Posts tonen met het label dominica XIX per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dominica XIX per annum. Alle posts tonen

zaterdag 7 augustus 2021

Lezingen H. Mis 19e zondag door het jaar B "Ik ben het levende brood ten bate van het leven der wereld".


Eerste lezing
: 1 Kon 19, 4-8

In die dagen kwam Elia na een tocht van een dag in de woestijn

bij een bremstruik.

Hij zette zich eronder neer

Hij verlangde te sterven en zei:

“Het wordt mij te veel, Heer; laat mij  sterven want ik ben niet beter

dan mijn vaderen”.

Daarop ging hij onder de bremstruik liggen en sliep in.

Maar opeens stiet een engel hem aan en zei tot hem:

“Sta op en eet.”

Hij keek op

en daar zag hij aan zijn hoofdeinde

een koek, op gloeiende stenen gebakken,

en een kruik water.

Hij at

en dronk en legde zich weer te ruste.

Maar opnieuw, voor de tweede maal

stiet de engel van de Heer hem aan en zei:

“Sta op en eet; anders gaat de reis uw krachten te boven”.

Toen stond hij op, at en dronk

en, gesterkt door het voedsel, liep hij veertig dagen en nachten

tot hij de berg van God, de Horeb bereikte.


Tweede lezing: Ef 4, 30-5, 2

Broeders en zusters,

wilt Gods heilige Geest niet bedroeven;

gij zijt met zijn zegel gewaarmerkt voor de dag der verlossing.

Wrok, gramschap, toorn, geschreeuw en gevloek,

kortom alle boosaardigheid moet bij u verdwijnen.

Weest goed voor elkaar en hartelijk.

Vergeeft elkaar, zoals God u vergeven heeft in Christus.


Weest navolgers van God,

zoals geliefde kinderen past.

Leidt een leven van liefde naar het voorbeeld van Christus,

die ons heeft bemind en zich voor ons heeft overgeleverd

als offergave en slachtoffer,

God tot een lieflijke geur.


Evangelie: Joh. 6, 41-51

In die tijd morden de Joden over Jezus,

omdat Hij gezegd had:

Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald,

en zij zeiden:

“Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef,

en kennen wij zijn vader en moeder niet?

Hoe kan Hij dan zeggen:

Ik ben uit de hemel neergedaald?”

Maar Jezus sprak tot hen:

“Mort toch niet onder elkaar.

Niemand kan tot Mij komen

als de Vader die Mij zond hem niet trekt;

en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.

Er staat geschreven bij de profeten:

En allen zullen door God onderricht worden.

Al wie naar de leer van de Vader geluisterd heeft komt tot Mij.

Niet dat iemand de Vader gezien heeft:

alleen Degene die uit God is, heeft de Vader gezien.

Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:

wie gelooft heeft eeuwig leven.

Ik ben het brood des levens.

Uw vaderen die het manna hebben gegeten in de woestijn,

zijn niettemin gestorven;

maar dit brood daalt uit de hemel neer

opdat wie er van eet niet sterft.

Ik ben het levende brood

dat uit de hemel is neergedaald.

Als iemand van dit brood eet

zal hij leven in eeuwigheid.

Het brood dat Ik zal geven

is mijn vlees,

ten bate van het leven der wereld.”


Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica XIX per annum Negentiende zondag door het jaar Moge, Heer, de deelname aan uw sacramenten ons redden.



Het Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)

Moge, Heer, de deelname aan uw sacramenten ons redden.

I n l e i d i n g
Een heilmiddel voor alle ziekten van de ziel: “phármakon athanasfas”, dat ziet het eerste deel van de oratie in de H. Communie.
Het tweede deel is iets moeilijker te begrijpen. Wel is duidelijk dat wij het licht van de goddelijke Waarheid bezitten en nu bidden in dit bezit bevestigd te worden. De relatie met het ontvangen van het Eucharistische Sacrament vraagt enige opheldering. De H. Communie schenkt ons het eeuwige leven en als een hemelse artsenij geneest zij ons zwakke menselijk leven, geworteld als het is in onze zondige natuur. Onze fouten worden door Christus steeds weer vergeven, zeker wanneer we dat ook bij het begin van de H. Eucharistieviering in de schuldbelijdenis aan Hem vragen en regelmatig het sacrament van de H. Biecht ontvangen.
Leven en licht zijn reeds in de zichtbare natuur verwante begrippen. Wat is er noodzakelijker en kostbaarder dan leven en licht waarnaar niet alleen de mens maar al het geschapen leven streeft? Zonder licht is er geen leven denkbaar; waar duisternis is, daar heerst de dood.
De Proloog op het Johannesevangelie verkondigt van het eeuwige Woord: “In Hem was het leven, en dat leven was het licht van de mensen” (Jo 1, 4). Met recht kunnen we dus van het Woord, de Zoon van God, zeggen dat Zijn leven de bron is van alle licht: “Quoniam apud te est fons vitæ et in lumine tuo videbimus lumen” (Ps 35 [36]10), want bij U is de bron des levens en in Uw licht zullen wij het licht zien.
Het leven dat in de H. Eucharistie wordt gevoed en in bepaalde gevallen wordt geheeld, werd ons bij het Doopsel door de wedergeboorte uit water en de H. Geest geschonken. Hoe de gedachte aan het licht hier voor de hand ligt toont ons het feit dat men in de vroege Kerk – en ook nu nog binnen de Orthodoxe Kerken - het Sacrament van het Doopsel ook wel ‘het mysterie van de Verlichting’ noemde (vgl. bijvoorbeeld Justinus, 1 Apol 65 sub 12: “Deze wassing krijgt ook de naam van verlichting, daar zij, die die leer ontvangen, hun geest vervuld weten van licht”). Tot dit Sacrament gaf het geloof toegang en dat niet alleen. Het geloof behoorde intrinsiek tot het Doopsel, zoals de belijdenis van de Allerheiligste Drievuldigheid aantoont, zonder welke er geen Doopsel mogelijk is. Het geloof is het “Licht van de Waarheid”, onafscheidelijk verbonden met het leven van hen die in Christus herboren zijn en Zijn Naam dragen. Om die reden bidt de Postcommunio, dat de H. Communie het geloofsleven van ons, christenen, mag helen en dit leven mag bevestigen in het licht van de Waarheid.

