Posts tonen met het label dominica V per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dominica V per annum. Alle posts tonen
zondag 9 februari 2025
Lezingen H. Mis 5e zondag door het jaar C “Wees niet bevreesd, voortaan zult ge mensen vangen"
Eerste lezing (Jes. 6,1-2a.3-8)
Uit de Profeet Jesaja.
In het sterfjaar van koning Uzziahu zag ik de Heer, gezeten op een hoge en verheven troon: zijn sleep bedekte heel de vloer van de tempel. Hij was omgeven met serafs; elk had zes vleugels, en ze riepen elkaar toe: “Heilig, heilig, heilig, de Heer der hemelse machten! Heel de aarde is vol van zijn glorie!” Het luide roepen deed de drempels schudden in hun voegen en het heiligdom stond vol rook. Toen riep ik: “Wee mij, ik ben verloren! Want ik ben een mens met onreine lippen, en toch hebben mijn ogen de Koning, de Heer der hemelse machten, gezien!” Maar een van de serafs vloog naar mij toe met een gloeiende kool die hij met een tang van het altaar genomen had; hij raakte mijn mond daarmee aan en sprak: “Nu dit uw lippen aangeraakt heeft zijn uw zonden verdwenen, uw misstappen vergeven.” Daarop hoorde ik de Heer spreken: “Wie moet ik zenden? Wie zal voor ons gaan?” En ik antwoordde: “Hier ben ik, zend mij!”
Tweede lezing (1 Kor. 15,1-11)
Uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte.
Broeders en zusters, ik vestig uw aandacht op het evangelie dat ik u heb verkondigd, dat gij hebt ontvangen, waarop gij gegrondvest zijt en waardoor gij ook gered wordt, indien ge er tenminste aan vasthoudt in de vorm waarin ik het u verkondigd heb, anders zoudt gij tevergeefs gelovig geworden zijn. In de eerste plaats dan heb ik u overgeleverd wat ik ook zelf als overlevering heb ontvangen, namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften en dat Hij begraven is, en dat Hij is opgestaan op de derde dag, volgens de Schriften, en dat Hij verschenen is aan Kefas en daarna aan de Twaalf. Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie de meesten nog in leven zijn, hoewel sommigen zijn gestorven. Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan alle apostelen. En het laatst van allen is Hij ook verschenen aan mij, de misgeboorte. Ja ik ben de minste van de apostelen, niet waard apostel te heten, want ik heb Gods kerk vervolgd. Maar door de genade van God ben ik wat ik ben en zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest. Ik heb harder gewerkt dan alle anderen, niet ik, maar de genade van God met mij. Maar of zij het nu zijn of ik, dát hebt gij geloofd.
Evangelie (Lc. 5,1-11)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas.
Op zekere dag stond Jezus aan de oever van het meer van Gennesaret, terwijl de mensen op Hem aandrongen om het woord Gods te horen. Hij zag nu twee boten liggen aan de oever van het meer; de vissers waren eruit gegaan en spoelden hun netten. Hij stapte in een van de boten, die van Simon, en vroeg hem een eindje van wal te steken. Hij ging zitten en vanuit de boot vervolgde Hij zijn onderricht aan het volk. Toen Hij zijn toespraak had geëindigd zei Hij tot Simon: “Vaar nu naar het diepe en gooi uw netten uit voor de vangst.” Simon antwoordde: “Meester, de hele nacht hebben we gezwoegd zonder iets te vangen; maar op uw woord zal ik de netten uitgooien.” Ze deden het en vingen zulk een massa vissen in hun netten dat deze dreigden te scheuren. Daarom wenkten ze hun maats in de andere boot om hen te komen helpen. Toen die gekomen waren vulden zij de beide boten tot zinkens toe. Bij het zien daarvan viel Simon Petrus Jezus te voet en zei: “Heer, ga van mij weg want ik ben een zondig mens.” Ontzetting had zich meester gemaakt van hem en van allen die bij hem waren, vanwege de vangst die ze gedaan hadden. Zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Jezus echter sprak tot Simon: “Wees niet bevreesd, voortaan zult ge mensen vangen.” Ze brachten de boten aan land en lieten alles achter om Hem te volgen.
Uit de Profeet Jesaja.
In het sterfjaar van koning Uzziahu zag ik de Heer, gezeten op een hoge en verheven troon: zijn sleep bedekte heel de vloer van de tempel. Hij was omgeven met serafs; elk had zes vleugels, en ze riepen elkaar toe: “Heilig, heilig, heilig, de Heer der hemelse machten! Heel de aarde is vol van zijn glorie!” Het luide roepen deed de drempels schudden in hun voegen en het heiligdom stond vol rook. Toen riep ik: “Wee mij, ik ben verloren! Want ik ben een mens met onreine lippen, en toch hebben mijn ogen de Koning, de Heer der hemelse machten, gezien!” Maar een van de serafs vloog naar mij toe met een gloeiende kool die hij met een tang van het altaar genomen had; hij raakte mijn mond daarmee aan en sprak: “Nu dit uw lippen aangeraakt heeft zijn uw zonden verdwenen, uw misstappen vergeven.” Daarop hoorde ik de Heer spreken: “Wie moet ik zenden? Wie zal voor ons gaan?” En ik antwoordde: “Hier ben ik, zend mij!”
Tweede lezing (1 Kor. 15,1-11)
Uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte.
Broeders en zusters, ik vestig uw aandacht op het evangelie dat ik u heb verkondigd, dat gij hebt ontvangen, waarop gij gegrondvest zijt en waardoor gij ook gered wordt, indien ge er tenminste aan vasthoudt in de vorm waarin ik het u verkondigd heb, anders zoudt gij tevergeefs gelovig geworden zijn. In de eerste plaats dan heb ik u overgeleverd wat ik ook zelf als overlevering heb ontvangen, namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften en dat Hij begraven is, en dat Hij is opgestaan op de derde dag, volgens de Schriften, en dat Hij verschenen is aan Kefas en daarna aan de Twaalf. Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie de meesten nog in leven zijn, hoewel sommigen zijn gestorven. Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan alle apostelen. En het laatst van allen is Hij ook verschenen aan mij, de misgeboorte. Ja ik ben de minste van de apostelen, niet waard apostel te heten, want ik heb Gods kerk vervolgd. Maar door de genade van God ben ik wat ik ben en zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest. Ik heb harder gewerkt dan alle anderen, niet ik, maar de genade van God met mij. Maar of zij het nu zijn of ik, dát hebt gij geloofd.
