Posts tonen met het label PC Kloostergeloften. Alle posts tonen
Posts tonen met het label PC Kloostergeloften. Alle posts tonen

woensdag 27 april 2022

De heilige Petrus Canisius [1521-1597] over de kloostergeloften 1 de waarde van de kloostergeloften


Bij de gedachtenis van de H. Petrus Canisius is het goed om eens te kijken wat deze kerkleraar van Nederlandse bodem zegt over de waarde van de religieuze geloften.
Wat zijn kloostergeloften?
Het zijn de hoogst noodzakelijke middelen om het doel van de kloosterroeping te bereiken, nl. het met grote ijver verlangen en streven naar eigen zaligheid en volmaaktheid, en die van anderen.

Het zijn wapenen tegen de drie vijanden die ons het meest de weg trachten te versperren om tot de volmaakte, ons met God verenigende liefde te komen. Die vijanden zijn: de liefde en de zorg voor tijdelijke goederen, het vlees [zinnelijkheid]  en de eigen wil of geest van hoogmoed.
Door de gelofte van armoede strijden wij tegen de eerste vijand: de begeerlijkheid van de ogen; door de gelofte van zuiverheid tegen het vlees; door de gelofte van gehoorzaamheid tegen de hoogmoed en de geest van hoovaardij, de duivel.

Door deze drie geloften dragen wij aan God op:
Het volledige en uitstekende offer van alle uitwendige bezit, van ons lichaam en van onze ziel.
Het zijn drie gaven, die wij aan de arme, kuise en gehoorzame Christus aanbieden, om het voorbeeld te volgen van de Wijzen in Bethlehem, die aan de kleine Christus met grote godsvrucht goud, wierook en myrrhe offerden.
Dit zijn koninklijke gaven! Ze zijn Christus aangenaam, en maken de offeraars tot koningen, overwinnaars, priesters, wijzen. Zij onttrekken hen aan Herodes’ macht; maken hen aan Christus gelijkvormig en volmaken hen in de liefde.
 
Deze geloften worden ons symbolisch betekend door de drie spijkers van het kruis (1). Want zij, die kloostergeloften afleggen, maken zich gelijkvormig aan de gekruisigde Christus.
Iedere kloosterling is door zijn/haar geloften als met drie spijkers tezamen met Christus aan het kruis gehecht. En evenals Christus geen acht sloeg op de woorden van de Farizeeën, die Hem honend toeriepen: “Als Gij de Zoon van God zijt, kom dan af van het kruis,“  en “Als Hij de koning van Israel is, laat Hij dan van het kruis afkomen, dan geloven we in Hem”, zó ook moet de kloosterling geen acht slaan op de bekoringen, die hem verleiden zich van zijn kruis los te maken, maar met Christus daarop volharden tot in de dood.(Exhortatio 133)atje 2

Kloostergeloften afleggen is een waarlijk geestelijk en zeer kostbaar offer in de ogen van God en van alle heiligen. Mij dunkt, wij kunnen dit offer vergelijken met die éérste offerande, waarvan het Evangelie spreekt, nl. die door de Wijzen werd gebracht.
Een nieuwe ster straalde voor hen uit het Oosten, en wekte hen op, om Christus te gaan zoeken. De geslepen Herodes met zijn handlangers konden hen niet weerhouden! Zij verlieten hun vaderland en haardsteden; zochten met veel moeite en wederwaardigheden de arme Christus; huldigden, om oprecht getuigenis te geven van hun geloof en godsvrucht, Christus vol eerbied met hun drievoudig geschenk, en verdienden zodoende bescherming tegen hun vijanden en een veilige terugkeer naar hun land.

Ja, de drie geloften zijn een onvergelijkelijke offergave! We lezen wel: dat de gelovigen God ook andere offers brachten, en dat zij daarom in de H. Schrift geprezen worden en door God gezegend zijn.
Abel offerde het beste van zijn kudde en God zag goedgunstig neer op Abel en zijn gaven.
Noë bracht een altaaroffer zowel van reine als onreine dieren, en de Heer aanvaardde die geur van zoetheid en deed de offeraar heerlijke beloften. Melchisedech offerde brood en wijn, en Christus heeft priester willen zijn volgens de offerritus van Melchisedech.
Salomon offerde in de oude Tempel zéér vele gaven, en God antwoordde en toonde ook, dat dit Hem hoogst welgevallig was.
Maar véél meer behaagt God deze offerande [van de kloostergeloften], waardoor ieder van ons God méér aanbiedt, dan wanneer hij ál het goud van Salomon en van héél Israel zou offeren.


Hij/Zij offert Hem immers héél de wereld, en ál wat hij daar zonder zonde als eigendom zou kunnen bezitten.
Hij offert Hem geen kalveren, runderen of het vlees van anderen, maar zichzelf, zijn eigen lichaam; en dat niet slechts ten dele, maar door een besnijdenis van ál zijn zinnen en ledematen; en daar bovenuit zijn ziel met héél zijn geest, verstand en wil. En hij verlangt niets anders dan God alléén geheel en al te zijn toegewijd en eeuwig toegeheiligd te blijven.