T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Sacramentorum tuorum, Domine, communio sumpta nos salvet,
et in tuæ veritatis luce confirmet.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Heer, moge de communie die wij hebben ontvangen ons verlossing brengen
en ons doen standhouden in het licht van uw waarheid.

Werkvertaling
Moge, Heer, de deelname aan uw sacramenten ons redden,
En ons in het licht van uw waarheid bevestigen.
(Hier omwille van de vertaling ‘sumpta’ opgeofferd)

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
De brontekst van de Postcommunio van vandaag is te vinden in het Sacramentarium Gregorianum, 9e eeuw, 145,3 (Uitg. Lietzmann 1921) en in een 30-tal andere codices op het Europees continent en op de Angelsaksische eilanden (zie   E. Mœller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, VIII, R-S (Orationes 4955-5538), Brepols, Turnhout 1996, p. 96-97, nr. 5166)
De Postcommunio was in MR 1962, 1000 de Postcommunio van de gedachtenis van de HH. Hippolytus en Cassianus, martelaren (13 augustus). Zie ook verder onder Commentaar.

T e x t u e l e  a n a l y s e 
1. Sacramentorum tuorum, Domine, communio sumpta nos salvet,
2. et in tuæ veritatis luce confirmet.

De Postcommunio bestaat uit één doorlopende hoofdzin, in twee halfzinnen verdeeld en verbonden door de coniunctie et. De prædicaten van beide halfzinnen, salvet en confirmet, staan beide in de coniunctivusvorm vanwege het wens-/gebedskarakter (coniunctivus optativus). Van beide prædicaten vormt sacramentorum tuorum communio sumpta het subject.
Ad 1
Domine, (o), Heer, - aanspreektitel van God, in de vocativusvorm van Dominus.
Communio sumpta sacramentorum tuorum, het deelnemen aan uw heilige geheimen,- subject van het prædicaat salvet, samengesteld uit twee congruerende nominativusvormen: communio met het adjectief gebruikte participium perfecti passivi van sumere, sumpsi, sumptum, nemen, nuttigen, ontvangen, en de bijvoeglijke bepaling sacramentorum tuorum  in twee congruerende genitivusvormen meervoud (genitivus explicativus) die het subject communio sumpta nader verklaart).
Nos, wij/ons – object van salvet (r. 1) en confirmet (r. 2) in de accusativusvorm van het pronomen personale nos.
Ad 2
Zoals reeds gezegd is communio sumpta sacramentorum tuorum ook subject van het  prædicaat confirmet.
In tuæ veritatis luce, in het licht van uw waarheid, - bijwoordelijke bepaling  resp. voorzetselbepaling, samengesteld uit de ablativusvorm luce geregeerd door de præpositie in en nader verklaard door de genitivusvorm veritatis (genitivus explicativis) die zo geplaatst is dat ze een hyperbaton bewerkt tussen tuæ en veritatis.

S t i j l f i g u r e n
Gewone congruentie met verwante uitgangen: sacramentorum tuorum (regel 1)
Eindrijm / assonantie: salvet (r. 1) en confirmet (r. 2)
Hyperbaton (uiteenplaatsing van grammatical bijelkaar horende begrippen): in […] luce (r. 2)
Antithese tussen tuorum (r.1), tuæ (r.2) (pronomina possessiva van God) en nos (r. 1), (pronomen personale).
Chiasme (kruisstelling):sacramentorum tuorum (r. 1) en tuæ veritatis (r. 2)
O- en u-klank in r. 1 sterk aanwezig, alsmede u-klank in r. 2

K l e i n  v o c a b u l a r i  u m
Communio
Is afgeleid van moenia “verdedigingsmuren” en munio “omwallen, versterken” betekent het begrip oorspronkelijk “aan alle kanten verstevigen, sterk beveiligen, barricaderen, een schans aanleggen”. Een andere betekenis, afgeleid van communis betekent “gemeenschap, onderlinge of wederzijdse participatie. In de geschriften van Cicero vindt men wel het gebruik van het begrip communio, maar incidenteel.
In het Latijn werd communio gebruikt als vertaling van het Griekse begrip koinonia. De begrippen zijn onderling niet volledig equivalent hetgeen niet verrassend is gegeven de moeilijkheid liturgische termen en teksten vandaag de dag zo exact mogelijk te vertalen. 
In dit opzicht heeft de Nederlandse vertaler bij deze Postcommunio eeen ernstige scheve schaats gereden, door “sacramentorum” te vertalen met “communie”. Als de auteur dat had gewild, dan had hij dat wel gezegd.
Het begrip, in het gewone Grieks gebruikt, in de antieke wereld wijd verbreid en ook gebezigd in de taal van het Nieuwe Testament, betekent “dat wat gemeenschappelijk, gewoon, algemeen, gebruikelijk is” in de zin van een gemeenschappelijk of algemeen element dat een gemeenschap samenbindt (cf. 2Kor 13, 13; 1Jo 1, 3).  In uitgebreide zin een belangeloze gesteltenis tot participatie  in een gemeenschap (cf. 2Kor 9, 13) en ook het uitwendige teken of bewijs van die inwendige realiteit in de vorm van bijdragen tot het algemene goed in de geest van broederschap (cf. Hand 2, 42).
Voorts is het ook de participatie in een samenkomst of in het “algemene goed” dat het Lichaam en Bloed van de Heer is (cf. 1Kor 10,16). Bij de schrijvers van de vierde eeuw  betekende koinonia / communion derhalve het deelhebben aan het uitwendige teken van de als gemeenschappelijk goed beschouwde realiteit van de H. Eucharistie (Eucharistieviering en Sacrament). De Latijnse schrijvers  gebruikten het speciaal als uitdrukking voor het zich associëren met, het deelnemen aan en het vormen van een gemeenschap. Een status die gemeenschap met de Kerk uitdrukte en wel zo dat men in staat was deel te nemen aan de H. Eucharistie binnen de kerkgemeenschap, na de voorbereiding door de initiatiesacramenten, bekering en verzoening. Hieruit volgt dat het begrip communio zowel staat voor de Eucharistische species (materie/gedaanten) als voor het ontvangen ervan, en dit in harmonie met de leer en discipline van de Kerk die voorziet in de H. Eucharistie, wordt opgebouwd door de H. Eucharistie en door de band van onderlinge liefde.
“De Eucharistie schept gemeenschap en doet gemeenschap groeien. De apostel Paulus schreef aan de christenen van Korinthe met het doel duidelijk te maken hoe hun verdeeldheden, die tot uiting kwamen in hun Eucharistische bijeenkomsten, in tegenspraak waren met wat zij vierden: de Maaltijd des Heren. De apostel spoorde hen daarna aan na te denken over het wezenlijke van de Eucharistie om terug te keren tot de geest van broederlijke gemeenschap (cf. 1Kor 11, 17-34). De Heilige Augustinus maakte de woorden van de apostel tot de zijne toen hij die in herinnering bracht: “Gij zijt het Lichaam van Christus, en ieder van u is een lid van dit Lichaam”(1Kor 12, 27) en daaraan toevoegde “Als  u Zijn Lichaam en leden zijt, dan zult ge op de tafel van de Heer uw eigen geheim vinden. Ja, gij ontvangt uw eigen geheim” (Sermo 272: PL 38, 1247).
Hieruit besluit hij: “Christus de Heer… heiligde aan Zijn tafel het mysterie van onze vrede en eenheid. Wie dit mysterie van eenheid ontvangt zonder de band van de vrede te bewaren, ontvangt geen mysterie tot zijn heil, maar als bewijs tegen zichzelf” (Id. 1248). (Encycl. Joh.-Paulus II, Ecclesia de Eucharistia (Over de Eucharistie in relatie tot de Kerk), 17 april 2003, nr. 40.
Communio is ook de titel van een internationaal katholiek theologisch tijdschrift tijdschrift.
Communia is de verzamelterm van een reeks gemeenschappelijke gebedsformulieren in het Romeins Missaal en het Getijdenboek, te gebruiken op feesten, respectievelijk gedachtenissen van Heiligen die een eigen mis- of officieformulier geheel of gedeeltelijk missen.

