Posts tonen met het label dominica XXV per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dominica XXV per annum. Alle posts tonen
zondag 21 september 2025
Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica XXV per annum Vijfentwintigste zondag door het jaar De genade van de verlossing ontvangen in de viering van het mysterie en in het leven van elke dag.
Het
Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo,
Ravenna (vóór 529)
De genade van de verlossing ontvangen in de viering van het mysterie en in het leven van elke dag.
I n l e i d i n g
Na het ontvangen van de H. Communie voelt de gelovige zich
verkwikt en gesterkt. Bij het hervatten van de alledaagse bezigheden heeft hij
de voortdurende hulp van de genade nodig wil het werk van de voortgaande
verlossing zich ten volle ontplooien. Niet alleen het meevieren van het H.
Misoffer, bewust en actief, - vooral ook het ontvangen van de H. Communie –
maar ook een levenswijze die de H. Eucharistie waardig is, dragen daartoe van
onze kant bij.
Deelname aan de H. Mis - bidden en leven -, vormen,
zoals geloof en goede werken, het christelijk levensprogram. Deze elementen
zijn nauw met elkaar verbonden. Het ernstig nemen en trouw vervullen van onze
religieuze plichten heeft grote invloed op de kwaliteit van ons leven, en vice
versa, als we goed leven als christen en tijd aan het gebed besteden, ervaren
we de hulp van God. Mysteria en mores, trouw aan het gebed en consequent
in leven, ora et labora, al deze
concepten geven in verschillende termen
de boodschap van de Postcommunio van deze zondag weer: niet alleen gebed, niet
alleen werk, maar een harmonisch samengaan van beide!
T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Quos
tuis, Domine, reficis sacramentis,
continuis
attolle benignus auxiliis,
ut
redemptionis effectum et mysteriis capiamus et moribus.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie
1979
Heer,
door uw Sacrament geeft Gij ons nieuwe kracht.
Blijf
ons in uw goedheid omringen met uw zorg,
zodat
wij de genade van de verlossing ontvangen in de viering van dit mysterie en in
het leven van elke dag.
Werkvertaling
Verhef,
Heer, hen, die Gij door uw sacramenten verkwikt,
in
uw goedheid met [uw] voortdurende hulp,
opdat
wij de uitwerking van de verlossing zowel in de viering van de Sacramenten als in
ons leven ondervinden / ontvangen.
L
i t u r g i s c h e a n t e c e d e n t
e n
De
brontekst van de Postcommunio [PC] van deze zondag vinden we in het
Sacramentarium Gelasianum Vetus (Vat. Reg. lat. 316) 161, eerste helft achtste
eeuw, die als volgt luidt:
Hos quos reficis, Domine, sacramentis
adtolle benignus auxiliis, et tuæ redemptionis effectum et mysteriis capiamus et
moribus.
Rubriek
in MR 1962, 958: Postcommunio van het misformulier ‘In collatione sacruum
Ordinum’ (Bij het toedienen van de HH. Wijdingen)
T
e x t u e l e a n a l y s e
1.
Quos tuis, Domine, reficis sacramentis,
2.
continuis attolle benignus auxiliis,
3.
ut redemptionis effectum et mysteriis capiamus et moribus.
De
Postcommunio bestaat uit een enkele volzin, te onderscheiden in een relatieve
bijzin in de openingsregel met prædicaat reficis in de indicativus, gevolgd
door de hoofdzin met de imperativusvorm attolle (r. 2) en een
finale/consecutieve bijzin in de coniunctivusvorm, bepaald door het voegwoord
ut (r. 3).
Zoals
boven reeds gezegd is de strekking van de oratie dat wij door middel van het
mysterie (de H. Eucharistie) dat wij vieren en de manier waarop wij leven het
effect van onze verlossing mogen ontvangen.
Ad 1
Relatieve
bijzin met het prædicaat reficis in de indicativusvorm van het præsens, omdat
er een werkelijkheid wordt uitgedrukt: de Heer verkwikt in de H. Communie de
gelovigen met zijn sacramenten, met zijn eigen Lichaam en Bloed.
Reficis
bevat het ingesloten subject ‘Gij’, onderstreept door de vocativusvorm Domine.
Quos,
zij/hen – pronomen relativum waarvan het antecedent hos resp. eos is verzwegen:
object in de accusativusvorm meervoud van qui. Met quos aan de spits van de
oratie zijn dezelfde personen bedoeld die als subject zijn opgesloten in capiamus
in r. 3.
Tuis
sacramentis, met/door uw sacramenten – bijwoordelijke bepaling in twee
congruerende ablativusvormen (ablativus instrumentalis, het middel
waarmee/-door.
Hyperbaton:
tuis […] sacramentis.
Ad
2
Attolle/hef
/beur/til op – prædicaat in de imperativusvorm.
Benignus,
welwillend, in uw godheid – prædicatieve bepaling in de adiectivusvorm.
Continuis
auxiliis, door [uw] voortdurende hulp – bijwoordelijke bepaling gevormd door
twee congruerende ablativusvormen (ablativus instrumentalis).
Ad
3
Finale/doelaanwijzende
resp. consecutieve/ gevolgaanduidende bijzin in de coniunctivusvorm van het
præsens met capiamus, [op-/zodat wij grijpen, ontvangen, verwerven, als
prædicaat.
Redemptionis
effectum, de uitwerking / het effect van de verlossing, object bij capiamus,
samengesteld uit de accusativusvorm effectum van effectus- us en de
bijvoeglijke bepaling redemptionis in de genitivusvorm: genitivus explicativus.
Et
mysteriis […] et moribus, zowel in [het vieren van] de sacramenten als in onze
manier van leven – bijwoordelijke bepaling van gesteldheid bestaande uit de
twee elementen mysteriis en moribus: ablativusvormen die een gesteldheid
uitdrukken. De herhaling van de coniunctie et .. et onderstreept de samenhang
tussen gebed en werk.
S t i j l f i g u
r e n
Sterke
aanwezigheid van de slotlettergreep op –is:
tuis,
reficis, sacramentis (regel 1), continuis, auxiliis (r. 2), redemptionis en
mysteriis (r.3).
Hyperbaton
(uiteenplaatsing van bij elkaar horende elementen):
tuis
[…] sacramentis (r. 1), continuis […] auxiliis (r.2).
Repetitio:
et … et (r.3).
K l e i n v o c a b u l a r i u m
Attollo,
3.