Wat zullen we er nog meer van zeggen?
Géén offer is God aangenamer, maakt ons méér gelijkvormig aan Christus, is moeilijker voor de natuur. Door géén ander offer kan de mens zich naar ziel en lichaam volmaakter wegschenken. Want hier wordt niet alleen de boom geofferd met zijn bladeren en vruchten, maar óók met zijn wortel, dat wil zeggen met de volmaakte en volkomen bereidvaardigheid van de wil. (Exhortatio 391)

(1) Hier vinden we een volgende invloed van de spiritualiteit van de Jezuïeten op die van de Kanunnikessen van het H. Graf in de 17e eeuw: naast het Christus-trigram IHS zijn ook deze drie spijkers in de ring, die bij de eeuwige professie wordt overgereikt, gegraveerd.

De heilige Petrus Canisius [1521-1597] over de kloostergeloften 2





Betekenis van de kloostergeloften

Een gelofte bestaat hierin: dat we God iets beloven en dat dan ook volbrengen.
Er zijn evenwel verschillende geloften. – De een legt de gelofte af: een werk van boetvaardigheid te zullen verrichten; de ander belooft een bedevaart, of de boom van zijn wezen of werk, of slechts de vruchten ervan; en dat wel voor een bepaalde tijd.
Maar wij doen geloften omtrent dit alles te samen, n.l. van een boetewerk: dat echter niet één jaar, doch altijd zal duren, en bestaat in ’t om Christus’ wil voortdurend versterven van onszelf.
Wij beloven een bedevaart: niet echter naar Jeruzalem of naar de berg Horeb, zoals de grote Elias deed, maar een pelgrimstocht naar de Hemelse Stad, langs de smalle weg van de Evangelische Raden.
Wij beloven krijg te zullen voeren: niet slechts tegen de vijanden van het Kruis, maar óók tegen onszelf en tegen de Satan; en ook dát weer niet voor één jaar, maar voor héél ons leven.
Wij beloven niet alleen de boom van onszelf of ons werk en de nieuwe vruchten daarvan, maar álles tegelijkertijd wat we bezitten of ooit zouden kunnen bezitten.
Hoe dit?
Wij offeren God de tienden van alles wat bestaat! Wat wij ter wereld slechts zouden kunnen bezitten: offeren we door de gelofte van armoede.
Het zinnelijk leven, dat ons met de dieren gemeen is: offeren we door de gelofte van zuiverheid.
Ja, wat wij met de Engelen gemeen hebben, n.l. ons verstond, onze wil, ons oordeel en ons inzicht: brengen wij door de gelofte van gehoorzaamheid ten offer.
Is het derhalve niet waar, dat wij God de tienden offeren van alles wat bestaat?
En niet alleen het uitwendige offeren we, maar ook het inwendige.
Zo bijvoorbeeld door de gelofte van armoede: óók de begeerte naar alles wat onze ogen kan aantrekken. En wanneer wij het tijdelijke zien: dan verachten we dat en doven de inwendige begeerte daardoor om Gods wil in ons uit.
Wanneer ons vlees oneerbare lusten en gedachten in ons opwekt, en door de verbeelding aan het verstand schandelijke voorstellingen opdringt: dan onderdrukt de gedachte aan onze gelofte van zuiverheid ook de inwendige slechte begeerten; en wij hernieuwen het offer van ons lichaam en ons hart aan God, om te voorkomen dat onze wil zou toestemmen in de voorgestelde aanlokkingen.
Wanneer onze Overste zegt: “Doe dit,” dan wekt de eens beloofde gehoorzaamheid ons aanstond weer op, en overtuigt ons: dat wij er geen oordeel over mogen vellen, of het gegeven bevel inderdaad nuttig is, doch aanstonds offert de gehoorzaamheid ons met grote bereidwilligheid aan God op: daar we beloofd hebben niet slechts ten dele, maar geheel en al omwille van God aan onze Oversten onderworpen te zijn, - en omdat we nu toebehoren aan de gehoorzaamheid, waaraan we ons geheel hebben toegewijd.
Wie dus God iets ontrooft van wat Hém toebehoort, en dit tot het zijne maakt: hij zondigt.
Beschouw hierbij ook Gods goedheid, die bij onze geloften zo treffend tot uiting komt!
God namelijk heeft onze goederen niet nodig! en tóch – mits we het slechts met oprechtheid brengen – neemt Hij zelfs het geringste offer van ons aan als ware het van hoge waarde. En Hij vergeldt het ruimschoots met goederen, die eeuwig zijn! en belooft ons het honderdvoud terug te zullen schenken. Ja, óók in dit leven hier op aarde vergeldt Hij het op wonderbare wijze: zodat aan zijn armen niets ontbreekt, en ze het dikwijls zelfs beter hebben dan de rijken deze wereld.
(Exhortatio  395)