Confirmare, -avi, atum
1.vastmaken 2. bevestigen 3. versterken. Voorts in meer uitgebreide zin: bemoedigen, vertrouwen inboezemen, iemand in zijn gezindheid bevestigen, verzekeren, bekrachtigen en in de Katholieke Kerk: het H. Vormsel toedienen.
Het simplex is firmare met betekenis van vastmaken, bevestigen. Vandaar firmamentum/firmament en Firmator, Schepper, epitheton voor God de Vader.
Confirmatio, nis: Latijnse benaming voor het H. Vormsel (Oud-Nederlands: Confirmatie) 
Confirmatie heeft in het Nederlands verder de volgende betekenissen: 1) Aanneming 2) Bevestiging, bekrachtiging, ratificatie, versterking.
C o m m e n t a a re
Nu vanwege de zomer een  excursie naar Rome met een uitweiding  over de gedachtenis van de HH. Hippolytus en Cassianus, martelaren, op 13 augustus in MR 1962. In MR 1970 vinden we op 13 augustus de gedachtenis van de HH. Hippolytus, priester, en Pontianus, paus, martelaren, maar van Cassianus geen spoor meer. Hierna bespreken we ze alle drie.
In het Martyrologium Romanum 2001 (MartRom – p. 426) wordt niet alleen Hippolytus en Pontianus vermeld (aan de kop van de lijst van de heiligen van deze dag) maar onmiddellijk daarop volgend Cassianus met een eigen item. Omdat er tussen Cassianus en Hippolytus geen enkele relatie is, was het logisch bij de herziening van de liturgie Hippolytus en Pontianus samen te voegen in één gedachtenis.
Er zijn diverse heiligen uit de oudchristelijke tijd met de naam Hippolytus en er is veel verwarring over wie wie is. De Hippolytus van 13 augustus is zeker de H. Hippolytus van Rome en niet de productieve schrijver met dezelfde naam, die volgens het lemma van P. Nautin in de Encyclopedia of the Early Church (vol. I, pp. 383-4), bisschop was in Palestina en in 240 stierf.
De derde eeuw was een turbulente tijd voor de christenen in Rome. Niet alleen waren er vervolgingen van buiten, maar ook waren er theologische controversen binnen de Kerk inzake de natuur/naturen en de Godheid van Jezus Christus en zijn relatie tot de Vader.
Hippolytus, die in het Grieks schreef, was in de vroeg christelijke Kerk van Rome een geleerde en toonaangevend Romeinse priester. Hij nam stelling tegen het modalisme, dat stelde dat de Personen van de H. Drieëenheid slechts drie modules of manifestaties van de ene God waren, zonder een eigen persoonlijke individualiteit en zelfstandige Godheid. Hippolytus  propageerde het idee dat Christus, de Logos / het Woord, naast de Vader zelf autonoom Persoon was, ofschoon ondergeschikt aan Hem, dat Christus dus werkelijk een andere Persoon was van de Trinitaire Godheid (ditheïsme).
Toen paus Zephyrinus een niet éénduidige houding aannam in deze controverse veroordeelde Hippolytus hem als willige speelbal van zijn invloedrijke en machtige diaken Callistus. Zephyrinus deed in 217 of 218 afstand van de pauselijke zetel en Callistus werd gekozen om de zetel van Petrus in te nemen.  Hippolytus  liet zich door zijn volgelingen tot ‘paus’ uitroepen. Rigoreus beschuldigde hij Calixtus [217-222], de opvolger van Zephyrinus, van diverse ketterijen en laksheid in het handhaven van de kerkelijke tucht. Hippolutus was de eerste tegenpaus tijdens de ambtsperiodes van Callistus I, Urbanus I (222-230) en onze  man Pontianus (230–235) die volgens een legende de liturgische groet en het antwoord  Dominus vobiscum… Et cum spiritu tuo” zou hebben ingevoerd.
Rond het jaar 235 werd Hippolytus samen met de nieuwe paus Pontianus [230-235]  in het kader van de christenvervolging door de Romeinse keizer Maximinus Thrax naar Sardinië – dat de roep had van ongezond eiland / insula nocivaverbannen, ad metalla (tot de mijnen).
Pontianus verliet volgens oude bronnen waarschijnlijk zijn ambt op 28 september 235. Daarmee is paus Cœlestinus V (5 july 1294 - gekroond op 29 augustus) – 13 december 1294 en gestorven 19 mei 1296) vóór paus Benedictus XVI  (1927-heden, en paus 19 april 2005-18 februari 2013) niet de enige paus geweest in de geschiedenis van de Kerk die bij leven afstand heeft gedaan van het pausambt.
Mogelijk raakten Hippolytus en Pontianus in de verschrikkelijke mijnen van Sardinië met elkaar bevriend en verzoenden zich. Beiden stierven daar, waarschijnlijk door de onmenselijke omstandigheden. Al in 236 werden de overblijfselen van Hippolytus en Pontianus door paus Fabianus (236-250) als heilige martelaren terug naar Rome overgebracht. Zij worden op dezelfde dag gevierd waarschijnlijk vanwege de vermelding in de Depositio Martyrum (een document uit de vierde eeuw inzake het begraven van martelaren), waarin we lezen "Idus Aug. Ypoliti in Tiburtina et Pontiani in Callisti”. In ieder geval waren zij lotgenoten. In augustus valt de Idus op de 13e dag. (De Idus of Iden is de Romeinse term voor de dag van de volle maan, die valt op de 13e of 15e dag van een maand. De term is vooral bekend omdat Julius Caesar op de Idus van maart, 15 maart, van het jaar 44 v.Chr. werd vermoord). Pontianus werd begraven in de sectie van de pausen in de Catacomben van Sint-Calixtus en Hippolytus  op de begraafplaats aan de Via Tiburtina.
