Posts tonen met het label dominica XXII per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dominica XXII per annum. Alle posts tonen

zaterdag 28 augustus 2021

Lezingen H. Mis 22e zondag door het jaar B Niets kan de mens bezoedelen wat van buiten af in hem komt.

Eerste lezing (Deut. 4, 1-2.6-8)
Uit het boek Deuteronomium.
Mozes sprak tot het volk en zei:
“Luister dan, Israël,
naar de voorschriften en bepalingen die ik u leer
en handel daarnaar.
Dan zult gij leven en bezit gaan nemen van het land
dat de Heer, de God van uw vaderen, u schenkt.
Aan wat ik u voorschrijf
moogt gij niets toevoegen
en er niets van afdoen;
ge moet de geboden van de Heer uw God onderhouden,
die ik u geef.
Handel ernaar in het land dat gij in bezit gaat nemen
en brengt ze stipt ten uitvoer,
want daaruit zal voor de volken uw wijsheid en uw inzicht blijken.
Als zij al deze voorschriften horen, zullen ze zeggen:
“Dat machtige volk is wijs en verstandig.”
“Is er soms een andere grote natie
aan wie hun goden zo nabij zijn
als de Heer onze God ons nabij is
zo vaak wij hem aanroepen?
Of is er een andere grote natie,
die zulke volmaakte voorschriften en bepalingen heeft
als de wet die ik u heden geef?”

Tweede lezing (Jak. 1, 17-18.21b-22.27)
Uit de brief van de heilige apostel Jakobus.
Broeders en zusters,
elke goede gave, elk volmaakt geschenk daalt neer van boven,
van de Vader der hemellichten,
bij wie geen verandering is of verduistering door omwenteling.
Uit vrije wil heeft Hij ons het leven geschonken
door het woord der waarheid,
zodat wij in zekere zin de eerstelingen onder zijn schepselen zijn.
Neemt met zachtmoedigheid het woord van God aan
dat in u werd geplant
en dat de kracht bezit uw zielen te redden.
Weest uitvoerders van het woord
en niet alleen toehoorders;
dan zoudt gij uzelf bedriegen.
Zuivere en onbevlekte vroomheid in de ogen van onze God en
Vader is dit:
wezen en weduwen opzoeken in hun nood
en zichzelf vrijwaren voor de besmetting van de wereld.

Evangelie (Mc. 7, 1-8.14-15.21-23)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus.
Eens kwamen de Farizeeën
en enkele schriftgeleerden uit Jeruzalem bij Jezus tezamen,
en ze zagen dat sommigen van zijn leerlingen met onreine,
dat wil zeggen, ongewassen handen aten.
De Farizeeën immers en al de Joden eten niet zonder eerst de vingertoppen gewassen te hebben, daar ze vasthouden aan de overlevering van de voorvaderen;
komen ze van de markt,
dan eten ze niet voordat zij zich gereinigd hebben;
zo zijn er nog vele dingen
waaraan ze bij overlevering vasthouden:
het afwassen van bekers, kruiken en koperen vaatwerk.
Daarom
stelden de Farizeeën en de schriftgeleerden Hem de vraag:
“Waarom gedragen uw leerlingen zich niet
volgens de overlevering van de voorvaderen,
maar eten zij met onreine handen?”
Hij antwoordde hun:
“Hoe juist heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd!
Zo staat er geschreven:
Dit volk eert Mij met de lippen
maar hun hart is ver van Mij.
Zij eren Mij, maar zonder zin,
en mensenwet is wat zij leren.
Gij laat het gebod van God varen
en houdt vast aan de overlevering van mensen!”
Daarop riep Hij het volk weer bij zich en sprak tot hen:
“Luistert allen naar Mij en wilt verstaan:
niets kan de mens bezoedelen
wat van buiten af in hem komt.
Maar wat uit de mens komt,
dat bezoedelt de mens.

Want uit het binnenste, uit het hart van de mensen
komen boze gedachten, ontucht, diefstal, moord,
echtbreuk, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog,
losbandigheid, afgunst, godslastering, trots, lichtzinnigheid.
Al die slechte dingen komen uit het binnenste
en bezoedelen de mens.”

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Dominica XXII per annum. St. Augustinus. Dominus misertus est nostri. De Heer is ons genadig geweest.



Lectio altera

Ex Sermónibus sancti Augustíni epíscopi
(Sermo 23A, 1-4: CCL 41, 321-323)


Tweede lezing
  
Uit de Preken van de H. Augustinus, bisschop
(Sermo 23A, 1-4; CCL 41q,321-323)

De Heer is ons genadig geweest

Gelukkig zijn wij, als wij, wat wij horen en zingen, ook doen. Want ons horen is een zaad, maar ons doen is de vrucht van het zaad. Nu ik dit vooruit gezegd heb, zou ik uw liefde willen aanmanen om niet onvruchtbaar de kerk binnen te gaan door wél zoveel moois te aanhoren maar niet goed te handelen. Want aan Zijn genade danken wij ons heil, zoals de Apostel zegt: niet om de werken, opdat niemand zich zou beroemen; want aan Zijn genade danken wij ons heil. Er ging immers (van onze kant) geen goed leven aan vooraf, dat Hij vanuit den hoge beminde en waarom Hij sprak: Laten wij die mensen tegemoet treden en helpen, want zij leven zo voorbeeldig. Hem mishaagde ons leven, Hem mishaagde alles in ons wat wij deden, maar Hem mishaagde niet wat Hijzelf in ons bewerkte. Derhalve, wat wij deden, zal ons verwerpen; wat Hij deed, zal ons redden.