1.
omhoog heffen, - houden, opheffen, heffen, oprichten/optrekken (van gebouwen); stijgen
(water)
Bijvoorbeeld:
umeris regem attollere: de koning op de schouders tillen; attollitur unda, een
golf verheft zich / komt op; manus/oculos ad cælum attollere: handen/ogen ten
hemel heffen; parvum natum attollere, een pasgeborene omhoog tillen.2. opbeuren,
verheffen, verhogen, met iets vereren
Naast
de bovengenoemde rubriek onder Liturgische antecedenten komt het verbum
attollere (ook als imperativusvorm) in
MR 1962 slechts in de Postcommunio van donderdag na de 1e zondag van de Vasten
voor.
In
MR 1970 heb ik dit verbum nog niet aangetroffen.
Continuus,
-, -um
Adiectivum
heeft betekenissen met betrekking tot ruimte en tijd.
Qua
ruimte: met iets of in zijn delen samenhangend, verbonden, doorlopend,
aangrenzend, aan elkaar gelegen.
Qua
tijd: onafgebroken, onmiddellijk daarop, terstond, dadelijk.
Continuare,
- avi, -atum:
Qua
ruimte: bijeen voegen, verbinden, samenvoegen, verenigen.
Qua
tijd: onafgebroken voortzetten, onmiddellijk op elkaar laten volgen.
Continuo
(adverbium), terstond, dadelijk, onmiddellijk daarop.
Continuatio,
- onis: onafgebroken voortzetting, verlenging, het aanhouden, het voortduren,
samenhang.
Auxilium,
-i, onz.
1.
hulp, bijstand, en in het meervoud hulpmiddelen, redmiddelen
2.
(milit.) hulptroepen, strijdkrachten.
Auxiliari,
dep. 1, helpen, bijstaan.
Auxiliaris,
-e: helpend.
Auxiliator,
-oris, helper; auxiliatrix, -cis, helpster.
Auxiliatrix
christianorum, Hulp der Christenen: titel waarmee de H. Maagd wordt aangeroepen
in de Litanie van Loreto.
De toewijding aan Maria als de Hulp der Christenen werd
populair ten tijde van paus Pius V, die de overwinning van de christelijke
Heilige Liga op de islamitische Ottomanen in de Zeeslag van Lepanto (7 oktober
1571) toeschreef aan haar hemelse bijstand. Het was een van de grootste
zeeslagen uit de wereldgeschiedenis en ook de laatste grote zeeslag waar
gebruik werd gemaakt van galeischepen.
Lepanto (de vroegere Italiaanse naam van de Griekse havenstad Návpaktos) ligt
aan de nauwe ingang van de Golf van Korinthe.
De gedachtenisviering van Maria Hulp der Christenen werd in
1814 door paus Pius VII op 24 mei geplaatst. In 1808 was deze paus op last van
Napoleon gearresteerd en moest in ballingschap leven, aanvankelijk in Savona,
later in Fontainebleau. Na de Slag bij Leipzig, in januari 1814, werd de paus
vanuit Frankrijk teruggestuurd naar Savona. Hier herkreeg hij in maart zijn
vrijheid. Zijn terugkeer naar Rome op 24 mei 1814 werd een ware triomftocht. Kort
daarna bepaalde hij dat de dag van zijn terugkeer voortaan gewijd moest worden
aan Maria Hulp der Christenen.
In de 19e eeuw kreeg de devotie een bijzondere impuls door
de toewijding van Don Bosco aan Maria Hulp der Christenen. De oorsprong van deze
titel gaat terug op de heilige Johannes Chrysostomus (4e eeuw na Chr.). In een
homilie noemde hij Maria boeteia (βοετεια), dat 'hulp' betekent. Na hem
gebruikten ook andere Kerkvaders deze term voor de Moeder Gods.
O v e r w e g i n g
‘Ora et labora’: een gevleugelde Latijnse spreuk in de vorm van twee
imperatieven die letterlijk betekenen bid en werk. Het is een christelijk
gezegde dat in verband wordt gebracht met de kloosterregel van de H.
Benedictus, maar daarin niet letterlijk terug te vinden is, niettemin aan de H.
Benedictus wordt toegeschreven. Het is een bondige samenvatting van de taken
die een monnik volgens Benedictus had. Het werk was in het geval van de
monniken eenvoudig handwerk, tamelijk revolutionair voor monniken uit zijn tijd
die uit hogere maatschappelijke geledingen kwamen.
Benedictus zag bidden en werken als één geheel, hij
geloofde dat het van belang was om beide dingen te combineren. Met deze
uitspraak wilde hij een balans creëren tussen bidden en werken voor de
monniken. Deze visie werd ook door andere kloosterfamilies overgenomen en
tenslotte wereldwijd bekend, schriftelijk doorgegeven en praktisch beleefd. Ook
in ons klooster is het zo ingericht.
‘Ora et labora’, bidden en werken kan betekenen nu eens bidden, dan
weer werken, maar ook bidden ook als werken zien en werkend altijd bidden.
Jezus zelf heeft gebeden en zijn Apostelen bidden geleerd. Hij heeft
zijn Kerk de opdracht tot bidden meegegeven die trouw het gebed van Christus
voortzet. Middels het gebed met zijn vele facetten wordt God lof en dank
gebracht en aangeroepen in velerlei nood.
De menselijke arbeid is rechtstreeks verbonden met de mensen die naar
Gods beeld zijn geschapen en de opdracht hebben de aarde met en voor elkaar te
bewerken en zo het scheppingswerk van God voort te zetten. Werken is een plicht;
“Als iemand niet wil werken, zal hij ook niet eten” (2 Tess 3,10). Door de
talenten die wij – om niet - hebben ontvangen te gebruiken en onze bekwaamheden
te ontplooien, brengen we God lof en zijn dankbaar voor zijn gaven.
Werk in vereniging met Christus
gedaan heeft verlossende waarde : het is de navolging van Christus door
zijn kruis op zich te nemen en Hem achterna te gaan. Het werk heeft ook een
heiligend aspect door de lasten van de dag, van het leven op zich te nemen en
andermans lasten te dragen.
De arbeid wordt dus zelfs tot gebed, wanneer ik mijn werk verricht in
Gods tegenwoordigheid. Wanneer ik in Gods tegenwoordigheid werk, dan antwoord
ik God met wat ik doe, ik kan mij dan helemaal aan mijn werk geven, zonder in
mijn gedachten verdeeld te zijn. Ik geef mij immers helemaal aan mijn werk uit
gehoorzaamheid aan God en als antwoord op Zijn tegenwoordigheid. De
tegenwoordigheid van God drukt zo een stempel op de manier waarop ik werk.