Cassianus was volgens de hymne van de Latijnse dichter Prudentius (cf. Peristephanon, Hymnus IX), een leraar op het Forum Cornelii (genoemd naar de Romeinse dictator L. Cornelius Sulla) het tegenwoordige Imola). Hij werd overgeleverd aan zijn leerlingen die hem dood martelden met hun ijzeren schrijfstiften (traditus est calamis ad mortem torquendus), roeden of andere puntige materialen waarmee ze op hun wastafeltjes werkten, enz.. De tekst van het Martyrologium Romanum (Nederlandse vertaling 2008, p. 493) luidt: “Te Imola in Romagna in Italië de heilige Cassianus, martelaar, die wegens zijn weigering om de afgodsbeelden te vereren werd overgeleverd aan de kinderen van wie hij de leraar was geweest, om hem met roeden te geselen tot de dood toe, opdat de straf van de marteldood des te zwaarder zou zijn, naarmate de hand zwakker was”.
Een associatie die mogelijk opkomt bij het horen van de Latijnse versie van de Postcommunio is de sterke verbinding tussen het ambt en het dienstwerk van Petrus binnen de Kerk, door Christus Zelf gegarandeerd, en de werkzaamheid van de H. Eucharistie, eveneens geborgd door de Heer. Het ene garandeert het tweede. Net zoals er geen Kerk is zonder de H. Eucharistie en geen Eucharistie zonder de Kerk, kan evenmin het petrinisch dienstwerk in de Kerk ontbreken, en kan ook niet de realiteit van de verlossing  door de Kerk die Christus ons gaf, worden verzwakt, aan het wankelen gebracht en vervaagd.
Tijdens het Laatste Avondmaal, richtte Onze Heer Jezus zich tot Petrus en legde het Petrusambt in de Kerk duidelijker aan hem uit: “Simon, Simon, weet dat Satan heeft geëist u allen te ziften als tarwe. Maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet zou bezwijken. En wanneer gij eenmaal tot inkeer zijt gekomen, versterk dan op uw beurt uw broeders” (Lc 22, 31-32). Onmiddellijk hierop beloofde Petrus hartstochtelijk trouw te zullen zijn, waarna Christus hem aankondigde hoe hij tot driemaal toe zal ontkennen Hem zelfs te kennen.
Het dienstwerk anderen te sterken of te bevestigen is de onderliggende kracht waarover de opvolgers van Petrus beschikken, wanneer zij onfeilbare uitspraken doen inzake geloof en moraal en ook wanneer zij hun disciplinaire bevoegdheid binnen de Kerk uitoefenen.
In eenheid met de plaatsvervanger van Christus kunnen wij steunen op de versterking die Christus ons schenkt door middel van hen.
Onmiddellijk vóór en na de meest heilige handeling van de Eucharistieviering, de Consecratie,  legt de celebrant de hemelse Vader de gebeden voor levenden en doden voor. Vóór de Consecratie van de Gaven de voorbeden voor de levenden en in de juiste volgorde: allereerst voor de gehele Katholieke Kerk, vervolgens voor hen die haar besturen en leiden, paus en bisschoppen “en voor allen, die rechtzinnig en trouw, de behoeders zijn van het katholieke en apostolische geloof” (Eucharistisch Gebed I).
Voor de plaatselijke Kerk is de bisschop het zichtbare beginsel en de basis van eenheid, voor de universele Kerk is dat de opvolger van Petrus. De H. Ignatius van Antiochië schreef: “ Van de Eucharistie gevierd onder leiding van de bisschop of vanb iemand die door de bisschop is aangesteld, kunnen we zeker zijn” (Ad Smyrnæos 8: PG 5,713).
Zo is ook “de paus van Rome, als opvolger van Petrus, het blijvend en zichtbaar beginsel en fundament van de eenheid zowel van de bisschoppen als van de menigte van de gelovigen” (Congreg. van de Geloofsleer, Communionis Notio (28 mei 1992) 11,: AAS 85 [1993]844) en is het in gemeenschap staan met hem wezenlijk vereist voor het vieren van het Eucharistisch Offer. Deze grote waarheid wordt in de liturgie op een aantal wijzen tot uiting gebracht: “Iedere viering van de Eucharistie vindt plaats in eenheid niet alleeen met de eigen bisschop, maar ook met de paus, met alle bisschoppen, met alle priesters en met het gehele volk. Ieder geldige viering van de Eucharistie brengt deze universele gemeenschap met Petrus en met de hele Kerk tot uitdrukking”
(Communionis Notio als boven, 847 in: Ecclesia de Eucharistia, nr. 39).