Wij waren dus niet goed. Maar Hij ontfermde zich over ons en zond zijn Zoon om te sterven, niet voor de goeden maar voor de slechten, niet voor rechtvaardigen maar voor goddelozen. Want Christus is voor goddelozen gestorven. En wat volgt er dan? Men zal niet licht iemand winden, die zijn leven geeft voor een rechtvaardige, al zou misschien iemand het wagen voor goeden te sterven. Er wordt misschien iemand gevonden, die het waagt voor een goede te sterven. Maar wie wil er sterven voor een slechte, een onrechtvaardige, een misdadiger, tenzij Christus alleen, die zo rechtvaardig was, dat Hij ook onrechtvaardigen rechtvaardig maakt?

Wij bezaten, mijn broeder, hoegenaamd geen goede werken, alleen maar slechte. Hoewel de werken van de mensen dusdanig waren, heeft zijn barmhartigheid de mensen niet in de steek gelaten. En zo zond God zijn Zoon om ons vrij te kopen, niet met goud noch met zilver maar met de prijs van zijn vergoten bloed, toen het onbevlekte Lam naar de slachtbank werd geleid voor zijn besmeurde schapen, die wel besmeurd waren maar niet geheel bedorven. Deze genade hebben wij ontvangen. Laten wij dan zo leven, dat wij die genade waardig zijn en die genade geen onrecht aan doen. Zulk een groot geneesheer kwam tot ons en vergaf ons al onze zonden. Als wij nu opnieuw ziek willen worden, zullen wij niet alleen een verderf voor onszelf worden, maar ook ondankbaar jegens de geneesheer.

Laten wij dus zijn wegen volgen, die Hij ons toont, vooral de weg van de nederigheid, omdat Hij zelf voor ons die Weg is geworden. Want Hij toont ons de weg van de nederigheid door zijn geboden en maakt die voor ons gereed door voor ons te lijden. Om dus voor ons te kunnen sterven, is het Woord, dat niet sterven kon, Vlees geworden en heeft onder ons gewoond. De ontsterfelijke nam de sterfelijkheid op Zich om voor ons te sterven en om door zijn dood onze dood te doden.

Dat deed de Heer, dit heeft Hij voor ons gedaan. De grote werd vernederd, de vernederde gedood, maar na gedood te zijn is Hij ook verrezen en verheven om ons, die dood waren, niet in de verwerping te laten, maar in Zich te verheffen door de verrijzenis uit de doden, ons die Hij nu heeft verheven tot het geloof en de belijdenis van rechtvaardigen. Dat gaf Hij ons als weg: de nederigheid. Als wij die beoefenen, zullen wij de Heer belijden en niet zonder reden zingen: Wij zullen U loven, o God, U loven en uw Naam aanroepen.




Introitus Domenica XXII per annum Miserere mihi, Domine

Collectegebed 22e zondag door het jaar - Zaai in onze harten de liefde voor Uw Naam


Het is de “God van de Machten” en Krachten die in het collectegebed wordt aangeroepen, de oneindig Volmaakte – deze “vergrotende trap” is niet toereikend voor de oratie, zodat deze het nogmaals intensiveert: Die al het goede bezit”. Het is een uitdrukking van de liefde, maar juist zij heeft tot gevolg dat om die liefde wordt gebeden: “Plant in ons hart de liefde tot Uw Naam (d.i. tot U). ”De liefde lijkt op een plant, die bestemd is tot groei en vrucht voortbrengen. Haar groei is “vermeerdering van het geloof” in ons. Het Altaarmissaal vertaalt religionis augmento met “toenemen van het goede” en legt daarmee een link naar het begrip optimum in de openingszin van de oratie. Het begrip optimum (“het beste”), toegepast op God, moet begrepen worden als “perfect” of “volmaakt”.

De vrucht van de liefde is alles, wat goed is. God Zelf is de Liefde en bezit juist daarom, zoals het gebed zegt: “alles, wat het beste, alles wat volmaakt is.” De Liefde voedt in ons alles, wat goed is, en laat uiteindelijk de vrucht rijpen, indien de liefde blijft.  Wij bidden: “Bewaar, wat gevoed is.” We kunnen evengoed bidden: ”Bewaar in ons de liefde en de vrucht van het goede, die zij belooft”. Hij, die de liefde en haar vrucht in ons bewaart,  gelijkt op de waakzame wachter. De oratie ademt dat vertrouwen: “Hij, die u behoedt, slaapt niet. Nee, de Herder van Israel slaapt niet en sluimert niet” (Ps 121, 3.4).
L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
Met kleine verschillen is het collectegebed van de 22e zondag door het jaar gebaseerd op een oratie in het Sacramentarium Gelasianum (8e eeuw) en vervolgens op de collecta van de 6e zondag na Pinksteren in het Romeins Missaal van 1962.
T e k s t
Missale Romanum – 1962
Deus virtutum, cuius est totum quod est optimum: 
insere pectoribus nostris amorem tui nominis, et præsta in nobis religionis augmentum; 
ut, quæ sunt bona, nutrias, ac pietatis studio, quæ sunt nutrita, custodias.
Missale Romanum – 1970
Deus virtutum, cuius est totum quod est optimum: 
insere pectoribus nostris tui nominis amorem, et præsta,
ut in nobis religionis augmento, quæ sunt bona nutrias, ac vigilanti studio, quæ sunt nutrita, custodias.
Altaarmissaal – 1979
Almachtige God, al het goede komt van U. Vervul ons hart van liefde voor uw Naam. Laat in ons hart het goede toenemen door een grotere ijver voor U en houd het in stand door uw voortdurende zorg.
Letterlijke werkvertaling:
God van de heerscharen, van wie alles is, wat het beste is;
Zaai in onze harten de liefde voor Uw Naam en wek in ons een toename van verbondenheid [met U],
zodat U [dat], wat door de toename van verbondenheid [met U],  goed is, voedt en
[zodat] U [dat], wat door onze onvermoeibare ijver, gevoed is, bewaart.

