Posts tonen met het label dominica XXI per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dominica XXI per annum. Alle posts tonen

zaterdag 21 augustus 2021

Lezingen H. Mis 21e zondag door het jaar (B) - Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven.

Eerste lezing (Joz. 24, 1-2a.15-17.18b).
In die dagen riep Jozua alle stammen van Israël in Sichem bijeen,
met de oudsten van Israël, de familiehoofden,
de rechters en de schrijvers.
Toen zij voor God stonden, richtte Jozua zich tot het volk en sprak:
“Zo spreekt de Heer God van Israël:
Als gij de Heer niet wilt dienen,
kies dan nu wie gij wel dienen wilt:
de goden die uw voorouders aan de overkant van de Rivier
hebben vereerd
of de goden van de Amorieten, in wier land gij woont.
Ik en mijn familie, wij dienen de Heer.”
Het volk antwoordde:
“Wij denken er niet aan de Heer te verlaten en andere goden te vereren.
De Heer onze God heeft ons en onze vaderen uit Egypte geleid,
uit het land van de slavernij.
Hij heeft voor onze ogen grote tekenen verricht
en ons beschermd op al onze tochten
en tegen alle volken waarmee wij in aanraking kwamen.
Ook wij willen de Heer dienen,
Hij is onze God.”

Tweede lezing (Ef 5, 21-32)
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Efeze.
Broeders en zusters,
weest elkander onderdanig uit ontzag voor Christus.
Vrouwen, weest onderdanig aan uw man als aan de Heer.
Want de man is het hoofd van de vrouw,
zoals Christus het hoofd is van de kerk.
Hij is ook de Verlosser van zijn lichaam;
maar zoals de kerk onderdanig is aan Christus,
zo moet ook de vrouw haar man in alles onderdanig zijn.
Mannen,
hebt uw vrouw lief, zoals Christus de kerk heeft liefgehad;
Hij heeft zich voor haar overgeleverd om haar te heiligen,
haar reinigend door het waterbad van het woord.
Hij heeft de kerk tot zich gevoerd als een heerlijke bruid,
zonder vlek of rimpel of fout,
heilig en onbesmet.
Zo moeten ook de mannen hun vrouwen liefhebben,
zoals ze hun eigen lichaam liefhebben.
Wie zijn vrouw bemint, bemint zichzelf.
Niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat;
integendeel, hij voedt en koestert het.
En zo doet Christus met de kerk,
omdat wij ledematen zijn van zijn lichaam.
“Daarom zal de man vader en moeder verlaten
om zich te hechten aan zijn vrouw
en die twee zullen één vlees zijn.”
Dit geheim heeft een diepe zin.
Ik voor mij betrek het op Christus en de kerk.

Evangelie (Joh 6, 60-69)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
In die tijd zeiden velen van Jezus’ leerlingen:
“Deze taal stuit iemand tegen de borst.
Wie is nog in staat naar Hem te luisteren?”
Maar Jezus,
die uit zichzelf wist dat zijn leerlingen daarover morden,
vroeg hun:
“Neemt gij daar aanstoot aan?
Als gij dan de Mensenzoon ziet opstijgen
naar waar Hij vroeger was?
Het is de geest, die levend maakt,
het vlees is van geen nut.
De woorden, die Ik tot u gesproken heb,
zijn geest en leven.
Maar er zijn er onder u,
die geen geloof hebben.”
- Jezus wist inderdaad van het begin af aan
wie het waren die niet geloofden
en wie Hem zouden overleveren. -
Hij voegde er aan toe:
“Daarom heb Ik u gezegd,
dat niemand tot Mij kan komen
als het hem niet door de Vader gegeven is.”
Tengevolge hiervan
trokken velen van zijn leerlingen zich terug
en verlieten zijn gezelschap.
Waarop Jezus aan de twaalf vroeg:
“Wilt ook gij soms weggaan?”
Simon Petrus antwoordde Hem:
“Heer, naar wie zouden wij gaan?
Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven
en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt.”

Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica XXI per annum 21e zondag door het jaar Geef dat wij zo leven om U in alles welgevallig te kunnen zijn.


Het Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)

Geef dat wij zo leven om U in alles welgevallig te kunnen zijn

I n l e i d i n g
De H. Eucharistie heeft een centrale plaats in het leven van de christen. Uit de liturgie van de Kerk en vooral uit de H. Eucharistie stroomt ons als uit een levende bron genade toe  en worden op de meest krachtdadige wijze de heiliging van de mensen en de verheerlijking van God in Christus verwerkelijkt (cf Constitutie over de H. Liturgie, 10). In de H. Eucharistie schenkt God ons het ware manna, waarop de mensheid wacht, het ‘Brood uit de hemel’ dat ons ten diepste leven geeft.
Het is daarom niet verwonderlijk dat het eucharistische Brood in de eucharistische gebeden als remedie, als heelmiddel voor het innerlijk leven van de mens wordt beschouwd.
Elke biddende persoon weet dat zijn hart in veel opzichten gewond is. Hij weet hoe ver hij nog van de volkomen genezing verwijderd is en bidt daarom de barmhartige God, hem als de barmhartige Samaritaan door middel van de heilige Eucharistie de volle genezing te schenken.
De wonden waarvan de oratie spreekt zijn vooral de zonden die onze ziel verhinderen vrij op te stijgen tot het onverstoorbare licht van God, waardoor wij God niet optimaal kunnen behagen. Ons hart, misvormd door de zonden, kunnen we niet zelf hervormen. Van de H. Communie verhopen wij daarom genezing, herstel van onze innige betrekking met God en zijn duurzame hulp, zodat wij Hem welgevallig kunnen zijn als “candor lucis æternæ”,  als een afstraling van het eeuwige licht, zoals zijn geliefde Zoon dat is.

T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Plenum, quæsumus, Domine, in nobis remedium tuæ miserationis operare,
ac tales nos esse perfice propitius et sic foveri,
ut tibi in omnibus placere valeamus.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Heer, laat ons in uw barmhartigheid uw heilzame kracht ten volle ervaren.
omring ons met uw zorg om zó te leven
dat wij U in alles welgevallig kunnen zijn.

Werkvertaling
Werk, vragen wij [U], Heer, het heilmiddel van uw erbarming ten volle in ons uit,
en verwezenlijk  in uw goedheid dat wij zó leven en zó worden gekoesterd,
dat wij U in alles kunnen behagen.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
De brontekst van de Postcommunio [PC] van deze zondag vinden we in het Sacramentarium Gelasianum Vetus (Vat. Reg. lat. 316) 773, eerste helft achtste eeuw en daarnaast in de Codices Avignon, Bibl. Mun. 136, f. 259  en Roma, Vatic. Ottob. Lat. 356: Missaal van de Romeinse Curie,  259, 14e eeuw, onder de rubriek: Orationes de episcopis ordinandis post communionem, met minimale tekstvarianten. Ook in de Codex Metz, Biblioth. Munic., 334 (11e eeuw), f. 185. In MR 1962, 822 vinden we de tekst als postcommunio van het misformulier: In consecratione episcopi, Bij de wijding van een bisschop. 
(E. Mœller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, VI, O-P, Brepols, Turnhout 1996, p. 257, nr. 4279).