Evangelie (Lc. 5,1-11)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas.
Op zekere dag stond Jezus aan de oever van het meer van Gennesaret, terwijl de mensen op Hem aandrongen om het woord Gods te horen. Hij zag nu twee boten liggen aan de oever van het meer; de vissers waren eruit gegaan en spoelden hun netten. Hij stapte in een van de boten, die van Simon, en vroeg hem een eindje van wal te steken. Hij ging zitten en vanuit de boot vervolgde Hij zijn onderricht aan het volk. Toen Hij zijn toespraak had geëindigd zei Hij tot Simon: “Vaar nu naar het diepe en gooi uw netten uit voor de vangst.” Simon antwoordde: “Meester, de hele nacht hebben we gezwoegd zonder iets te vangen; maar op uw woord zal ik de netten uitgooien.” Ze deden het en vingen zulk een massa vissen in hun netten dat deze dreigden te scheuren. Daarom wenkten ze hun maats in de andere boot om hen te komen helpen. Toen die gekomen waren vulden zij de beide boten tot zinkens toe. Bij het zien daarvan viel Simon Petrus Jezus te voet en zei: “Heer, ga van mij weg want ik ben een zondig mens.” Ontzetting had zich meester gemaakt van hem en van allen die bij hem waren, vanwege de vangst die ze gedaan hadden. Zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Jezus echter sprak tot Simon: “Wees niet bevreesd, voortaan zult ge mensen vangen.” Ze brachten de boten aan land en lieten alles achter om Hem te volgen.
zaterdag 5 februari 2022
Collectegebed Vijfde zondag per annum / door het jaar "Alleen op Uw genade hun hoop stellen"
Ter i n
l e i d i n g
Het collectegebed van de Kerk
stelt vandaag de christelijke gemeenschap als een huisgezin van God voorop; God
als Vader heeft de voortdurende taak te beschermen, te behoeden, te verdedigen.
Het gezin echter steunt niet op eigen kracht, maar volkomen op de hemelse
genade: dit gebed moet in de H.Mis en daarbuiten een beleefde waarheid zijn;
onze voorbereiding is vertrouwen, de vrucht van Christus’ Offer is bescherming
en verdediging.
Het collectegebed van deze zondag presenteert enerzijds het
beeld van de familie, het gezin, Gods huisgezin, anderzijds het beeld van een
groep plichtsgetrouwe soldaten.
T e k s t
Missale Romanum 1970
Familiam tuam,
quæsumus, Domine,
continua pietate
custodi,
ut quæ in sola spe
gratiæ cælestis innititur,
tua semper protectione muniatur.
Altaarmissaal Nederlandse
Kerkprovincie 1979
Heer, blijf ons die U toebehoren
met liefdevolle zorg omringen.
Wees de beschermer van allen
die hun hoop alleen op uw genade stellen.
Werkvertaling
Wij smeken U Heer,
waak voortdurend met vaderlijke goedheid over uw gezin [de Kerk],
opdat het, daar het alleen steunt op de hoop van de hemelse genade,
steeds door uw bescherming wordt beschut.
L i t u r g i s c h e a n t e c e d e n t e n
Het collectegebed van deze zondag
is opgenomen in talrijke codices, o.a. Adelp(retianus), Oostenr. Nationale
Bibliotheek, Wenen, Ser. Nov., 206, sæc. XII; Aquilea, in Missale Aquileyensis
Ecclesiæ, ed. 1519; Beneventum, Cod. VI 33 nr.25 (sæc. X-XI) Aartsbissch. Archief; Cantuariensis, Cod.
Cambridge, Corpus Christi Coll., 270 (sæc. XIe–XIIe, gregorianiseerd Gelasianum; Casinensis, Rome,
Vatic. Ottobon,. Lat. 145 (s. XI); Engolismensis, Parijs, B.N., lat. 816 (sæc.
VIII-IX); Fulda, Cod.: Göttingen, Univ. Bibl., Cod. Theol. 231 (ca 975);
Sangallensis, Stiftsbibl., 348 (sæc. VIII-IX), originaire de Chur (Coire), sous
l’évêque Remedius (796-806) en vele andere.
Zie Corpus Orationum, IV, E-H,
Orationes 2390-3028, in de reeks Corpus
Christianorum, E. Moeller, J.M. Clément, B. Coppieters ‘t Wallant, Brepols,
Tunhout, 1994, p. 122.
In het preconciliaire Romeinse Missaal was deze oratie:
- het collectegebed van de 5e zondag na Driekoningen en
tevens
- de “oratio super populum” – gebed over het volk (1) van zaterdag na
de 2e zondag van de Vasten.
S t r u c t u u r a n a l y s e e
n s t i j l f i g u u r
1.Familiam tuam,
quæsumus, Domine,
continua pietate
custodi,
2.ut quæ in sola spe
gratiæ cælestis innititur,
3.tua semper
protectione muniatur.
Ad 1
De oratie, die zich met een enkelvoudige anaklese richt tot de Heer, Domine,
bestaat uit één enkele hoofdzin die is samengesteld uit de eigenlijke, stricte
bede (r.1), gevolgd door een finale/doelaanwijzende of
consecutieve/gevolghebbende bijzin: ut … muniatur (r.2-3) onderbroken door een
relatieve bijzin: quæ … innititur.
Familiam tuam, uw familie, uw gezin, is het object in de
accusativus van het verbum custodi, bescherm, behoed, waak, in de
imperativusvorm, gemilderd door het tussenwerpsel quæsumus, bidden wij, vragen wij [U]; continua
pietate, met/door een voortdurende vaderlijke liefde/zorg, is een
bijwoordelijke bepaling in de ablativus waarbij het adjectief continua met het
substantief pietate congrueert. De bijwoordelijke bepaling is een nadere
precisering van het gezegde custodi. Het verbum custodi staat zoals
dikwijls in de Latijnse phrases aan het einde van de zin, terwijl het object familiam
aan de kop van de oratie in apart reliëf wordt geplaatst.
Ad 2-3
Het voegwoord ut … tua
semper protectione muniatur leidt de finale/consecutieve bijzin in waarvan het
verbum muniatur in de coniunctivus staat vanwege het wenskarakter.