S t r u c t u u r

1.Deus virtutum, cuius est totum quod est optimum: 
Deus – vocatiefvorm: God wordt aangeroepen als God van de heerscharen, waarmee een van zijn hoedanigheden wordt uitgedrukt. De openingszin is een aaneenschakeling van twee relatieve bijzinnen: cuius est totum en quod est optimum. Parallelle zinsbouw: relativum, verbum,  naamwoord, waarbij de superlativus optimum een bepaling is bij het zelfstandige gebruikte adiectivum totum.
 
2.insere pectoribus nostris tui nominis amorem, et præsta,
Hoofdzin met de verba insere en præsta in de imperatief en met amorem als object en tui nominis als genitivus objectivus bij amorem.
 pectoribus nostris als bijwoordelijke bepaling in de ablativus: de eigenlijke bede.

3. ut in nobis, religionis augmento, quæ sunt bona nutrias, ac, vigilanti studio, quæ sunt nutrita, custodias.
Voor de duidelijkheid kan de zin op de onderstaande wijze gelezen worden;
1. ut in nobis nutrias, augmento religionis, [ea] quae sunt bona.
Het van ut afhankelijk nutrias is naar voren gehaald, gevolgd door de bijwoordelijke bepaling augmento religionis (ablativus+genitivus) die aangeeft waardoor het goede in ons ontstaat. Bij het relativum quæ ontbreekt een antecedent. Men spreekt van een ingesloten antecedent.  Men kan ea (= die dingen) als object bij nutrias aanvullen zodat het antecedent duidelijk wordt.
2. (ut) custodias, vigilanti studio, [ea] quæ sunt nutrita.
Dezelfde opbouw als het eerste deel van de zin. Beide zinsdelen zijn gekoppeld door het nevenschikkende voegwoord ac.
De coniunctivus custodias is eveneens afhankelijk van ut dat hier weggelaten is.
Opnieuw mag ea als verzwegen object aangevuld worden, zodat er bij het relativum quæ een duidelijk antecedent staat. De bijwoordelijke bepaling vigilanti studio (hier een ablativus absolutus constructie met het tegenwoordige deelwoord vigilanti) drukt uit waardoor wij gevoed zijn.

Mooi is het gebruik van het verbum nutrias (= voeden) in het eerste zinsdeel, dat in het tweede deel van de zin als voltooid (nutrita = gevoed) wordt bewaakt en bewaard door de Heer.
De halfzinnen 3.1 en 3.2 bevatten parallellen in klank: augmento…studio; nutrias..custodias, quæ sunt bona…quæ sunt nutrita : klankrijm aan het einde van het woord (eindrijm).
C o m m e n t a a r

Het collectegebed nodigt uit tot overweging: God moet mijn alles zijn; begin, vervolg en einde. Hij is de goede Tuinman van de tuin van mijn ziel ; Hij “zaait” de liefde tot God in het hart. Hij geeft “wasdom” aan het zieleleven. “Hij kweekt en verzorgt” de plantjes van de deugden, verwijdert het onkruid en begiet; Hij “behoedt” het tegen de vijanden. God is de Zaaier, de Zon, de Tuinman en de Behoeder van het leven der genade. God is sterk in ons. Hij stort ons zijn liefde in en vermeerdert onze ijver voor zijn dienst [=godsdienst]. Hij doet het goede in ons gedijen een bewaart het door ons telkens tot de Eucharistie te roepen, de Vrucht van de Verrijzenis.