G e t u i g e n i s s e n  v a n  d e  V a d e r s
Ignatius van Antiochië, bisschop en martelaar,+ 107:
“…terwijl gij één brood breekt, dat het geneesmiddel tot onsterfelijkheid is, een tegengif waardoor wij niet sterven, maar in Jezus Christus leven voor eeuwig”.
Brief aan de Efesiërs. 20,2
Ambrosius, bisschop van Milaan en kerkvader (339-397):
“Zo dikwijls als wij dit sacrament ontvangen, verkondigen wij de Dood des Heren. Als wij zijn Dood verkondigen, dan ook de vergiffenis der zonden. Als zijn Bloed,  telkens wanneer het vergoten wordt, tot vergiffenis der zonden vergoten wordt, moet ik het ook steeds weer ontvangen, opdat het mij steeds weer mijn zonde vergeve. Omdat ik steeds weer zondig, moet ik steeds weer een geneesmiddel hebben.”
De Sacramentis, IV
“Wie een wonde heeft zoekt een geneesmiddel. De wonde is, dat wij aan de zonde zijn onderworpen, het geneesmiddel is het hemels en eerbiedwaardig sacrament van het Lichaam en Bloed van Christus”.
De Sacramentis, V

Augustinus, bisschop van Hippo en kerkvader (354-430):
 “Wie mijn Vlees eet en mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en ik in Hem” ( Jo 6,57) […]
Gij kunt dus slechts dan goed leven, als Hij u helpt, als Hij het u geeft, als Hij het u schenkt. Daarom: bidt en eet. Bidt, dan zult gij bevrijd worden van deze moeilijkheden. Hij zal u immers verzadigen (en u helpen) zowel bij het goed doen, als bij het goed leven”.
Uit:  Sermo Mai 129.Over Johannes 6, 51-58.

Johannes Chrysostomus, bisschop van Antiochië en Constantinopel, kerkvader (344-407):
“Geen brood is zo noodzakelijk, als hetgeen ons hier wordt geboden. […] Wat u aan deze dis wordt voorgezet is een heilzame artsenij voor de wonden der ziel; het is een onuitputtelijke schat, de sleutel van het rijk der hemelen”.
Uit: Homilia in Nativitate Christi, Kerstdag 386 te Antiochië.

T e x t u e l e  a n a l y s e
1a. Plenum, quæsumus, Domine, in nobis remedium tuæ miserationis operare,
1b. ac tales nos esse perfice propitius et sic foveri,
2. ut tibi in omnibus placere valeamus.

Deze klankrijke oratie leent zich met name door de welluidende slotlettergrepen op – are, (r. 1a), op – eri (r. 1b) en op – amus (r. 2) uitstekend om in de eigen zang van de Kerk, het gregoriaans, te worden gezongen. En dat ligt voor de hand daar het de postcommuniotekst van het misformulier voor de bisschopswijding betreft, dat bestemd is voor een grote plechtigheid waar de gehele gelovige gemeenschap bijeenkomt en in volle waardigheid viert.

De oratie bestaat uit één doorlopende zin, op te splitsen in een hoofdzin, die weer uiteenvalt in twee nevengeschikte halfzinnen verbonden door de coniunctie ac (= en, maar ook, en ook), waarin een tweeledige bede is vervat in de imperativusvormen operare en perfice. De hoofdzin wordt gevolgd door een finale/doelaanwijzende of consecutieve/gevolgaanduidende bijzin in de coniunctivusvorm, ingeleid door het voegwoord ut, waarmee het verhoopte effect van de bede, c.q. van het ontvangen van de H. Communie, wordt uitgedrukt.

Ad 1a 
Operare, bewerk/werk uit - prædicaat in de imperativusvorm van het deponens operari, operatus sum, - bezig zijn met, arbeiden, werken, beschouwen.
Domine, [o] Heer, - aanspreektitel in de vocativusvorm van Dominus.
Quæsumus, vragen/bidden wij – tussenzin van op zichzelf staand prædicaat. De functie van quæsumus is reeds dikwijls besproken.
Plenum remedium tuæ miserationis, het volle heilmiddel (letterlijk) van uw erbarmen – object bij het prædicaat in de accusativusvorm van de congruerende begrippen plenum en remedium gevolgd door de bijvoeglijke bepaling tuæ miserationis in de genitivusvorm: genitivus explicativus / qualitatis.
In nobis, in ons – bijwoordelijke bepaling in de ablativusvorm van nos, bepaald door de præpositie in (+ abl.): ablativus loci.
Ad 1b
Perfice, verwezenlijk – prædicaat in de imperativusvorm van het verbum perficere, perfeci, perfectum, 3, een werkwoord  met veel betekenissen(zie vocabularium).
Tales nos esse en et sic foveri ; dat wij zo(danig) zijn/leven en zo worden gekoesterd: twee a.c.i.-constructies waarbij ook de accusativusvorm nos bij de infinitivus passivi foveri getrokken kan worden.
Propitius, welwillend, in uw goedheid, - bijwoordelijke bepaling bij het prædicaat perfice.
Ad 2
Valeamus placere, [op-/zodat] wij kunnen behagen – prædicaat in de coniunctivusvorm vanwege het voegwoord ut en derhale het consecutieve of finale karakter. Het hulpwerkwoord valeamus wordt gevolgd door de infinitief placere.
Valere, valui (valiturus), 2, heeft betekenissen als: 1. krachtig, sterk, gezond zijn; hiervan afgeleid vale, valete! Gegroet, vaarwel! Vale herinnert u zich uit de Maria-antifoon Ave, Regina cælorum: “vale, o valde decora, et pro nobis Christum exora”, gegroet, o wonderschone, en bid Christus voor ons.  2. macht, invloed hebben 3. gelden, waard zijn 4. vermogen, kunnen.  
Tibi, [aan] U, - bijwoordelijke bepaling in de dativusvorm (dativus commodi, van voordeel).
Bij het verbum placere, iemand behagen / behagen aan, staat het object gewoonlijk in de dativusvorm.
In omnibus, in alles, - bijwoordelijke bepaling, gevormd door het præpositum in dat de  ablativusvorm regeert: ablativus respectus / limitationis.
S t i j l f i g u r e n
Hyberbaton (uiteenplaatsing van bij elkaar horende begrippen): plenum […] remedium (r. 1a)
Klank- en eindrijm in plenum en remedium (regel 1a).
Klank- en eindrijm in quæsumus (r. 1a), propitius (r. 1b), omnibus en valeamus (r. 2).
Antithese van nobis en tuæ (r. 1a).
Alliteratie van perfice  en propitius (r. 1b).
A.c.i. (accusativus cum infinitivo)-constructie ac tales nos esse et sic foveri (r. 2)

