Eerste lezing (Deut. 4, 1-2.6-8)
Uit het boek Deuteronomium.
Mozes sprak tot het volk en zei:
“Luister dan, Israël,
naar de voorschriften en bepalingen die ik u leer
en handel daarnaar.
Dan zult gij leven en bezit gaan nemen van het land
dat de Heer, de God van uw vaderen, u schenkt.
Aan wat ik u voorschrijf
moogt gij niets toevoegen
en er niets van afdoen;
ge moet de geboden van de Heer uw God onderhouden,
die ik u geef.
Handel ernaar in het land dat gij in bezit gaat nemen
en brengt ze stipt ten uitvoer,
want daaruit zal voor de volken uw wijsheid en uw inzicht blijken.
Als zij al deze voorschriften horen, zullen ze zeggen:
“Dat machtige volk is wijs en verstandig.”
“Is er soms een andere grote natie
aan wie hun goden zo nabij zijn
als de Heer onze God ons nabij is
zo vaak wij hem aanroepen?
Of is er een andere grote natie,
die zulke volmaakte voorschriften en bepalingen heeft
als de wet die ik u heden geef?”
Tweede lezing (Jak. 1, 17-18.21b-22.27)
Uit de brief van de heilige apostel Jakobus.
Broeders en zusters,
elke goede gave, elk volmaakt geschenk daalt neer van boven,
van de Vader der hemellichten,
bij wie geen verandering is of verduistering door omwenteling.
Uit vrije wil heeft Hij ons het leven geschonken
door het woord der waarheid,
zodat wij in zekere zin de eerstelingen onder zijn schepselen zijn.
Neemt met zachtmoedigheid het woord van God aan
dat in u werd geplant
en dat de kracht bezit uw zielen te redden.
Weest uitvoerders van het woord
en niet alleen toehoorders;
dan zoudt gij uzelf bedriegen.
Zuivere en onbevlekte vroomheid in de ogen van onze God en
Vader is dit:
wezen en weduwen opzoeken in hun nood
en zichzelf vrijwaren voor de besmetting van de wereld.
Evangelie (Mc. 7, 1-8.14-15.21-23)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus.
Eens kwamen de Farizeeën
en enkele schriftgeleerden uit Jeruzalem bij Jezus tezamen,
en ze zagen dat sommigen van zijn leerlingen met onreine,
dat wil zeggen, ongewassen handen aten.
De Farizeeën immers en al de Joden eten niet zonder eerst de vingertoppen gewassen te hebben, daar ze vasthouden aan de overlevering van de voorvaderen;
komen ze van de markt,
dan eten ze niet voordat zij zich gereinigd hebben;
zo zijn er nog vele dingen
waaraan ze bij overlevering vasthouden:
het afwassen van bekers, kruiken en koperen vaatwerk.
Daarom
stelden de Farizeeën en de schriftgeleerden Hem de vraag:
“Waarom gedragen uw leerlingen zich niet
volgens de overlevering van de voorvaderen,
maar eten zij met onreine handen?”
Hij antwoordde hun:
“Hoe juist heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd!
Zo staat er geschreven:
Dit volk eert Mij met de lippen
maar hun hart is ver van Mij.
Zij eren Mij, maar zonder zin,
en mensenwet is wat zij leren.
Gij laat het gebod van God varen
en houdt vast aan de overlevering van mensen!”
Daarop riep Hij het volk weer bij zich en sprak tot hen:
“Luistert allen naar Mij en wilt verstaan:
niets kan de mens bezoedelen
wat van buiten af in hem komt.
Maar wat uit de mens komt,
dat bezoedelt de mens.
Want uit het binnenste, uit het hart van de mensen
komen boze gedachten, ontucht, diefstal, moord,
echtbreuk, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog,
losbandigheid, afgunst, godslastering, trots, lichtzinnigheid.
Al die slechte dingen komen uit het binnenste
en bezoedelen de mens.”
Posts tonen met het label dominica XXII per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dominica XXII per annum. Alle posts tonen
zaterdag 28 augustus 2021
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Dominica XXII per annum. St. Augustinus. Dominus misertus est nostri. De Heer is ons genadig geweest.
Lectio altera
Ex Sermónibus
sancti Augustíni epíscopi
(Sermo 23A, 1-4: CCL 41, 321-323)
Tweede lezing
Uit de
Preken van de H. Augustinus, bisschop
(Sermo 23A, 1-4; CCL 41q,321-323)
De Heer is ons genadig
geweest
Gelukkig zijn wij, als wij,
wat wij horen en zingen, ook doen. Want ons horen is een zaad, maar ons doen is
de vrucht van het zaad. Nu ik dit vooruit gezegd heb, zou ik uw liefde willen
aanmanen om niet onvruchtbaar de kerk binnen te gaan door wél zoveel moois te
aanhoren maar niet goed te handelen. Want aan
Zijn genade danken wij ons heil, zoals de Apostel zegt: niet om de werken, opdat niemand zich zou
beroemen; want aan Zijn genade danken wij ons heil. Er ging immers (van
onze kant) geen goed leven aan vooraf, dat Hij vanuit den hoge beminde en
waarom Hij sprak: Laten wij die mensen tegemoet treden en helpen, want zij
leven zo voorbeeldig. Hem mishaagde ons leven, Hem mishaagde alles in ons wat
wij deden, maar Hem mishaagde niet wat Hijzelf in ons bewerkte. Derhalve, wat
wij deden, zal ons verwerpen; wat Hij deed, zal ons redden.
Wij waren dus niet goed.