Het vervullen van Jezus’ opdracht ‘semper orare’, altijd te bidden, is
zo niet alleen de heiliging van de tijd, van de dag en van heel het menselijk
handelen, maar ook de arbeid heiligt het menselijk leven mits gedragen op de
vleugels van de geest van gebed. Het is een zich thuis voelen bij God, het met
God van hart tot hart omgaan, Hem in het eigen leven toelaten net ontzag voor
zijn Majesteit.
De H. Schrift geeft ons daartoe houvast: Zo sprak de profeet Jesaja tot
God: “ Gij komt hen tegemoet, die met vreugde gerechtigheid beoefenen, die bij
al wat ze doen aan U denken” (Jes 64,4) en in het Nieuwe Testament lezen we bij
de H. Paulus: “Of gij nu eet of drinkt, of wat ge ook doet, doet alles ter ere
Gods” (1 Kor 10,31). “Al wat ge doet in woord of werk, doet alles in naam van
Jezus de Heer, God de Vader dankend door Hem…De Heer die gij dient is Christus”
(Kol 3, 17-21).
Jezus zelf zei: “Zorgt er voor dat uw geest niet afgestompt raakt door
een roes van dronkenschap en de zorgen van het leven….weest dus volmaakt en
bidt” (Lc 21, 34-35).
Hoe redt men dat?
Uit het oog uit het hart, wordt gezegd van menselijke verhoudingen.als
men elkaar niet voldoende ontmoet. God is onzichtbaar. God ontmoeten betekent
Hem op tijd met de ogen van ons hart en onze geest zien en ontmoeten, voldoende vaak bidden in
liefdevolle gesprekken met God, soms zo maar stil en onopgemerkt, soms gesteund
door een daarbij passende houding van hoofd, handen en heel ons lichaam. Wie
groeien willen in geest van gebed, voortdurend nauw verbonden met Hem willen
leven, veel aan Hem denken, kunnen uitdrukkelijk bidden niet missen. We dienen
God niet uit het oog te verliezen bij alles wat we doen. Het is praktisch op vaste momenten per dag,
per week en per jaar tijd voor aandachtig gebed te nemen. Bidden en leven -,
vormen, zoals geloof en goede werken, het christelijk levensprogram. Niet
alleen gebed, niet alleen werk, maar een harmonisch samengaan van beide!
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Dominica XXV per annum S Augustinus. De christianis infirmis. Over de zwakke christenen.
Lectio altera
Ex Sermóne
sancti Augustíni epíscopi De pastóribus
(Sermo 46, 13: CCL 41, 539-540)
Tweede
lezing
Preek over ‘De herders’, van
de H. Augustinus, bisschop
(Sermo 46, 13: CCL 41, 539-540)
Over de zwakke
christenen
Wat
zwak is, zegt de Heer, hebt
gij niet gesterkt. Hij spreekt hier tot de slechte herders , de valse
herders, tot de herders, die hun eigen belangen zoeken, niet die van Jezus
Christus, die zich verheugen in het goed van de melk en de wol, maar geen
enkele zorg hebben voor de schapen zelf en die er slecht aan toe zijn niet sterken.
Tussen een zwakke, dit is een niet-sterke – want de zwakke worden ook zieken
genoemd – tussen zwakke en zieke, dit is met wie het slecht gesteld is, schijnt
mij het volgende verschil te bestaan.
Wat
wij nu trachten zo goed mogelijk van elkaar te onderscheiden, kunnen wij
misschien nog beter bereiken door grotere zorg, en ook een ander zou dit kunnen
doen, die meer ervaren is en rijker in de verlichting van de harten. Opdat gij
intussen niet misleid wordt, wat de woorden van de Schrift betreft, zal ik u mijn
mening zeggen. Voor de zwakke is het te vrezen, dat hem een beproeving
overkomt, die hem knakt. Wie kwijnt is al ziek door een of andere begeerte en
wordt daardoor verhinderd de weg naar God in te slaan en het juk van Christus
op te nemen.
Let
maar eens op die mensen, die de wil hebben goed te leven. Zij maken wel het
voornemen goed te leven, maar blijken minder geschikt kwaad te verduren dan zij
bereid waren goed te doen. Het behoort evenwel tot de standvastigheid van de
christen niet alleen goed te doen, maar ook de beproeving te verdragen. Wie dus
vurig schijnen in het doen van het goede, maar het dreigend leed niet kunnen of
willen dragen, zijn zwakkelingen. En wie door een slechte neiging als minnaars
van de wereld van de goede werken zelf worden afgehouden, die liggen kwijnend
en ziek te neer, daar zij juist door die ziekte als het ware zonder enige
kracht niets goeds kunnen verrichten.
Zo
iemand is in mijn ziel als die lamme (in het Evangelie). Toen anderen hem niet
naar de Heer konden binnendragen, opende zij het dak en lieten hem zo naar
beneden. Dit is alsof gij in uw ziel het dak wilt openen en uw verlamde ziel
voor de Heer wilt neerleggen, in al haar vermogens verlamd en niet in staat tot
enig goed werk, bezwaard namelijk door haar zonden en kwijnend door de ziekte
van haar begeerten. Als dan al die vermogens zijn verlamd en de verlamming
inwendig is, moet gij naar de geneesheer komen – misschien is die
geneesheer verborgen en is hij inwendig aanwezig: dat ware verstaan licht in de
Schrift verdekt opgesteld – en open het dak en leg de lamme neer om het
verborgene bloot te leggen.
Gij hebt gehoord, wat ook zij moesten
horen, die dit niet doen en verwaarlozen: Wat er slecht aan toe is, hebt gij
niet gesterkt; en wat neergeslagen was, hebt gij niet verbonden: hierover
hebben wij al gesproken. Hij was immers gebroken door de schrik voor de
beproevingen. Maar daar komt iets bij, waardoor wat gebroken was wordt
verbonden, namelijk deze troost: God is getrouw: Hij zal niet toelaten, dat
gij boven uw krachten beproefd wordt, maar met de beproeving bepaalt Hij al het
einde, zodat gij ze kunt doorstaan
zaterdag 18 september 2021
Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” 25e zondag per annum / door het jaar In de viering van dit mysterie ontvangen wat wij in oprecht geloof belijden.
Christus ontvangt brood en
wijn voor de H. Eucharistie
In de viering van dit mysterie ontvangen wat wij in
oprecht geloof belijden.