In de Postcommunio bidden wij in eenheid met de opvolger van de H. Petrus, de paus, dat God ons zal sterken (confirmet) in de Waarheid die God is (de ene Waarheid en niet meerdere waarheden), en daartoe in onze eenheid als leden van de ene Kerk (niet meerdere kerken) die Christus ons gaf, en bijgevolg in eenheid met ieder ander die deel uitmaakt van deze gemeenschap, opgebouwd en gesymboliseeerd door het ontvangen van het Lichaam en Bloed van de Verlosser. Daarom bidden we op voorspraak van de H. Petrus en zijn heilige opvolgers.


Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” 19e zondag per annum / door het jaar. Gij maakt deze gaven door Uw kracht tot sacrament van ons heil.

Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie
Gij maakt deze gaven door Uw kracht tot sacrament van ons heil.

I n l e i d i n g
Zoals in zo vele Gebeden over de gaven, bidt ook de Kerk vandaag om de aanvaarding van de gaven van brood en wijn. ‘Assume placatus’ , aanvaard genadig, aanvaard verzoend, zegt de oratie (r. 1), omdat de zonde de voornaamste hinderpaal is, die de gevraagde aanvaarding in de weg staat. De voorafgaande verzoening van de mens met de Vader door Christus’ Kruisdood wordt geactualiseerd door het onbloedige offer van de H. Mis. “Zie welwillend neer op het offer van uw Kerk, en wil er uw Zoon in herkennen, door wiens dood Gij ons met U verzoend hebt” (Eucharistisch gebed III).
In de volgende relatieve zin ( r. 2) erkent de oratie dat de aangeboden gaven de mensen door God zelf zijn geschonken, en wel om deze Hem aan te bieden. In het tweede deel (r. 3) zegt het gebed, dat de Heer op machtige wijze de gaven tot mysterie van ons heil maakt. De mens brengt weliswaar de hem voor dit doel door God geschonken gaven naar het altaar, maar dat zij tot mysterie, tot eigenlijke offergave van het Nieuwe Verbond wordt, dat bewerkt God zelf.
Drie goddelijke hoedanigheden worden in dit verband genoemd: placatus, misericors en potenter. De eigenschappen van God staan tegenover onze hoedanigheden: “In het besef van onze onmacht en schuld vragen wij dat deze offerande voor U aanvaardbaar wordt en wij genade vinden in uw ogen” (Ibid.)

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Ecclesiæ tuæ, Domine, munera placatus assume,
quæ et misericors offerenda tribuisti,
et in nostræ salutis potenter efficis transire mysterium.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, aanvaard goedgunstig de gaven van uw Kerk.
In uw barmhartigheid hebt Gij ze ons geschonken om ze U aan te bieden,
en Gij maakt ze door uw kracht tot sacrament van ons heil.

Werkvertaling
Aanvaard, Heer, genadig de offergaven van uw Kerk,die U niet alleen in uw barmhartigheid hebt geschonken om geofferd te worden,
maar die Gij op machtige wijze ook doet overgaan tot/in het sacrament van ons heil.
L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De brontekst van deze oratie wordt gevonden in de Secreta van het Sacramentarium Leonianum, 1296, mense decembris (‘tiende’ maand), in ieiunio mensis decima, een vastenperiode die nu Advent wordt genoemd; Verona, Kapittelbibliotheek LXXXV; 2e helft zesde eeuw. In het Gelasianum was dit de Secreta van de 2e zondag van de Vasten.
 (E. Mœller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, IV, E-H, Brepols, Turnhout 1994, nr. 2400, p. 8-9)
De oratie was niet opgenomen in de edities van het Romeins Missaal vóór MR 1970.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1. Ecclesiæ tuæ, Domine, munera placatus assume,
2a. quæ et misericors offerenda tribuisti,
2b. et in nostræ salutis potenter efficis transire mysterium.

De oratie bestaat uit één enkele hoofdzin, opgebouwd door een openingszin met een directe bede tot God de gaven van zijn Kerk genadig te willen aanvaarden, gevolgd door twee relatieve bijzinnen beginnend met quæ, onderling verbonden in een et…et-constructie (en…en, zowel…als, niet alleen…maar ook, enerzijds...anderzijds) waarbij eerstens wordt gememoreerd dat God die gaven, uit het Zijne afkomstig,  heeft gegeven om Hem aan te bieden, en tweedens dat Hij deze gaven door zijn goddelijke kracht – anticiperend op de Consecratie - doet overgaan in het sacrament van ons heil.

Ad 1
Assume, neem aan, aanvaard – prædicaat in de imperativusvorm van het verbum assumere (zie verder onder vocabularium).
Domine, [o] Heer, - anaklese in de vocativusvorm.
Munera Ecclesiæ tuæ, de offergaven van uw Kerk – object bij het prædicaat asssume, samengesteld uit de acccusativusvorm meerv. onzijdig van munus, - eris vergezeld van twee congruerende genitivusvormen die naar de herkomst van de munera verwijzen, genitivus possessivus.
In de Gebeden over de gaven wordt regelmatig verwezen naar de Kerk als een van de handelende en nauw betrokken  subjecten bij de super munera. De Kerk biedt gaven aan uit de door God geschonken overvloed als een act van aanbidding en communicatie met God in eenheid met Christus en zijn volmaakt Offer van aanbidding jegens de Vader. In de liturgie van de H. Eucharistie ‘treedt’ de Kerk zelf ‘op‘ als een Lichaam geschapen en gemachtigd door God en voor God van het begin tot het einde; aldus doende realiseert en geeft zij uitdrukking aan haar identiteit en aan haar zending op een bijzondere wijze. De orationes super munera bevatten verschillende beelden en namen voor de Kerk, zowel impliciet als expliciet. In het Gebed over de Gaven van vandaag wordt de Kerk expliciet Gods eigen Kerk genoemd, die de offergaven aanbiedt waardoor zij hoopt dat de Heer wordt verzoend.
Placatus, verzoend, goedgunstig, genadig, - participium perfecti passivi van het passivum placari in de nominativus singularis masculinus en derhalve congruerend met de aangesproken Dominus. Het voltooid deelwoord placatus is hier adverbiaal gebruikt ten opzichte van het prædicaat asssume. Men spreekt in het geval van 'placatus' op deze plaats ook wel eens van een dubbelverbonden bepaling; placatus zegt zowel iets over de wijze waarop de handeling plaatsvindt en vervult aldus de functie van adverbium, maar hoort tevens als een adiectivum bij Dominus.