Maar Hij ontfermde zich over ons en zond zijn Zoon om te sterven, niet voor de
goeden maar voor de slechten, niet voor rechtvaardigen maar voor goddelozen.
Want Christus is voor goddelozen
gestorven. En wat volgt er dan? Men
zal niet licht iemand winden, die zijn leven geeft voor een rechtvaardige, al
zou misschien iemand het wagen voor goeden te sterven. Er wordt misschien
iemand gevonden, die het waagt voor een goede te sterven. Maar wie wil er
sterven voor een slechte, een onrechtvaardige, een misdadiger, tenzij Christus
alleen, die zo rechtvaardig was, dat Hij ook onrechtvaardigen rechtvaardig
maakt?
Wij bezaten, mijn broeder,
hoegenaamd geen goede werken, alleen maar slechte. Hoewel de werken van de
mensen dusdanig waren, heeft zijn barmhartigheid de mensen niet in de steek
gelaten. En zo zond God zijn Zoon om ons vrij te kopen, niet met goud noch met
zilver maar met de prijs van zijn vergoten bloed, toen het onbevlekte Lam naar
de slachtbank werd geleid voor zijn besmeurde schapen, die wel besmeurd waren
maar niet geheel bedorven. Deze genade hebben wij ontvangen. Laten wij dan zo
leven, dat wij die genade waardig zijn en die genade geen onrecht aan doen.
Zulk een groot geneesheer kwam tot ons en vergaf ons al onze zonden. Als wij nu
opnieuw ziek willen worden, zullen wij niet alleen een verderf voor onszelf
worden, maar ook ondankbaar jegens de geneesheer.
Laten wij dus zijn wegen
volgen, die Hij ons toont, vooral de weg van de nederigheid, omdat Hij zelf
voor ons die Weg is geworden. Want Hij toont ons de weg van de nederigheid door
zijn geboden en maakt die voor ons gereed door voor ons te lijden. Om dus voor
ons te kunnen sterven, is het Woord,
dat niet sterven kon, Vlees geworden en
heeft onder ons gewoond. De ontsterfelijke nam de sterfelijkheid op Zich om
voor ons te sterven en om door zijn dood onze dood te doden.
Dat deed de Heer, dit heeft
Hij voor ons gedaan. De grote werd vernederd, de vernederde gedood, maar na
gedood te zijn is Hij ook verrezen en verheven om ons, die dood waren, niet in
de verwerping te laten, maar in Zich te verheffen door de verrijzenis uit de
doden, ons die Hij nu heeft verheven tot het geloof en de belijdenis van rechtvaardigen.
Dat gaf Hij ons als weg: de nederigheid. Als wij die beoefenen, zullen wij de
Heer belijden en niet zonder reden zingen: Wij
zullen U loven, o God, U loven en uw Naam aanroepen.
Collectegebed 22e zondag door het jaar - Zaai in onze harten de liefde voor Uw Naam
Het
is de “God van de Machten” en Krachten die in het collectegebed wordt
aangeroepen, de oneindig Volmaakte – deze “vergrotende trap” is niet toereikend
voor de oratie, zodat deze het nogmaals intensiveert: Die al het goede bezit”.
Het is een uitdrukking van de liefde, maar juist zij heeft tot gevolg dat om
die liefde wordt gebeden: “Plant in ons hart de liefde tot Uw Naam (d.i. tot
U). ”De liefde lijkt op een plant, die bestemd is tot groei en vrucht
voortbrengen. Haar groei is “vermeerdering van het geloof” in ons. Het
Altaarmissaal vertaalt religionis augmento met “toenemen van het goede” en legt
daarmee een link naar het begrip optimum in de openingszin van de oratie. Het
begrip optimum (“het beste”), toegepast op God, moet begrepen worden als “perfect”
of “volmaakt”.
De vrucht van de
liefde is alles, wat goed is. God Zelf is de Liefde en bezit juist daarom,
zoals het gebed zegt: “alles, wat het beste, alles wat volmaakt is.” De Liefde
voedt in ons alles, wat goed is, en laat uiteindelijk de vrucht rijpen, indien
de liefde blijft. Wij bidden: “Bewaar,
wat gevoed is.” We kunnen evengoed bidden: ”Bewaar in ons de liefde en de
vrucht van het goede, die zij belooft”. Hij, die de liefde en haar vrucht in
ons bewaart, gelijkt op de waakzame
wachter. De oratie ademt dat vertrouwen: “Hij, die u behoedt, slaapt niet. Nee,
de Herder van Israel slaapt niet en sluimert niet” (Ps 121, 3.4).
L i t u r g i s
c h e a n t e c e d e n t e n
Met kleine verschillen
is het collectegebed van de 22e zondag door het jaar gebaseerd op
een oratie in het Sacramentarium
Gelasianum (8e eeuw) en vervolgens op de collecta van de 6e
zondag na Pinksteren in het Romeins
Missaal van 1962.
T e k s t
Missale Romanum
– 1962
Deus virtutum, cuius est totum quod est optimum:
insere pectoribus nostris amorem tui nominis, et
præsta in nobis religionis augmentum;
ut, quæ sunt bona, nutrias, ac pietatis
studio, quæ sunt nutrita, custodias.
Missale Romanum
– 1970
Deus virtutum, cuius est totum quod est optimum:
insere pectoribus nostris tui nominis amorem, et
præsta,
ut in nobis religionis augmento, quæ sunt bona
nutrias, ac vigilanti studio, quæ sunt nutrita, custodias.
Altaarmissaal – 1979
Almachtige God, al het
goede komt van U. Vervul ons hart van liefde voor uw Naam. Laat in ons hart het
goede toenemen door een grotere ijver voor U en houd het in stand door uw
voortdurende zorg.
