jongen, een oude als een oude, een jong mens als een jong mens, vormen zij toch alleen één harmonie. Ofwel, zoals een ziel tegelijkertijd onze zintuigen beweegt naar ieders werkdadigheid, zodat in de tegenwoordigheid van een bepaald iets alle zintuigen tegelijk in werking worden gezet, en het oog ziet, het oor hoort, de hand tast, het reukorgaan ruikt, de smaak proeft, en dikwijls nog andere lichaamsdelen in werking zijn, zoals bijvoorbeeld de voeten, die lopen. Zo staat het inderdaad ook in het geheel van de natuur der dingen; al is hier dan het voorbeeld zeer zwak, toch kan iemand met een goed verstand het begrijpen.
Door ook maar een enkele wenk van het goddelijk Woord wordt alles tegelijk bestuurd, en wel zó dat wat aan elke zaak eigen is, dat ook door ieder apart wordt uitgeoefend en door alle samen één ordelijk geheel tot stand komt.

woensdag 12 januari 2022

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Feria IV Hebdomadæ I per annum Ad Officium lectionis Agnitio Patris est Filii manifestatio. Het kennen van de Vader ligt in de openbaring van de Zoon



Lectio altera
Ex Tractátu sancti Irenæi epíscopi Advérsus hæreses
(Lib. 4, 6, 3. 5. 6. 7: SCh 100, 442. 446. 448-454)
Tweede lezing
Uit het Tractaat ‘Tegen de ketters’ van de H. Irenæus, bisschop
Het kennen van de Vader ligt in de openbaring van de Zoon
Niemand kan de Vader kennen zonder het Woord Gods, d.i. als e Zoon Hem niet openbaart; noch kan men de Zoon kennen zonder de welwillendheid van de Vader. Maar die welwillendheid bewerkt de Zoon: want de Vader zendt, en de Zoon wordt gezonden en komt. De Vader nu, die onzichtbaar is, en niet onder termen te vatten voor zover het van ons afhangt, wordt gekend door zijn eigen Woord, en hoewel de Vader onverklaarbaar is, verklaart het Woord ons Hem; van de andere kant kent de Vader alleen zijn Zoon; dat dit beide zo is, heeft de Heer ons geopenbaard. En daarom schenkt de Zoon ons door middel van zijn openbaring het kennen van de Vader. Want het kennen van de Vader ligt in de openbaring van de Zoon: want álles wordt door de Zoon geopenbaard.
En dáárom heeft de Vader zijn Zoon geopenbaard om door Hem aan ons allen bekend te worden, en al degenen, die in de Zoon geloven, terecht in de onvergankelijke en eeuwige verkwikking op te nemen (want in Hem geloven betekent: zijn Wil volbrengen).
Door de schepping zelf toch openbaart het Woord God als Schepper, en door de wereld de Heer als Schepper van de wereld, en door het schepsel de kunstenaar die schiep, en door de Zoon Hem als Vader, die de Zoon voortbracht. Allen bespreken dit wel op gelijke wijze, maar niet allen geloven op dezelfde wijze. Door de Wet en de Profeten nu heeft het Woord op gelijke wijze Zichzelf en de Vader gepredikt; en heel het volk heeft het op gelijke wijze gehoord, maar niet hebben allen op gelijke wijze geloofd. En door het Woord zelf, dat zichtbaar en tastbaar werd, toonde zich de Vader, hoewel niet allen op dezelfde wijze geloofden:  toch zagen allen de Vader in de Zoon: want het onzichtbare van de Zoon is de Vader, maar het zichtbare van de Vader is de Zoon.

De Zoon nu bestuurt en volbrengt alles voor zijn Vader van het begin tot het einde, en zonder de Zoon kan niemand God kennen. Het kennen van de Vader is e Zoon, het kennen van de Zoon is in de Vader en door de Zoon geopenbaard; en daarom zei de Heer: Niemand kent de Zoon, tenzij de Vader; en niemand kent de Vader tenzij de Zoon en aan wie de Zoon Hem heeft geopenbaard. ‘Heeft geopenbaard’, wat dus niet alleen voor de toekomst was bedoeld,  alsof toen pas het Woord de Vader begon te openbaren, toen Hij uit Maria geboren was; maar het geldt in het algemeen voor alle tijden. Want van de oorsprong af staat de Zoon zijn schepsel bij en openbaar aan allen de Vader, aan wie de Vader wil, wanneeer Deze wil en zoals Deze wil. En daarom is in alles en bij alles één God de Vader, één Woord, de Zoon, één Geest, en één heil voor allen, die in Hem geloven.

maandag 10 januari 2022

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Feria III Hebdomadæ I per annum Ad Officium lectionis Insitam possidemus diligendi vim Wij bezitten de innerlijke kracht om te beminnen