Ad 2a
Relatieve bijzin verdeeld over twee halfzinnen (2a -2b)waarvan het prædicaat in de indicativusvorm (perfecti et præsentis) staat vanwege de realiteit van de daar genoemde goddelijke handelingen. Vermeldingswaardig in deze context is de betekenis van de  verschillende aspecten van het gebruik van de twee tempora; Het perfectum tribuisti duidt op een eenmalige voltooide handeling, het praesens efficis benadrukt juist het steeds weer herhalen van een handeling in de tegenwoordige tijd.
Eerste relatieve half-/bijzin ingeleid door het reflexivum quæ dat munera (r. 1) als antecedent heeft.
Tribuisti, gij hebt verleend, - prædicaat in de indicativus perfecti activi.
Misericors, barmhartig, medelijdend, meedogend, - bijwoordelijke bepaling bij het prædicaat tribuisti.
Quæ, die, welke – object bij het prædicaat tribuisti in de acccusativusvorm plur. onzijdig van qui, quæ, quod, gekoppeld aan:
Offerenda, het object in de accusativusvorm meervoud van de gerundivumvorm offerendum, de dingen die geofferd moeten worden, het offer. Quæ offerenda is te lezen als [munera] quæ offerenda, de offergaven welke Gij hebt gegeven als te offeren [offergaven]. De meervoudsvorm kan wijzen op het collectief van de offers van de aanwezigen, of op de verschillende aard van de offers: de materiële, brood en wijn, naast de gebeden en het offer van zichzelf.

Ad 2b
Efficis transire, Gij doet/laat overgaan, - prædicaat, bestaande uit het koppelwerkwoord efficis, 2e pers. enkelvoud indicativus præsentis activi van het verbum efficere, effeci, effectum, 3, gevolgd door de infinitivus transire.
Potenter, op machtige wijze, krachtdadig, - bijwoordelijke bepaling van hoedanigheid.
In nostræ salutis mysterium, in het mysterie/sacrament van/tot ons heil – voorzetselbepaling bestaande uit de accusativusvorm mysterium, bepaald door het voorzetsel in + acc. en voortvloeiend uit de betekenis van het verbum transire, alsmede twee congruerende genitivusvormen nostræ salutis, genitivus explicativus.

V o c a b u l a r i u m
Placatus kan zowel verwijzen naar de toestand vanb tot rust gebracht zijn, tevreden of vredig. In de interpretatie van A. BlaiseA. Dumas o.s.b. in “Le vocabulaire Latin des principaux thèmes liturgique” wordt vanuit het verzoeningsthema placatus net als propitius teruggevoerd op God die ‘tot welbehagen’ is gebracht. ‘Goedgunstig’, ‘op aangename wijze’, ‘genadig’ is het offer van de Kerk te aanvaarden. Anders gezegd: wij vragen God om gunstig gepredisponeerd te zijn jegens het offer van zijn Kerk.

Assumere, - sumi, - sumptus, 3., aannemen.
Dit werkwoord dat niet werd aangetroffen vóór de z.g. Rhetorica ad Herennium (1) waarvan de auteur niet bekend is, en dat zelden voorkwam bij de dichters en historieschrijvers, was een favoriete term bij de christelijke auteurs, vooral bij Sint Hilarius (vgl. Thesaurus Linguæ Latinæ II, p. 926). Het frequente gebruik in de christelijke Latijnse spreektaal kan van invloed zijn geweest op het schaarse gebruik in de oraties. De betekenis “aannemen” verwijst naar het aanvaarden door God van de geofferde gaven in de orationes super munera. In MR 1962 komt assumere in deze zin vijfmaal voor, viermaal in de vaste uitdrukking: has oblationes…benignus assume en eenmaal in: Hostias placatus assume (Secreta Misformulieren ‘om mooi weer te vragen’, ‘voor pelgrims en reizigers’, 5e zondag na Pinksteren,  6e zondag na Pinksteren [Gelas. Vet. 13 aug.]). (Vgl. Sr. Mary Pierre Ellebracht C.Pp.S., Remarks on the vocabulary of the ancient orations in the Missale Romanum. Reeks Latinitas christianorum primæva. Nijmegen-Utrecht, 1966, p. 87).
De imperativusvorm assume wordt gebruikt in de Gebeden over de gaven van de zondagen XIX, XXIV en XXV door het jaar. Op deze plaatsen wordt deze imperativusvorm verbonden met placatus, propitius en benignus, adiectivi die het verzoenende effect van de liturgische handeling benadrukken.

Offerenda, met inbegrip van munera, de te offeren gaven. In de vormen -‘nd’ wordt verwezen naar de omstandigheid van noodzaak en doel. Offero kreeg in het christelijk Latijn  de betekenis van ‘offeren aan God, wijden aan, toewijden’ zoals in Exodus 38, 24 of 39, 32 (Vulgaateditie) en de Brief aan de Hebreeën 9, 14. In deze passage van de Hebreeënbrief zien we dat de apostel (of anonieme auteur) jegens de heidenen priesterlijke taal gebruikt en voorbeelden ontleent aan de Joodse tempelriten. De auteur stelt het jaarlijkse Joodse offer tot reiniging (dierenoffer) dat moest worden herhaald, tegenover het eenmalige Offer, tegelijk Hogepriester en geofferd Lam, welk Offer heel de mens zuivert tot de eeuwige verlossing. De liturgie zegt het kernachtig kort: ‘Ecce Agnus Dei, ecce qui tollit peccata mundi’- Zie het Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld; en wanneer de priester communiceert: ‘Corpus Christi custodiat me in vitam æternam’- het Lichaaam van Christus beware mij tot eeuwig leven. Dit is het Offer dat de Kerk vernieuwt en zich doet uitstrekken tot op de dag van vandaag. De gevolgen van een dergelijk Offer nopen ons ons met de grootst mogelijke zorg voor te bereiden op alles wat we doen en wat we zeggen bij iedere Eucharistieviering.