K l e i n  v o c a b u l a r i  u m
Remedium, -I, (onz.)
Een aantal begrippen uit de tekst van de Postcommunio van deze zondag werd reeds besproken. Daarom kijken we deze keer naar het begrip remedium.
In het Nederlands heeft ‘remedie’ de volgende betekenissen: 1) artsenijmiddel 2) geneesmethode 3) geneesmiddel 4) geneesproces 5) geneeswijze 6) herstelmiddel 7) hulpmiddel 8) kuur 9) medicament 10) medicijn 11) middel 12) middel tot herstel 13) oplossing.
Basaal heeft het begrip dus een medische betekenis, vooral met de connotaties “tegengif”of “van voorbehoedende, preventieve aard” en kreeg vervolgens een algemene betekenis als middel dat bedoeld is om iets dat ongewenst is te verbeteren of te voorkomen.’

De woorden remedium, medicina, medela en medicatio komen herhaaldelijk terug in de teksten van de postcommunio, prefatie en soms in het gebed over de gaven en drukken een van de vele (te) ontvangen genadegaven in de H. Communie uit alsook hun effect of uitwerking in het leven van de ontvanger. De vertaling van het begrip zoals bedoeld in de oraties laat zich dus het best afleiden uit de context.
Dat het medische concept prevaleert geldt zeker voor de volgende tekstfragmenten:
“sanctifiationis tuis […] remedia nobis æterna proveniant”, mogen uw heiligende gaven…voor ons hulpmiddelen zijn ter eeuwige zaligheid (Postcomm. Sacramentarium Leonianum, 44,10 en 17e zondag na Pinksteren, MR 1962): definitieve genezing van onze ondeugden in het eeuwig leven;
“de munere temporalis fiat nobis remedium sempiternum”, […] van een gave in de tijd worde het ons een geneesmiddel voor de eeuwigheid (Postcomm. donderdag na Passiezondag, MR 1962);
“Sumpto […] unico ac salutari remedio, Corpore en Sanguine tuo pretioso”, nu wij het enig en zaligmakend heilmiddel, uw kostbaar Lichaam en Bloed, hebben genuttigd (postcommunio 22 juli, H.Maria Magdalena, MR 1962).

In het eerste collectegebed van Quatertemperwoensdag  in september (MR 1962) wordt de barmhartigheid van God als heilmiddel beschouwd: “Misericordæ tuæ remediis […] fragilitas nostra subsistat”, moge onze zwakke natuur standhouden door de heilmiddelen van uw barmhartigheid.

In de secreta van het misformulier Voor de overledenen (MR 1962) wordt genezende kracht toegeschreven aan het H. Misoffer: “Munera […] quæ tibi pro anima famuli tui N. offerimus, placatus intende; ut remediis purgata cælestibus, in tua pietate requiescat”, zie genadig neer op de gaven die wij U voor de ziel van uw dienaar N. aanbieden, opdat zij [de ziel], gezuiverd door hemelse heelmiddelen, in uw liefde moge rusten.
In de postcommunio van het misformulier Ten tijde van oorlog (MR 1962) heeft ‘remedium’ een morele strekking: “ut tranquillitate pacis tua potestate servata, ad remedia correctionis utamur”, opdat wij de rust van de vrede, die door uw macht wordt bewaard, als een geneesmiddel tot verbetering gebruiken.
De volgende uitdrukkingen komen als uitwerking van de H. Eucharistie/H. Communie frequent in de oraties voor:
“remedium sempiternum”, geneesmiddel voor de eeuwigheid (zie boven);
“remedia æterna”, geneesmiddelen voor de eeuwigheid (postcomm. quatertemperzaterdag Vasten MR 1962);
“remedium […] perpetuæ (æternæ) salutis”, heilmiddel ter eeuwige zaligheid (secreta 11 sept. MR 1962).

De H. Eucharistie is  - zoals we onlangs zagen in de Inleiding van de Postcommunio van de 19e zondag door het jaar – door de H. Ignatius van Antiochië beschreven als φάρμακον άθανασίας / phármakon athanasfas, een heilmiddel voor onsterfelijkheid, een wijd verspreide medisch-technische term voor een zalving als panacee tegen ziektes, die iemand dus onsterfelijk maakte. Tegenover deze heidense theorie stelde Ignatius dat er slechts één enkel Brood is als heilmiddel voor onsterfelijkheid, namelijk het Brood waaronder het verheerlijkte en onsterfelijke Lichaam van Christus schuil gaat. De H. Eucharistie is het heilmiddel bij uitstek dat de onsterfelijkheid herstelt die verloren ging door de zonde. Ofschoon adjectieven als “æternum” en “sempiternum” lijken aan te tonen dat “remedium” onsterfelijkheid betekent in eschatologische zin, is dit ook reeds een realiteit in het aardse leven.  Uitdrukkingen als “temporalis vitæ nobis remedia præbeant, et æternæ”, dat zij [de HH. Sacramenten] ons geneesmiddelen schenken voor het tijdelijke en eeuwige leven (postcomm. 28 jan., H. Agnes, MR 1962);
“præsens […] remedium […] et futurum” , een heilmiddel voor het heden en voor de toekomst  (postcomm. quatertemperzaterdag Advent, MR 1962) tonen dit duidelijk aan.
MR 1970 geeft hetzelfde perspectief  in de postcommunio van het misformulier voor de 7e dag onder het Octaaf van Kerstmis: “præsentia pietatis tuæ remedia capiat et futura” , laat het de steun van uw liefde in het heden en in de toekomst verwerven.
Ook in het collectegebed van woensdag in de 3e week van de Advent (MR 1970): “ventura sollemnitas […] et præsentis nobis vitæ remedia largiatur, et præmia æterna” worden de heilzame gaven voor dit leven hier en nu én het eeuwig geluk in het leven hierna als effecten gevraagd van het komende hoogfeest van Kerstmis.