Muniatur, 3 pers. enkelv. coniunctivus passivi van het verbum munire: opdat zij
beschermd/beschut worde; tua semper protectione: tua protectione,
door/met uw bescherming: bijwoordelijke bepaling in de ablativus (het
bezittelijke voornaamwoord tua congrueert met het substantivum
protectione) die ook hier het gezegde preciseren in de wijze waarop. Vergelijk
in regel 1: continua pietate. Semper eveneens een bijwoordelijke
bepaling van tijd. Tua semper protectione is een hyperbaton-stijlfiguur waarbij
het semper het possesivum tua en het
substantivum protectione onderstreept. Bij de absolute God is het immers niet
een “zo nu en dan” of een “soms”, maar een “altijd”.
Ad 3
…quæ… innititur, die steunt op – relatieve
bijzin waarvan het reflexivum quæ gekoppeld is aan het in regel 1
genoemde substantivum familiam tuam en tevens verwijst naar het in het verbum
munitur opgesloten subject en kan vertaald worden met ‘zij, die’. Innititur = 3e
persoon enkelv. van het deponens inniti, innisus/innixus sum. Dit verbum staat
in de indicativus vanwege het feitelijke karakter van hetgeen wordt meegedeeld:
voor elk goed handelen steunt en hoopt de christen immers op de genade van
boven. Het verbum inniti, steunen op, berusten op, heeft de bijwoordelijke
bepaling in sola spe gratiæ cælestis
bij zich; dit zinsdeel is op te splitsen in de ablativusvormen in sola spe
[met congruentie van sola en spe] die bij het deponens innitor de functie van
object vervullen en de twee genitivusvormen gratiæ
cælestis, eveneens congruerend, die de sola spes nader toelichten.
V o c a b u l a r i u
m
Familia - de “familia” (cf. Gr. oι̉κoς) was de kern van de voorstedelijke Romeinse
samenleving. Een familia stond onder leiding van de “pater familias” die naar
Romeins recht zijn “patria potestas” ("vaderlijk gezag") kon doen
gelden over de “mater familias” (zijn echtgenote), “filii familias” (zijn
zonen) en “filiae familias” (zijn dochters).
In het commentaar bij het collectegebed van
de 16e zondag per annum is gekeken naar de betekenissen van het verwante begrip
“famulus”, dienaar, die in de antieke wereld deel uitmaakte van de huishouding
van de uitgebreide familia Romana.
Custodire betekent gewoonlijk binnen militair kader
“waken, bewaken, beschermen, beschutten, verdedigen”. De ‘Nederlandse’ term
custos staat voor wachter, oppasser, bewaker en ook het woord koster heeft hier
zijn wortel. Op de liturgische kalender vinden we de gedachtenis Ss. Angelorum
Custodum, van de HH. Engelbewaarders (2 oktober) en in de oratie van het
hoogfeest van St. Jozef (19 maart): “….cuius primordia Ioseph fideli custodiæ
commisisti…” waarvan Gij het begin aan de hoede van de trouw Joseph hebt
toevertrouwd. Ook God zelf is custos: “Deus qui messis ac vineæ dominus es et
custos…” – God, die de Heer zijt van de oogst en bewaker van de wijngaard…
(Liturgia Horarum, Week II, Feria II, oratie bij de Sext).
Custos wordt ook gebruikt voor een vervolg- of merkteken aan
het einde van een pagina waarmee het begin van de volgende wordt aangeduid. Ook
is de term bekend uit de Gregoriaanse muzieknotatie op het einde van een
notenbalk.
Custodie is een andere term voor gevangenis of
bewaring en heeft een specifieke betekenis in de ordesgeschiedenis van de
Franciscanen. Op gezag van de paus bedienen zij al meer dan zes eeuwen de
christelijke heiligdommen in het Heilig Land en hebben na het einde van de
Kruisvaarderstaten bepaalde taken van de kanunniken van het H.Graf overgenomen
zoals: het gebed bij de heiligdommen, de pastorale zorg voor de katholieken in
het Heilig Land en het dienstbetoon aan pelgrims. Binnen de Orde van de
Franciscanen hebben de aan het Heilig Land verbonden Franciscanen de status van
Custodie.
Pietas - Binnen de antieke
Romeinse godencultus was “Pietas” een personificatie van de liefde tot de
mensen en van de Romeinse deugd Pietas, de staat en de eerbied voor de goden
(vroomheid). Pietas bevatte 3 elementen: geloof in de goden, trouw aan het
vaderland en respect voor de ouders. Pietas werd voorgesteld als voor een
altaar staand, met de linkerarm in de hoogte geheven, terwijl zij in de rechterhand
een offerschaal houdt, ofwel strekt zij met een omsluierd achterhoofd haar
beide handen uit, alsof zij tot de goden bidt. Om haar betrekking tot de vrome
liefde van kinderen voor hun ouders aan te duiden staat een ibis of een ooievaar
aan haar voeten. Deze godin stond vaak afgebeeld op de keerzijde van Romeinse
munten met vrouwen van de keizerlijke familie aan de voorzijde, daar pietas een
passende deugd was voor keizerlijke vrouwen (bv. Flavia Maximiana Theodora). De keizerlijke
vrouwen staan soms zelfs op de munten met het uiterlijk van de godin. Dit
klassieke begrip kreeg een nieuwe christelijke betekenis in de relatie tussen
Schepper-God-Vader en schepselen-mensen-kinderen en duidt de vaderlijke
genegenheid en liefdevolle maar tegelijk gezaghebbende zorg van vader naar kind
aan en omgekeerd de liefdevolle kinderlijke gehoorzaamheid met inbegrip van
natuurlijke ontzag.
Pietas is derhalve een van de
zeven Gaven van de Heilige Geest (verg. KKK 733-736; Jes. 11,2) waardoor wij
liefdevol en terecht dankbaar zijn ten opzichte van onze ouders, verwanten en
medeburgers, en ook tegenover alle mensen voor zover zij God toebehoren of
godvrezend zijn. Ten opzichte van de Moeder Gods en de Heiligen komen daar de
aspecten van vrome verering en piëteit bij.
Kort samengevat “pietas” duidt op het vervullen van godsdienstige
plichten. Op God toegepast echter, betekent pietas
gewoonlijk Zijn genadige liefde
jegens ons.
Continuus,-a,-um,
ononderbroken behoort bij het verbum continere, continui, contentum: 1.