I n l e i d i n g
Het
Gebed over de gaven van deze zondag vraagt God de offergaven van het verzamelde
volk genadig aan te nemen. De openingszin van de oratie komt inhoudelijk
overeen met die van vorige zondag. Het aanbieden van de gaven is voor de aan de
H. Eucharistie deelnemende gelovigen een godvruchtige en liefdevol belijden van
hun geloof. Wat wij belijden is de gehele volheid van hetgeen het Eucharistisch
Mysterie bevat, vóór alles de waarachtige tegenwoordigheid van het Lichaam en
Bloed van de Heer en het genieten van het levenschenkende Brood uit de hemel.
Dat inderdaad dit Brood uit de hemel bedoeld is, ligt besloten in de bede: Geef dat
wij in het mysterie van de Heilige Eucharistie ontvangen wat wij in geloof
belijden. Op de achtergrond staat onuitgesproken de
gedachte van de heilige uitwisseling. De gaven, waarvan wij de aanvaarding
afsmeken, worden, zoals wij in geloof belijden,als Lichaam en Bloed van de Heer
tot kostbare tegengaven van de kant van God in het mysterie, waarom wij bidden.
Wat
wordt gedaan bij de voorbereiding van de gaven en wat wordt gezegd in de orationes super munera zijn altijd de
handelingen en de woorden van de Kerk, het Volk van God, - zowel van haar
individuele leden als van het ene Mystieke Lichaam van Christus – vooruitziend
naar haar definitieve verlossing.
De
viering van de H. Eucharistie loopt immers vooruit op het hemelse bruiloftsmaal
(sacramentis cælestibus), en draagt daarom een paaskarakter. Zij is dus
vooruitlopende deelneming aan de hemelse liturgie en voorsmaak van de
toekomstige heerlijkheid. In de H. Eucharistie wordt openbaar wat ooit zal
zijn; in tekenen wordt vooruitgelopen op de tijd dat God alles in alles is (cf
1 Kor 15, 28). Wie daarom eet van het Eucharistisch Brood, heeft nu al het
eeuwig leven en zal worden opgewekt op de jongste dag (cf Jo 6, 54). Het manna
in de woestijn, voedsel en proviand voor onderweg, was slechts een
voorafbeelding van het ware Brood van God, dat van de hemel is neergedaald en
leven geeft aan de wereld (cf Jo 6, 33). Wie van dit Brood eet, zal in
eeuwigheid niet sterven (cf Jo 6, 49-50.58). Hier geeft Christus een belofte
die de waardigheid van de mens in heel zijn existentie bevestigt: door Hem te
ontvangen worden wij opgenomen in zijn Godheid.
Panem
de cælo præstitisti eis, omne delectamentum in se habentem! De H. Thomas van
Aquino kon het niet kernachtiger zeggen.
T e k s t
Missale Romanum – 1970
Munera, quæsumus, Domine,
tuæ plebis propitiatus assume,
ut, quæ fidei pietate
profitentur,
sacramentis cælestibus apprehendant.
Altaarmissaal
Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, neem genadig de gaven van uw volk aan.
Geef dat wij in de viering van dit mysterie
ontvangen
wat wij in oprecht geloof belijden.
Werkvertaling
Aanvaard,
bidden wij U, Heer, goedgunstig de gaven van uw volk,
opdat zij,
hetgeen zij in gelovige liefde belijden,
in deze
hemelse mysteries verkrijgen.
L i t u r g i s c h e a n t e c e d e n t e n
De brontekst van deze oratie wordt gevonden
in het Sacramentarium Leonianum (Veronense) , 1136, Mense Octobris, secreta,
Verona, Kapittelbibliotheek LXXXV; 2e helft zesde eeuw. De secreta maakte deel uit van het misformulier, ‘de siccitate
temporis’, ten tijde van droogte, V alia missa.
(E. Moeller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant,
Corpus Orationum, V, I-O, Brepols, Turnhout 1994, nr. 3488, p. 219).
De oratie was niet opgenomen
in de edities van het Romeins Missaal vóór MR 1970.
S t r u c t u u r a n a l y s e e n s
t i j l f i g u r e n
1. Munera, quæsumus, Domine,
tuæ plebis propitiatus assume,
2a. ut, 3. quæ fidei pietate
profitentur,
2b. sacramentis cælestibus
apprehendant.
De Super munera zijn geschreven in de
Romeinse collecta-stijl, die gewoonlijk uit een vijfdelig patroon bestaat, op
de eerste plaats een adres, de anaklese, waarmee meestal de Vader, met de titel ‘God’ of ‘Heer’ wordt aangesproken.
Vervolgens een relatieve bijzin, die de aanspreekvorm nader kwalificeert door
de vermelding van een eigenschap, een hoedanigheid, een werk of heilsdaad van
God. Terwijl dit element regelmatig is terug te vinden in de Collecta en
Post Communionem, is dit niet het geval in de meeste Super munera. Het
derde element is de bede, gewoonlijk vervat in de coniunctivus- of
imperativusmodus van het verbum en dikwijls aangevuld door de losstaande
werkwoordsvorm quæsumus – wij smeken, wij vragen, wij bidden. Op de vierde plaats een slotzin waarin het
gevraagde object wordt geformuleerd als resultaat van de bede. Tenslotte de
afsluitende conclusie die de bede aan God toevertrouwt in de Naam van Jezus
Christus, onze Heer.
Het Gebed over de gaven van deze zondag, dat
oorspronkelijk verscheen in de vroegste tekstbron van de oraties, het Sacramentarium
Veronense – en in het gangbare Missale Romanum 1970 - bevat de
gebruikelijke elementen van dit type gebed.
De
oratie smeekt de Heer (anaklese) de offergaven die door zijn volk worden
aangeboden aan te nemen en er genadig op neer te zien (bede), en dat de
gelovigen, dat wat de aangeboden offergaven in geloof belijden - namelijk de
verlossende Dood en de Verrijzenis van Christus - , mogen ontvangen in de
hemelse sacramenten of mysteries (gewenst resultaat).
Ad
1
Domine
[o] Heer, - anaklese in de vocativusvorm van Dominus.
Assume,
neem aan, aanvaard, in de imperativusvorm , klassiek geplaatst aan het einde
van de hoofdzin. De imperativusvorm assume komt driemaal voor in de Orationes
super munera, te weten op de zondagen XIX, XXIV en XXV door het jaar. In deze
drie vindplaatsen wordt assume verbonden met propitiatus, placatus, benignus
(zie vorige zondag, dominica 24 per annum), vandaag in ons geval propitiatus
waarbij het verzoenende effect van de liturgische handeling wordt onderstreept
door te verwijzen naar de gesteldheid van God, die de biddende verhoopt bij de
aanvaarding van de gaven.