Dus ook de tekstfragmenten “cælestis remedii plenitudine gloriemur” , dat wij ons over de volle uitwerking  van dit hemels geneesmiddel kunnen verheugen (postcomm. 11e zondag na Pinksteren, MR 1962) en “cælestis remedii faciat esse consortes”, en ons deelachtig maken aan dit hemels heilmiddel (postcomm. maandag na de 2e zondag van de Vasten, MR 1962) wijzen naar de H. Eucharistie als genezende en herstellende kracht voor onze bovennatuurlijke vitaliteit die essentiëel is voor ons leven hier en nu alsmede voor het toekomstige.
(Cf. Sr. Mary Pierre Ellebracht C.Pp. S., Remarks on the vocabulary of the ancient orations in the Missale Romanum. Reeks Latinitas christianorum primæva. Nijmegen-Utrecht, 1966, lemma remedium, p. 186-187 en A. Blaise, Le Vocabulaire Latin des principaux thèmes liturgiques. Ouvrage revue par Dom A. Dumas o.s.b. , Brepols Turnhout 1966,  lemma remède, § 253, p. 399-400).
Perficere, perfeci, perfectum, 3.
heeft de volgende betekenissen: 1. ten einde brengen, voltooien, afmaken, afweken 2. verwezenlijken, volbrengen 3. bereiden 4. Tot een goed einde brengen, doorzetten, bereiken 5. bevestigen, vastmaken 6. aantonen, aanwijzen.
T o e l i c h t i n g
Talrijke auteurs en ook heiligen hebben over de barmhartigheid van God geschreven. In de herinnering van velen is wellicht ook de encycliek van Johannes-Paulus II, “Dives in misericordia”( Ef 2,4), 30 november 1980, God, die rijk is aan erbarming, bewaard, met heldere en mooie beschouwingen. Paus Johannes-Paulus II stierf  op 2 april 2005, laat in de avond, vooravond van de Zondag van de Goddelijke Barmhartigheid. Voor het Regina cæli ‘s anderendaags had hij een toespraak voorbereid die later postuum op die zondag, 3 april, werd voorgelezen. Uit zijn laatste woorden het volgende citaat: “Aan de mensheid die soms verdwaald lijkt en overheerst schijnt te worden door de macht van het kwaad, het egoïsme en de angst, schenkt de verrezen Heer zijn liefde, die vergeeft, verzoent en het hart opent voor de hoop. Het is een liefde die de harten bekeert en vrede schenkt. Wat heeft de wereld het nodig deze Goddelijke Barmhartigheid te verstaan en te ontvangen!”

Gods grootheid is niet te doorgronden. Krachtens zijn goddelijke kracht is Hij de zwakke mens te hulp gekomen. Uit onze eigen sterfelijkheid heeft Hij het geneesmiddel (remedium) ten leven genomen en aan hen die verloren waren, heeft Hij langs de weg van hun ondergang behoud en redding gebracht door Jezus Christus, Zijn geliefde Zoon (cf Prefatie III zondagen door het jaar). Aan armen verkondigde Hij de blijde boodschap en genas rouwmoedigen (cf Is 61,1; Luc 4,18) als Geneesheer voor lichaam en ziel (cf H. Ignatius van Antiochië. Ad Ephes 7,2) en Middelaar tussen God en de mensen (cf 1 Tim 2,5).
Het Exsultet (Paasjubelzang) van de Vigilieviering van Pasen drukt dit opus misericordiæ als volgt uit: In het verre verleden heeft God zijn volk gered en heeft zijn eniggeboren Zoon, Jezus Christus, de schuld van Adam aan de Vader betaald door met het bloed van zijn hart de schuldbrief van de oude zonde uit te wissen.

In hymnen en psalmen heeft het Joodse volk de herinnering aan de menslievendheid van Jahweh vastgehouden en als ‘barmhartigheid’ gedefinieerd. Psalm 135 (136) met de openingsregel "Confitemini Domino, quoniam bonus, quoniam in æternum misericordia eius”, Looft de Heer, want Hij is goed, zijn barmhartigheid reikt tot in eeuwigheid, is daar een indrukwekkend voorbeeld van. Vers na vers worden telkens in het eerste halfvers de weldaden van Jahweh in chronologische volgorde verhaald met steeds opnieuw het refrein “quoniam in æternum misericordia eius”. En als Maria bij haar bezoek aan Elizabeth in het Magnificat de woorden uitspreekt ”et misericordia eius in progenies et progenies”, barmhartig is Hij van geslacht tot geslacht, openen deze woorden een nieuw perspectief in de geschiedenis van ons heil. Het is het perspectief van het paasmysterie van Christus, allereerst, en vervolgens van allen die verzegeld zijn met het teken van het Kruis en de Verrijzenis. In het Paasmysterie toont, beter nog, is  Christus zelf de volmaakte openbaring van die barmhartigheid die Maria op de drempel van het huis van haar bloedverwante verkondigde: “Barmhartig is Hij van geslacht tot geslacht”. Maria is, volgens de titel die de Litanie van Loreto haar geeft, de “Mater misericordiæ”, de Moeder van barmhartigheid: niet alleen heeft zij op buitengwone wijze Gods barmhartigheid ondervonden, ‘verdiend’ tijdens haar aardse leven en special onder het Kruis, maar ook bestemd om de liefde die haar Zoon is komen brengen aan de mensen aan te bieden. Het is de liefde die sterker is dan de dood en machtiger dan de zonde en alle kwaad, kortom de liefde die de mens opheft uit de diepste val en hem tegelijk uit de grootste gevaren bevrijdt.

De Kerk is geboren uit het paasmysterie. Daarom vormt de H. Eucharistie, die op buitengewone wijze het sacrament van het paasmysterie is, de kern van het leven van de Kerk.
Bij iedere viering van de H. Eucharistie beleven wij nog steeds de oorspronkelijke typering van de Kerk in de Handelingen van de apostelen: “Zij legden zich ernstig toe op de leer van de apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in het breken van het brood en het gebed” (Hand 2, 42). Met het breken van het brood wordt de H. Eucharistie aangeduid.
Bij iedere viering van de H. Eucharistie richten wij onze ogen van het geloof  op het Paastriduum, op de gebeurtenissen vanaf Witte Donderdag met het laatste Avondmaal tot Paasmorgen.  Zijn Lichaam, dat Christus in het gebroken brood in een uiterste zelfgave als offer gaf bij het Laatste Avondmaal is voor ons ‘remedium miserationis eius’ geworden. Zijn Bloed dat Hij aan de Kerk had geschonken als drank van heil in het Sacrament van de H. Eucharistie –het Sacramentum caritatis (Apostolische Adhortatie 22.2. 2007, paus Benedictus XVI - werd op Golgotha vergoten als een genademiddel tot ons heil. 
De Kerk leeft als zij de barmhartigheid van God belijdt en verkondigt – die hoogst wonderbaarlijke eigenschap van de Schepper en Verlosser en titel waarop de oraties in de liturgie van de Kerk steunen -  en ook als zij de mensen leidt naar de bronnen van de barmhartigheid van de Verlosser, die zij in haar schoot bewaart en uitdeelt.

Wij wensen U een steeds bewuster en groeiend inzicht in de grootheid van de gave van H. Eucharistie toe, hiertoe opgeroepen door een ononderbroken traditie, die getuigt van een grote zorg voor deze ‘schat’, inclusief voor het integraal doorgeven van het geloof en de leer aangaande het mysterie van de Eucharistie, want “in dit sacrament wordt het gehele mysterie van ons heil samengevat” (H. Thomas van Aquino, Summa Theologiæ, III, qu. 83, a. 4c):
“Apud Dominum misericordia, et copiosa apud eum redemptio”.
Bij de Heer is erbarming en overvloedige verlossing. (Antifoon 2, IIe Vespers Kerstmis).