Letterlijke werkvertaling:
God van de heerscharen, van wie alles is, wat het beste is;
Zaai in onze harten de liefde voor Uw Naam en wek in ons een toename van verbondenheid [met U],
zodat U [dat], wat door de toename van verbondenheid [met U], goed is, voedt en
[zodat] U [dat], wat door onze onvermoeibare ijver, gevoed is, bewaart.
S t r u c t u u r
God van de heerscharen, van wie alles is, wat het beste is;
Zaai in onze harten de liefde voor Uw Naam en wek in ons een toename van verbondenheid [met U],
zodat U [dat], wat door de toename van verbondenheid [met U], goed is, voedt en
[zodat] U [dat], wat door onze onvermoeibare ijver, gevoed is, bewaart.
S t r u c t u u r
1.Deus
virtutum, cuius est totum quod est optimum:
Deus
– vocatiefvorm: God wordt aangeroepen als God van de heerscharen, waarmee een
van zijn hoedanigheden wordt uitgedrukt. De openingszin is een aaneenschakeling
van twee relatieve bijzinnen: cuius est totum
en quod est optimum. Parallelle zinsbouw:
relativum, verbum, naamwoord, waarbij de
superlativus optimum een bepaling is bij het
zelfstandige gebruikte adiectivum totum.
2.insere
pectoribus nostris tui nominis amorem, et præsta,
Hoofdzin
met de verba insere
en præsta in de imperatief en met amorem als object en tui
nominis als genitivus objectivus bij
amorem.
pectoribus nostris als bijwoordelijke bepaling in de ablativus: de eigenlijke bede.
pectoribus nostris als bijwoordelijke bepaling in de ablativus: de eigenlijke bede.
3. ut in nobis, religionis augmento, quæ sunt
bona nutrias, ac, vigilanti studio, quæ sunt nutrita, custodias.
Voor de
duidelijkheid kan de zin op de onderstaande wijze gelezen worden;
1. ut in nobis nutrias, augmento religionis, [ea]
quae sunt bona.
Het van ut
afhankelijk nutrias is naar voren gehaald,
gevolgd door de bijwoordelijke bepaling augmento
religionis (ablativus+genitivus) die aangeeft waardoor het goede in ons
ontstaat. Bij het relativum quæ ontbreekt
een antecedent. Men spreekt van een ingesloten antecedent. Men kan ea
(= die dingen) als object bij nutrias
aanvullen zodat het antecedent duidelijk wordt.
2. (ut) custodias, vigilanti studio, [ea] quæ
sunt nutrita.
Dezelfde opbouw als het eerste deel van de zin. Beide zinsdelen zijn gekoppeld door het nevenschikkende voegwoord ac.
De coniunctivus custodias is eveneens afhankelijk van ut dat hier weggelaten is.
Opnieuw mag ea als verzwegen object aangevuld worden, zodat er bij het relativum quæ een duidelijk antecedent staat. De bijwoordelijke bepaling vigilanti studio (hier een ablativus absolutus constructie met het tegenwoordige deelwoord vigilanti) drukt uit waardoor wij gevoed zijn.
Dezelfde opbouw als het eerste deel van de zin. Beide zinsdelen zijn gekoppeld door het nevenschikkende voegwoord ac.
De coniunctivus custodias is eveneens afhankelijk van ut dat hier weggelaten is.
Opnieuw mag ea als verzwegen object aangevuld worden, zodat er bij het relativum quæ een duidelijk antecedent staat. De bijwoordelijke bepaling vigilanti studio (hier een ablativus absolutus constructie met het tegenwoordige deelwoord vigilanti) drukt uit waardoor wij gevoed zijn.
Mooi is het
gebruik van het verbum nutrias (= voeden) in
het eerste zinsdeel, dat in het tweede deel van de zin als voltooid (nutrita = gevoed) wordt bewaakt en bewaard door de
Heer.
De halfzinnen 3.1
en 3.2 bevatten parallellen in klank: augmento…studio;
nutrias..custodias, quæ
sunt bona…quæ sunt nutrita : klankrijm aan het einde van het woord
(eindrijm).
C
o m m e n t a a r
Het
collectegebed nodigt uit tot overweging: God moet mijn alles zijn; begin,
vervolg en einde. Hij is de goede Tuinman van de tuin van mijn ziel ; Hij
“zaait” de liefde tot God in het hart. Hij geeft “wasdom” aan het zieleleven.
“Hij kweekt en verzorgt” de plantjes van de deugden, verwijdert het onkruid en
begiet; Hij “behoedt” het tegen de vijanden. God is de Zaaier, de Zon, de
Tuinman en de Behoeder van het leven der genade. God is sterk in ons. Hij stort
ons zijn liefde in en vermeerdert onze ijver voor zijn dienst [=godsdienst].
Hij doet het goede in ons gedijen een bewaart het door ons telkens tot de
Eucharistie te roepen, de Vrucht van de Verrijzenis.
De Katechismus van de Katholieke Kerk definieert "godsdienst" (religio)
als een set van overtuigingen en praktijken van hen die zich engageren
voor de dienst en de aanbidding van God. Het Eerste Gebod vraagt ons om in God
te geloven, Hem te aanbidden en te dienen, als eerste plicht van de deugd van
godsdienstigheid (cf ook CCC 2084, 2135).