De Katechismus van de Katholieke Kerk definieert "godsdienst" (religio)  als een set van overtuigingen en praktijken van hen die zich engageren voor de dienst en de aanbidding van God. Het Eerste Gebod vraagt ons om in God te geloven, Hem te aanbidden en te dienen, als eerste plicht van de deugd van godsdienstigheid (cf ook CCC 2084, 2135).
De H.  Thomas van Aquino († 1274) zegt dat godsdienst de deugd is waarmee de mens  de verschuldigde eredienst en eerbied aan God als de Schepper en opperste heerser van alle dingen (STh II-II, 81, 1 is) toont. We moeten onze afhankelijkheid van God erkennen door Hem een verschuldigde en passende eredienst te geven zowel innerlijk (bijvoorbeeld door daden van toewijding, eerbied, dankzegging, enz.) als uiterlijk (bijvoorbeeld uitwendige eerbied, liturgische handelingen, etc.). Tegen de deugd van godsdienst kan worden gezondigd door afgoderij, bijgeloof, heiligschennis en godslastering. Als schepsel moeten wij erkennen wie God is en dienovereenkomstig handelen, zowel innerlijk als uiterlijk. Wanneer dit tenslotte gewoon voor ons wordt, dan hebben we de deugd van godsdienst. Een deugd is een gewoonte. Een goede daad is nog geen deugd en maakt ons niet deugdzaam.  Als het moeilijk voor ons is om voorzichtig of gematigd of eenvoudig, enz. te zijn, dan hebben we nog niet de deugden. Onze vraag om godsdienstigheid of “verbondenheid” volgt onmiddellijk uit onze wens dat God de liefde voor zijn Heilige Naam in ons hart "zaait" (insere).  Dan smeken we om door God met alle goede dingen te worden gevoed als Hij in ons de godsdienstigheid of verbondenheid met Hem verhoogt. Dit leidt tot de juiste innerlijke en uiterlijke handelingen die noodza-kelijkerwijs voortvloeien uit het erkennen wie God echt is en wie we zijn.
We vinden in oude vertalingen van het Boek van de Psalmen in de Latijnse Vulgaat dat Deus virtutum wordt weergegeven als: "God der heerscharen".  Het document van de Heilige Stoel dat voorziet in de normen voor de liturgische vertalingen, Liturgiam authenticam (2001) zegt in nr. 51 dat “een gebrek aan afwisseling in de vertaling van de aanspreekvormen voor God zoals Domine, Deus, Omnipotens aeterne Deus, Pater enzovoorts, of van woorden die iets van smeken uitdrukken, een vertaling moeilijk kan maken en de rijkdom en schoonheid kan verduisteren waarmee in de Latijnse tekst de verhouding tussen de gelovigen en God wordt aangegeven". Deze moeilijkere bewoordingen verdienen te worden uitgediept.
Deus virtutum - virtutum is genitief meervoud van virtus, "mannelijkheid; sterkte, kracht; dapperheid, moed; oprechtheid, bekwaamheid; macht", enzovoort.  Virtutum is de vertaling van het Hebreeuwse tsaba', dat “leger, oorlog, strijd, legermacht” betekent. Tsaba' wordt toegepast op de heerscharen van engelen, op de legers van soldaten, en de hemelse machten van zon, maan en sterren. In het Sanctus van de Heilige Mis en in de grote hymne Te Deum zingen wij in navolging van de ontelbare menigte van heiligen en engelen, die gebogen staan voor Gods troon en nooit moe worden te herhalen in de hemelse liturgie: “Heilig, Heilig, Heilig, de HEER. GOD SABAOTH... God van de "hemelse heerscharen".

Lezingenofficie 22e zondag door het jaar 22e zondag door het jaar Liturgia Horarum

Lezingen van het Lezingenofficie


  
Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli (1420-1497)

Eerste lezing

Uit het Boek van de profeet Jeremia 11,18-20;12,1-13

De profeet stort zijn hart uit

De Heer onthulde mij een plan waar ik geen weet van had; hij liet mij zien wat de mannen uit Anatot in de zin hadden. Daarvoor was ik zo argeloos als een lam dat naar de slachtbank wordt geleid. Ik wist niet dat ze tegen mij dit plan hadden gesmeed: ‘Laten wij die boom met al zijn vruchten vellen, hem uit het land der levenden wegkappen, dan wordt zijn naam nooit meer genoemd.’ ‘Maar, Heer van de hemelse machten, rechtvaardige rechter, u die hart en nieren doorgrondt, laat mij zien dat u zich op hen wreekt. U leg ik mijn zaak voor.’ Heer, u staat altijd in uw recht als ik het tegen u opneem. Toch vraag ik, hoe verantwoordt u dat boosdoeners in voorspoed leven, en trouwelozen rust genieten? U hebt hen geplant, ze schoten wortel, liepen uit en droegen vrucht. Ze hebben de mond vol van u, maar dragen u niet in het hart. Maar mij kent u, Heer, u ziet mij, u weet dat ik u in mijn hart draag. Sleep die boosdoeners weg, voer ze als schapen naar de slachtbank, zonder ze af om ze te laten doden. Hoe lang nog zal de aarde treuren, zullen gras en bloemen verdorren? Het vee en de vogels komen om door de wandaden van haar bewoners, die denken: Hij voorziet niet hoe ons einde zal zijn.’ ‘Als het je al zwaar valt snelle lopers bij te houden, kun je het dan tegen paarden opnemen?
Jij struikelt al op het vlakke land, wat kun je dan beginnen in het struikgewas bij de Jordaan? Ook je broers en zusters, je hele familie, zullen je laten vallen, ook zij zullen je naschreeuwen. Vertrouw hen niet, al zijn ze nog zo vriendelijk. Ik heb mijn volk verlaten, mijn bezit opgegeven, mijn zielsbeminde aan haar vijanden overgeleverd. Mijn eigen volk werd als een leeuw in het bos, het brulde tegen mij.
Daarom ben ik het gaan haten. Mijn volk is een nest hyena’s, en gieren cirkelen eromheen. Breng wilde dieren bijeen, laat ze komen om het te verslinden. Talloze herders hebben mijn wijngaard vernield, mijn akker laten vertrappen. Ze hebben mijn prachtige akker tot een troosteloze woestenij gemaakt. Hij is een wildernis geworden, dor en verlaten ligt hij erbij. Heel het land is verwilderd, want niemand bekommert zich erom. Op de kale heuvels in de woestijn doemen vernietigende legers op, de Heer houdt een verslindend zwaard gereed. Niemand is meer veilig, nergens in het land. Ze hebben tarwe gezaaid, maar distels geoogst. Ze hebben tevergeefs gezwoegd, ze staan verslagen bij hun oogst, door de brandende toorn van de Heer.