Transire, -vi, -itum, 4. Intransitief, onovergankelijk betekent het: 1. door…heen gaan 2. overgaan 3. veranderen 4. voorbij gaan,  voorbijtrekken en transitief, overgankelijk: 1. over iets gaan, overschrijden 2. klaar komen met 3. overtreffen.
De doorgang van het volk van Israel door de Rode Zee wordt door de christelijke schrijvers aangeduid als ‘transitus’, doorgang, overgang. Zoals Christus door zijn dood en zijn graf heenging, zo gaan wij door het waterbad van het Doopsel van dood naar leven.
Dit brengt mij vanzelf naar onze processie vóór de hoogmis op Paaszondag waar de aanhef van de respons als opgang naar de statio luidt: ‘Cum transisset sabbatum, Maria Magdalene en Maria Iacobi, et Salome emerunt aromata, ut venientes ungerent Iesus (Mc 16,1) – Toen de sabbath voorbij was [gegaan], kochten Maria Magdalena, Maria Jacobi en Salome geurige kruiden om Jezus te gaan balsemen. En ook de wonderbaar mooie respons met melancholie geladen op de 3e zondag van Pasen: “Transiturus de mundo ad Patrem, Iesus in mortis suæ memoriam, instituit sui corporis et sanguinis sacramentum. Corpus in cibum, sanguinem in potum tribuens; hoc ait, facite in meam commemorationem”- Toen Jezus op het punt stond vanuit de wereld naar de Vader te gaan, stelde Hij, tot gedachtenis aan zijn dood, het Sacrament in van zijn Lichaam en Bloed. Terwijl Hij zijn Lichaam tot voedsel, zijn Bloed tot drank gaf, zei Hij: Doet dit tot gedachtenis aan Mij. Dat is het ‘Mysterium fidei’, het mysterie van ons geloof, het mysterie van ons heil. Voor wie daaraan deelneemt geldt het woord van de apostel Paulus: “Si quis in Christo nova creatura; vetera transierunt, ecce, facta sunt nova” ( 2 Cor 5, 17) – Zo is dus wie in Christus is, een nieuwe schepping; het oude is voorbij [gegaaan],  het nieuwe is daar.

Mysterium nostræ salutis, - [het] mysterie/sacrament van ons heil.
Ongetwijfeld herinnert u zich het Gebed over de gaven van de 7e zondag door het jaar waarvan de Latijnse tekst luidde:  ‘Mysteria tua, Domine, debitis servitiis exsequentes,
supplices te rogamus, ut, quod ad honorem tuae maiestatis offerimus, nobis proficiat ad salutem’. De inhoud ligt dicht naast de oratie van deze zondag. Er wordt immers gevraagd dat wij ‘Uw mysteries/sacramenten die wij met gepaste eerbied vieren ter ere van uw majesteit offeren zodat zij ons tot heil strekken.
De begrippen mysterium en sacramentum liggen dicht naast elkaar in het liturgisch Latijn en zijn dus inwisselbaar. De kerkvader Tertullianus [160-220] kwam met het  gebruik van het Latijnse begrip “sacramentum” als vertaling voor het Griekse “mysterion”. Mogelijk kende hij deze vertaling reeds door de bestaande vertalingen van het Nieuwe Testament in het Latijn. Mogelijk is het een novum van hemzelf.
In het dagelijks leven betekende “sacramentum”  een ‘heilige eed’, namelijk de eed van trouw die Romeinse soldaten moesten afleggen. Tertullanus  gebruikte deze parallel om het belang van de sacramenten theologisch te onderstrepen: ook christenen dienden trouw te zijn aan hun Kerk. De kerkvader Augustinus werkte in zijn strijd tegen de Donatisten de theologie van de sacramenten verder uit en formuleerde helder de verhouding tussen uitwendig waarneembaar teken en hetgeen ermee wordt aangeduid.  Zoals er in de wereld veel tekenen zijn die ergens op duiden, zijn er ook ‘heilige tekenen’ die de kloof tussen God en de mensen overbruggen, omdat het een soort fysieke poorten zijn die toegang geven tot geestelijke realiteiten. Een bekende omschrijving van Augustinus  is dat een sacrament ‘de zichtbare vorm is van een onzichtbare genade’ met de aanvulling dat sacramenten  “ex opere operato”  (uit het werk zelf volgt de werking) oproepen of mogelijk maken wat ze betekenen.
In het liturgisch kader van de Gebeden over de gaven verwijst het begrip mysterium, bijna altijd synoniem met sacramentum, derhalve meestal naar het eucahristisch Gebed, en dus naar de sacramentele viering van het paasmysterie zelf. Het begrip ‘mysterium’ laat zich begrijpen als ‘sacramenteel mysterie’ of kortweg ‘mysterie’.  In de orationes super munera komt het begrip voor op de zondagen II, VII, IX, XIX, XXII, XXIII, XXVII, XXIX en XXXII. Ofschoon het begrip meestal in de meervoudsvorm voorkomt is er volgens Ellebracht, Remarks on Vocabulary, 71, geen essentieel verschil in het meervoudig of enkelvoudig gebruik. 

G e t u i g e n i s  v a n  d e  V a d e r s
H. Irenæus van Lyon
(Adv. Hæreses IV, 18, 5)

“Wij offeren Hem van het zijne, en daarmee verkondigen wij tegelijk de onderlinge gemeenschap en eenheid van vlees en geest en belijden tegelijk der verrijzenis van beide. Want zoals het brood, dat van de aarde is, de aanroeping van God ontvangend, niet langer gewoon brood is, maar de Eucharistie, uit twee elementen bestaande, een aards en een hemels: zó zijn ook onze lichamen die de Eucharistie ontvangen, niet langer meer bederfelijk, maar bezitten de hoop op de verrijzenis”.