Propitiatus,
bijwoordelijke bepaling van gesteldheid. Zoals benignus vorige zondag is ook
propitiatus een dubbelverbonden bepaling, zowel met het subject Domine als met
het prædicaat assume.
Munera
tuæ plebis, de offergaven van uw volk, - object van het prædicaat assume
samengesteld uit de accusativusvorm munera (onz. meerv. van munus – eris) nader
gespecificeerd door de twee congruerende genitivusvormen tuæ plebis: genitivus
explicativus.
Quæsumus,
tussenzin, bestaande uit één enkele werkwoordsvorm, waarover al dikwijls is
uitgeweid.
Plebis en
propitiatus vertonen alliteratie van de p.
Ad 2a-2b
Ut […] sacramentis cælestibus apprehendant,
opdat/zodat zij door de hemelse sacramenten verkrijgen, - finale/doelaanwijzend
resp. consecutieve /gevolgaanduidende bijzin, ingeleid door het voegwoord ut
dat het coniunctivuskarakter van het prædicaat apprehendant bepaalt.
Apprehendant, 3 pers. meerv. præsentis coniuntivi
van het verbum apprehendere 3. Het ingesloten subject van het prædicaat
verwijst naar de in regel 1 reeds genoemde participant, uw volk, een
enkelvoudig begrip, maar een collectief van personen. De coniuntivusvorm wordt
bepaald door het voegwoord ut en door het wenskarakter van het gezegde.
Het object van het prædicaat [de accusativus onzijdig
meervoud van id: ea, de dingen, dat wat, hetgeen], waaraan het pronomen
relativum quæ in r. 3 refereert, wordt in deze bijzin niet met zoveel woorden
genoemd maar bekend verondersteld uit het voorafgaande.
Sacramentis cælestibus, bijwoordelijke bepaling in
twee congruerende ablativusvormen, die het middel waardoor/waarmee aanduiden:
ablativus instrumentalis resp. causæ.
Ad 3
In de ut-zin is een relatieve bijzin opgesloten die
in haar geheel gelezen kan worden als object van het prædicaat apprehendant van
r. 2b.
Profitentur, zij belijden / erkennen als, - 3e
pers. præsentis indicativi van het deponens profitere, professus sum, prædicaat
met ingesloten subject, corresponderend met het ingesloten subject van
apprehendant.
Quæ, welke, die –, object van profitentur in de
accusativusvorm van het pronomen relativum qui, quæ, quod dat als antecedent
het verzwegen ea heeft van regel 2b.
Fidei pietate, met liefde voor het geloof > met
gelovige liefde, bijwoordelijke bepaling van gesteltenis, samengesteld uit de
ablativusvorm pietate en de genitivus objectivus fidei.
Pietate
en profitentur laten opnieuw alliteratie van de p zien, een hoge
frequentie binnen twee tekstregels. Misschien een kwinkslag van de anonieme
auteur, maar wellicht eerder een geheugensteuntje om de tekst vast te houden in
de eerste christelijke perioden voordat de oraties gecodificeerd werden en er
een eind kwam aan de improvisatie.
Profitentur
vertoont bovendien parallelle klankrijm met propitiatus (r. 1)
V o c a b u l a r i u m
Plebs,
-is vr., 1. volk 2. de grote hoop, de grote menigte. Had dit begrip bij de
Romeinen een negatieve connotatie: min volk, het gemene volk, gepeupel, in het
christelijk Latijn is dit een van de vroegste benamingen voor het volk van God,
voor de christifideles, het gehele christenvolk.
Het
woord komt voor in het enkelvoud hoewel in latere christelijke bronnen van het
Latijn het meervoud gebruikelijk werd. Door het gebruik van het enkelvoud wordt
de eenheid van de gemeenschap van de gelovigen benadrukt. Voorbeelden: plebis
tuæ dona, christiana plebs, captiva plebs, het gevangen volk: deze laatste
uitdrukking is vermeld in de hymne “Ad cenam Agni providi”, de hymne van de
Vespers op Pasen en op de zondagen van Pasen en verwijst naar de rechtvaardigen
van het Oude Testament die in afwachting van de Verlossing door Christus als
het ware gevangen werden gehouden in het voorgeborchte. Geliefd thema in de
klassieke schilderkunst, vooral in de Oosterse
Kerken.
We
zien de grondbetekenis ook terug in het begrip ‘plebanus’, plebaan, zijnde de
pastoor van de kathedraal, die in naam van de bisschop de ‘ordinarius loci’ van
de kathedraal is.
De
Nederlandse woordenboeken geven bij het begrip plebs synoniemen met
overheersend negatieve connotatie.
Pietas
Binnen de antieke Romeinse godencultus was
“Pietas” een personificatie van de liefde tot de mensen en van de Romeinse
deugd Pietas, de staat en de eerbied voor de goden (vroomheid). Pietas bevatte
3 elementen: geloof in de goden, trouw aan het vaderland en respect voor de
ouders. Pietas werd voorgesteld als voor een altaar staand, met de linkerarm in
de hoogte geheven, terwijl zij in de rechterhand een offerschaal houdt, ofwel
strekt zij met een omsluierd achterhoofd haar beide handen uit, alsof zij tot
de goden bidt. Om haar betrekking tot de vrome liefde van kinderen voor hun
ouders aan te duiden staat een ibis of een ooievaar
aan haar voeten. Deze godin stond vaak afgebeeld op de keerzijde van Romeinse
munten met vrouwen van de keizerlijke familie aan de voorzijde, daar pietas een
passende deugd was voor keizerlijke vrouwen (bv. Flavia Maximiana
Theodora). De keizerlijke
vrouwen staan soms zelfs op de munten met het uiterlijk van de godin. Dit
klassieke begrip kreeg een nieuwe christelijke betekenis in de relatie tussen
Schepper-God-Vader en schepselen-mensen-kinderen en duidt de vaderlijke
genegenheid en liefdevolle maar tegelijk gezaghebbende zorg van vader naar kind
aan, cf. het collectegebed van de 5e zondag per annum (MR 1970)
‘Familiam tuam, quæsumus, Domine, continua pietate custodi’, bescherm, Heer,
vragen wij U, uw familie met een voortdurende liefde. Omgekeerd duidt het
begrip de liefdevolle kinderlijke gehoorzaamheid met inbegrip van natuurlijk
ontzag jegens ouders, jegens God.
Bijvoorbeeld ‘tribue nobis …illum pietatis
et humilitatis affectum’, schenk ons die geest van liefde en nederigheid [die
van de H. Paulus], (postcomm. 22 juni in MR 1962).