Tweede lezing

Uit de Preken van de H. Augustinus, bisschop

De Heer is ons genadig geweest

Gelukkig zijn wij, als wij, wat wij horen en zingen, ook doen. Want ons horen is een zaad, maar ons doen is de vrucht van het zaad. Nu ik dit vooruit gezegd heb, zou ik uw liefde willen aanmanen om niet onvruchtbaar de kerk binnen te gaan door wél zoveel moois te aanhoren maar niet goed te handelen. Want aan zijn genade danken wij ons heil, zoals de Apostel zegt: niet om de werken, opdat niemand zich zou beroemen; want aan zijn genade danken wij ons heil. Er ging immers (van onze kant) geen goed leven aan vooraf, dat Hij vanuit den hoge beminde en waarom Hij sprak: Laten wij die mensen tegemoet treden en helpen, want zij leven zo voorbeeldig. Hem mishaagde ons leven, Hem mishaagde alles in ons wat wij deden, maar Hem mishaagde niet wat Hijzelf in ons bewerkte. Derhalve, wat wij deden, zal ons verwerpen; wat Hij deed, zal ons redden.
Wij waren dus niet Goed. Maar Hij ontfermde zich over ons en zond zijn Zoon om te sterven, niet voor de goeden maar voor de slechten, niet voor rechtvaardigen maar voor goddelozen. Want Christus is voor goddelozen gestorven. En wat volgt er dan? Men zal niet licht iemand winden, die zijn leven geeft voor een rechtvaardige, al zou misschien iemand het wagen voor goede te sterven. Er wordt misschien iemand gevonden, die het waagt voor een goede te sterven. Maar wie wil er sterven voor een slechte, een onrechtvaardige, een misdadiger, tenzij Christus alleen, die zo rechtvaardig was, dat Hij ook onrechtvaardigen rechtvaardig maakt?
Wij bezaten, mijn broeder, hoegenaamd geen goede werken, alleen maar slechte. Hoewel de werken van de mensen dusdanig waren, heeft zijn barmhartigheid de mensen niet in de steek gelaten. En zo zond God zijn Zoon om ons vrij te kopen, niet met goud noch met zilver maar met de prijs van zijn vergoren bloed, toen het onbevlekte lam naar de slachtoffering werd geleid voor zijn besmeurde schapen, die wel besmeurd waren maar niet geheel bedorven. Deze genade hebben wij ontvangen. Laten wij dan zo leven, dat wij die genade waardig zijn en die genade geen onrecht aan doen. Zulk een groot geneesheer kwam tot ons en vergaf ons al onze zonden. Als wij nu opnieuw ziek willen worden, zullen wij niet alleen een verderf voor onszelf worden, maar ook ondankbaar jegens de geneesheer.
Laten wij dus zijn wegen volgen, die Hij ons toont, vooral de weg van de nederigheid, omdat Hij zelf voor ons die Weg is geworden. Want Hij toont ons de weg van de nederigheid door zijn geboden en maakt die voor ons gereed door voor ons te lijden. Om dus voor ons te kunnen sterven, is het Woord, dat niet sterven kon, vlees geworden en heeft onder ons gewoond. De ontsterfelijke nam de sterfelijkheid op Zich om voor ons te sterven en om door zijn dood onze dood te doden.
Dat deed de Heer, dit heeft Hij voor ons gedaan. De grote werd vernederd, de vernederde gedood, maar na gedood te zijn is Hij ook verrezen en verheven om ons, die dood waren, niet in de verwerping te laten, maar in Zich te verheffen door de verrijzenis uit de doden, die Hij nu heeft verheven tot het geloof en de belijdenis van rechtvaardigen. Dat gaf Hij ons als weg: de nederigheid. Als wij die beoefenen, zullen wij de Heer belijden en niet zonder reden zingen: Wij zullen U loven, o God, U loven en uw naam aanroepen.


(Sermo 23A, 1-4: CCL 41, 321-323)

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” 22e zondag per annum / door het jaar - Moge Uw kracht voltooien wat wij in dit mysterie vieren


Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie
 Moge Uw kracht voltooien wat wij in dit mysterie vieren