Lectio altera
E Régulis fúsius tractátis sancti Basilíi Magni epíscopi
(Resp. 2, 1: PG 31, 908-910)
Tweede lezing
Uit het Commentaar op de Regels, van de H. Basilius de grote, bisschop
Wij bezitten de innerlijke kracht om te beminnen
De liefde tot God is zeker niet gelegen in de geboden van de leert. Wij hebben toch ook niet van een ander geleerd te genieten van het licht, of het leven te verlangen of onze ouders of opvoeders te beminnen. Zo dan ook,  en wel des te meer, is de liefde tot God niet gelegen in een uitwendige leefwijze, maar tegelijk met het ontstaan van dat dierlijk wezen (ik bedoel de mens) werd ons een zekere redelijke kracht als een zaad ingestort, die in zich het vermogen en de noodzaak bevat om te beminnen. Waar men in de school van de goddelijke geboden deze kracht opvangt, tracht men haar ijverig te ontwikkelen, kundig te voeden en met Gods hulp tot volmaaktheid te brengen.
Daarom zijn ook wij het ermee eens, dat uw streven noodzakelijk is om het doel te bereiken en zullen wij trachten met Gods hulp en met die van uw eigen gebeden de vonk van de goddelijke liefde, die in u verborgen is, naar het vermogen, dat de Heilige Geest ons geeft, te doen opvlammen.
Laten we beginnen met te zeggen, dat wij de kracht en het vermogen om alle geboden die ons door God zijn gegeven, te onderhouden van Hemzelf van te voren hebben ontvangen. Zodat wij niet te klagen hebben alsof er iets ongewoons van ons geëist wordt, noch dat wij geroemd zouden worden, alsof wij iets meer zouden teruggeven dan wat ons gegeven is. En als wij die vermogens op een goede manier geschikt gebruiken, zullen wij ons leven met deugden versierd godvruchtig leiden. Maar als wij een slecht gebruik van die vermogens maken, zullen wij in ondeugd vervallen.
De definitie van ondeugd is deze: een slecht gebruik van vermogens, die ons door God gegeven zijn om het goede te doen, welk gebruik in strijd is met de geboden van de Heer. Zoals daarentegen de definitie van deugd, door God verlangd, deze is: een uit een goed geweten voortkomend gebruik van diezelfde vermogens volgens het gebod van de Heer.
Daar dit zo is, kunnen we hetzelfde zeggen over de liefde. Omdat wij immers het gebod ontvangen hebben om God te beminnen, hebben wij direct bij het begin van ons zijn de innerlijke kracht en het vermogen ontvangen om te beminnen. Hiervoor wordt verder geen bewijs gevraagd van uitwendige argumenten, maar ieder kan dit uit zichzelf te weten komen. Immers, wij verlangen van nature goede en mooie zaken, hoewel voor de een dit, voor de ander dat als mooi en goed wordt beschouwd. Eveneens beminnen wij hem,  met wie wij uit noodzaak of door verwantschap verbonden zijn, ofschoon wij dit niet geleerd hebben, en weldoeners bejegenen wij spontaan met onze welwillendheid.
Maar, zo vraag ik, is er wel iets bewonderenswaardigers dan de goddelijke schoonheid? Welke gedachte is aangenamer en welgevalliger dan de heerlijkheid van God? Welk zielsverlangen is zó hevig en onstuimig als dat, wat door God ingeplant wordt in een ziel, die van elke ondeugd gezuiverd is en die met oprechte liefde kan zeggen: Ik ben door liefde gewond? Volkomen onuitsprekelijk en onbeschrijfelijk is de glans van de goddelijke schoonheid.

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Feria II Hebdomadæ I per annum H. Clemens Fons sapientiæ Verbum Dei in excelsis. Het Woord Gods in den hoge is de bron van de wijsheid.