Pietas is derhalve een van de zeven Gaven
van de Heilige Geest (verg. KKK 733-736; Jes. 11,2) waardoor wij liefdevol en
terecht dankbaar zijn ten opzichte van onze ouders, verwanten en medeburgers,
en ook tegenover alle mensen voor zover zij God toebehoren of godvrezend zijn.
Ten opzichte van de Moeder Gods en de Heiligen komen daar de aspecten van vrome
verering en piëteit bij. Kort samengevat
“pietas” duidt op het vervullen van godsdienstige plichten. Op God toegepast
echter, betekent pietas gewoonlijk
Zijn genadige liefde, Zijn goedheid jegens ons.
Profiteri, professus sum dep. 2. – heeft de volgende
betekenissen 1. openlijk bekennen, verklaren, belijden, verkondigen 2. zich
uitgeven voor, zich aanmelden als 3. zich aanbieden 4. beloven 5. professie
afleggen. Professio fidei: geloofsbelijdenis (Credo)
Het in het Nederlands sinds de 15e
eeuw gangbare ‘profiteren’, profijt/voordeel trekken uit lijkt geen
onmiddellijke connectie te hebben met het Latijnse profiteri, maar zou
teruggaan op het Franse profiter en profit. Mogelijk is de link te vinden in
een afleiding van de futurumvorm van
prodesse, voordelig zijn: profuturum.
Sacamentum komt voor in vier orationes super munera voor,
te weten op de zondagen IV, V, XI en XXV door het jaar en refereert gewoonlijk
naar de liturgische viering van de H. Eucharistie en meer specifiek naar de
werkzaamheid van de sacrale riten waarin en waardoor God zijn het werk van de
verlossing effectief voortzet.
Voor de betekens van het begrip sacramentum
en de relatie met het Griekse bronbegrip mysterium zie bijvoorbeeld
Collectegebed 1e zondag van de Veertigdagentijd
Fides, ei, f. – 1. vertrouwen 2. trouw 3. geloof
Er is een beroemde uitdrukking van Anselmus
die zegt: “Fides quaerens intellectum” (het geloof dat op zoek is naar het
verstand/begrip). Dat wil zoveel zeggen, als dat geloven niet iets is dat tegen
ons verstand ingaat. Het is niet irrationeel of dom om te geloven. Dat weten we
ook, omdat theologie een wetenschap is, en de waarheden van ons geloof kunnen
we bestuderen – zoals velen onder ons ook feitelijk doen. Maar dit brengt ook
een gevaar met zich mee. We kunnen op die manier namelijk snel in de bekoring
komen, te denken God “door te hebben”. Wel te begrijpen hoe Hij werkt, hoe Hij
met ons bezig is, en denken in te zien hoe wij van onze kant God kunnen
bereiken. Dat is de bekoring van de gelovige elite tegenover de onverstandige,
ongelovige wereld. Inderdaad is dat een bekoring, omdat het bijna als vanzelf
ook hoogmoed in zich draagt. Zoals we namelijk allemaal van Augustinus hebben
geleerd: “als je het begrijpt, dan is het niet God”.
K o r t c o m m e n t a a r
Christus
is op aarde gekomen om zichzelf als losprijs voor alle zielen, als Offergave,
als Verlosser van de mensen aan de Vader aan te bieden.
De H. Eucharistie – door Hem ingesteld - is
en blijft te allen tijde en voor alle tijden Christus’ onbloedig Offer dat God
de Vader overal ter wereld wordt aangeboden
tot eeuwig leven voor alle mensen die Hem in liefde, geloof, nederig en
waardig ontvangen. Waar onze Heer bij de Consecratie tegenwoordig wordt gesteld
– in welke kerk, klooster, kapel of op welke plaats ter wereld ook, is Hij, Hogepriester en
Offergave tegelijk, onder de eucharistische gedaanten daadwerkelijk aanwezig,
met zijn Godheid en zijn Lichaam en Bloed.
Laat ieder opnieuw een begin maken om de
heiligheid van de H. Mis te beleven, te bewaren en te bewaken! Laat ieder opnieuw of intensiever deze
waarheid geloven en heilig vieren.
Laten we de Heer in dankbaarheid en
wederliefde verwelkomen in ons hart en leven.
Laten de priesters de waarheid betreffende
het grote mysterie dat zich op het altaar voltrekt met geloof en in eerbied
aanvaarden. Het is het grootste liefdesoffer, het mysterium fidei, het grootste
wonder dat zonder geloof en vertrouwen niet te bavetten is.
Voor dit wonderbaar Sacrament dat vanuit de
hemel aan de mensen isgeschonken buigen de Engelen zich uit eerbied en
aanbidding diep terneer.
Het is de hoogste zuivere liefde: de
volkomen gave van de Vader, de totale zelfgave van de Zoon door de Heilige
Geest.
A a n h a n g s e l
H. Eucharistie: Geheim van het
Geloof
Enkele passages uit een homilie van Prof.
Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P.
Preek in de Parochiekerk
van de H.H. Leonardus en Gezellen, Martelaren van Gorcum, te Tilburg, 18
oktober 1970
Tantum ergo Sacramentum, veneremur
cernui.
Laat ons zo'n groot Sacrament diep gebogen vereren.
Laat ons zo'n groot Sacrament diep gebogen vereren.
Aldus begint de in de
Katholieke Kerk meest bekende en tot voor kort ook in onze kerken telkens weer
opnieuw gezongen hymne van het H. Sacrament der Eucharistie, van de hand van
St. Thomas van Aquino, Dominicaan, heilige en kerkleraar.
Ik haal U deze tekst aan,
dierbare Christenen, omdat ik, U vandaag heel bijzonder wil spreken over de H.
Eucharistie, het "Geheim van het Geloof" bij uitstek. Ik doe dat in
het kader van deze H.H. Missen voor het behoud van het geloof. Want enerzijds
is het heilig Misoffer, dat wij hiervoor opdragen, de viering van de
Eucharistie; anderzijds is het katholieke geloof in de Eucharistie er een dat
in onze dagen weer geweld lijdt onder katholieken, zodat wij onze stem moeten
verheffen voor het behoud ervan.
Het gaat om twee dingen,
die niet te scheiden zijn: de leer over de H. Eucharistie en de praktijk die
daarop is gebouwd en die niets anders is, dan wat wij noemen: de devotie, in al
haar vormen, tot het Allerheiligst Sacrament.