Introitus Dominica XXI per annum: Inclina Domine aurem tuam

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Dominica XXI per annum.Novi sæculi adumbratio. Een afschaduwing van de nieuwe wereld.



   Lectio altera

Ex Constitutióne pastoráli Gáudium et spes Concílii Vaticáni secúndi de Ecclésia in mundo huius témporis
(N. 39)


Terræ ac humanitátis consummándæ tempus ignorámus, nec univérsi transformándi modum nóvimus. Transit quidem figúra huius mundi per peccátum deformáta, sed docémur Deum novam habitatiónem novámque terram paráre in qua iustítia hábitat, et cuius beatitúdo ómnia pacis desidéria, quæ in córdibus hóminum ascéndunt, implébit ac superábit. Tunc, morte devícta, fílii Dei in Christo resuscitabúntur, et id quod seminátum fuit in infirmitáte ac corruptióne, incorruptiónem índuet; et, manénte caritáte eiúsque ópere, a servitúte vanitátis liberábitur tota creatúra illa, quam Deus propter hóminem creávit.

Monémur sane nihil prodésse hómini, si univérsum mundum lucrétur, seípsum autem perdat. Exspectátio tamen novæ terræ extenuáre non debet, sed pótius excitáre, sollicitúdinem hanc terram excoléndi, ubi corpus illud novæ famíliæ humánæ crescit quod aliquálem novi sæculi adumbratiónem iam præbére valet. Ideo, licet progréssus terrénus a regni Christi augménto sédulo distinguéndus sit, in quantum tamen ad societátem humánam mélius ordinándam conférre potest, regni Dei magnópere ínterest.

Bona enim humánæ dignitátis, communiónis fratérnæ et libertátis, hos omnes scílicet bonos natúræ ac indústriæ nostræ fructus, postquam in Spíritu Dómini et iuxta eius mandátum in terris propagavérimus, póstea dénuo inveniémus, mundáta tamen ab omni sorde, illumináta ac transfiguráta, cum Christus Patri reddet regnum ætérnum et universále: «regnum veritátis et vitæ, regnum sanctitátis et grátiæ, regnum iustítiæ, amóris et pacis». His in terris regnum iam in mystério adest; adveniénte autem Dómino consummábitur.

Tweede lezing
Uit de pastorale Constitutie ‘Gaudium het Spes’ van het 2e Vaticaans Concilie.
Over de Kerk in de wereld van deze tijd
(Nr. 39)

Een afschaduwing van de nieuwe wereld

Verborgen voor ons is de tijd van de voleinding van aarde en mensheid, en wij weten niet hoe het heelal zal worden omgevormd. De gestalte van deze wereld, die door de zonde is misvormd, gaat wel voorbij, maar wij weten, dat God ons een nieuwe woning en een nieuwe aarde bereidt, waar gerechtigheid woont, en waar de gelukzaligheid alle verlangens naar vrede, die in het menselijk hart kunnen opkomen, zal vervullen en te boven gaan. Dan zal de dood zijn overwonnen en zullen de kinderen Gods in Christus verrijzen, en wat gezaaid was in zwakheid en verderfelijkheid zal bekleed worden met onbederfelijkheid. Terwijl de liefde met haar werken zal blijven, zal heel die schepping die God om de mens schiep, bevrijd worden van de slavernij der ijdelheid.
 Wij worden weliswaar vermaand, dat het de mens niets baat heel de wereld te winnen, als hij zelf verloren gaat. Toch moet onze verwachting aangaande de nieuwe aarde onze zorg om deze aarde te cultiveren niet verzwakken maar juist opwekken, omdat hier dat lichaam van de nieuwe mensenfamilie begint te groeien, dat reeds een zekere afschaduwing kan geven van de nieuwe wereld. Hoewel er dus zorgvuldig een groot onderscheid moet gemaakt worden tussen de aardse vooruitgang en de groei van het rijk van Christus, kan die aardse vooruitgang toch van groot belang zijn voor het rijk Gods, in zoverre hij kan bijdragen tot een betere ordening van de menselijke maatschappij.
Want als wij het goede – dat gelegen is in de menselijke waardigheid, in de broederlijke saamhorigheid en vrijheid, die namelijk alle de goede vruchten zijn van onze natuur en onze inspanning – in de Geest des Heren en volgens zijn gebod op aarde hebben verspreid, zullen wij dat alles daarna terugvinden, maar dan gezuiverd van iedere smet, verlicht en omgevormd, wanneer Christus zijn Vader een eeuwig en universeel rijk zal teruggeven: ‘een rijk van waarheid en leven, een rijk van heiligheid en genade, een rijk van gerechtigheid, liefde en vrede’. Op geheimvolle wijze is dit rijk nu reeds op aarde aanwezig, maar het zal worden voltooid bij de komst van de Heer.

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” 21e zondag per annum / door het jaar Schenk ons Uw gaven van eenheid en vrede

Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie

Schenk ons Uw gaven van eenheid en vrede

I n l e i d i n g
Een Offer en een volk – op deze gedachten is heel het gebed gebouwd. God heeft het ene volk door het ene Offer verworven. De Kerk is Zijn volk, het nieuwe Israel, het nieuwe Godsvolk.
Het Gebed over de gaven noemt echter dit volk een “volk van aangenomen kinderen” (“adoptionis populus”). God heeft zich dit verworven, maar niet op de manier zoals men slaven koopt maar zoals men zich bij een adoptie mensen, doorgaans kinderen, eigen maakt.
Dit volk heeft Christus zich verworven, bovenal door het voltrekken van het Paasmysterie van zijn zalig lijden, zijn verrijzenis uit het dodenrijk en zijn glorievolle hemelvaart, een mysterie waarin Hij “onze dood heeft teniet gedaan door te sterven en ons leven hersteld door te verrijzen” (Romeins Missaal, prefatie van Pasen). Opgenomen in het Paasmysterie van Christus en daarmee: mede gestorven, mede begraven en mede verrezen ontvangt dit volk de geest van de aanneming tot kinderen, ‘die ons doet uitroepen: Abba, Vader’ (Rom 8, 15) en worden zij zo de ware aanbidders die de Vader zoeken (cf Sacrosanctum Concilium, Constitutie over de H. Liturgie, nr. 6).
De gave van vrede op aarde is het beeld en de vrucht van de vrede van Christus, die voortkomt uit God de Vader. Want de mensgeworden Zoon van God, de Vredevorst, heeft door zijn kruis alle mensen met God verzoend, de eenheid van allen in één volk en in één lichaam hersteld en zodoende in zijn eigen vlees de haat vernietigd en door zijn verrijzenis verheerlijkt, de Geest van liefde in de harten van de mensen uitgestort. Alle christenen zijn derhalve geroepen om zich ‘in liefde aan de waarheid houdend’ (Ef 4,15), te verenigen met de werkelijk vredelievende mensen, teneinde de vrede af te smeken en tot stand te brengen (cf Gaudium et Spes, De Kerk in de wereld van deze tijd, nr. 78).
Deze opgave roept de Kerk terug in haar herinnering, toen zij deze oratie koos in een tijd toen zij door een kerkscheuring in nood verkeerde en zij om eenheid en vrede smeekte – en dat is voor ons vandaag de dag nog onverminderd actueel buitenkerkelijk en binnenkerkelijk. Heer, geef ons de vrede die de wereld zelf niet geven kan. Daarbij las zij Ef 4, 1-7.13-21 en Jo 17, 1.11-23, beide pericopen die handelen over de eenheid van de Kerk.