I n l e i d i n g
In het Gebed over de gaven van deze zondag horen we een elementaire notie van de Romeinse liturgie van de H. Eucharistie: : Moge deze heilige offergave met kracht voltooien hetgeen in mysterie geschiedt: Jezus Christus komt Zelf in de H. Eucharistie tegenwoordig, moge Hij ook in zijn goedertierenheid zijn belofte aan ons vervullen. 
Ook al wordt niet expliciet gesproken over een heilige uitwisseling,  niettemin staat deze gedachte op de achtergrond van de oratie. Onze heilige offergaven liggen op de altaar en wij bidden om de zegen die zij beloven. De offergaven worden Lichaam en Bloed van onze Heer Jezus Christus onder de gedaanten van brood en wijn, het offer van het Nieuwe Verbond. De ‘heilbrengende zegen’ (benedictionem salutarem) is het liefdevolle antwoord van God op de liefde van zijn Zoon en zijn broeders, dat in de Heilige Eucharistie in het licht wordt gesteld.
De slotzin van de oratie concretiseert de bede om de zegen: wat de heilige gaven in het eucharistisch Mysterie uitwerken, dat mogen zij in de kracht van de Heilige Geest tot voltooiing brengen. Onder het teken van de offergaven bewerken deze de deelname aan het eenmalige Offer van Christus, en wanneer de Heer deze aanvaard en geconsacreerd heeft, bewerken zij als spijs het eeuwige leven, zoals Christus heeft beloofd: “Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees ten bate van het leven der wereld” (Jo 6, 51). Beide, zo bidt de oratie, mogen krachtvol tot vervulling worden gebracht. De overgave in dit offer moge tot een  overgave voor altijd worden bij de voleinding van de wereld. Als teken van spijziging en leven verlenen zij ons in dit leven onze heiliging en innige vereniging met Christus en hierna de onsterfelijkheid, het eeuwige leven in en bij God.   

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Benedictionem nobis, Domine, conferat salutarem sacra semper oblatio,
ut, quod agit mysterio, virtute perficiat.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, laat dit heilig offer ons voortdurend tot zegen en heil zijn;

Werkvertaling
Moge het heilig Offer, Heer, ons steeds uw heilzame zegen schenken,
opdat het [Offer] door uw kracht voltooit, wat het in het mysterie bewerkstelligt.                                                    
L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De brontekst van deze oratie is identiek is aan de Secreta van de 2e zondag na Pasen in het Missale Romanum 1962, 81. Deze wordt met een kleine variant – de positie van nobis achter Domine - reeds aangetroffen in het Sacramentarium Gelasianum Vetus (Vat. Reg. lat. 316, 1e helft van de 8e eeuw), 543 en is sindsdien in vele manuscripten verspreid over het Europese vasteland en de Angelsaksische eilanden.
(E. Moeller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, I, A-C, Brepols, Turnhout 1992, nr. 499, p. 257-258)

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1. Benedictionem nobis, Domine, conferat salutarem sacra semper oblatio,
2a. ut, 3. quod agit mysterio, 2b. virtute perficiat.

Het Gebed over de gaven – in compact en fraai liturgisch Latijn - bestaat uit één enkele zin, opgebouwd uit een hoofdzin (r. 1) die een eerste bede bevat en derhalve coniunctief van karakter is (conferat, coniunctivus optativus), gevolgd door een finale/doelaanwijzende resp. consecutieve/gevolgaanduidende bijzin, ingeleid door het voegwoord ut (2a) die een tweede bede behelst (perficiat, coniunctivus optativus) (2a) en waarin een afhankelijke bijzin in de indicativus (quod agit) (r. 3) is ingebouwd, welke verwijst naar de geloofswaarheid en essentie van de H. Eucharistie: het mysterie waarbij figura transit in veritatem, de voorafbeelding heeft plaatsgemaakt voor de waarheid, de oude offerritus tot vervulling is gekomen en door de gave van de liefde van Gods Zoon voor altijd is overtroffen.
Ad 1
Conferat, moge hij/zij/het bijdragen tot – prædicaat in de coniunctivus præsentis activi van het verbum conferre, -tuli,- latum met betekenissen 1. bijeendragen, dragen 2. bijdragen tot 3. vergelijken 4. overwegen, 5. zich aansluiten bij. 
Sacra oblatio, het heilige offer, subject van het prædicaat in twee congruerende nominativusvormen van het substantivum oblatio, - onis en het adiectivum sacer, sacra, sacrum, een hyperbaton vormend door de uiteenplaatsing vanwege het bijwoord semper.
Domine [o] Heer, - anaklese van Dominus in de vocativusvorm.
Semper, altijd, steeds, - bijwoordelijke bepaling van tijd.
Nobis, aan/voor ons, - bijwoordelijke bepaling in de dativusvorm van het pronomen personale nos (dativus commodi, van voordeel)
Benedictionem salutarem, heilzame zegen – object van het prædicaat in twee congruerende accusativusvormen, wederom samengesteld uit een substantivum benedictio, - onis en een adiectivum salutaris, -e, heilzaam, reddend, in een volgend hyperbaton uiteengeplaatst.
Door de nominativus - en accusativusvormen van de substantivi en adiectivi van deze zin sacra oblatio en benedictionem salutarem onder elkaar te plaatsen merkt men een kruisstelling (chiasme) op. Voorts vormt de woordentrits ‘salutarem sacra semper’ een fraaie, klankrijke alliteratie.
Ad 2a-2b
Finale/consecutieve bijzin, ingeleid door het voegwoord ut, met het prædicaat perficiat in de 3e pers. enkelvoud præsentis activi van de coniunctivus vanwege het wens-, gebedskarakter; moge het verwezenlijken. Het bijbehorende subject, hier verzwegen, is oblatio van regel 3.
Virtute, door/met de kracht, - bijwoordelijke bepaling bij het prædicaat in de ablativusvorm van virtus, - tutis f. : ablativus causæ.
Voor de betekenissen van virtus zie verder beneden.
Ad 3
quod agit mysterio, wat het in het mysterie bewerkstelligt - . Afhankelijke bijzin met
prædicaat agit in de indicativus in de 3e pers. enkelvoud præsentis activi van agere, -egi, actum, omdat het om een voor christenen feitelijke geloofswaarheid gaat.
Quod, wat, hetgeeen – reflexivumvorm van qui, quæ, quod dat refereert naar het verzwegen id in het zinsdeel ut, […] virtute perficiat (r. 2a-2b): opdat het [Offer] door uw kracht [dat] voltooit, wat het [Offer] in het mysterie bewerkstelligt.   
Mysterio, door/met, ‘in’, ‘onder’, bijwoordelijke bepaling bij agit in de ablativusvorm van mysterium, - i, n. : ablativus modi die de wijze waarop aanduidt.                                                  