H. Thomas van Aquino
(Opusculum 57, In festo Corporis Christi, lect. 1-3)

“Toen de Eniggeboren Zoon Gods ons deelachtig wilde maken aan zijn Godheid, nam Hij onze natuur aan, opdat Hij, Mens geworden, ons mensen tot goden zou maken.
En bovendien heeft Hij datgene, wat Hij van onze natuur aannam, geheel tot ons heil doen dienen. Want zijn Lichaam droeg Hij op het altaar van het kruis op aan God, zijn Vader, als slachtoffer tot onze verzoening. Zijn Bloed vergoot Hij als losprijs en tegelijk als reinigingsbad, opdat wij, vrijgekocht van een ellendige slavernij, van al onze zonden zouden gereinigd worden.
Maar om te bewerken, dat er van zulk een grote weldaad bij ons altijd een herinnering zou achterblijven, liet Hij de gelovigen zijn Lichaam achter als spijs, onder de gedaante van brood, en zijn Bloed als drank onder de gedaante van wijn.
O kostbare en verrukkelijke maaltijd, heilbrengend en vol heerlijkheid! Want wat kan er kostbaarder zijn dan deze maaltijd; waarin ons niet, als onder de oude Wet, het vlees van kalveren en bokken te eten wordt voorgezet, maar Christus zelf, waarachtig God? Wat is er meer te bewonderen dan dit sacrament?
Geen sacrament ook is heilzamer dat dit, waarin wij gezuiverd worden van onze zonden, waar de deugden worden vermeerderd en de geest wordt gevoed met een overvloed van allerlei geestelijke gaven.
Geen sacrament ook is heilzamer dat dit, waarin wij gezuiverd worden van onze zonden, waar de deugden worden vermeerderd en de geest wordt gevoed met een overvloed van allerlei geestelijke gaven”.
C o m m e n t a a r
Wanneer wij de H. Eucharistie vieren, vieren we niet een gedachtenis maar een mysterie. De H. Augustinus verklaart het verschil tussen deze twee dingen. Wanneer een viering ‘slechts een gedenkdag is’ dan hoeft niet méér verwacht te worden dan dat ‘men zich de religieuze viering en de dag herinnert waarop een bepaalde gebeurtenis heeft plaatsgevonden.” Wanneer echter een mysterie wordt gevierd (een ‘sacrament’), dan ‘herinnert men zich niet alleen die gebeurtenis, maar doet dit zo, dat men de betekenis ervan begrijpt en het op een wijze die heiligt ontvangt’ (Brief 55, 1, 2 (CSEL 34, 1, S. 170).
Dat is een groot verschil. Men ziet niet slechts naar een actualisering, maar ‘ontvangt’ de zin ervan; men is niet toeschouwer, maar acteur. Sluit men zich aan bij Johannes, bij Maria, Maria Magdalena, de Goede Moordenaar? Niemand kan zich echter afzijdig houden, en doet hij dit desondanks, dan heeft hij hoe dan ook toch een rol gekozen: Pilatus, die zijn handen in onschuld wast, of het volk, dat op afstand stond toe te kijken (vgl. Lc 23,35). En als men ons zou vragen na afloop waar wij zijn geweest, zou men minstens in zijn hart moeten kunnen antwoorden: ‘Op de Calvarieberg’…
Maar dit komt niet automatisch tot stand, alleen al omdat we aan de H. Mis hebben deelgenomen.  Sint Augustinus zegt dat we de betekenis van het mysterie moeten ‘ontvangen’. Dat gebeurt door het geloof. Zonder een luisterend oor is er geen muziek, om het even hoe luid het orkest speelt; zo is er ook geen genade zonder een geloof die haar ontvangt.
Jezus heeft zich voor ons tot voedsel van de waarheid en de liefde en Hij verzekert ons dan ook als Hij spreekt over de gave van zijn leven: ‘Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid’ (Jo 6, 51). Maar dit ‘eeuwig leven’ begint in ons al hier en nu, door de verandering die de Eucharistische gave in ons bewerkt: ‘Hij die Mij eet, zal leven door Mij’ (Jo 6, 57). Deze woorden laten ons inzien hoe het geloof en het ontvangen van dit mysterie een bron van nieuw leven in ons doet opwellen en ons christelijk leven vormt. Als wij ons verenigen met het Lichaam en Bloed van Jezus Christus, worden wij namelijk op een steeds meer volwassen en bewuste manier deelachtig aan het goddelijk leven. Hier is ook van toepassing wat de H. Augustinus in zijn Belijdenissen  zegt over de eeuwige Logos, het voedsel van de ziel. De H. Augustinus benadrukt het paradoxale karakter van dit voedsel, als hij een stem meent te horen die tot hem zegt: ‘Ik ben de spijs van de groten: groei en gij zult Mij eten. En gij zult Mij niet doen veranderen in u, gelijk het voedsel van uw vlees, maar gij zult in Mij veranderen’.  Het eucharistisch voedsel wordt derhalve niet in ons veranderd, maar wij zijn het die – door Christus gevoed en door Hem met Hem verenigd – op mysterieuze wijze worden veranderd en naar zijn Hart worden getrokken.
Zo is de Eucharistieviering krachtige bron en hoogtepunt van het liturgisch en kerkelijk leven en drukt zij zowel de oorsprong en de voltooiing van de nieuwe en definitieve eredienst uit.
Hoe de H. Eucharistie ons hele leven verandert in een geestelijke en God welgevallige eredienst, vat de H. Paulus bondig samen: ‘Ik smeek u, broeders, bij Gods erbarming: wijdt u zelf [letterlijk: lichaam]  aan Hem toe als een levende, heilige offergave, die Hij kan aanvaarden. Dat is de geestelijke eredienst die u past” (Rom 12,1). De nieuwe eredienst is daarom de volledige zelfgave van de eigen persoon in gemeenschap met de Kerk. De woorden van de Apostel roepen op tot overgave van heel ons wezen, geestelijk en lichamelijk. Deze eredienst  is volgens de H. Augustinus ‘het offer van de christenen: zij zijn met velen één lichaam. Dat viert de Kerk steeds weer opnieuw in het aan de gelovigen welbekende Altaarsacrament: daar wordt haar getoond dat zijzelf wordt geofferd in wat zij offert’ (De civitate Dei,, X, 6 in PL 41, 284). En ook de katholieke leer bevestigt dat de Eucharistie als offer van Christus eveneens het offer van de Kerk is – zo zegt de oratie van vandaag het ook – en dus van de gelovigen (vgl. KKK 1368).

Het is tekenend dat de H. Paulus als hij in de Brief aan de Romeinen oproept tot de nieuwe geestelijke eredienst, tegelijk herinnert aan de noodzaak de eigen levenswijze en manier van denken te veranderen: ‘Stemt uw gedrag niet af op deze wereld. Wordt andere mensen, met een nieuwe visie. Dan zijt gij in staat om uit te maken wat God van u wil, en wat goed is, wat zeer goed is en volmaakt’ (Rom 12,2).

(Vgl. Postsynodale Exhortatie van paus Benedictus XVI ‘Sacramentum caritatis’, 22 febr. 2007, nr. 70, 78).

(x) De Rhetorica ad Herennium is het oudste bewaard gebleven in het latijn gestelde leerboekje der welsprekendheid. Opgedragen aan een verder onbekende Gaius Herenniuswerd het ten onrechte overgeleverd onder de werken van Cicero. Het geschrift geeft in vier boeken een korte, maar afgeronde theorie van de rhetorica en behandelt achtereenvolgens het bedenken van de stof en van de middelen om te overtuigen (inventio), de opbouw van de rede, het houden van de rede, het geheugen en de stijl. Hoewel het werkje afhankelijk is van Griekse modellen, zijn de geest, de terminologie en de voorbeelden geheel Romeins. Uit de voorbeelden blijkt dat het ca. 85 vóór Chr. geschreven is. De Rhetorica ad Herennium heeft in de middeleeuwen diepgaande invloed gehad op de literaire theorieën.