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Qui una semel hostia, Domine, adoptionis tibi populum acquisisti,
unitatis et pacis in Ecclesia tua propitius nobis dona concedas.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, door het ene offer van het kruis hebt Gij U een volk verworven en ons aangenomen als uw kinderen.
Wees uw Kerk genadig en schenk haar uw gaven van eenheid en vrede.

Werkvertaling

Moge Gij, Heer, die U door een enkel Offer eens voor altijd een aangenomen volk hebt verworven,
ons genadig in uw Kerk de gaven van eenheid en vrede schenken.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
Het Gebed over de gaven van vandaag is opmerkelijk anders van stijl dan de gebeden die we tot nu toe hebben gezien. Het is een nieuwe compositie voor de Novus Ordo van het Missale Romanum [MR] 1970. Het tekstelement “unitatis et pacis in Ecclesia tua nobis dona concedas” wordt echter aangetroffen in de Secreta van de Votiefmis ‘Voor de eenheid van de Kerk’ in MR 1962. In MR 1970 vinden we dit tekstelement ook terug in de Oratio super munera van het hoogfeest van Christus Koning.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n

1. Qui una semel hostia, Domine, adoptionis tibi populum acquisisti,
2. unitatis et pacis in Ecclesia tua propitius nobis dona concedas.

De oratie is opgebouwd uit één enkele zin, samengesteld uit een hoofdzin (2) en een relatieve bijzin (1). Van de hoofdzin met coniunctief karakter, waarin de bede wordt verwoord, is het prædicaat concedas (coniunctivus optativus) (regel 2). Van de relatieve bijzin (r. 1), waarin de anaklese Domine in de vocativusvorm is opgenomen, staat het prædicaat acquisisti in de indicativus omdat een goddelijke heilsdaad wordt vermeld die feitelijk, éénmaal in de geschiedenis, door één enkel Offer is voltrokken. Deze goddelijke heilsdaad die de aanneming tot kinderen Gods impliceert, is de titel waarop de bede zich beroept om verhoring te ontvangen.
Ad 1
Relatieve bijzin beginnend met het relativum qui/die, dat Domine  als antecedent heeft.
Acquisisti, contractie van acquisivisti, u/jij, gij hebt verworven, prædicaat in de 2e persoon perfecti activi van het verbum acquiere, -quisivi, quisitum, 3, verwerven, bijwinnen, bijkrijgen, door moeite en arbeid zich verschaffen, verdienen.
Tibi, [voor] U – bijwoordelijke bepaling in de dativusvorm van het pronomen personale tu (dativus commodi).
Adoptionis populum, een volk van aanneming, object van het prædicaat acquisisti, op te splitsen in de accusativusvorm populum en de genitivusvorm adoptionis (genitivus explicativus of qualitatis).
Una hostia, door/met één offer – bijwoordelijke bepaling in twee congruerende ablativusvormen, ablativus causæ of instrumentalis.
Semel, bijwoordelijke bepaling, semel is een adverbium en derhalve onverbuigbaar.
Het zinsdeel una semel hostia vormt een hyperbaton door de uiteenplaatsing van una…hostia en vertoont klank-/eindrijm op –a.
Ad 2
Concedas, moge gij verlenen, prædicaat in de conciunctivusvorm vanwege het wens-, gebedskarakter van de tekst.
Unitatis et pacis …dona, gaven van eeenheid en vrede, - object bij het prædicaat concedas, bestaande uit de accusativusvorm dona, nader gespecificeerd door de genitivusvormen unitatis en pacis, wederom genitivus qualitatis of explicativus.  Unitatis en pacis hebben klank-/eindrijm.
In Ecclesia tua, in uw Kerk, - voorzetselbepaling in twee congruerende ablativusvormen, geregeerd door de præpositie in + abl.; hier:  ablativus locativus.
Opmerking: grammaticaal zou tua ook gevoegd kunnen worden bij dona: eenheid en vrede zijn tenslotte gaven/vruchten van de Heilige Geest. Toch lijkt tua gezien de positie in de zin eerder bij Ecclesia te horen met het argument: de Italiaans aandoende woordvolgorde waarbij de voorzetstelbepaling ingeleid door in, meteen wordt afgerond met tua. Tweede argument: na tua volgt een bijwoord dat als bepaling hoort bij het praedicaat concedas. Alles wat er tussenin staat hoort bij dit zinsdeel. Het lijkt dan ook niet logisch om tua bij dona te betrekken. Bovendien lijkt er gevoelsmatig na tua een korte adempauze te liggen.
Propitius, goedgunstig, genadig, barmhartig, bijwoordelijke bepaling, adiectivumvorm adverbiaal gebruikt. Propitius komt viermaal in de orationes super munera voor (zondagen X, XVIII, XXI en XXV door het jaar). Het vraagt God om ‘goedgunstig’, ‘genadig’, ‘barmhartig’ ons de gaven van eenheid en vrede te willen schenken. Evenals het concept concede bevat ook propitius de lading van een zich genadig of met welgevallen tot ons neerbuigende goddelijkheid of barmhartige goedheid.
Nobis, aan/voor ons, - bijwoordelijke bepaling in de dativusvorm van het pronomen nos, wij: dativus commodi, van voordeel. Het is gemeenschap van de Kerk, een collectief van ‘wij’ die bidden om deze gaven
Qua stijlfiguren kan nog gedacht worden aan:
1. de antithese tibi tegenover nobis en 2. een, wellicht ietwat verder gezochte, parallelle zinsopbouw: genitivus-dativus-accusativus-verbum in hoofd-en bijzin:
unitatis et pacis-nobis-dona concedas
adoptionis-tibi-populum acquisisti