De H. Thomas van Aquino († 1274)
zegt dat godsdienst de deugd is waarmee de mens
de verschuldigde eredienst en eerbied aan God als de Schepper en
opperste heerser van alle dingen (STh II-II, 81, 1 is) toont. We moeten onze
afhankelijkheid van God erkennen door Hem een verschuldigde en passende
eredienst te geven zowel innerlijk (bijvoorbeeld door daden van toewijding,
eerbied, dankzegging, enz.) als uiterlijk (bijvoorbeeld uitwendige eerbied,
liturgische handelingen, etc.). Tegen de deugd van godsdienst kan worden
gezondigd door afgoderij, bijgeloof, heiligschennis en godslastering. Als
schepsel moeten wij erkennen wie God is en dienovereenkomstig handelen, zowel
innerlijk als uiterlijk. Wanneer dit tenslotte gewoon voor ons wordt, dan
hebben we de deugd van godsdienst. Een deugd is een gewoonte. Een goede daad is
nog geen deugd en maakt ons niet deugdzaam.
Als het moeilijk voor ons is om voorzichtig of gematigd of eenvoudig,
enz. te zijn, dan hebben we nog niet de deugden. Onze vraag om godsdienstigheid of “verbondenheid” volgt
onmiddellijk uit onze wens dat God de liefde voor zijn Heilige Naam in ons hart
"zaait" (insere). Dan smeken we om door God met alle goede
dingen te worden gevoed als Hij in ons de godsdienstigheid of verbondenheid met
Hem verhoogt. Dit leidt tot de juiste innerlijke en uiterlijke handelingen die noodza-kelijkerwijs
voortvloeien uit het erkennen wie God echt is en wie we zijn.
We vinden in oude vertalingen van het Boek van de Psalmen in de Latijnse
Vulgaat dat Deus virtutum wordt weergegeven als: "God der
heerscharen". Het document van de
Heilige Stoel dat voorziet in de normen voor de liturgische vertalingen, Liturgiam authenticam (2001) zegt in nr. 51 dat
“een gebrek aan afwisseling in de vertaling van de aanspreekvormen voor God
zoals Domine, Deus, Omnipotens aeterne Deus, Pater
enzovoorts, of van woorden die iets van smeken uitdrukken, een vertaling
moeilijk kan maken en de rijkdom en schoonheid kan verduisteren waarmee in de
Latijnse tekst de verhouding tussen de gelovigen en God wordt aangegeven".
Deze moeilijkere bewoordingen verdienen te worden uitgediept.
Deus
virtutum - virtutum is genitief meervoud van virtus,
"mannelijkheid; sterkte, kracht; dapperheid, moed; oprechtheid,
bekwaamheid; macht", enzovoort. Virtutum is de vertaling van het Hebreeuwse
tsaba', dat “leger, oorlog, strijd, legermacht” betekent. Tsaba' wordt
toegepast op de heerscharen van engelen, op de legers van soldaten, en de
hemelse machten van zon, maan en sterren. In het Sanctus
van de Heilige Mis en in de grote hymne Te Deum
zingen wij in navolging van de ontelbare menigte van heiligen en engelen, die
gebogen staan voor Gods troon en nooit moe worden te herhalen in de hemelse
liturgie: “Heilig, Heilig, Heilig, de HEER. GOD SABAOTH... God van de
"hemelse heerscharen".
Lezingenofficie 22e zondag door het jaar 22e zondag door het jaar Liturgia Horarum
Lezingen van het Lezingenofficie
Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli
(1420-1497)
Eerste lezing
Uit het Boek van de profeet
Jeremia 11,18-20;12,1-13
De profeet stort zijn hart uit
De Heer
onthulde mij een plan waar ik geen weet van had; hij liet mij zien wat de
mannen uit Anatot
in de zin hadden. Daarvoor was ik zo
argeloos als een lam dat naar de slachtbank wordt geleid. Ik wist niet dat ze
tegen mij dit plan hadden gesmeed: ‘Laten wij die boom met al zijn vruchten
vellen, hem uit het land der levenden wegkappen, dan wordt zijn naam nooit meer
genoemd.’ ‘Maar, Heer
van de hemelse machten, rechtvaardige rechter, u die hart en nieren doorgrondt,
laat mij zien dat u zich op hen wreekt. U leg ik mijn zaak voor.’ Heer, u
staat altijd in uw recht als ik het tegen u opneem. Toch vraag ik, hoe
verantwoordt u dat boosdoeners in voorspoed leven, en trouwelozen rust
genieten? U hebt hen geplant, ze schoten wortel, liepen uit en droegen vrucht.
Ze hebben de mond vol van u, maar dragen u niet in het hart. Maar mij kent u,
Heer, u ziet mij, u weet dat ik u in mijn hart draag. Sleep die boosdoeners
weg, voer ze als schapen naar de slachtbank, zonder ze af om ze te laten doden.
Hoe lang nog zal de aarde treuren, zullen gras en bloemen verdorren? Het vee en
de vogels komen om door de wandaden van haar bewoners, die denken: Hij voorziet
niet hoe ons einde zal zijn.’ ‘Als het je al zwaar valt snelle lopers bij te
houden, kun je het dan tegen paarden opnemen?
Jij struikelt
al op het vlakke land, wat kun je dan beginnen in het struikgewas bij de
Jordaan? Ook je broers en zusters, je hele familie, zullen je laten vallen, ook
zij zullen je naschreeuwen. Vertrouw hen niet, al zijn ze nog zo vriendelijk.
Ik heb mijn volk verlaten, mijn bezit opgegeven, mijn zielsbeminde aan haar
vijanden overgeleverd. Mijn eigen volk werd als een leeuw in het bos, het
brulde tegen mij.
Daarom ben ik
het gaan haten. Mijn volk is een nest hyena’s, en gieren cirkelen eromheen.