Insluiten 2. Omvatten, bevatten 3. Dichthouden 4. Tegenhouden. Afleidingen in
het Nederlands zoals continentia, content, continue enz. zijn iedereen bekend.
Innitor, geplaatst in
militaire context betekent “leunen of
rusten op, zichzelf ondersteunen met iets”. Caesar en Livius beschrijven
soldaten die leunen op hun speren en schilden (bijvoorbeeld “scutis innixi …
leunend op hun schilden” Caesar, De bello
Gallico 2.27).
Munire, opmetselen,
bouwen, omschansen, verdedigen, beschermen is ook een term afkomstig uit de soldatenwereld. Onze term ‘munitie’ is van
dit concept afgeleid.
Protectio- onis,
bescherming, beschutting, verdediging, protectie, met de verwante
begrippen als “protector”, “protectoraat” behoren tot het verbum protegere,
potexi, protectum : bedekken, beschermen, beschutten
I n h o u d
God heeft zijn Zoon gezonden en
Hem vele broeders gegeven, van wie Hij, de eeuwige Zoon van God, de
Eerstgeborene is (Rom 8,29). Zo
schiep God de “nieuwe schepping”, zijn “familia”, waarin Hij zelf de “pater
familias” is.
In de eerste paragraaf van de
“Katechismus van de Katholieke Kerk” [KKK] wordt de verhouding Vader-Zoon en
aangenomen zoon-Vader nader toegelicht:
“God die oneindig volmaakt en
gelukkig in zichzelf is, heeft, uit zuivere goedheid, in vrijheid de mens
geschapen, om hem te laten delen in zijn eigen gelukzalig leven. Daarom nadert
Hij altijd en overal tot de mens. Hij roept hem, biedt hem hulp om Hem te
zoeken, te kennen en met al zijn krachten lief te hebben. Alle mensen, door de
zonde verdeeld, nodigt hij uit tot de eenheid van zijn gezin, de Kerk. Om dat
te bereiken heeft Hij zijn Zoon gezonden als Verlosser en Redder, toen de
volheid van de tijden gekomen was. In Hem en door Hem, roept Hij de mensen op
om in de heilige Geest zijn aangenomen kinderen te worden en zo erfgenamen te
worden van zijn gelukzalig leven”.
Vervuld van de H. Geest noemen
wij God derhalve Vader. Maar bij het beleven van deze werkelijkheid, vergeten
wij niet de diepere liefde die van de H. Geest komt waarop het Latijnse begrip
“familia” in de strikte betekenis van de Romeinse rechtsordening wijst. Met dit
begrip in het achterhoofd beseft men dat de aanspreking “Abba-Vader” bij Sint
Paulus een “waagstuk” is, zoals de oude overgeleverde inleiding tot het Onze
Vader in de Romeinse liturgie zegt: “Præceptis salutaribus monitis…audemus
dicere”: - Aangespoord door een gebod van de Heer… durven wij zeggen -.
God de Vader heeft de mensen lief
en heeft hen zijn liefde ontegensprekelijk bewezen door hen zijn Zoon als
Verlosser te schenken. Het is de liefde
van de oneindig verheven Vader, die in het Latijn van de liturgie van de Kerk
wordt uitgedrukt in het begrip “pietas”, omdat in de liefde van de Vader heel
de sublimiteit van zijn Wezen is vervat.
De familie van de kinderen Gods,
de Kerk, de “familiaris consortio” (2), de familie-gemeenschap, heeft in de
pietas van haar Vader en Heer grenzeloos vertrouwen: “… in sola spe gratiæ
cælestis innititur --- (…steunt alleen
op de hemelse gratie). Zij bouwt enkel en alleen op de genade van de
kant van de Vader.
Natuurlijk vertrouwen de mensen
elkaar eveneens en ze moeten dit wel doen om te kunnen leven. Maar nooit kan
hun vertrouwen die absoluutheid bezitten zoals tegenover God. Daarvan getuigt
het collectegebed immers op een enthousiaste manier: “in sola spe gratiæ” – alléén op de genade
- zoals boven reeds gezegd.
In dit onwrikbaar bouwen en
vertrouwen op de genade, dit is de liefde van de kant van de Vader, bidt de
oratie om voortdurende bescherming.
Volgend
commentaar van J.Zuhlsdorf;
De bede "waak voortdurend
over uw gezin met vaderlijke goedheid / vaderlijk erbarmen /
religieuze plichtsbetrachting..." roept ook beelden van soldaten op alsmede
van een vader die de slaapkamers van zijn kinderen als ze slapen binnenloopt en
controleert. Hij luistert gedurende de nacht naar geluiden van nood of
behoefte.
De Kerk is niet bang om beelden van uit
de context van familie en leger te combineren, de symbiotische uitwisseling van
plicht, gehoorzaamheid en bescherming. Wanneer wij de militaire beeldspraak in
reliëf plaatsen helpt het ons om beide sets van beeldspraak in gedachten te houden
als wij tijdens de H. Mis horen “Vader neem onze gebed op naar de hemel”.
Wij, katholieken, vormen als kinderen
van een gemeenschappelijke Vader en als leden van de Strijdende Kerk een corps (van het Latijnse corpus, "lichaam"). Velen van ons kregen bij het ontvangen van
het H. Vormsel van de bisschop als "soldaten van Christus" een
kaakslag als een geheugensteun aan het lijden waarmee wij als christenen
mogelijk geconfronteerd zouden kunnen worden.
Wij moeten liever willen sterven als
soldaten dan zondigen als degenen die geen dankbaarheid of plichtsbesef jegens
God hebben. We moeten indien nodig willen lijden omwille van hen die aan ons
zijn toevertrouwd.
Er is een diepe onderlinge band tussen
de leden van een familie, maar ook ongelijkheid. Kinderen zijn niet minder
leden van de familie dan hun ouders, maar ze zijn niet de gelijken van hun
ouders. Zelfs de jonge Jezus – de Godmens – was onderworpen aan Maria en Jozef
(Lc 2,51). Als verheerlijkte verrezen
Koning en Rechter zal Christus alle dingen onderwerpen aan de Vader (1 Cor
15,27-28). Wij zijn alle leden van de
Kerk, maar met ongelijke taken. Zoals Sint Augustinus zei, "Ik ben
bisschop voor u en Christen met u" .