Laat ons beginnen met de
H. Schrift. Wij weten uit de evangeliën van Mattheüs (26, 26-28), Marcus (14,
22-24) en Lucas (22, 17-20) en de eerste brief van de Apostel Paulus aan de
Corinthiërs (11, 23-29), dat Jezus op het Laatste Avondmaal de H. Eucharistie
voor ons heeft ingesteld. Het oudste, d.w.z. het eerste geschrevene, van deze
vier berichten is volgens velen dat van de H. Paulus. Hij schreef het in Efeze
van Turkije in 56 of 57 aan de bewoners van Corinthe in Griekenland:
"Broeder", zo schreef hij, "ik heb van de Heer ontvangen, wat ik weer aan U heb overgeleverd, dat de Heer Jezus, in de nacht waarin Hij verraden werd, brood heeft genomen, en na gedankt te hebben, het heeft gebroken met de woorden: 'Dit is Mijn Lichaam, omwille van U' (d.i.: dat voor U wordt overgeleverd). 'Doet dit tot Mijn gedachtenis'. Zo nam Hij na de maaltijd ook de kelk zeggend: 'Deze kelk is het nieuwe Testament in Mijn Bloed. doet dit, zo dikwijls gij hem drinkt, tot Mijn gedachtenis'. En de Apostel voegde er de waarschuwing aan toe: 'Want zo dikwijls als gij dit brood eet en de kelk drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, tot Hij wederkomt. Daarom: wie onwaardig het brood eet of de kelk des Heren drinkt, eet en drinkt zich een oordeel (d.i.: velt zijn eigen vonnis), omdat hij het Lichaam des Heren niet onderscheidt".
"Broeder", zo schreef hij, "ik heb van de Heer ontvangen, wat ik weer aan U heb overgeleverd, dat de Heer Jezus, in de nacht waarin Hij verraden werd, brood heeft genomen, en na gedankt te hebben, het heeft gebroken met de woorden: 'Dit is Mijn Lichaam, omwille van U' (d.i.: dat voor U wordt overgeleverd). 'Doet dit tot Mijn gedachtenis'. Zo nam Hij na de maaltijd ook de kelk zeggend: 'Deze kelk is het nieuwe Testament in Mijn Bloed. doet dit, zo dikwijls gij hem drinkt, tot Mijn gedachtenis'. En de Apostel voegde er de waarschuwing aan toe: 'Want zo dikwijls als gij dit brood eet en de kelk drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, tot Hij wederkomt. Daarom: wie onwaardig het brood eet of de kelk des Heren drinkt, eet en drinkt zich een oordeel (d.i.: velt zijn eigen vonnis), omdat hij het Lichaam des Heren niet onderscheidt".
In de drie evangeliën
staat St. Paulus' vermaning niet te lezen; daarin wordt alleen maar meegedeeld
wat gebeurd was. Zo lezen wij bij Mattheüs: "Neemt en eet, dit is Mijn
Lichaam… Drinkt allen hieruit, want dit is Mijn Bloed van het Verbond, dat voor
velen wordt vergoten tot vergiffenis van zonden". Zo ook in de andere
evangeliën.
Sint Jan spreekt niet over
de Eucharistie bij het Laatste Avondmaal. Hij schreef veel later dan de drie
eerste evangelisten en wilde niet herhalen wat iedereen wist. Maar aan zulk een
groot geheim van Jezus; Liefde als de Eucharistie, kon de Apostel der Liefde
niet voorbijgaan. In zijn evangelie wordt het vermeld in de toespraak, die
Jezus tot de Joden heeft gehouden dicht bij het meer van Galilea, in de
synagoge van Kafarnaüm (Jo. 6, 26-59): "Mijn vlees is waarlijk Spijs en
Mijn bloed is waarlijk Drank; wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft
in Mij en Ik in hem" (vs. 55-56).
Dit leergezag blijkt in de
eucharistie vooral uit de praktijk der Kerk van het begin af, uit haar
Liturgie. De Kerk heeft van het begin af de H. Eucharistie gevierd in het
Oosten en in het Westen, en zij heeft altijd geloof, dat de Heer er
tegenwoordig komt onder de gedaanten van brood en wijn, doordat brood en wijn
werkelijk worden veranderd in Zijn Lichaam en Bloed. In de laoude Romeinse
liturgie werd dit steeds geloofd en er niet uitdrukkelijk bij gezegd. Maar in
de oude Griekse van Joannes Chrysostomus vraagt de priester uitdrukkelijk dat
God Zijn Heilige Geest mag zenden, om brood en wijn te veranderen in het
Lichaam en Bloed van onze Heer. Geen verandering dus van betekenis alleen, of
van een nieuw doel waarmee men brood en wijn gebruikt, maar van brood en wijn
zelf; niet alleen maar een geestelijke aanwezigheid, maar een aanwezigheid door
verandering van brood en wijn in het verheerlijkt Lichaam en bloed van onze
Heer. In de Kerk van het Westen en de afgescheidenen kerken van het Oosten
bestond hierover geen meningsverschil, totdat in de 16de eeuw in Noordwest
Europa andere opvattingen werden verkondigd. Daarmee kwam tevens in vele
streken een einde aan de devotie tot de H. Eucharistie zoals die toen bestond,
sinds eeuwen: aanbidding, processies, vaak communiceren van vromen. Wat de H.
Eucharistie in de 15de eeuw voor de vromen in Nederland betekende, kan men
lezen in het vierde Boek der Navolging van Christus van Tomas à Kempis; bij de
hervormden bleef daarvan maar weinig over.
Wij onderscheiden in het
H. Sacrament drieërlei: Jezus' aanbiddelijke tegenwoordigheid; de Communie; het
Misoffer: het zijn alle drie grote gaven van God, die nauw samenhangen, Ja,
samen één zijn. Tegenwoordig wordt veel, te veel, de nadruk gelegd op het
maaltijdkarakter der Eucharistie; over het overige wordt vaak niet gesproken,
als het al niet wordt ontkend. Aan het eind van de liturgische dienst op zondag
gaan de gelovigen naar voren, halen een Hostie en gaan na enkele ogenblikken
weer naar huis. Zo was het tot voor kort niet, en terecht niet.
Als het brood en wijn
werkelijk veranderen in Jezus' Lichaam en Bloed, zodat zij geen brood en wijn
meer zijn, dan is Jezus zelf daar, onder de broodsgedaante, want Zijn Lichaam
en Bloed zijn onafscheidelijk verbonden met Zijn verheerlijkte Mensheid, die
die van een goddelijke Persoon is. Jezus zelf is daar en dan is het billijk,
dan is het vanzelfsprekend, dat velen het verlangen gevoelen - en dit ook
uitvoeren - Hem ook buiten de H. Mis te aanbidden als Hij rust in het
tabernakel, Hem liefdevol toe te spreken en Hem zijn nood te klagen, zich
geborgen te voelen door bij Hem te zijn, Hem plechtig ter aanbidding willen
zien uitgesteld.