Maandag in de 2e week door het jaar
Ad Officium lectionis

Lectio altera
Ex Epístola sancti Cleméntis papæ Primi ad Corínthios
(Nn. 59, 2 — 60, 4; 61, 3: Funk 1, 135-141)
Fons sapientiæ Verbum Dei in excelsis
Contínuo orántes ac supplicántes precábimur, ut Opifex ómnium rerum númerum electórum suórum constitútum in toto mundo consérvet íntegrum per diléctum púerum Iesum Christum, per quem nos vocávit de ténebris in lucem, de ignorántia in cognitiónem glóriæ nóminis sui; ut sperémus in nómine tuo, princípio omnis creatúræ, ut óculis cordis nostri apértis cognoscámus te solum, altíssimum in altíssimis, sanctus in sanctis quiescéntem; qui humílias arrogántiam superbórum, solvis cogitatiónes géntium, húmiles élevas et excélsos humílias, dívites facis et páuperes, occídis et salvas et vivíficas, solus benefáctor spirítuum et Deus omnis carnis; qui intuéris in abýssos, inspéctor óperum hóminum, periclitántium adiútor, desperántium salvátor, omnis spíritus creátor et epíscopus; qui gentes in terra multíplicas et ex ómnibus éligis eos, qui te díligunt per Iesum Christum Fílium tuum diléctum, per quem nos erudivísti, sanctificásti, honorásti.
Rogámus te, Dómine, ut sis adiútor et auxiliátor noster. Eos nostrum, qui in tribulatióne sunt, líbera, humílium miserére, lapsos éleva, inópibus occúrre, infírmos sana, errántes pópuli tui convérte; nutri esuriéntes, solve captívos nostros, érige imbecílles, consoláre pusillánimes; cognoscúnto te omnes gentes, quod tu es Deus solus et Iesus Christus puer tuus ac nos pópulus tuus et oves páscuæ tuæ.
Tu enim perénnem mundi constitutiónem per efféctus manifestásti; tu, Dómine, orbem terræ fundásti, fidélis in ómnibus generatiónibus, iustus in iudíciis, admirábilis in fortitúdine et magnificéntia, sápiens in condéndo et prudens in creátis stabiliéndis, bonus in iis, quæ vidéntur, et fidélis in eos, qui in te confídunt, benígnus et miséricors; dimítte nobis iniquitátes et iniustítias et peccáta et delícta nostra.
Ne ímputes omne peccátum servórum tuórum et servárum, sed purífica nos in veritáte tua et dírige gressus nostros, ut in pietáte et iustítia et simplicitáte cordis ambulémus et agámus quæ bona et beneplácita sunt coram te ac coram princípibus nostris.
Immo, Dómine, osténde fáciem tuam super nos, ut bonis fruámur in pace, ut tegámur manu tua poténti et ab omni peccáto liberémur brácchio tuo excélso, ac líbera nos ab iis, qui nos odérunt iniúste.
Da concórdiam ac pacem et nobis et ómnibus habitántibus terram, sicut dedísti pátribus nostris, pie te invocántibus in fide et veritáte. Qui solus hæc et plura bona nobíscum ágere potes, tibi confitémur per pontíficem ac patrónum animárum nostrárum Iesum Christum, per quem tibi glória et maiéstas et nunc et in generatiónem generatiónum et in sæcula sæculórum. Amen.

Tweede lezing
Het Woord Gods in den hoge is de bron van de wijsheid

In een voortdurend bidden en smeken zullen wij vragen, dat de Schepper van alles het vastgestelde aantal van zijn uitverkorenen in heel de wereld onverlet moge behoeden door zijn beminde dienaar Jezus Christus, door Wie Hij ons vanuit de duisternissen tot het licht, van de onwetendheid tot de kennis van de glorie van zijn Naam heeft geroepen; opdat wij in uw Naam, die het begin is van alle schepping, zouden vertrouwen, dat wij U alleen leren kennen: de hoogste in de hoge, de Heilige, die in het heilige rust, Gij, die de aanmatiging van de hovaardigen vernedert, die de redeneringen der heidenen teniet doet, die de nederigen verheft en de verhevenen neerhaalt, die de armen rijk maakt, die doodt en redt en levend maakt, Gij, de enige weldoener der geesten en God van alle vlees, Gij, die neerblikt in de afgronden, Gij, die toeziet op de werken der mensen, die helpt in gevaren, die de wanhopigen redt, de Schepper en Opziener van elke geest; Gij die de volken op aarde vermeerdert en uit allen degenen uitkiest, die U beminnen door Jezus Christus uw beminde Zoon, door Wie Gij ons hebt onderricht, geheiligd en geëerd.

Wij bidden U, Heer, dat Gij onze Helper en Beschermer moogt zijn. Bevrijd degenen van ons, die in ellende verkeren. Ontferm U over de geringen, hef de gevallenen op, kom de armen te hulp, genees de zieken, bekeer de dwalenden onder uw volk, voed de hongerigen, bevrijd onze gevangenen, richt de zwakken op, troost de kleinmoedigen. Laat  alle volken  U leren kennen, dat Gij alleen God zijt en Jezus Christus uw Dienaar, dat  wij uw volk en de schapen van uw kudde zijn.

Gij toch hebt de eeuwige vestiging van de wereld door uw werken geopenbaard. Gij, Heer, hebt de aarde gegrondvest, trouw in alle geslachten, rechtvaardig in uw oordelen, bewonderenswaardig in uw kracht en heerlijkheid, wijs in het ordenen en voorzichtig in het bevestigen van het geschapene, goed in wat gezien wordt en trouw aan degenen, die op U vertrouwen, welwillend en barmhartig. Vergeef ons onze ongerechtigheden en onrechtvaardigheden, onze zonden en misslagen.

Wil niet elke zonde van uw dienaren en dienaressen in rekening brengen, maar reinig ons in uw waarheid. Richt onze schreden om in godsvrucht, gerechtigheid en eenvoud des harten te wandelen en te doen wat goed en welgevallig is voor U en onze bestuurders.

Ja, Heer, laat uw Aangezicht over ons schijnen om uw weldaden in vrede te genieten, opdat wij door uw machtige hand beschermd worden en door uw machtige arm van elke zonde worden bevrijd. Bevrijd ons van hen, die ons onrechtvaardig haten.

Geef ons en alle bewoners der aarde eendracht en vrede, zoals Gij met onze vaderen hebt gedaan, die U in geloof en waarheid, aanriepen.  Gij, die de Heilige zijt, die ons deze en meerdere weldaden kunt schenken, U belijden wij door onze Hogepriester en Beschermer van onze zielen, Jezus Christus, door Wie aan U de glorie en de majesteit zij, nu en in geslachten van geslachten en in de eeuwen der eeuwen. Amen.