Onze tijd wordt steeds meer gedomineerd
door het relativisme en de domme dwaasheid van het
seculiere humanisme. Zowel de militaire organisatie als het gezin en
onze H. Moeder de Kerk worden uitgehold, systematisch afgebroken. Individuele
soldaten kunnen worden geprezen, maar de militaire organisatie wordt door de
intelligentsia met achterdocht bekeken.
Rechten van het individu – zelfs van kinderen tegen hun ouders – worden gevalideerd, terwijl de familie als
eenheid onder vuur ligt.
Hiërarchie en discipline bieden de
bescherming die marcherende troepen en opgroeiende kinderen nodig hebben. Wij
leden van de Strijdende Kerk, leerlingen van Christus, hebben onderrichting en
sturing nodig van onze officieren/herders zodat we ons doel kunnen
bereiken. Wij hebben voeding en
discipline nodig in de zin van instructie (Latijnse disciplina) en de sacramenten ter heiliging. Ouders en herders moeten hun eigen taken
jegens ons vervullen met pietas,
religieuze plichtsbetrachting en met de liefde de hemelse Vader eigen! Hun pietas
vereist opoffering, omdat zij de eersten moeten zijn om op te komen voor onze
verdediging, goede plannen te vormen en een klare en duidelijke trompet te
laten weerklinken om ons te leiden
(1)
Oratio super populum – Gebed over het volk;
de oratie, waarmee op weekdagen in de Vastentijd vanaf Aswoensdag tot en met woensdag in de Goede
Week de Misviering werd besloten. Het was een oude zegenformulie in de vorm van
een oratie na de postcommunio die, gezien de gebruikelijke oproep van de diaken
“Humiliate capita vestra” – “Buigt uw hoofd”, vaak een gebogen houding
veronderstelde (inclinatio). Zie Liturgisch
Woordenboek I, Roermond 1962, kol. 789. De postconciliaire
liturgiehervorming heeft de speciale zegenformules gehandhaafd maar niet met
het oratiemodel.
(2)
“Familiaris consortio” – De gemeenschap
van het gezin; Apostolische exhortatie Joannes-Paulus II over de taken van het
christelijk gezin in de wereld van deze tijd, 22.11.1981. Zie met name deel II
over het huwelijk en de gemeenschap van het gezin als afspiegeling van de H.
Drieëenheid.
Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Vijfde zondag door het jaar Eén worden in Christus en met blijdschap vruchten voortbrengen die heilzaam zijn voor heel de wereld.
Het
Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo,
Ravenna (vóór 529)
Eén worden in Christus en met blijdschap
vruchten voortbrengen die heilzaam zijn voor heel de wereld.
I n l e i d i n
g
Net
als de Postcommunio van de 2e zondag per annum, die Deo volente het
volgend jaar wordt besproken, heeft de
Postcommunio van deze zondag betrekking op de pericope 1 Kor 10, 17: quoniam unus panis unum corpus multi sumus
omnes quidem de uno pane participamus /omdat het brood één is, vormen wij allen tesamen één lichaam, want allen hebben wij deel aan het ene brood. In het bewustzijn in Christus
een lichaam te zijn, bidt de Kerk om
vruchtbaarheid. Dit roept de gelijkenis van de wijnstok op, welke krachtig en
beslist de noodzaak benadrukt vruchten voort te brengen. “Ik ben de wijnstok,
gij de ranken. Wie in Mij blijft, brengt vele vruchten voort ( . . . ) Als
iemand niet in Mij blijft, wordt hij weggeworpen als de rank, en verdort (Vgl. Jo 15, 5.6). Dat de oratie het 15e hoofdstuk van het
Johannesevangelie voor ogen heeft, blijkt uit de bede “ut fructum afferamus” /
opdat wij vrucht dragen - , die letterlijk steunt op het woord van Christus in
dezelfde passage: “ Ik heb u de taak gegeven op tocht te gaan en vrucht te
dragen: “ut fructum afferatis” (Jo 15, 16). Op deze plaats is er echter geen
sprake meer van een gelijkenis, maar richt de Heer zich rechtstreeks tot zijn
leerlingen, die nu niet langer dienaren zijn, maar vrienden zijn geworden. Hier
is de ‘vrucht’ de arbeid arbeiden van de dienaren/vrienden.
Het
vruchten voortbrengen “in blijdschap” (gaudentes) verwijst in de context van de
gelijkenis van de wijnstok naar de jubel en de feestelijke vreugde bij de
druivenoogst.
De
Postcommunio van vandaag kan ook in bijzondere relatie worden gezien met de
eucharistische kelk, waarop de liturgie
zo graag het psalmwoord toepast: “Calix meus inebrians quam præclarus est!”/
Hoe voortreffelijk is mijn van bruisende wijn overlopende kelk! (Ps 23, 5 Vulgaat). Ook verwijzen de gebeden graag naar vers 14
van Psalm 103 (104), het loflied op God als Schepper: “(…) educens panem de
terra, et vinum quod lætificat cor hominis” / Brood laat Gij de aarde voortbrengen
en wijn, die het hart van de mensen verblijdt.
Niet
zonder reden gaat Johannes 15 van de gelijkenis (verzen 1-8) over naar het
vrucht opbrengen door de dienaren, die voortaan vrienden worden genoemd. Met de
vrucht van de wijnstok worden immers de daadwerkelijke vruchten bedoeld die het
leven van de leerlingen van Christus voortbrengt.
Want de vrucht die een leven in vereniging met Christus opbrengt, draagt bij
tot het heil van de wereld. Hiertoe immers heeft de Vader zijn Zoon naar de wereld
heeft gezonden om de mensheid te verlossen uit de zonde.
De
oratie bidt ”zó te leven dat wij één worden in Christus en met blijdschap
vruchten voortbrengen die heilzaam zijn voor heel de wereld. Hierbij gaat het
dus niet alleen om een bepaald domein van ons leven, bijvoorbeeld waar we zorg
dragen voor onze ziel, maar uiteindelijk om heel ons leven, alles wat we zijn
en doen. In de H. Communie is niet slechts een fragment van ons bestaan met
Christus één geworden, maar héél ons leven en zijn.
T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Deus,
qui nos de uno pane et de uno calice
participes esse voluisti,
da nobis, quaesumus, ita vivere,
participes esse voluisti,
da nobis, quaesumus, ita vivere,
ut,
unum in Christo effecti,
fructum afferamus pro mundi salute gaudentes.
fructum afferamus pro mundi salute gaudentes.