Breng wilde dieren bijeen, laat ze komen om het te verslinden. Talloze herders
hebben mijn wijngaard vernield, mijn akker laten vertrappen. Ze hebben mijn
prachtige akker tot een troosteloze woestenij gemaakt. Hij is een wildernis
geworden, dor en verlaten ligt hij erbij. Heel het land is verwilderd, want
niemand bekommert zich erom. Op de kale heuvels in de woestijn doemen
vernietigende legers op, de Heer houdt een verslindend zwaard gereed. Niemand
is meer veilig, nergens in het land. Ze hebben tarwe gezaaid, maar distels
geoogst. Ze hebben tevergeefs gezwoegd, ze staan verslagen bij hun oogst, door
de brandende toorn van de Heer.
Tweede lezing
Uit de
Preken van de H. Augustinus, bisschop
De Heer is ons genadig geweest
Gelukkig zijn wij, als wij,
wat wij horen en zingen, ook doen. Want ons horen is een zaad, maar ons doen is
de vrucht van het zaad. Nu ik dit vooruit gezegd heb, zou ik uw liefde willen
aanmanen om niet onvruchtbaar de kerk binnen te gaan door wél zoveel moois te
aanhoren maar niet goed te handelen. Want aan
zijn genade danken wij ons heil, zoals de Apostel zegt: niet om de werken, opdat niemand zich zou
beroemen; want aan zijn genade danken wij ons heil. Er ging immers (van
onze kant) geen goed leven aan vooraf, dat Hij vanuit den hoge beminde en
waarom Hij sprak: Laten wij die mensen tegemoet treden en helpen, want zij
leven zo voorbeeldig. Hem mishaagde ons leven, Hem mishaagde alles in ons wat
wij deden, maar Hem mishaagde niet wat Hijzelf in ons bewerkte. Derhalve, wat
wij deden, zal ons verwerpen; wat Hij deed, zal ons redden.
Wij waren dus niet Goed.
Maar Hij ontfermde zich over ons en zond zijn Zoon om te sterven, niet voor de
goeden maar voor de slechten, niet voor rechtvaardigen maar voor goddelozen.
Want Christus is voor goddelozen
gestorven. En wat volgt er dan? Men
zal niet licht iemand winden, die zijn leven geeft voor een rechtvaardige, al
zou misschien iemand het wagen voor goede te sterven. Er wordt misschien
iemand gevonden, die het waagt voor een goede te sterven. Maar wie wil er
sterven voor een slechte, een onrechtvaardige, een misdadiger, tenzij Christus
alleen, die zo rechtvaardig was, dat Hij ook onrechtvaardigen rechtvaardig
maakt?
Wij bezaten, mijn broeder, hoegenaamd
geen goede werken, alleen maar slechte. Hoewel de werken van de mensen dusdanig
waren, heeft zijn barmhartigheid de mensen niet in de steek gelaten. En zo zond
God zijn Zoon om ons vrij te kopen, niet met goud noch met zilver maar met de
prijs van zijn vergoren bloed, toen het onbevlekte lam naar de slachtoffering
werd geleid voor zijn besmeurde schapen, die wel besmeurd waren maar niet
geheel bedorven. Deze genade hebben wij ontvangen. Laten wij dan zo leven, dat
wij die genade waardig zijn en die genade geen onrecht aan doen. Zulk een groot
geneesheer kwam tot ons en vergaf ons al onze zonden. Als wij nu opnieuw ziek
willen worden, zullen wij niet alleen een verderf voor onszelf worden, maar ook
ondankbaar jegens de geneesheer.
Laten wij dus zijn wegen
volgen, die Hij ons toont, vooral de weg van de nederigheid, omdat Hij zelf
voor ons die Weg is geworden. Want Hij toont ons de weg van de nederigheid door
zijn geboden en maakt die voor ons gereed door voor ons te lijden. Om dus voor
ons te kunnen sterven, is het Woord,
dat niet sterven kon, vlees geworden en
heeft onder ons gewoond. De ontsterfelijke nam de sterfelijkheid op Zich om
voor ons te sterven en om door zijn dood onze dood te doden.
Dat deed de Heer, dit heeft
Hij voor ons gedaan. De grote werd vernederd, de vernederde gedood, maar na
gedood te zijn is Hij ook verrezen en verheven om ons, die dood waren, niet in
de verwerping te laten, maar in Zich te verheffen door de verrijzenis uit de
doden, die Hij nu heeft verheven tot het geloof en de belijdenis van
rechtvaardigen. Dat gaf Hij ons als weg: de nederigheid. Als wij die beoefenen,
zullen wij de Heer belijden en niet zonder reden zingen: Wij zullen U loven, o God, U loven en uw naam aanroepen.
(Sermo 23A, 1-4: CCL 41, 321-323)
Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” 22e zondag per annum / door het jaar - Moge Uw kracht voltooien wat wij in dit mysterie vieren
Christus ontvangt brood en
wijn voor de H. Eucharistie
Moge Uw kracht voltooien wat wij in dit mysterie
vieren
I n l e i d i n g
In het Gebed over de gaven van deze zondag horen we
een elementaire notie van de Romeinse liturgie van de H. Eucharistie: : Moge
deze heilige offergave met kracht voltooien hetgeen in mysterie geschiedt:
Jezus Christus komt Zelf in de H. Eucharistie tegenwoordig, moge Hij ook in
zijn goedertierenheid zijn belofte aan ons vervullen.