Wanneer men de tekstparen agit mysterio en virtute perficiat onder elkaar plaatst vindt men een tweede kruisstelling gevormd door de werkwoordsvormen agit – perficiat en de substantivi mysterio en virtute.

V o c a b u l a r i u m
Conferre, - tuli, - latum. We kennen vele van dit verbum afgeleide uitdrukkingen, bijvoorbeeld conferentie: voordracht op grond van bijeengebrachte stof; de afkorting cfr van de coniuntivusvorm 'conferatur' wat betekent 'het worde vergeleken met'. Ook het Franse  cf, 'confer' is daarvan afgeleid`; collatie: o.a. 1. de vergelijking van een kopie met een origineel in de literatuur; 2. collatierecht: recht van benoeming van een geestelijke en 3. in de monastieke wereld: de bijeengebrachte stof voor geestelijke gesprekken (collatieboeken), ook gebruikt lezing bij de sobere maaltijd op vrijdag en andere vastendagen. Zo kreeg genoemde ‘sobere maaltijd’ ook zelf de naam van collatie, waaraan de zegen bij het tafelgebed nog herinnert: ‘Collationem servorum suorum benedicat Christus Rex angelorum’ – Moge Christus, de Koning van de engelen, deze collatie van zijn dienaren zegenen.

Perficere, perfeci, perfectum: gereedmaken, voleinden,tot stand brengen, verwezenlijken. Van het participium perfecti passivi zijn de “Nederlandse” begrippen perfect en perfectie afgeleid. De tweede vorm van de stamtijden der werkwoorden in het Latijn, in dit geval perfeci, wordt het perfectum genoemd, de voltooid tegenwoordige tijd.

Virtus, -utis f. heeft een rijk scala aan betekenissen: 1. manhaftigheid, dapperheid, moed, standvastigheid 2. voortreffelijkheid, deugdelijkheid 3. deugd, deugdzaamheid 4. kracht, macht, werkdadigheid 5. wilskracht, vastberadenheid 6. meestal pl.: strijdkrachten, troepen, legerschaar 7. wonderkracht, en pl.: wonderdaden, wonderwerken 8. muur, stadsmuur 9. vermogen 10. troon 11. Virtutes, um pl., de Krachten (een van de Engelenkoren).
In de klassieke betekenis had het woord virtus in het gewone spraakgebruik een dynamische betekenis, inb de zin van miraculeuze of magische kracht, welk begrip zich, hiervan afgeleid, ontwikkelde tot moed, durf.
In het christelijk Latijn staat virtus voor de bovennatuurlijke kracht van God die tot uitdrukking komt in wonderbaarlijke effecten.
De kracht van God staat in schril contrast tot de menselijke fysieke zwakte, bijvoorbeeld: ‘auxilii tui super infirmos famulos tuos ostende virtutem’ – toon de kracht van uw bijstand aan uw dienaars die ziek zijn (MR 1970, 817: misformulier voor de zieken, postcommunio).
De kracht van God staat opnieuw in groot contrast met morele zwakheid, zoals aan de orde gesteld in het Gebed over de gelovigen (Super populum) op vrijdag na de 4e zondag van de Vasten (MR 1962): ‘Qui infirmitatis nostræ conscii, de tua virtute confidimus’-  In het besef van onze zwakheid, vertrouwen wij op uw kracht.
Het begrip virtus is nauw verbonden met God Zelf. Virtus is een geschikt begrip om tot uitdrukking te brengen dat de innerlijke werkzaamheid van de cultische handeling van goddelijke natuur is.