Altaarmissaal
Nederlandse Kerkprovincie 1979
God,
wij hebben deel mogen hebben
aan
het ene brood en de ene beker.
Wij
bidden U: laat ons zó leven
dat
wij één worden in Christus
en met blijdschap vruchten voortbrengen
die heilzaam zijn voor heel de wereld.
Werkvertaling
God, die hebt gewild dat wij
het ene brood en de ene beker deelachtig zijn,
geef [ons], vragen wij U, zó te leven,
dat wij, in Christus één gemaakt,
met vreugde vrucht voortbrengen voor het heil van de
wereld.
L i t u r g i s
c h e a n t e c e d e n t e n
De Postcommunio is als een nieuwe compositie opgenomen
in het MR 1970 en volgende edities. Het is ‘quiltwerk’ van verschillende
bijbelse tekstfragmenten, zie beneden.
Een quilt is een doorgestikte deken. Hij wordt gemaakt
van drie lagen textiel die op elkaar genaaid worden door middel van quilten. De
top kan een hele lap stof zijn of patchwork (allegaartje van stukjes textiel) .
Het woord quilt is afgeleid van het Latijnse culcita, dat gevulde zak betekent.
B i j b e l s
e c o n t e x t (Vulgaat)
Rom 12, 5: ita
multi unum corpus sumus in Christo singuli autem alter alterius membra /
zo zijn wij tesamen één lichaam in Christus, maar
ieder afzonderlijk zijn wij ledematen over en weer.
1 Kor 10, 17: quoniam unus panis unum corpus multi
sumus omnes quidem de uno pane participamur / omdat het brood één
is, vormen wij allen tesamen één
lichaam want allen hebben wij deel aan het ene
brood.
1 Kor 11, 28: probet autem se ipsum homo et sic de pane illo edat et de calice bibat / laat dus een ieder zichzelf onderzoeken en dan eerst eten van dat brood en drinken van de kelk.
1 Kor 11, 28: probet autem se ipsum homo et sic de pane illo edat et de calice bibat / laat dus een ieder zichzelf onderzoeken en dan eerst eten van dat brood en drinken van de kelk.
Jo 15, 16: non vos me elegistis sed ego elegi vos et
posui vos ut eatis et fructum adferatis et fructus vester maneat ut quodcumque
petieritis Patrem in nomine meo det vobis / niet gij hebt Mij uitverkoren, maar
Ik heb ú uitverkoren; en Ik heb u aangesteld om vrucht te gaan dragen, en wèl
de blijvende vrucht, en al wat gij de Vader in Mijn Naam zult vragen, zal Hij u
geven.
Jo 17, 11: et iam non sum in mundo et hii in mundo
sunt et ego ad te venio Pater sancte serva eos in nomine tuo quos dedisti mihi
ut sint unum sicut et nos / Ik ben niet meer in de wereld, maar zij blijven in
de wereld, terwijl Ik tot U kom; heilige Vader bewaar hen in Uw Naam opdat zij
één mogen zijn, zoals Wij.
Jo 17, 21: ut omnes unum sint sicut tu Pater in me et
ego in te ut et ipsi in nobis unum sint ut mundus credat quia tu me misisti /
mogen ze allen één zijn, zoals Gij, Vader, het zijt in Mij en Ik in U; mogen ze
ook één zijn in Ons opdat de wereld gelooft dat Gij Mij hebt gezonden.
G e t u i g e n
i s s e n v a n d e V
a d e r s
Ignatius van Antiochie [*35-50 + 110-117]
Leg er u dus op toe één Eucharistie te vieren; want er
is maar één Lichaam van Onze Heer Jezus Christus en slechts één Kelk tot
eenheid in zijn Bloed, één altaar, zoals er één bisschop is met zijn
priestercollege en diakens, mijn mededienaren, opdat gij, wanneer gij de
Eucharistie viert dit doen mag volgend God.
Ep. ad Philad. 4
Cyrillus van Jeruzalem [313-387]
Onder het teken van brood wordt u Zijn Lichaam, onder
het teken van wijn Zijn Bloed geschonken, opdat u door het nuttigen van het
Lichaam en Bloed van Christus één van lichaam en één van bloed met Hem wordt.
Catech.
Mystag. 22
Augustinus van Hippo [354-430]
Door middel van brood en kelk heeft Christus ons Zijn
Lichaam willen toevertrouwen en Zijn Bloed, dat Hij voor ons vergoot tot
vergiffenis van de zonden. Hebt ge het goed ontvangen, dan zijt ge wat ge
ontvangen hebt. Want de apostel zegt: wij velen zijn één brood, één lichaam. In
dit brood wordt u op het hart gedrukt hoezeer ge de eenheid moet beminnen. […]
Ontvangt het dus zo, dat ge er aan denkt de eenheid in uw hart te bezitten en
uw hart steeds vastgehecht te houden aan hetgeen boven is.
Sermo
227 in die Paschae IV
Zoals echter uit afzonderlijke graankorrels, die tot
één geheel verenigd zijn en zich als het ware door bevochtiging met elkaar
vermengen, één brood ontstaat, zo
ontstaat het éne Lichaam van Christus door de eendracht der liefde.
Wat er echter met Christus’ Lichaam geschiedt in de
graankorrels, dat geschiedt met zijn bloed in de druiven: de wijn immers vloeit
uit de pers, en hetgeen er in die vele druiven afzonderlijk bestond, vloeit
samen tot één geheel en wordt wijn. Het mysterie van eenheid is dus zowel in
het brood gelegen als in de kelk.
Sermo
Guelf. 7,2 de dominica Paschae
Johannes Chrysostomus [344-407]
Wij moeten noodzakelijkerwijze, zeer geliefden, het
wonderbare der mysterieën leren kennen, wat het is en waarom het gegeven is.
Één lichaam worden wij; ledematen, zegt Hij, van Zijn Vlees en van Zijn
beenderen. Volgen wij die ingewijd zijn, nu wat er gezegd wordt. Vermengen wij
ons dus met Zijn Vlees om niet alleen door de liefde, maar ook in werkelijkheid
één te worden met Hem; dit immers geschiedt door de spijs die Hij ons
geschonken heeft, omdat Hij Zijn groot verlangen naar ons wilde tonen. Daarom
heeft Hij zichzelf met ons vermengd en Zijn Lichaam in ons doen opgaan opdat
wij in eenheid zouden zijn als één lichaam met het Hoofd verbonden; dit is het
verlangen van degenen die vurig beminnen.