Ook
al wordt niet expliciet gesproken over een heilige uitwisseling, niettemin staat deze gedachte op de
achtergrond van de oratie. Onze heilige offergaven liggen op de altaar en wij
bidden om de zegen die zij beloven. De offergaven worden Lichaam en Bloed van
onze Heer Jezus Christus onder de gedaanten van brood en wijn, het offer van
het Nieuwe Verbond. De ‘heilbrengende zegen’ (benedictionem salutarem) is het
liefdevolle antwoord van God op de liefde van zijn Zoon en zijn broeders, dat
in de Heilige Eucharistie in het licht wordt gesteld.
De
slotzin van de oratie concretiseert de bede om de zegen: wat de heilige gaven
in het eucharistisch Mysterie uitwerken, dat mogen zij in de kracht van de
Heilige Geest tot voltooiing brengen. Onder het teken van de offergaven
bewerken deze de deelname aan het eenmalige Offer van Christus, en wanneer de
Heer deze aanvaard en geconsacreerd heeft, bewerken zij als spijs het eeuwige
leven, zoals Christus heeft beloofd: “Als iemand van dit brood eet, zal hij
leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees ten bate van het
leven der wereld” (Jo 6, 51). Beide, zo bidt de oratie, mogen krachtvol tot
vervulling worden gebracht. De overgave in dit offer moge tot een overgave voor altijd worden bij de voleinding
van de wereld. Als teken van spijziging en leven verlenen zij ons in dit leven
onze heiliging en innige vereniging met Christus en hierna de onsterfelijkheid,
het eeuwige leven in en bij God.
T
e k s t
Missale
Romanum – 1970
Benedictionem
nobis, Domine, conferat salutarem sacra semper oblatio,
ut, quod agit
mysterio, virtute perficiat.
Altaarmissaal
Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, laat dit heilig offer ons voortdurend
tot zegen en heil zijn;
Werkvertaling
Moge het heilig
Offer, Heer, ons steeds uw heilzame zegen schenken,
opdat het [Offer]
door uw kracht voltooit, wat het in het mysterie bewerkstelligt.
L i t u r g i s c h e a n t e c e d e n t e n
De brontekst van deze oratie is identiek is aan de Secreta van de 2e
zondag na Pasen in het Missale Romanum 1962, 81.
Deze wordt met een kleine variant – de positie van nobis achter Domine - reeds aangetroffen in het
Sacramentarium Gelasianum Vetus (Vat. Reg. lat. 316, 1e helft van de
8e eeuw), 543 en is sindsdien in vele manuscripten verspreid over het Europese
vasteland en de Angelsaksische eilanden.
(E. Moeller, J.M. Clément en B.
Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, I, A-C, Brepols, Turnhout 1992, nr. 499,
p. 257-258)
S t r u c t u u r a
n a l y s e e n s t i j l f i g u r e n
1. Benedictionem nobis,
Domine, conferat salutarem sacra semper oblatio,
2a. ut, 3. quod
agit mysterio, 2b. virtute perficiat.
Het
Gebed over de gaven – in compact en fraai liturgisch Latijn - bestaat uit één
enkele zin, opgebouwd uit een hoofdzin (r. 1) die een eerste bede bevat en
derhalve coniunctief van karakter is (conferat, coniunctivus optativus),
gevolgd door een finale/doelaanwijzende resp. consecutieve/gevolgaanduidende
bijzin, ingeleid door het voegwoord ut (2a) die een tweede bede behelst
(perficiat, coniunctivus optativus) (2a) en waarin een afhankelijke bijzin in
de indicativus (quod agit) (r. 3) is ingebouwd, welke verwijst naar de
geloofswaarheid en essentie van de H. Eucharistie: het mysterie waarbij figura transit in veritatem, de
voorafbeelding heeft plaatsgemaakt voor de waarheid, de oude offerritus tot
vervulling is gekomen en door de gave van de liefde van Gods Zoon voor altijd
is overtroffen.
Ad 1
Conferat,
moge hij/zij/het bijdragen tot – prædicaat in de coniunctivus præsentis activi
van het verbum conferre, -tuli,- latum met betekenissen 1. bijeendragen, dragen
2. bijdragen tot 3. vergelijken 4. overwegen, 5. zich aansluiten bij.
Sacra oblatio, het heilige offer, subject
van het prædicaat in twee congruerende nominativusvormen van het substantivum
oblatio, - onis en het adiectivum sacer, sacra, sacrum, een hyperbaton vormend
door de uiteenplaatsing vanwege het bijwoord semper.
Domine [o] Heer, - anaklese van Dominus in
de vocativusvorm.
Semper, altijd, steeds, - bijwoordelijke
bepaling van tijd.
Nobis, aan/voor ons, - bijwoordelijke
bepaling in de dativusvorm van het pronomen personale nos (dativus commodi, van
voordeel)
Benedictionem salutarem, heilzame zegen –
object van het prædicaat in twee congruerende accusativusvormen, wederom
samengesteld uit een substantivum benedictio, - onis en een adiectivum salutaris,
-e, heilzaam, reddend, in een volgend hyperbaton uiteengeplaatst.
Door de nominativus - en accusativusvormen
van de substantivi en adiectivi van deze zin sacra oblatio en benedictionem
salutarem onder elkaar te plaatsen merkt men een kruisstelling (chiasme) op.
Voorts vormt de woordentrits ‘salutarem sacra semper’ een fraaie, klankrijke
alliteratie.
Ad 2a-2b
Finale/consecutieve bijzin, ingeleid door
het voegwoord ut, met het prædicaat perficiat in de 3e pers.
enkelvoud præsentis activi van de coniunctivus vanwege het wens-,
gebedskarakter; moge het verwezenlijken. Het bijbehorende subject, hier
verzwegen, is oblatio van regel 3.