V o c a b u l a r i u m

De woordkeuze van het Latijn van de oratie van deze zondag is geen echte uitdaging!
Semel, adverbium,  is volgens de woordenboeken: 1. eenmaal, eens, een enkele maal; bijvoorbeeld semel atque iterum, tweemaal; plus quam semel, meer dan een keer; 2. de eerste maal, vooreerst; voorbeelden: quod semel dixi haud mutabo, wat ik eens heb gezegd, daar zal ik geenszins over zwijgen (Plautus) 3. eens en voor altijd, in eens, op eens.
Unus, -a, -um, adiectivum, kan betekenen 1. één 2. een enkel, enig 3. een en dezelfde 4. ergens een, een of ander. Als substantivum bijvoorbeeld: ad unum, tot de laatste; in unum, op één  plaats, niet te verwarren met het adverbium una met betekenissen 1. tezamen en 2. tegelijkertijd. 
Adoptio. Naar dit concept hebben we in het verleden al eens gekeken (Collectegebeden van de zondagen XIX en XXIII per annum en zondag III van Pasen). U herinnert zich dat adoptio “adoptie”in de zin van ‘iemand als eigen kind aannemen’. Sint Paulus noemt adoptionem filiorum Dei … “adoptie van de zonen van God” in de Latijnse Vulgaat van Sint Hieronymus een vertaling van het Griekse begrip (h)uiothesia, ‘zoonschap’. Het substantivum  (h)uiothesia, komt vijfmaal voor in het Nieuwe Testament (Rom 8, 15. 23; 9, 4; Gal 4, 5; Ef 1, 5). Dit samengesteld begrip betekent ‘de rang/positie van zoon toekennen’. De status van ‘zoon’ of ‘dochter’ van God, middels aanneming, voor ons verworven door Jezus Christus heeft enorme consequenties voor de manier waarmee we met de wisselvalligheden van het leven omgaan. Sint Paulus schreef aan de Romeinen: ‘Want gij hebt geen geest van slavernij ontvangen, om terug te vallen in de vrees, maar de geest van kindschap, waardoor we roepen: “Abba! Vader!”’. Christenen die in Christus en in zijn Kerk zijn geïntegreerd, kunnen met vertrouwen in tijden van nood de Vader aanroepen. God hoort onze gebeden, niet als een vreemde, verre God, maar als een liefhebbende Vader.
Nog een enkele opmerking over het Latijnse filii of  ‘zonen’. Filii kan evengoed de betekenis hebben van ‘kinderen’, eerder nog dan van zonen, volgens de letterlijke betekenis. Mannelijke meervoudsvormen in het Latijn kunnen, afhankelijk van de context, even goed vrouwelijke meervouden includeren, ook al is de vorm van het woord mannelijk. In het Latijn is het mannelijk een inclusief begrip. Dat geldt ook voor het Latijn van de liturgie. In het Nederlands kunnen we rustig spreken over ‘aanneming tot kinderen’ en niet van ‘zonen’. Niet alleen in het Latijn maar ook bijvoorbeeld in het Frans bepaalt één mannelijk element in een groep die verder uit vrouwen bestaat, dat het meervoud de mannelijke vorm volgt. Discriminatie?
De gedoopten zijn niet langer aan Satan onderworpen, maar vallen nu onder het nieuwe meesterschap van God. In Rome was er ook een vorm van “adoptie” door benoeming tot erfgenaam met het recht de naam aan te nemen van degene die het erfgoed vermaakte. Dit was echter geen complete adoptie in de volste zin: men werd erfgenaam van de naam en van het bezit van de vader zonder de andere volmachten van een pater familias totdat deze door de magistratuur waren bevestigd enz. (De Romeinse keizers plachten ook meerderjarigen te adopteren om die tot wettige troonsopvolger te kunnen maken. Voorbeeld: Tiberius was de aangenomen zoon van Augustus die op zijn beurt een aangenomen zoon van Julius Caesar was). Zelfs na het Doopsel kan onze status verdiept worden in het Vormsel. Vroegere slaven konden worden bevrijd, doch dat maakte hen nog niet tot Romeinse burgers met de grotere rechten in volle omvang. Door het Doopsel worden wij burgers van de hemel, leden van de (familie)-gemeenschap van de Kerk. Wij zijn niet enkel vrij, maar krijgen eveneens de kans op de eeuwige zaligheid. In het oude Rome kon een slaaf burger worden door bepaalde vormen van vrijlating (manumissio) uit de slavernij: door adoptie, door militaire dienst of op grond van een speciale concessie aan een gemeenschap of territorium. In zekere zin hebben wij dit alles ondergaan: door zijn hand (manus) op ons te leggen zijn wij bevrijd. We zijn tot zonen en dochters van een hemelse Vader gemaakt. Nu zijn we soldaten in de strijdende Kerk. Door het lidmaatschap van de gemeenschap van de Kerk, een heilig en priesterlijk Volk, krijgen we privileges en verplichtingen. God heeft ons als zijn eigen kinderen erkend met een volmaakte adoptie. Dit is ware vrijheid en waarachtig erfschap, dat niets uitsluit en in zeker zin ons nog vrijgeviger en overvloediger geeft dan wij gehad zouden hebben voordat wij door zonde onder de heerschappij van de duivel vielen.