Hom. 46 in Joan.
A n a l y s e e n s t i j l f i g u r e n
1. Deus,
qui nos de uno pane et de uno calice
participes esse voluisti,
2. da nobis, quaesumus, ita vivere,
participes esse voluisti,
2. da nobis, quaesumus, ita vivere,
3a
. ut, 4. unum in Christo effecti,
3b. fructum afferamus pro mundi salute gaudentes.
3b. fructum afferamus pro mundi salute gaudentes.
De oratie bestaat uit een enkele zin, samengesteld
uit een hoofdzin (r. 1-2) met adres en relatieve bijzin, gevolgd door een finale / consecutieve bijzin
in de coniunctivus die het inhoudelijke effect noemt van de in regel 2
geformuleerde bede.
Ad 1
Deus, God – aanspreekvorm aan de kop van de oratie
in de vocativusvorm
Qui..voluisti: relatieve bijzin, die een
wilsbesluit van de Vader vermeldt.
Voluisti, U/Gij hebt gewild: prædicaat in de 2e
pers. enkelvoud van het perfectum activi van velle – volui gevolgd door de
a.c.i. (accusativus cum infinitivo) – constructie: nos… participes esse / dat wij deelachtig worden aan het ene Brood
en de ene kelk. De constructie particeps esse wordt middels het voorzetsel de
verbonden met het dubbele object: het ene Brood en de ene kelk.
Ad 2
Da ..vivere , geef/verleen – prædicaat van de
hoofdzin in de imperativusvorm gevolgd door de infinitivusvorm vivere. De tussenzin
quæsumus, wij bidden/vragen U, is een veel voorkomende vorm in de oraties
hetzij om ritmische redenen gebruikt hetzij ter afzwakking van de imperativus ten opzichte van de Majesteit
van God. Nobis, [aan] ons – bijwoordelijke bepaling in de dativusvorm van het
pronomen personale nos: dativus commodis (van
voordeel).
Ita, zó: eerste lid van de vergelijking ita …ut:
zó…dat : bijwoordelijke bepaling
Ad 3a-3b
Finale /
doelaanwijzende of consecutieve / gevolghebbende bijzin met het prædicaat
afferamus, dat wij opbrengen, in de coniuntivus (optativus /wens of
potentialis/mogelijkheid)
Fructum, vrucht – object
van het gezegde afferamus in de accusativus enkelvoud van fructus, - us.
Pro mundi salute, voor het
heil van de wereld, - bijwoordelijke bepaling samengesteld uit het præpositum
pro dat de ablativusvorm salute ten gevolge heeft waartussen de genitivus (explicativus) mundi is ingeklemd als een bijvoeglijke bepaling. Pro en salute vormen
de stijlfiguur hyperbaton..
Gaudentes, met vreugde, ons
verheugend: prædicatieve bepaling in de 1e pers. meervoud van het participium
præsentis gaudens, -ntis die het in
afferamus opgesloten subject wij nader illustreert.
Ad 4
Effecti unum, één gemaakt:
eveneens een prædicatieve bepaling bij het in het gezegde afferamus opgesloten
subject wij in de 1e pers. meervoud van het perfectum passivi van efficere,
-feci, - fectum, 3, met betekenissen 1. voortbrengen 2. veroorzaken, bewerken (effect hebben) en 3. maken.
Unum, adverbium; een praedicatief gebruikt cardinalium, aansluitend bij het in effecti
opgesloten subject wij.
Inhoudelijk moet deze bijstelling worden gelezen
vóór het gevraagde effect van de bede in
3b aangezien de gevraagde vruchtbaarheid volgt op de vereniging in eenheid met
Christus. Hier is opnieuw een belangrijk
detail in de Nederlandse vertaling verloren gegaan. Uit kracht van de ontvangen
H. Communie (het waarachtige Lichaam des Heren) worden de gelovigen tot een
eenheid gemaakt.
S t i j l f i g u r e n
Repetitio en alliteratie bij uno…uno…(regel
1) en unum (r. 4)
Eindrijm bij unum (r. 4) en fructum (r. 3b).
Eindrijm bij unum (r. 4) en fructum (r. 3b).
Hyperbaton (uiteenplaatsing van bij elkaar
behorende begrippen): pro mundi salute
Mooie antithese effecti versus unum: wij (allen) gemaakt tot een.
Mooie antithese effecti versus unum: wij (allen) gemaakt tot een.
Dominantie van u-klank: Deus, uno, uno, quæsumus,
ut, unum, fructum, mundi, salute, in 9 van de 29 woorden.
K l e i n v o c a b u l a r
i u m
Affero (ad-ferr), attuli,
allatum
betekent basaal aan-, bij, -toebrengen, aandragen,
verschaffen, leveren, iets naar een plaats brengen (van draagbare zaken terwijl
adduco betekent mensen of dieren met zich ergens heen voeren, - brengen,
begeleiden). Het wordt ook gebruikt met betekenissen als: een zaak brengen,
dragen bijvoorbeeld nieuws, rapporteren, aankondigen, melden, overbrengen,
boodschappen, informeren, openbaar maken en in concepten als “een product
voortbrengen”, oogsten, dragen, produceren, zoals ‘vruchten dragen’ (Vgl. Jo
15, 16 boven).
In de verzen 15 en 16 van Psalm 44 (Bruiloftsgedicht
voor een koning) komen de begrippen afferentur en adducentur
beide voor:
“Afferentur regi virgines proximæ eius, afferentur
tibi in lætitia et exsultatione; adducentur in templo regi Domino” – Meisjes
worden naar de koning geleid, gezellinnen in haar gevolg, ook zij worden
voortgeleid onder vreugde en jubel tot bij de koning in zijn troonzaal.
Getoonzet in het Gregoriaans worden deze verzen in de gemeenschappelijke misformulieren
‘van de maagden’ als offertorium (offerandezang) gebruikt.
Afferre heeft ook de betekenis van het aanbieden van
een geestelijke of mentale gesteltenis: “Ad mensam cælestis convivii fac nos,
Domine, eam mentis et ciorporis puritatem afferre, qui…” / letterl.: Maak,
Heer, dat wij die zuiverheid van lichaam en geest naar de tafel van het hemels
gastmaal brengen…(Secreta misformulier H. Antonius Maria Zaccaria, 5 juli [MR
1962])
Particeps, - cipis
Als adiectivum: deelnemend,
deelachtig
Als substantivum: m. en vr.