Virtute, door/met de kracht, -
bijwoordelijke bepaling bij het prædicaat in de ablativusvorm van virtus, -
tutis f. : ablativus causæ.
Voor de betekenissen van virtus zie verder
beneden.
Ad 3
quod agit mysterio, wat het in het mysterie
bewerkstelligt - . Afhankelijke bijzin met
prædicaat agit in de indicativus in de 3e
pers. enkelvoud præsentis activi van agere, -egi, actum, omdat het om een voor
christenen feitelijke geloofswaarheid gaat.
Quod,
wat, hetgeeen – reflexivumvorm van qui, quæ, quod dat refereert naar het
verzwegen id in het zinsdeel ut, […] virtute perficiat (r. 2a-2b): opdat het
[Offer] door uw
kracht [dat] voltooit, wat het [Offer] in het mysterie bewerkstelligt.
Mysterio,
door/met, ‘in’, ‘onder’, bijwoordelijke bepaling bij agit in de ablativusvorm
van mysterium, - i, n. : ablativus modi die de wijze waarop aanduidt.
Wanneer men de tekstparen agit mysterio en
virtute perficiat onder elkaar plaatst vindt men een tweede kruisstelling gevormd
door de werkwoordsvormen agit – perficiat en de substantivi mysterio en
virtute.
V o c a b u l a r i u m
Conferre,
- tuli, - latum. We kennen vele van dit verbum afgeleide uitdrukkingen,
bijvoorbeeld conferentie: voordracht op grond van bijeengebrachte stof; de
afkorting cfr van de coniuntivusvorm 'conferatur'
wat betekent 'het worde vergeleken met'. Ook het Franse cf, 'confer' is daarvan afgeleid`; collatie:
o.a. 1. de vergelijking van een kopie met een origineel in de literatuur; 2.
collatierecht: recht van benoeming van een geestelijke en 3. in de monastieke
wereld: de bijeengebrachte stof voor geestelijke gesprekken (collatieboeken),
ook gebruikt lezing bij de sobere maaltijd op vrijdag en andere vastendagen. Zo
kreeg genoemde ‘sobere maaltijd’ ook zelf de naam van collatie, waaraan de
zegen bij het tafelgebed nog herinnert: ‘Collationem servorum suorum benedicat
Christus Rex angelorum’ – Moge Christus, de Koning van de engelen, deze
collatie van zijn dienaren zegenen.
Perficere, perfeci,
perfectum: gereedmaken, voleinden,tot stand brengen, verwezenlijken. Van het
participium perfecti passivi zijn de “Nederlandse” begrippen perfect en
perfectie afgeleid. De tweede vorm van de stamtijden der werkwoorden in het
Latijn, in dit geval perfeci, wordt het perfectum genoemd, de voltooid
tegenwoordige tijd.
Virtus, -utis f.
heeft een rijk scala aan betekenissen: 1. manhaftigheid, dapperheid, moed,
standvastigheid 2. voortreffelijkheid, deugdelijkheid 3. deugd, deugdzaamheid
4. kracht, macht, werkdadigheid 5. wilskracht, vastberadenheid 6. meestal
pl.: strijdkrachten, troepen, legerschaar 7. wonderkracht, en pl.: wonderdaden,
wonderwerken 8. muur, stadsmuur 9. vermogen 10. troon 11. Virtutes, um pl., de
Krachten (een van de Engelenkoren).
In de klassieke betekenis had het woord virtus in
het gewone spraakgebruik een dynamische betekenis, inb de zin van miraculeuze
of magische kracht, welk begrip zich, hiervan afgeleid, ontwikkelde tot moed,
durf.
In het christelijk Latijn staat virtus voor de
bovennatuurlijke kracht van God die tot uitdrukking komt in wonderbaarlijke
effecten.
De kracht van God staat in schril contrast tot de
menselijke fysieke zwakte, bijvoorbeeld: ‘auxilii tui super infirmos famulos
tuos ostende virtutem’ – toon de kracht van uw bijstand aan uw dienaars die
ziek zijn (MR 1970, 817: misformulier voor de zieken, postcommunio).
De kracht van God staat opnieuw in groot contrast
met morele zwakheid, zoals aan de orde gesteld in het Gebed over de gelovigen
(Super populum) op vrijdag na de 4e zondag van de Vasten (MR 1962):
‘Qui infirmitatis nostræ conscii, de tua virtute confidimus’- In het besef van onze zwakheid, vertrouwen wij
op uw kracht.
Het begrip virtus is nauw verbonden met God Zelf.
Virtus is een geschikt begrip om tot uitdrukking te brengen dat de innerlijke
werkzaamheid van de cultische handeling van goddelijke natuur is.
Die ‘virtus operans’, werkzame en heiligende
kracht, die in de Consecratie de offergaven tot Lichaam en Bloed maakt van
Jezus Christus onze Heer wordt gewoonlijk toegeschreven aan de Heilige Geest.
In het 2e Eucharistische Gebed wordt
deze omschreven als ‘Hæc dona Spiritus tui rore sanctifica’, heilig deze
gaven met de dauw van uw Heilige Geest.
In het 3e Eucharistische Gebed als
werkdadige kracht: ‘quia per Filium Dominum Iesum Christum Spiritus Sancti operante
virtute vivificas et sanctifices universa…’ want door Jezus Christus, uw
Zoon, onze Heer, maakt gij alles levend en heilig; en: ‘…deprecamur, ut hæc
munera, quæ tibi sacranda detulimus, eodem Spiritu sanctificare digneris’ -
vragen wij U deze te heiligen door uw Geest. Even verder: als de Kracht die
eenheid bewerkt: ‘“.. Spiritu eius Sancti repleti, unum corpus et unus spiritus
inveniamur in Christo’, opdat wij, vervuld van zijn Heilige Geest, als één
lichaam en één geest bevonden worden in Christus.