Als brood en wijn wonderbaar veranderen in Jezus' Lichaam en Bloed, dan volgt hieruit, dat zelfs het kleinste deeltje daarin verandert. Het is dus niet zo dat kruimels, die van een Hostie afvallen, of druppeltjes geconsacreerde Wijn, geen Eucharistie meer zouden zijn, niet meer Jezus zelf. Dit is in strijd met het geloof en in zekere zin zelfs met het gezond verstand. Want dit laatste zegt in goed Nederlands: "kruimels zijn ook brood" en dit wil voor ons zeggen: ze hebben evengoed de broodsgedaante als de hele Hostie. In de 4de eeuw vermaande de H. Cyrillus van Jeruzalem de doopleerlingen, die door hem in de Paasnacht in de Kerk zouden worden opgenomen, op die kruimeltjes te letten, wanneer ze de H. Communie eerbiedig op de holle hand, met grote eerbied, zouden gaan ontvangen. "Als het goudstof zou zijn, dat op Uw hand viel", zei hij, "zoudt U dan niet met de grootste zorg alles verzamelen, opdat er niets verloren ging? Hoeveel te meer moet gij dit doen nu de kruimels geen goudstof, maar de Heer Jezus Christus zelf zijn!"
Als brood en wijn wonderbaar veranderen in Jezus' Lichaam en Bloed, dan volgt hieruit, dat zelfs het kleinste deeltje daarin verandert. Het is dus niet zo dat kruimels, die van een Hostie afvallen, of druppeltjes geconsacreerde Wijn, geen Eucharistie meer zouden zijn, niet meer Jezus zelf. Dit is in strijd met het geloof en in zekere zin zelfs met het gezond verstand. Want dit laatste zegt in goed Nederlands: "kruimels zijn ook brood" en dit wil voor ons zeggen: ze hebben evengoed de broodsgedaante als de hele Hostie. In de 4de eeuw vermaande de H. Cyrillus van Jeruzalem de doopleerlingen, die door hem in de Paasnacht in de Kerk zouden worden opgenomen, op die kruimeltjes te letten, wanneer ze de H. Communie eerbiedig op de holle hand, met grote eerbied, zouden gaan ontvangen. "Als het goudstof zou zijn, dat op Uw hand viel", zei hij, "zoudt U dan niet met de grootste zorg alles verzamelen, opdat er niets verloren ging? Hoeveel te meer moet gij dit doen nu de kruimels geen goudstof, maar de Heer Jezus Christus zelf zijn!"
Dan is daar de Communie.
Wij mogen Jezus ontvangen. Het H. Sacrament is ingesteld onder de gedaante van
spijs en drank, opdat wij het zouden nuttigen. Een sacrament werkt uit, wat het
betekent; wanneer wij ons lichamelijk zo innig mogelijk verenigen met de
gedaanten van brood en wijn en dit doen vol innerlijke verlangen, verenigt de
geest zich met Jezus zelf, Die door het Sacrament niet alleen wordt getekend,
maar ook bevat. De H. Eucharistie is Jezus zelf; de H. Communie wil ons
geestelijk steeds inniger verenigen met de God-mens, ons steeds dichter bij Hemm,
brengen. Bedenken wij, wat dit betekent: een mens, zwak, zondig, verenigd met
de heilige God! Eens, zo hopen wij, zal dit geschieden in de hemel; op aarde is
de vereniging in de H. Communie een onderpand van die latere hemelse
vereniging. Daarom spreekt de Kerk de H. Eucharistie als volgt toe: "O,
heilig gastmaal, waarin Christus wordt genuttigd, de gedachtenis aan Zij lijden
wordt gevierd, de geest met genade wordt vervuld en ons het onderpand wordt
gegeven der toekomstige heerlijkheid" (gebed "O Sacrum
Convivium"). En St. Paulus zegt, dat wie eet en drinkt, zich een oordeel
drinkt, omdat hij "het Lichaam des Heren niet onderscheidt", d.w.z.
er geen rekening mee houdt, dat wat hij nuttigt Jezus' Lichaam, Jezus Christus
zelf is.
Daarom mag niemand tot dit
heilig Sacrament naderen als hij schuldig is aan groot kwaad. Is het geen
vermetelheid, de H. Communie te ontvangen, wanneer men heeft gezondigd en
daarover geen berouw heeft gehad? Althans zijn grote zonden niet eerst aan de
priester heeft gebiecht? Of moeten wij zeggen, dat zij die dit tegenwoordig
niet doen, weinig geloof meer hebben in de werkelijke tegenwoordigheid van
Jezus Christus in het H. Sacrament? In Oosterse liturgieën roept de priester
voor de H. Communie uit: "Het Heilige voor de heiligen!" De
gelovigen, zich van hun zonden bewust, zeggen dan: "Er is één heilige
Vader, één heilige Zoon, één heilige Geest", d.w.z.: God alleen is Heilig,
wij mensen zijn dat nooit. Maar wij moeten trachten het te zijn door ons zoveel
mogelijk te reinigen van zonden, voor wij de H. Communie ontvangen; een
hiervoor door de Kerk krachtig aanbevolen, middel is de Biecht. Geve God, dat
deze in ons land weer in ere wordt hersteld. Wat daarin overdreven of fout was,
mag en moet wegvallen, niet de Biecht zelf.
De Heilige Mis, viering
der Eucharistie, is ook een offer. Zij is door onze Heer ingesteld op de avond
van Zijn lijden, dat zijn hoogtepunt vond in Zijn offerdood op het kruis. Als
de priester nu in de h. Mis brood en wijn consacreert, verzinnebeeldt hij
daardoor de dood van Christus. De gescheiden gedaanten van brood en wijn
stellen zinnebeeldig de scheiding van Jezus' Lichaam en Bloed en daarmee Zijn door
voor. De Kerk leert dat onder de gedaante van brood niet alleen Jezus'
verheerlijkt Lichaam, maar ook Zijn Bloed en Zijn Godheid tegenwoordig zijn,
zij zijn immers niet van elkaar te scheiden. Hetzelfde gaat op voor de gedaante
van wijn: daar is ook Jezus' Lichaam tegenwoordig. De gescheiden gedaanten
betekenen het gescheiden Lichaam en Bloed; die van de wijn heel bijzonder het
"bloed dat wordt vergoten, tot vergiffenis van zonden".
Met dank aan
ecclesiadei.nl
Abonneren op:
Posts (Atom)