: deelgeno(o)t(e).
Het substantief wordt zowel voor God gebruikt voor
zovere Hij de menselijke natuur heeft aangenomen en met betrekking tot de
mensen voor zover deze verheven zijn tot het bovennatuurlijk niveau. Een
voorbeeld zagen we reeds in de aanhef van het Gebed over de gaven van de 5e
zondag van Pasen in de reeks Orationes Super munera: Deus, qui nos, per huius sacrificii
veneranda commercia, unius summæque divinitatis participes effecisti / God, die ons, door de vererenswaardige uitwisselingen van dit offer deelgenoot heeft gemaakt van de ene,
allerhoogste goddelijkheid…
De H. Augustinus drukt dit zeer toepasselijk uit: Neque
enim efficeremur participes divinitatis eius, nisi ipse mortalitatis nostræ
particeps fieret (Ennar. in ps. 118, S 16, 16) / Wij zouden niet
deelachtig zijn (geworden) aan Zijn Godheid, als Hij niet deelachtig was
geworden aan onze sterfelijkheid. In de eucharistische oraties verwijst het
begrip gewoonlijk naar de status van deelnemer in de eucharistische handeling: quos
tanti mysterii tribuis esse participes / ons, die Gij laat deelnemen aan een zo groot
Mysterie (Postcomm. Dom. 3 Quadrag. [MR 1962]); ut mysterium cuius nos participes esse voluisti / opdat wij
het Mysterie, waaraan Gij ons deelachtig hebt willen maken … (Postcomm. 13 jan.
Doopsel van de Heer [MR 1962]). Het begrip staat ook voor de status van de
gelovigen nadat zij van hun zonden zijn bevrijd: ut eas a peccatis omnibus
exuas, et tuæ redemptionis facias esse participes / opdat Gij hen van alle
zonden moogt ontslaan en aan uw Verlossing deelachtig maken (Postcomm.
Misformulier: Pro omnibus fidelibus defunctis [MR 1962]).
Het tot dezelfde familie behorende verbum
participare betekent deelachtig maken, iemand aan iets laten deelnemen, met
iemand delen, berichten, deelachtig worden, deelhebben aan, en het kan
geconstrueeerd worden met het præpositum de.
C o m m e n t a a r
De H. Communie is tegelijkertijd een
uitwendig teken en een inwendige oorzaak van onze vereniging met Christus. Wij
zijn ledematen van het Mystieke Lichaam van de Kerk. Bij het Laatste Avondmaal
bad Christus tot de Vader voordat Hij de sacramenten van de Eucharistie en het
priesterschap instelde. Daarna ging Hij
uit naar Zijn Lijden en Zijn Offer.
Hij bad: “.. dat zij allen één mogen zijn (ut omnes
unum sint), zoals Gij, Vader het zijt in Mij en Ik in U, mogen zij ook één
zijn in Ons (ut et ipsi in nobis unum sint)….De heerlijkheid die U Mij
hebt gegeven, heb Ik aan hen gegeven, zodat zij één mogen zijn, zoals Wij één
zijn (ut sint unum sicut nos unum
sumus), Ik in hen en U in Mij, opdat zij volmaakt één zijn (ut sint
consummati in unum), zodat de wereld zal erkennenm dat Gij Mij hebt
gezonden en hen hebt liefgehad, zoals Gij Mij hebt liefgehad” (Verg. Jo 17,
20-23) .
Deze passage is essentieel voor het pogen van de Kerk om tot een
daadwerkelijke dialoog te komen met de niet-katholieke christenen, een
authentieke oecumene.
De H. Vader Johannes-Paulus II schreef een encycliek
met de titel Ut unum sint.
Bij
diverse gelegenheden sprak paus Benedictus VI over het Sacrament van eenheid:
Christus, die we hier in het H. Sacrament ontmoeten is
hier in Bari dezelfde als in Rome, in Europa, in Azië , Amerika of Oceanië. Het
is een en dezelfde Christus die overal op de wereld in het Eucharistische Brood
aanwezig is. En dat betekent dat wij Hem slechts samen met alle anderen kunnen
ontmoeten. We kunnen Hem alleen in eenheid ontvangen zoals de Apostel Paulus
zojuist in de lezing zei: Het is één Brood. Daarom vormen wij, velen,
één lichaam; want allen hebben wij deel aan het éne Brood” (1 Kor 10,
17). De consequentie is duidelijk: We
kunnen niet met de Heer communiceren, als we niet onderling communiceren. Als
we voor Hem willen verschijnen, moeten we ons ook naar anderen toe bewegen en
elkaar tegemoet gaan. Daarom moeten we de grote les van de vergeving leren:
niet langer in het hart gevoelens van wrok koesteren, maar grootmoedig het hart
openen, de ander aanhoren, met begripvol
hart hem tegemoet gaan, mogelijkerwijs zijn verontschuldigingen aannemen en de onze edelmoedig aanbieden.
Uit
de homilie in de Eucharistieviering bij de afsluiting van het Eucharistisch
Congres, Bari 29 mei 2005.
De H. Eucharistie is – we herhalen het – het Sacrament
van de eenheid. Maar helaas zijn de christenen juist in dit Sacrament van de
eenheid onderling verdeeld. Des te meer moeten wij ons, gedragen door de H.
Eucharistie, aangespoord voelen met alle krachten naar de volle eenheid te
streven, die Christus in de zaal van het Laatste Avondmaal zo vurig heeft
gewenst.
Uit
dezelfde preek.
Door de H. Eucharistie schenkt de Heer de zijnen niet
alleen Zichzelf, maar ook de werkelijkheid van een nieuwe onderlinge
gemeenschap die voortduurt in de tijd “totdat Hij komt” (vgl 1 Kor 11, 16).
Door de Eucharistie worden zijn leerlingen tot zijn levend huis, dat in de loop
van de tijd uitgroeit tot de nieuwe en levende Tempel van God in deze wereld.
Uit
de homilie bij de H. Mis op het hoogfeest van de HH. Petrus en Paulus, 29 juni
2006.
Denk na over de manier waarop je met je omgeving
omgaat. Misschien kan je voorbeeld en
uitnodiging leiden tot een werkelijke vereniging met Christus zodat we uiteindelijk een mogen zijn in
Christus.
Abonneren op:
Posts (Atom)