Het is een moeilijk te begrijpen mysterie: wij zijn reeds zonen en dochters in een volmaakt kindschap door adoptie, maar dat kindschap is nog niet compleet: het laatste essentiële onderdeel ontbreekt nog, en dat is volharding in geloof en gehoorzaamheid gedurende ons hele leven en hun bekrachtiging in de dood en het bijzonder oordeel. Door veel vallen en opstaan komen wij tot de volmaaktheid van de adoptie, waaraan wij nu nog op een onvolmaakte volmaakte wijze deelhebben.  Het vormsel wordt slechts eenmaal toegediend, evenals het doopsel, waarvan het de voltooiing is. Het vormsel drukt een onuitwisbaar geestelijk teken in de ziel, het merkteken; het duidt aan dat Jezus Christus deze christen met het zegel van zijn Geest gemerkt heeft door hem te bekleden met kracht uit den hoge om zijn getuige te zijn (Catechismus van de Katholieke Kerk nr. 1304).
E x c u r s i e  n a a r  d e  H. S c h r i f t  e n  c o m m e n t a a r
In de Latijnse oraties van de misformulieren vallen ons soms onmiddellijk referenties naar teksten uit de H. Schrift op. Ook al kan het bijbelse steunpunt van tekstgedeelten niet onmiddellijk worden geïdentificeerd, bijna intuïtief herkennen we bijbelse grondslagen die we kunnen opsporen. Bijvoorbeeld het tekstfragment adoptionis populum acquisisti roept bijna direct twee vertrouwde begrippen uit de H. Schrift op: de een afkomstig van Paulus en de ander van Petrus: adoptio filiorum Dei en populus acquisitionis
Om het begrip populus acquisitionis beter te begrijpen kan de pericope helpen: ‘Gij echter zijt een uitverkoren geslacht (populus a[d]cquisitionis), een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een aangeworven volk: om te verkondigen de roemruchte daden van Hem, die u riep uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht’ (1 Petrus 2, 9).
In de liturgie van de Kerk vinden we deze tekst ook in de Gregoriaanse melodie van de Communio-antifoon van donderdag onder het paasoctaaf, (Graduale Romanum, Solesmes 1974, p. 210 ofschoon we in de nieuwe Vulgaat populum in acquisitionem aantreffen; het begrip wordt eveneens geciteerd in de Algemene Inleiding op het Romeins Missaal, 1975, Voorwoord nr 5: ‘…het koninklijk priesterschap van de gelovigen,van wie het geestelijk offer door het dienstwerk van de priesters in vereniging met het Offer van Christus, de enige Middelaar, wordt voltrokken….Dit volk is immers het volk van Gd, door Christus’ Bloed zijn eigendom geworden, door de Heer bijeengebracht, met zijn woord gevoed, een volk geroepen om de gebeden van heel het mensdom voor God te brengen, een volk dat zijn dank in Christus betuigt voor het heilsmysterie door zijn Offer aan te bieden, een volk tenslotte dat door de gemeenschap met het Lichaam en Bloed van Christus tot één geheel wordt’.
Als we terugkijken naar het origineel vinden we laòs eis peripoièsin (het substantivum peripoièsis van het verbum peripoieoo), dat bij bestudering van de overeenkomstige teksten van Ef 1, 14; 1 Thess 5, 9 en 2 Thess 2, 14 ons bij de betekenis brengt van een verworven of verlost volk, net zoals iemand een slaaf zou kopen om hem in vrijheid te stellen. Wij, christenen, worden op een nieuwe wijze ‘bezit’ van God. Wij zijn niet verlost om langer slaven te zijn, maar zonen en dochter, kinderen van God.
De context van de passage uit de Eerste Petrusbrief wordt gevormd door een aantal aansporingen en aanbevelingen, inderdaad imperativi, die de christenen onder ogen worden gebracht omwille van hun nieuwe leven en identiteit. Het tekstfragment populus acquisitionis  heeft als context de vijfde aansporing (1 Pe 2, 1-10): namelijk dat wij verlangen naar geestelijk voedsel opdat wij als christenen kunnen groeien. Wij groeien van kind naar volwassene en worden opgebouwd tot een tempel en vervolgens tot een koninklijk priesterschap. Het beeld dat Sint Paulus gebruikt verwijst naar de manier waarop ouders hun kleine kinderen met melk voeden om hen te laten gedijen. God geeft bovendien rijkere en  vastere voeding opdat wij tot rijping komen en deze kunnen verwerken. En wij kunnen deze verwerken als we groeien en deze nodig hebben voor ons leven.
In de oratie van vandaag zien we een ontwikkeling van ideeën: we worden van slaven zonen, kinderen. We starten als kinderen en groeien vervolgens uit tot een volk van priesters, dat God geheel toebehoort. Bekijk in dit verband de begrippen unitatis et pacis en realiseer wat deze ons schenken. Tussen het algemeen priesterschap van de gelovigen en het ambtelijk of hiërarchisch priesterschap bestaat een wezenlijk verschil en niet slechts een graadverschil; maar toch staan ze in betrekking tot elkaar, want ze delen beide, elk op zijn eigen wijze, in het ene priesterschap van Christus (Lumen gentium, Dogmatische Constitutie over de Kerk, hfdst. 2).
Bijbelse concordantie leidt ons ook naar een andere tekst van Sint Paulus, namelijk Ef 4, 1-6.
‘Ik, gevangene in de Heer, ik vermaan u en leven te leiden, waardig de roeping waarmee gij geroepen zijt: in alle deemoed en zachtheid, in lankmoedigheid, liefdevol elkaar verdragend. Beijvert u de eenheid des Geestes te behouden door de band van de vrede (servare unitatem spiritus in vinculo pacis): één Lichaam en één Geest, zoals gij ook geroepen zijt tot een en dezelfde hoop, waarvoor uw roeping borg staat. Eén Heer, één geloof, één doop. Eén God en Vader van allen, die is boven allen en met allen en in u allen’.
Paulus, die op de manier van een gevangene of slaaf spreekt, gebruikt het begrip vinculum om de ‘band van vrede’ uit te drukken, de ‘schakel van een ketting’. Omdat wij integraal en feitelijk door ons Doopsel tot de Kerk behoren, geldt Paulus’ aansporing ook ons.
De H. Eucharistie is ‘de oorsprong en het hoogtepunt van heel het christelijk leven’ (Lumen gentium, 11): in dit sacrament ligt heel het geestelijke goed van de Kerk vervat, namelijk Christus Zelf, ons Paaslam’ (Presb. Ordinis, Decreet over ambt en leven van de priesters,  5). In de H. Eucharistie wordt het paasmysterie van Chrstus gevierd, niet herhaald, maar geactualiseerd. In de epiclese (‘aanroeping over’)  smeekt de priester de Vader de heiligmakende Geest te zenden, opdat de offergaven het Lichaam en Bloed van Christus worden en de gelovigen, door ze te ontvangen maar ook door zichzelf te offeren, een levende offerande aan God.
In iedere H. Mis bereidt de H. Geest ons voor op de ontmoeting met Christus en verdiept in de H. Communie de vereniging met Hem. Deze existentiële ontmoeting, die ons nauwer met Christus verbindt, brengt ons als lidmaten van het Mystieke Lichaam van Christus ook tot grotere  eenheid met alle medegelovigen. De Heilige Geest schenkt ons daartoe zijn vruchten en gaven : als eerstelingen van de komende heerlijkheid brengt Hij deze in ons tot ontwikkeling en bloei, zij het meestal verborgen.
Volgens de kerkelijke traditie worden als vruchten van de H. Geest beschouwd: caritas, gaudium, pax, patientia, benignitas, bonitas, longanimitas, mansuetudo, fides, modestia, continentia en castitas (Gal 5,22 [vulg.]): liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid, ingetogenheid, bescheidenheid, matigheid en kuisheid.  
De zeven gaven van de Heilige Geest zijn volgens Jesaja 11,2-3:  sapientia, intellectus, consilium, fortitudo, scientia, pietas, timor Dei: wijsheid, inzicht, raad, sterkte, kennis, vroomheid en ontzag voor God.
Géén sacrament bewerkt de eenheid met Christus en van de christenen onderling zo diep als de H. Eucharistie. Dit besef doet de H. Augustinus uitroepen: ‘O sacrament van goedheid! O teken van eenheid! O band van liefde!’ (Ev. Johan. 26, 6.13). Die verbondenheid smeken we af in deze oratie en wensen we alle lezers toe, wanneer zij morgen ter kerke gaan en deze woorden horen.