In het 4e Eucharistische Gebed wordt
gerefereerd aan de Menswording van Christus: ‘… incarnatus de Spiritu Sancto’, - Hij is mens geworden
door de Heilige Geest; aan de zending van de H. Geest: ‘…misit Spiritum
Sanctum..qui opus suum in mundo perficiens, omnem sanctificatuionem
complereret’ – zond Hij de Heilige Geest om zijn werk iun deze wereld te voltooien:
onze heiligmaking ten einde toe. Vervolgens in het gebed ‘Respice, Domine…’; ‘…
in unum corpus a Sancto Spiritu congregati’ – door uw Heilige Geest tot één lichaam
woirden verzameld; en ook in het Gebed ‘Domine Iesu Christe’vlak voor de
H.Communie: ‘…qui ex voluntate Patris, cooperante Spiritu Sancto..’- die op
grond van de wil van de Vader met medewerking van de Heilige Geest.
C o m m e n t a a
r
In
de vertaling van het Nederlandse Altaarmissaal is helaas het afgeleid verband
tussen de twee bedes verloren gegaan. In de Latijnse brontekst wordt de zegen
die over het Offer wordt gevraagd verbijzonderd zodanig dat de H. Eucharistie
hier en nu uiteindelijk aan het einde der tijden door de kracht van de Heilige
Geest haar voltooiing zal vinden.
Het
sacramentele Offer van de Eucharistie is niet alleen een gebeurtenis hier en nu,
maar het uiteindelijke doel van de
universele heilsgeschiedenis: Christus heri, hodie et in sæculum, Christus,
gisteren, vandaag en in eeuwigheid.
“Heer Jezus, wij verkondigen uw dood en wij
belijden tot gij wederkeert, dat Gij verrezen zijt” (Mortem tuam annuntiamus,
Domine, et tuam resurrectionem confitemur, donec venias). In deze tekst, de
meest bekende acclamatie na de Consecratie, wordt de verbinding gelegd tussen
het H. Misoffer hier en nu en het universele Offer van Christus. Met deze
acclamatie bevestigen de gelovigen niet alleen hun geloof in de daadwerkelijke
tegenwoordigheid van Christus in de Eucharistische Gedaanten maar ook hun
geloof dat Christus, Heer en Meester is
van alle tijden en van alle plaatsen, die hij zal voltooien en met zich
verenigen aan het einde der tijden, waarvan hij alleen dag en uur kent.
De Kerk vraagt dat hetgeen de Eucharistie
in het heden geeft, het heden mag heiligen voor altijd, en dat dit mag strekken
tot verlossing in alle tijden.
De
H. Mis is de dagelijkse commemoratie (gedachtenis) van het Paasmysterie in zijn
Eucharistische Aanbidding van God. Dit komt treffend tot uitdrukking in de
helaas weinig gebruikte derde acclamatie die het MR 1970 geeft na de
Consecratie: ‘Salvator mundi, salva nos, qui per crucem et resurrectionem tuam
liberasti nos’- Redder van de wereld, bevrijd ons, Gij die ons hebt verlost
door uw kruis en verrijzenis. Dit perspectief onderstreept de visie op de H. Eucharistie
als ‘sacrificum laudis’ – Offer van lof.
De
H. Eucharistie bevat en drukt alle vormen van gebed uit: zij is ‘de zuivere
offerande’ van het hele Lichaam van Christus ‘tot glorie van zijn Naam’ (vgl.
Mal 1, 11); zij is volgens de tradities van het Oosten en het Westen ‘hèt offer
van lofprijzing’ (cf KKK 2643).
Als
wij bidden met de juiste houding, in het bijzonder tijdens de H. Mis, voor het
offeraltaar, hoopvol gekeerd naar het liturgische Oosten, met de priester als
bemiddelaar, vult Christus aan wat wij zelf niet kunnen (mysterium en virtus). Hij
neemt ons hart, onze geest, stem en gebaren en maakt deze tot de Zijne, zodat
ze worden gebracht bij de troon van de barmhartige Vader.
Sint Augustinus (+430) zegt dat “Jezus voor
ons bidt als onze Priester, in ons bidt als ons Hoofd en door ons aanbeden
wordt als onze God. Laten wij daaarom onze stem erkennen in Hem en die van Hem
in ons” (Enarr. in Ps 85, 1).
De H. Mis is geheel betrokken op wat
Christus voor ons doet. De H. Mis is een sacramentele handeling waarin God de
voornaamste Actor (handelende partij) is. Door ons Doopsel nemen we actief deel
aan Zijn gewijde handeling. Christus is het hoofd, wij zijn het Lichaam. Hij
neemt onze stemmen en maakt die tot de Zijne. Onze handelingen worden de Zijne.
We moeten daarom nooit misbruik maken van
de liturgie en die dus niet aanpassen aan onze voorkeuren van dat moment.
Op grond van het gezag van Christus geeft
de Kerk ons de H. Eucharistie. Alleen de Kerk voorziet in de juiste gebeden en
rubrieken (voorschriften),
Als wij bidden zoals de H. Kerk dat
voorschrift, als wij onze wil richten naar de wil van de Kerk, klinken onze
aardse stemmen in één koor met de hemelse stemmen en die van de Kerk, stem van
de Verrezen Christus.
Abonneren op:
Posts (Atom)