Die ‘virtus operans’, werkzame en heiligende kracht, die in de Consecratie de offergaven tot Lichaam en Bloed maakt van Jezus Christus onze Heer wordt gewoonlijk toegeschreven aan de Heilige Geest.
In het 2e Eucharistische Gebed wordt deze omschreven als ‘Hæc dona Spiritus tui rore sanctifica’, heilig deze gaven met de dauw van uw Heilige Geest.
In het 3e Eucharistische Gebed als werkdadige kracht: ‘quia per Filium Dominum Iesum Christum Spiritus Sancti operante virtute vivificas et sanctifices universa…’ want door Jezus Christus, uw Zoon, onze Heer, maakt gij alles levend en heilig; en: ‘…deprecamur, ut hæc munera, quæ tibi sacranda detulimus, eodem Spiritu sanctificare digneris’ - vragen wij U deze te heiligen door uw Geest. Even verder: als de Kracht die eenheid bewerkt: ‘“.. Spiritu eius Sancti repleti, unum corpus et unus spiritus inveniamur in Christo’, opdat wij, vervuld van zijn Heilige Geest, als één lichaam en één geest bevonden worden in Christus.
In het 4e Eucharistische Gebed wordt gerefereerd aan de Menswording van Christus: ‘… incarnatus  de Spiritu Sancto’, - Hij is mens geworden door de Heilige Geest; aan de zending van de H. Geest: ‘…misit Spiritum Sanctum..qui opus suum in mundo perficiens, omnem sanctificatuionem complereret’ – zond Hij de Heilige Geest  om zijn werk iun deze wereld te voltooien: onze heiligmaking ten einde toe. Vervolgens in het gebed ‘Respice, Domine…’; ‘… in unum corpus a Sancto Spiritu congregati’ – door uw Heilige Geest tot één lichaam woirden verzameld; en ook in het Gebed ‘Domine Iesu Christe’vlak voor de H.Communie: ‘…qui ex voluntate Patris, cooperante Spiritu Sancto..’- die op grond van de wil van de Vader met medewerking van de Heilige Geest.

C o m m e n t a a r
In de vertaling van het Nederlandse Altaarmissaal is helaas het afgeleid verband tussen de twee bedes verloren gegaan. In de Latijnse brontekst wordt de zegen die over het Offer wordt gevraagd verbijzonderd zodanig dat de H. Eucharistie hier en nu uiteindelijk aan het einde der tijden door de kracht van de Heilige Geest haar voltooiing zal vinden.
Het sacramentele Offer van de Eucharistie is niet alleen een gebeurtenis hier en nu, maar het uiteindelijke doel  van de universele heilsgeschiedenis: Christus heri, hodie et in sæculum, Christus, gisteren, vandaag en in eeuwigheid.
“Heer Jezus, wij verkondigen uw dood en wij belijden tot gij wederkeert, dat Gij verrezen zijt” (Mortem tuam annuntiamus, Domine, et tuam resurrectionem confitemur, donec venias). In deze tekst, de meest bekende acclamatie na de Consecratie, wordt de verbinding gelegd tussen het H. Misoffer hier en nu en het universele Offer van Christus. Met deze acclamatie bevestigen de gelovigen niet alleen hun geloof in de daadwerkelijke tegenwoordigheid van Christus in de Eucharistische Gedaanten maar ook hun geloof dat Christus, Heer  en Meester is van alle tijden en van alle plaatsen, die hij zal voltooien en met zich verenigen aan het einde der tijden, waarvan hij alleen dag en uur kent.
De Kerk vraagt dat hetgeen de Eucharistie in het heden geeft, het heden mag heiligen voor altijd, en dat dit mag strekken tot verlossing in alle tijden.
De H. Mis is de dagelijkse commemoratie (gedachtenis) van het Paasmysterie in zijn Eucharistische Aanbidding van God. Dit komt treffend tot uitdrukking in de helaas weinig gebruikte derde acclamatie die het MR 1970 geeft na de Consecratie: ‘Salvator mundi, salva nos, qui per crucem et resurrectionem tuam liberasti nos’- Redder van de wereld, bevrijd ons, Gij die ons hebt verlost door uw kruis en verrijzenis. Dit perspectief onderstreept de visie op de H. Eucharistie als ‘sacrificum laudis’ – Offer van lof.
De H. Eucharistie bevat en drukt alle vormen van gebed uit: zij is ‘de zuivere offerande’ van het hele Lichaam van Christus ‘tot glorie van zijn Naam’ (vgl. Mal 1, 11); zij is volgens de tradities van het Oosten en het Westen ‘hèt offer van lofprijzing’ (cf KKK 2643).
Als wij bidden met de juiste houding, in het bijzonder tijdens de H. Mis, voor het offeraltaar, hoopvol gekeerd naar het liturgische Oosten, met de priester als bemiddelaar, vult Christus aan wat wij zelf niet kunnen (mysterium en virtus). Hij neemt ons hart, onze geest, stem en gebaren en maakt deze tot de Zijne, zodat ze worden gebracht bij de troon van de barmhartige Vader.
Sint Augustinus (+430) zegt dat “Jezus voor ons bidt als onze Priester, in ons bidt als ons Hoofd en door ons aanbeden wordt als onze God. Laten wij daaarom onze stem erkennen in Hem en die van Hem in ons” (Enarr. in Ps 85, 1).
De H. Mis is geheel betrokken op wat Christus voor ons doet. De H. Mis is een sacramentele handeling waarin God de voornaamste Actor (handelende partij) is. Door ons Doopsel nemen we actief deel aan Zijn gewijde handeling. Christus is het hoofd, wij zijn het Lichaam. Hij neemt onze stemmen en maakt die tot de Zijne. Onze handelingen worden de Zijne.
We moeten daarom nooit misbruik maken van de liturgie en die dus niet aanpassen aan onze voorkeuren van dat moment.
Op grond van het gezag van Christus geeft de Kerk ons de H. Eucharistie. Alleen de Kerk voorziet in de juiste gebeden en rubrieken (voorschriften),

Als wij bidden zoals de H. Kerk dat voorschrift, als wij onze wil richten naar de wil van de Kerk, klinken onze aardse stemmen in één koor met de hemelse stemmen en die van de Kerk, stem van de Verrezen Christus.